CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Gorredijk Stationsweg 58 ontwerp dd 12-10-2023

Raadsvergadering 11 december 2023, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Gorredijk - Stationsweg 58 (H)22.579 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Gorredijk - Stationsweg 58 Opsterland

DATUM IMRO IDN

12-10-2023 NL.IMRO.0086.20230963-0101

PROJECT PROJECTLEIDER

Gorredijk Stationsweg 58 Jan Jacob Posthumus

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20230963

AUTEUR STATUS

Ontwerp

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

3

1.1

Aanleiding

3

1.2

Ligging plangebied

3

1.3

Planologische regeling

4

1.4

Leeswijzer

4

Planbeschrijving

5

2.1

De bestaande situatie

5

2.2

Voorgenomen situatie

6

2.3

Verkeer en parkeren

7

Beleidskader

8

3.1

Rijksbeleid

8

3.2

Provinciaal beleid

9

3.3

Gemeentelijk beleid

10

Milieu- en omgevingsaspecten

12

4.1

Geluid

12

4.2

Bedrijven en milieuzonering

13

4.3

Ecologie

14

4.4

Bodem

15

4.5

Water

15

4.6

Luchtkwaliteit

16

4.7

Archeologie

16

4.8

Cultuurhistorie

17

4.9

Externe veiligheid

17

4.10

Kabels, leidingen en zones

18

4.11

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

18

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

20

5.1

Het juridisch systeem

20

5.2

Toelichting op de bestemmingen

20

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

21

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

21

6.2

Economische uitvoerbaarheid

21

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Geluidsonderzoek inrichtingenlawaai en wegverkeerslawaai

Bijlage 2

Stikstofberekening

Bijlage 3

Ecologische quickscan

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 5

Watertoets

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

37

Artikel 1

Begrippen

37

Artikel 2

Wijze van meten

41

Bestemmingsregels

42

Wonen

42

Hoofdstuk 3

Algemene regels

46

Artikel 4

Anti-dubbeltelregel

46

Artikel 5

Algemene bouwregels

47

Artikel 6

Algemene gebruiksregels

48

Artikel 7

Algemene afwijkingsregels

49

Artikel 8

Algemene aanduidingsregels

50

Artikel 9

Overige regels

51

Overgangs- en slotregels

52

Artikel 10

Overgangsrecht

52

Artikel 11

Slotregel

53

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Hoofdstuk 4

Bijlagen regels Bijlage 1

Lijst met kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Toelichting

1/62

2/62

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De locatie Stationsweg 58 te Gorredijk betreft een groengebied met daarop een bouwwerk. In het verleden werd het pand gebruikt als woon-werklocatie. De meeste bebouwing op het perceel is inmiddels gesloopt, alleen de werkplaats is nog aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens om dit gebouw op te knappen en als woning in gebruik te nemen. Daarbij zijn interne verbouwingen nodig maar verder vinden op het perceel geen nieuwe ontwikkelingen plaats en worden geen nieuwe ruimtelijke ingrepen gedaan. Het perceel heeft op basis van het geldende bestemmingsplan Gorredijk Kom de bestemming 'Groen'. Binnen de bestemming is regulier wonen niet toegestaan. Om het gebouw te kunnen gebruiken als woning, moet de huidige bestemming worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Daarbij hoort een onderbouwing van een goede ruimtelijke inpassing ingevolge artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend plan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt midden in de kern Gorredijk, aan de Stationsweg 58. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1

3/62

Ligging van het plangebied

1.3

Planologische regeling

Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan Gorredijk Kom, dat is vastgesteld op 4 april 2016. Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2.

Figuur 1.2

Uitsnede geldende bestemmingsplan Gorredijk Kom

In het geldende bestemmingsplan is het plangebied bestemd als 'Groen'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bebossing, wegen, paden en speelvoorzieningen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Strijdigheid Binnen de huidige groenbestemming zijn geen gebouwen toegestaan. De aanwezigheid van de werkplaats is daarmee in feite al in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het gebruiken van het gebouw voor regulier woongebruik is in strijd met de bestemming 'Groen' omdat binnen deze bestemming het gebouw en de woonfunctie niet zijn toegestaan.

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4/62

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. De inpassing in de huidige situatie wordt ook behandeld.

2.1

De bestaande situatie

Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft het perceel Stationsweg 58 te Gorredijk en bevindt zich midden in de kern van het dorp. Het perceel kent in de huidige situatie een groenbestemming maar was voorheen in gebruik als werkplaats met daarbij een bedrijfswoning. Momenteel is nog één gebouw (vml. werkplaats) aanwezig. Het gebouw, plat afgedekt, heeft een oppervlakte van circa 100 m2 en is 6 meter hoog. Het gebouw zelf kent geen specifieke cultuurhistorische waarde, maar het gebouw zelf verteld wel het oorspronkelijke gebruik van het gebouw. Met het beoogde woongebruik vervalt het oorspronkelijke gebruik van het gebouw, maar blijft het gebouw wel het oorspronkelijke gebruik vertellen. Dit vanwege het bestaande gebouw slechts voorziet in een functiewijziging. Het plangebied kent verder een groene, verwaarloosde inrichting met veel bosschages. Langs de Stationsweg staan voornamelijk, karakteristieke, woningen. Ten westen van de Stationsweg bevindt zich een groot, gezoneerd bedrijventerrein. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de bestaande situatie weergegeven. In figuur 2.2 is een vooraanzicht van het plangebied weergegeven.

5/62

Figuur 2.1

Luchtfoto van de bestaande situatie met het plangebied

Figuur 2.2

Vooraanzicht van het plangebied

2.2

Voorgenomen situatie

Het voornemen is om het bestaande gebouw te verbouwen tot een woning. In de nieuwe situatie krijgt het plangebied dan ook de bestemming Wonen, zoals langs de rest van de Stationsweg ook het geval is. Er is daarmee alleen sprake van een functiewijziging. Van sloop -en/of nieuwbouw is geen sprake. Indien in de toekomst sprake is van sloop en nieuwbouw dan zal de woning in relatie tot de wederopbouwwijk naast het perceel en ook in relatie tot de oude lintbebouwing ingepast worden. Het perceel zit net in een overgangszone en bij de uiteindelijk aanvraag bouwen zal toetsing plaatsvinden aan de dan geldende welstandsnota.

6/62

2.3

Verkeer en parkeren

Verkeersstructuur Het plangebied wordt ontsloten door de Stationsweg. Via deze weg is de N392 in zuidelijke richting te bereiken. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is in de gewenste situatie beperkt. Het gaat hierbij om verkeersbewegingen van de toekomstige bewoners. In het verleden waren de verkeersbewegingen afkomstig van de werkplaats en de bedrijfswoningen groter. Het toekomstig verkeer kan zich goed afwikkelen op de bestaande infrastructuur. Parkeren Voor de woning geldt een parkeernorm van 2,0 plekken per woning. Bij de woning is hier gezien de kavelgrootte voldoende ruimte voor beschikbaar.

7/62

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief zeer kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en sluit aan bij de doelstelling om de regio nog sterker en leefbaarder te maken. Duurzame verstedelijking In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking.

8/62

In dit bestemmingsplan wordt geen stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het mogelijk maken van één woning is op basis van jurisprudentie (18 december 2013 201302867/1/R4) geen verstedelijking. Toepassing van de ladder van duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn in de regelgeving vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. De nieuwe omgevingsverordening is nog niet vastgesteld. Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele' De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie werkt de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De werkwijze is gestoeld op negen principes: Inhoudelijke principes: 1. zuinig ruimtegebruik; 2. omgevingskwaliteit als ontwerpbasis; 3. koppelen van ambities; 4. gezondheid en veilig; Samenwerkingsprincipes: 5. rolbewust; 6. decentraal wat kan; 7. ja, mits; 8. aansluiting zoeken; 9. sturen op proces, ruimer op inhoud. Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1. Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; 2. Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; 3. Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht; 4. Fryslân versterkt de biodiversiteit. Om de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar te houden moeten onder meer voldoende woningen worden voorzien in de provincie. Daarbij zet de provincie met name in op benutting van bestaande locaties en bestaande capaciteit.

Wanneer in het bestaand bebouwd gebied niet aan de behoefte kan worden voldaan, is uitbreiding van een stad of dorp mogelijk. In dit geval gaat het om een bestaande, voormalige werkplaats die in gebruik wordt genomen ten behoeve van een reguliere woonfunctie. Daarmee wordt een bestaande locatie benut om te voorzien in een specifieke behoefte. Dit past binnen het provinciaal beleid.

9/62

Verordening Romte In de Verordening Romte Fryslân is het provinciaal beleid vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. In de verordening staan geen specifieke regels voor de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt in dit bestemmingsplan. Wonen Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. Ten aanzien van wonen vermeldt de verordening dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw kan bevatten als het plan qua aantal en kwaliteit in overeenstemming is met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. De provincie wil stedelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk plaats laten vinden binnen bestaand stedelijk gebied. Het plangebied valt binnen de begrenzing van het 'bestaande bebouwd gebied'. Omdat het gaat om een functiewijziging van een bestaan gebouw voor een specifieke doelgroep is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. In paragraaf 3.3 is ook gemotiveerd dat de ontwikkeling binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma past. Conclusie Het voornemen is in overeenstemming met het provinciale beleid en de provinciale regelgeving.

3.3

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Gemeente Opsterland 2015-2030 In de Omgevingsvisie Gemeente Opsterland 2015-2030, zoals vastgesteld op 21 september 2015, is een analyse gemaakt van de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen en leven in de dorpen van Opsterland. Het gaat daarbij om belangrijke maatschappelijke veranderingen die ingrijpende gevolgen hebben voor de ruimtelijke ontwikkeling, zoals demografische veranderingen, veranderingen op het gebied van inkomen, zorg, koopgedrag, participatie, vrijwilligerswerk, vrijetijdsbesteding, alsmede technologische veranderingen, zoals internet, social media, domotica, milieu, energiegebruik, landbouw, verkeer, vervoer en transport. Daarnaast hebben de stagnerende economie, de krimp en de beperkte gemeentelijke middelen eveneens ingrijpende gevolgen voor de samenleving en voor de benodigde voorzieningen. De woningbouw vond de laatste decennia verspreid plaats over de verschillende kernen. Het meest in de grotere kernen (Gorredijk, Beetsterzwaag en Ureterp), daar kwam bijna twee derde van de nieuwbouw terecht. Maar ook in de overige kernen werden veel woningen gerealiseerd, zeker in verhouding tot de omvang van de kleine kernen. In 2013 heeft een aanpassing van het woningbouwprogramma plaatsgevonden.

Dit programma kenmerkt zich door de sterke spreiding van het nieuwbouwprogramma over de verschillende kernen binnen de gemeente, met een accent op de drie hoofdkernen. Dit uitgangspunt is ook voor de periode 2015-2030 van toepassing: het grootste deel van de nieuwbouw komt terecht in Gorredijk, Beetsterzwaag en Ureterp, daarbij ligt het accent op Gorredijk. In dit geval gaat het om een specifieke behoefte naar een nieuwe woning in de kern Gorredijk. Bovendien betekent de herinvulling van deze 'stedelijke' locatie een toevoeging aan de ruimtelijke kwaliteit ten opzichte van de huidige situatie. In de huidige situatie is namelijk sprake van een verwaarloosde situatie.

10/62

Woonvisie gemeente Opsterland 2017 - 2021 In de woonvisie beschrijft de gemeente Opsterland het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2017-2021. In de woonvisie wordt aangegeven dat er tussen 2016 en 2030 behoefte is aan maximaal 600 woningen. Voor nieuwbouw wil de gemeente zich focussen op inbreiding in plaats van uitbreiding. Mogelijke uitbreidingslocaties moeten plaatsvinden in de grotere dorpen, waaronder Gorredijk. De gemeente wil initiatieven van dorpen en bewoners faciliteren indien die voorzien in een behoefte, draagvlak hebben en realistisch zijn. Daarbij kan het gaan om initiatieven voor huur- of koopwoningen, of een combinatie van huuren koopwoningen. De gemeente staat ook open voor (Collectief) Particulier Opdrachtgeverschap. Omdat de woningbehoefte beperkt is, kiest de gemeente voor flexibiliteit in programma en locaties. Zo kan zij flexibel en via maatwerk optimaal inspelen op de concrete vraag. De gemeente zet in op snellere procedures bij vergunningverlening voor nieuwbouw. Dit initiatief voorziet in een concrete vraag naar de herinvulling van een bestaand gebouw tot woning. Het voornemen is niet in strijd met de woonvisie. Wat betreft de woningbouwruimte kan het volgende worden gesteld.

In 2018 heeft de gemeente Opsterland gezamenlijk met de gemeenten Heerenveen, Ooststellingwerf, Smallingerland en Weststellingwerf woningbouwafspraken gemaakt met de provincie Fryslân voor de periode van 1 januari 2016 tot 1 januari 2026. De toe te voegen past binnen deze afspraken. Conclusie Het voornemen past binnen het gemeentelijk woonbeleid.

11/62

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Geluid

Toetsingskader Ten aanzien van geluidshinder (anders dan inrichtingsgeluid) is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidshinder vanuit wegen, spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidshinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang omdat er geen spoorwegen in de omgeving van het plangebied voorkomen en het plangebied niet binnen een geluidzone van een industrie- of bedrijventerrein valt. Toetsing Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat de geluidsbelasting op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. In veel gevallen is deze norm 48 dB. Voor wegverkeersgeluid is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd omdat de te realiseren woningen inclusief de bedrijfswoning in de geluidzone liggen van de Stationsweg. Het onderzoek is als bijlage 1 toegevoegd. De berekende geluidbelasting vanwege Stationsweg is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. Voor de woning is derhalve geen hogere waarden nodig in het kader van wegverkeerslawaai.

Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidzone mag de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet worden overschreden. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde. In de huidige situatie maakt het gehele plangebied deel uit van een geluidzone voor industrielawaai. Voor de woning is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1) om de geluidbelasting uit te rekenen en zo nodig hogere waarden vast te stellen. De berekende geluidbelasting overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De berekende geluidbelastingen moeten als hogere waarde vast worden gesteld. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde. Op basis van de minimale geluidwering van 20 dB(A) conform het Bouwbesluit kan het binnenniveau voldoen aan een maximum van 35 dB(A). De gemeente dient voor de woning, net als geldend voor de omliggende woningen een hogere waarde van 55 dB(A) vast te stellen.

12/62

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een 'gemengd gebied'. Dit is vanwege het feit dat in de directe omgeving meerdere bedrijfs- en woonfuncties naast elkaar bestaan. In dergelijke gevallen mag 'een stapje terug' worden gedaan. Vanwege de ligging binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein, de ligging aan de rand van het dorp waar planologische mogelijkheden ten behoeve van bedrijvigheid gelden én de ligging langs een belangrijke ontsluitingsroute van de kern Gorredijk kan het plangebied worden gezien als gemengd gebied. In het plangebied wordt een burgerwoning mogelijk gemaakt. Dit betreft een milieugevoelige functie. Ten noorden, aan de Stationsweg 64, bevindt zich een maatschappelijke functie uit ten hoogste milieucategorie 2.

Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Het plangebied ligt op meer dan 47 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Ten noordoosten, aan de Trimbeets 4, voorheen Stationsweg 60, bevindt zich een voormalige kerk. Middels een wijzigingsplan is de bestemming van kerk gewijzigd naar wonen, welke functie geen belemmering vormt voor de woonfunctie in het plangebied. Even verder ten zuidoosten bevindt zich een middelbare school, in milieucategorie 2. De inrichting van de school bevindt zich op meer dan 110 meter. Aan de Stationsweg 33, ten zuiden van het plangebied, bevindt zich een bedrijf uit ten hoogste milieucategorie 2, met daaraan gekoppeld een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De afstand van de woning tot de grens van de inrichting bedraagt ruim 40 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Tot slot bevindt zich aan de westkant van het plangebied het bedrijventerrein van Gorredijk. Hier zijn geluidszoneringsplichtige inrichtingen toegestaan uit ten hoogste milieucategorie 4.2. Hiervoor geldt een richtafstand van 200 meter in gemengd gebied. Hierbij geldt hoe zwaarder de milieucategorie is, hoe verder het bedrijf van de bebouwde kom van Gorredijk is gelegen. Op basis van deze indeling bevindt het plangebied zich niet binnen de milieucirkels van de bedrijven op het bedrijventerrein.

De belangrijkste factor die voor een mogelijke verstoring kan leiden is geluid. Daarom is voor de ontwikkeling een geluidsonderzoek uitgevoerd. Dit ook vanwege het feit dat het plangebied zich binnen de geluidszone van het industrieterrein bevindt. Zie hiervoor bijlage 1. Door de zonebeheerder is aangegeven dat het gehele plan is gelegen binnen de 50 dB(A) geluidzone van het industrieterrein Overtoom. De hogere waarde op de naastgelegen woningen bedraagt 55 dB(A), deze waarde dient ook te worden aangehouden voor de nieuw te realiseren woning op het perceel Stationsweg 58. Op basis van het bouwbesluit dient ten gevolge van industrielawaai een binnenniveau van 35 dB(A) gerealiseerd te worden, waarbij de karakteristieke geluidwering van de gevels 20 dB bedraagt. Deze eis is gelijk aan de minimale eis uit het Bouwbesluit en die van wegverkeerslawaai. Er zijn derhalve geen aanvullende maatregelen aan de woning benodigd conform het Bouwbesluit. Wel dient een hogere waarden besluit genomen te worden. Vanuit planologisch oogpunt kan het gebouw daarom worden omgezet naar burgerwoning, omdat de bedrijven in omgeving niet worden belemmerd. Ook blijft er sprake van een goede woonsituatie voor de woning.

13/62

4.3

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Toetsing In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. Conform de uitspraak van de Raad van State 2 november 2022 dient de aanlegfase weer meegenomen te worden in een stikstofberekening. Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Van Oordt's Mersken op circa 2 kilometer afstand tot het plangebied. Er is slechts sprake van een functiewijziging naar wonen.

Hierbij is geen sprake van een aanlegfase, slechts een functiewijziging waarbij fysiek geen verandering optreedt. Zekerheidshalve is voor de ontwikkeling een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 2. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

14/62

Toetsing In dit geval gaat het slechts om een functiewijziging van een bestaande gebouw. Er worden geen nieuwbouw-, sloop-, kap- en dempingswerkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling. Daarmee vinden geen werkzaamheden plaats die mogelijk invloed hebben op mogelijk aanwezige beschermde soorten. Zekerheidshalve is voor de ontwikkeling een ecologische quickscan uitgevoerd. Hieruit blijkt dat vanwege de potentiële aanwezigheid van vleermuizen en algemene broedvogels en de reuzenberenklauw een specifieke werkwijze moet worden gevolgd. Om hinder voor vleermuizen te voorkomen moet extra lichtoverlast worden voorkomen tussen zonsondergang en zonsopkomst. Om te voorkomen dat broedvogels worden verstoord, moeten bij de werkzaamheden voorzorgsmaatregelen worden getroffen (afhankelijk van de fase van het broedseizoen). Ten aanzien van de Reuzenberenklauw moet verspreiding worden voorkomen. De geadviseerde aanpak hiervoor is in de rapportage uitgebreid omschreven. Het rapport is als bijlage 3 toegevoegd.

4.4

Bodem

Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval. Toetsing Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Voor de ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 4. Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink en PAK. De verontreiniging is te relateren aan de voormalige bedrijfsactiviteiten op de locatie en de antropogene bijmengingen in de grond. Voorafgaand aan de bouw van een mogelijke woning op de locatie dient de sterke grondverontreiniging te worden gesaneerd. Dit kan doormiddel van het afgraven of het afdekken van de verontreinigde grond. Deze werkzaamheden met betrekking tot de sterke verontreiniging worden gezien als sanerende handeling.

Sanerende handelingen dienen voorafgaand aan de werkzaamheden gemeld te worden bij het bevoegd gezag (provincie Fryslân) door middel van een BUS-melding c.q. saneringsplan. Bij de uitwerking van de plannen wordt hier uitvoering aangegeven. Na sanering zijn de gronden geschikt voor de woonfunctie.

4.5

Water

Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat waarborgt dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.

15/62

Toetsing Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân. De uitkomst van deze toets is dat er geen waterschapsbelang geldt. Het resultaat van de watertoets is opgenomen als bijlage 5. Er is slechts sprake van een functiewijziging, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande afvalwaterketen en de verharding niet wijzigt. Daarom zijn er geen maatregelen noodzakelijk ten aanzien van het aspect water.

4.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Tevens moet worden bekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de voorgenomen functie. Toetsing In Friesland worden geen knelpunten verwacht op het gebied van luchtkwaliteit. Op grond van de Wet Luchtkwaliteit worden er binnen het plangebied geen grenswaarden overschreden. Ook zijn er geen dreigende grenswaardenoverschrijdingen. In het kader van dit bestemmingsplan worden er geen nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen mogelijk gemaakt die in betekenende mate leiden tot een verbetering of verslechtering van de luchtkwaliteit. Zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.7

Archeologie

Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).

16/62

Toetsing Op basis van de advieskaart ijzertijd - middeleeuwen geldt dat bij ruimtelijke ingrepen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op basis van de advieskaart Steentijd - Bronstijd geldt dat bij ruimtelijke ingrepen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In dit geval is uitsluitend sprake van een functiewijziging, vinden er geen ingrepen plaats én is het gebied kleiner dan 5.000 m2. Daarom is het niet noodzakelijk om onderzoek uit te voeren naar archeologische waarden.

4.8

Cultuurhistorie

Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing Binnen het plangebied zelf zijn geen significante cultuurhistorische waarden aanwezig. Dit bestemmingsplan voorziet slechts in een functiewijziging. Er wordt dus geen afbreuk gedaan aan eventuele karakteristieke waarde van de gebouwen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart van de provincie Fryslân bekeken.

17/62

Risicorelevante inrichtingen Uit de risicokaart voor Nederland blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Vervoer gevaarlijke stoffen In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. In de directe omgeving van het plangebied is hier geen sprake van. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Buisleidingen Uit de risicokaart voor Nederland blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle buisleidingen aanwezig zijn. Conclusie Externe veiligheid levert geen beperkingen op voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.10 Kabels, leidingen en zones Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied. Voor het bestemmingsplan gelden ten aanzien van kabels, leidingen en zoneringen geen belemmeringen.

4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

18/62

Per 7 juli 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.  Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). In dit geval gaat het echter uitsluitend om een perceelsgebonden ontwikkeling. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarom is het in dit geval niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-notitie op te stellen.

19/62

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Het juridisch systeem

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

In het voorliggende bestemmingsplan wordt de beoogde situatie vastgelegd. Het plangebied in dit plan heeft één enkelbestemming en één dubbelbestemming gekregen. Deze zijn opgezet volgens het geldende bestemmingsplan en de recente standaarden van de gemeente Opsterland. Wonen Het plangebied krijgt de bestemming 'Wonen'. Het plan biedt mogelijkheden voor wonen, in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Er is binnen de bestemming 'Wonen' één woning toegestaan. De woning dient binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Gebiedsaanduiding In verband met de aanwezigheid van geluidszoneringsplichtige inrichtingen op het industrieterrein Overtoom te Gorredijk is de aanduiding 'geluidzone - industrie' over het plangebied gelegd. Hiermee wordt beoogd om een te hoge geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten tegen te gaan.

20/62

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Het bestemmingsplan wordt vervolgens vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens deze periode bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het plan wordt uitgevoerd en bekostigd door de initiatiefnemer. De gemeente heeft geen kosten voor de realisatie van dit plan. Er wordt een planschadeovereenkomst afgesloten met de initiatiefnemer. Initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten, gezien er geen bebouwing wordt gesloopt of gerealiseerd. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van derden. Grondexploitatie Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

In het voorliggende plan is er op basis van artikel 6.2.1 Bro geen sprake van een bouwplan. De grondexploitatieregeling is daarom niet van toepassing. Om deze reden wordt door de gemeente van het opstellen van een grondexploitatieplan afgezien. De plankosten worden via leges op de initiatiefnemer verhaald. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

21/62

22/62

Bijlagen toelichting

23/62

24/62

Bijlage 1 Geluidsonderzoek inrichtingenlawaai en wegverkeerslawaai

ONDERZOEK GELUIDSITUATIE OP PERCEEL STATIONSWEG 58 IN GORREDIJK Onderzoek industrie- en wegverkeerslawaai

ONDERZOEK GELUIDSITUATIE OP PERCEEL STATIONSWEG 58 IN GORREDIJK Onderzoek industrie- en wegverkeerslawaai

Opdrachtgever

De heer R.S. Mulder De Duker 4 8407 AB Terwispel

Uitgevoerd door

Noordelijk Akoestisch Adviesburo BV

Behandeld door

H.H. Wolterman

Datum

13 augustus 2020

Kenmerk

6356/NAA/hw/ft/1

foto voorblad © Google

Noorderstaete 26 9402 XB Assen

Postbus 339 9400 AH Assen

(0592) 340 630 naa@naa.nl www.naa.nl

iban btw kvk

NL41 RABO 0382 8383 35 NL006719028B01 04029676

INHOUDSOPGAVE 1

Inleiding ..................................................................................................................................................................... 3

2

Situatie ...................................................................................................................................................................... 4 2.1 Plangebied 4 2.2 Omliggende wegen (wegverkeerslawaai) 4 2.3 Industrielawaai 5

3

Beoordeling geluidsniveaus ..................................................................................................................................... 6 3.1 Gehanteerde toetsingscriteria 6 3.2 Wegverkeerslawaai 6 3.2.1 Algemeen 6 3.2.2 Grenswaarden 6 3.2.3 Nadere bepalingen 7 3.3 Industrielawaai 7 3.4 Afweging geluidsgrenswaarden nieuwe woningen 7 3.5 Cumulatie van geluid 8 3.6 Binnenwaarden 8

4

Uitgevoerde berekeningen ....................................................................................................................................... 9 4.1 Inleiding 9 4.2 Geluidsoverdrachtsmodel 9

5

Wegverkeerslawaai Stationsweg ............................................................................................................................ 10

6

Vastgestelde geluidsniveaus op het plangebied.................................................................................................... 11 6.1 Wegverkeerslawaai 11 6.2 Industrielawaai 12 6.3 Cumulatie 12

7

Conclusies ............................................................................................................................................................... 13

Begrippenlijst ................................................................................................................................................................... 15

BIJLAGEN 1 2 3 4 5 6 7

Overzicht van de situatie Wettelijk kader Gehanteerde verkeersgegevens Invoergegevens overdrachtsberekeningen wegverkeer Grafische weergaven overdrachtsmodel wegverkeer Berekende geluidsniveaus wegverkeer Berekende cumulatieve geluidsniveaus

13 augustus 2020 | 6356/NAA/hw/ft/1

.

Blad 2 van 18

1

INLEIDING

In opdracht van de heer Mulder te Terwispel is een onderzoek uitgevoerd ter vaststelling van de geluidbelasting op het perceel Stationsweg 58 te Gorredijk. Op dit perceel ligt nu een groenbestemming en er staat een oud gebouw. Het plan is om het perceel te gaan bestemmen voor wonen. Daarbij wordt eventueel het bestaande pand omgebouwd naar een woning, of wordt een nieuwe woning gebouwd in de rooilijn van de naastgelegen woningen. Voor de realisatie van het plan is het noodzakelijk dat het bestemmingsplan wordt aangepast. Het plan ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein Overtoom en binnen het invloedgebied van de Stationsweg. Figuur 1 geeft een weergave van de huidige situatie met het bestaande gebouw op het perceel Stationsweg 58. Figuur 1: Ligging perceel Stationsweg 58 en directe omgeving

Vanwege de voorgenomen plannen dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar de invloed van het geluid op het plan afkomstig van het industrieterrein Overtoom dat gezoneerd is en ten noorden en westen van het plan is gelegen. De geluidbelasting op het plan ten gevolge van de industrie is berekend en aangeleverd door de zonebeheerder. De nieuw te realiseren woning op de bestaande locatie of in de rooilijn van de naastgelegen woningen is gelegen nabij de Stationsweg. Conform de Wet geluidhinder kent deze weg geen geluidzone vanwege de wettelijk toegestane maximum rijsnelheid van 30 km/uur. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de geluidbelasting ten gevolge van deze weg in het onderhavige onderzoek wel berekend. Het akoestisch onderzoek heeft plaatsgevonden overeenkomstig het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012” (RMG 2012). Op bladzijde 15 tot en met 18 worden enkele akoestische begrippen nader toegelicht.

13 augustus 2020 | 6356/NAA/hw/ft/1

.

Blad 3 van 18

2

SITUATIE

2.1

Plangebied

Het plangebied Stationsweg 58 is gelegen ten noorden van het centrumgebied van Gorredijk, in het westelijke deel van de betreffende plaats. Het plan is gelegen tussen de Stationsweg en de Trimbeets. Deze laatste weg is een weg binnen een woonwijk waar niet of nauwelijks sprake is van doorgaand verkeer. Figuur 2 geeft de ligging van het plan weer en de aangehouden rooilijn bij mogelijke nieuwbouw van de woning. Figuur 2: Overzicht plan Stationsweg en aangehouden rooilijn bij nieuwbouw

Zoals eerder aangegeven is ten tijde van het onderzoek nog niet duidelijk waar exact gebouwd gaat worden. Of het bestaande gebouw wordt vervangen of er wordt een nieuwe woning geplaatst waarbij de voorgevel in lijn is met de rooilijn.

2.2

Omliggende wegen (wegverkeerslawaai)

In het kader van goede ruimtelijke ordening dient de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Stationsweg inzichtelijk te worden gemaakt. De maximum rijsnelheid op deze weg bedraagt 30 km/uur. De weg is voorzien van asfalt en ter hoogte van de T-splitsing met de Leitswei voorzien van een elementenverharding in keperverband.

13 augustus 2020 | 6356/NAA/hw/ft/1

.

Blad 4 van 18

Figuur 3: Stationsweg (bron: Google Street View)

2.3

Industrielawaai

Het industrieterrein Overtoom is gelegen ten noorden en westen van het bouwplan. Het industrieterrein is gezoneerd in het kader van de Wet geluidhinder. Op het gezoneerde terrein zijn meerdere bedrijven gelegen. De geluiduitstraling van deze inrichting naar de omgeving wordt beheerd door een zonebeheerder in opdracht van de gemeente Opsterland. Aangezien het plangebied gelegen is buiten het industrieterrein, maar binnen de geluidzone, kan de zonebeheerder de geluidbelasting op het nieuwe plan ten gevolge van het industrieterrein berekenen.

13 augustus 2020 | 6356/NAA/hw/ft/1

.

Blad 5 van 18

3

BEOORDELING GELUIDSNIVEAUS

3.1

Gehanteerde toetsingscriteria

In deze paragraaf wordt uiteengezet aan welke waarden de geluidsniveaus veroorzaakt door de geluidsbronnen van het industrieterrein en de naastgelegen weg op het plangebied, zijn getoetst. In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk wordt een verdere algemene toelichting gegeven op het toetsingskader. De geluidsniveaus zijn beoordeeld binnen het plangebied op twee verschillende hoogten, te weten 1.8 (begane grond) en 5 meter (verdiepingsniveau). Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij een representatieve bedrijfssituatie van de te onderzoeken geluidsbronnen van het gehele industrieterrein worden op het plangebied getoetst aan een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en een maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Het hele plangebied is gelegen binnen de geluidzone van het industrieterrein Overtoom. Ten aanzien van het wegverkeerslawaai afkomstig van de Stationsweg wordt getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de te onderzoeken weg wordt ten aanzien van de toelaatbaarheid in het kader van een goede ruimtelijke ordening aansluiting gezocht bij de Wet geluidhinder. Verondersteld wordt dat, indien voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB per weg, er ook sprake is van een goed woon- en leefklimaat nabij de nieuw te realiseren woning. Ten slotte wordt opgemerkt dat de beoordeling van de situatie uiteindelijk aan het bevoegd gezag is.

3.2

Wegverkeerslawaai

3.2.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) richt zich op de zogenaamde zoneringsplichtige wegen. In principe zijn alle wegen zoneringsplichtig behalve:  wegen die deel uitmaken van een woonerf (art. 74.2a);  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art. 74.2b). Zoals eerder aangegeven bedraagt de maximumsnelheid op de Stationsweg ten hoogste 30 km/uur en is deze weg derhalve niet zoneringsplichtig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er wel iets over de toelaatbaarheid van de berekende geluidbelasting op de woning te worden gezegd. Om hier iets over te kunnen zeggen wordt vaak aangesloten bij de voorkeursgrenswaarde conform de Wet geluidhinder. Onderstaand worden de waarden weergegeven, uitgaande van een zoneringsplichtige weg, waarbij in de onderhavige situatie zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht.

3.2.2 Grenswaarden Voor de nieuw te realiseren woningen geldt dat sprake is van een nieuwe situatie en zijn de artikelen 76 tot en met 85 van de Wet geluidhinder van toepassing bij zoneringsplichtige wegen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB op grond van artikel 82. Indien nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen worden blootgesteld aan een geluidbelasting hoger dan 48 dB, is het noodzakelijk dat een verzoek tot het mogen toestaan van een hogere waarde wordt ingediend. In de onderhavige situatie is sprake van nog te realiseren bestemming die nog niet is geprojecteerd. De maximale hogere waarde is afhankelijk van het type weg en de ligging van de bestemming. Voor de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de beschouwde weg is sprake van een stedelijke situatie aangezien het plan binnen de bebouwde kom is gelegen. In een stedelijke situatie is de maximale hogere waarde 63 dB (art 83.2 Wgh).

13 augustus 2020 | 6356/NAA/hw/ft/1

.

Blad 6 van 18

Hogere waarden zijn mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting op de gevels te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (art. 110a lid 5). Hogere waarden kunnen echter niet worden verleend voor een 30 km/uur weg. Afgewogen dient te worden in hoeverre de berekende waarden toelaatbaar worden geacht.

3.2.3 Nadere bepalingen Bij de berekende geluidbelastingen is rekening gehouden met de aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. Deze bedraagt 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer is en 5 dB voor de overige wegen volgens artikel 3.4.c en 3.4.d van het RMG 2012. De aftrek wordt toegepast vanwege de verwachting dat het wegverkeer in de toekomst stiller wordt. In de onderhavige situatie bedraagt de aftrek 5 dB voor de onderzochte wegen. Deze aftrek is, op basis van jurisprudentie, ook toegepast voor 30 km/uur wegen. Voor de ten behoeve van de bouwvergunning, indien nodig, uit te voeren berekening van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie en de geluidbelasting binnen mag deze aftrek niet worden toegepast (art 3.4.c RMG 2012).

3.3

Industrielawaai

De geluidsniveaus veroorzaakt door activiteiten van een inrichting op de omgeving worden beoordeeld in drie beoordelingsperioden (etmaalperioden):  de dagperiode van 07:00 tot 19:00 uur;  de avondperiode van 19:00 tot 23:00 uur;  de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur. De geluidsniveaus worden in de avond- en nachtperiode in principe respectievelijk 5 en 10 dB strenger beoordeeld dan in de dagperiode. Voor de vaststelling van de geluidssituatie dient primair te worden uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie: de toestand waarbij de inrichtingen op het industrieterrein volledig gebruik maken van de vergunde capaciteit in de betreffende beoordelingsperiode. Zoals eerder aangegeven bedraagt de voorkeursgrenswaarde 50 dB(A) op de gevels van de nieuw te bouwen woningen. Voor nieuw te bouwen woningen binnen de zone van een industrieterrein is ontheffing mogelijk tot maximaal 55 dB(A).

3.4

Afweging geluidsgrenswaarden nieuwe woningen

Een woning is een geluidsgevoelige bestemming, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Bij ruimtelijke ordening moet naast het wettelijk kader ter voorkoming van geluidhinder op grond van de Wet milieubeheer tevens in het kader van een “goede ruimtelijke ordening” worden gezorgd voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de besluitvorming omtrent een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning is een goede belangenafweging volgens artikel 3.4 Algemene wet Bestuursrecht (AWB) een vereiste, dat is ook conform jurisprudentie. Voor het wegverkeerslawaai van de naastgelegen weg zal aansluiting gezocht worden bij de Wet geluidhinder waarvoor de voorkeursgrenswaarde 48 dB bedraagt. Voor industrielawaai wordt aansluiting gezocht bij de Wet geluidhinder waarbij de voorkeursgrenswaarde bij woningen nabij een industrieterrein 50 dB(A) bedraagt.

13 augustus 2020 | 6356/NAA/hw/ft/1

.

Blad 7 van 18

3.5

Cumulatie van geluid

Cumulatie van meerdere geluidsbronnen mag niet leiden tot een onaanvaardbare situatie (art 110f Wgh). Het RMG 2012 geeft in hoofdstuk 2 van bijlage 1 aan dat er alleen sprake kan zijn van cumulatie (of samenloop) indien de voorkeursgrenswaarde van meerdere bronnen wordt overschreden. Voorgeschreven wordt verder dat moet worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met samenloop bij de te treffen maatregelen. Hiermee wordt rekening gehouden in die zin dat de samenloop wordt betrokken bij het beoordelen van de gevelwering van de geluidsgevoelige bestemmingen.

3.6

Binnenwaarden

Indien geen of onvoldoende maatregelen ter beperking van de gevelbelasting (kunnen) worden getroffen, dient het binnenklimaat te worden beschermd. De geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie dient hierop te zijn afgestemd. Voor woningen is dit geregeld in het Bouwbesluit. De karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht moet, ter beperking van geluidshinder in het verblijfsgebied, ten minste gelijk zijn aan het verschil tussen de geluidbelasting van die uitwendige scheidingsconstructie en 33 dB. Gevels die geen te openen delen bevatten, zijn niet geluidsgevoelig en worden dove gevels genoemd. Voor dergelijke gevels hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld. Het bepalen van de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie dient (indien nodig) nader te worden onderzocht.

13 augustus 2020 | 6356/NAA/hw/ft/1

.

Blad 8 van 18

4

UITGEVOERDE BEREKENINGEN

4.1

Inleiding

Voor de wegverkeerslawaaiberekeningen is bij de uitwerking gebruik gemaakt van de digitale ondergrond van het gebied met daarop de omliggende gebouwen (zie ook bijlage 1). Deze digitale ondergrond is afkomstig van de openbare dienstverlening PDOK. Voor de gebouwhoogten en dergelijke van de omliggende bebouwing is tevens gebruik gemaakt van Google Street View. In hoofdstuk 5 worden de uitgangspunten van de wegverkeerslawaaiberekeningen weergegeven. In hoofdstuk 7 worden de resultaten van zowel industrie- als wegverkeerslawaai besproken.

4.2

Geluidsoverdrachtsmodel

Akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder dient plaats te vinden overeenkomstig het RMG 2012, de regeling als bedoeld in artikel 110 lid d en e (Wgh). Bijlage III, hoofdstuk 1 bij dit voorschrift, de Standaard Rekenmethode I, is gebaseerd op een vereenvoudiging van de situatie, waarbij de weg bij benadering recht is en de invoergegevens zoals bijvoorbeeld de verkeersintensiteiten en de hoogteverschillen in de weg geen belangrijke variaties vertonen. Bijlage III, hoofdstuk 2, de Standaard Rekenmethode II, is bedoeld voor de meer complexe situaties die niet voldoen aan de randvoorwaarden voor de Standaard Rekenmethode I. De onderhavige situatie is vanwege de omliggende bebouwing te complex om met rekenmethode I te kunnen berekenen. Dit maakt het gebruik van Standaard Rekenmethode II noodzakelijk. Voor het uitvoeren van de methode II berekeningen is gebruik gemaakt van het computerprogramma Geomilieu versie 5.21. Hiertoe is de situatie gedigitaliseerd. In het invoermodel worden rijlijnen ingebracht, gebouwen en eventueel schermen. De zijwegen, waterpartijen en andere verharde oppervlakken zijn beschouwd als reflecterende bodemgebieden, de overige gebieden als absorberend. Op de nieuw te realiseren woning liggen op de gevel aan de zijde van de te onderzoeken weg waarneempunten op een punthoogte van 1.8 en 5 meter.

Er is zowel gerekend op de gevel van het bestaande gebouw als op de rooilijn van de naastgelegen woningen. Berekende of gemeten geluidsniveaus worden afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele getal, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde even getal zoals aangegeven in artikel 1.3.1 van het RMG 2012. De invoergegevens van het opgestelde Standaard Rekenmethode II rekenmodel zijn toegevoegd als bijlage 4. Grafische weergaven van het rekenmodel zijn opgenomen in bijlage 5.

13 augustus 2020 | 6356/NAA/hw/ft/1

.

Blad 9 van 18

5

WEGVERKEERSLAWAAI STATIONSWEG

De gehanteerde verkeersgegevens zijn afkomstig van de gemeente Opsterland en weergegeven in bijlage 3 van dit onderzoek. Voor het onderhavige onderzoek dient te worden gerekend met de toekomstige situatie over tien jaar. De aangeleverde telgegevens hebben betrekking op de periode van 7 tot en met 15 juli 2020. Voor het beoordelingsjaar 2030 is rekening gehouden met een autonome verkeersgroei van 1% per jaar in de periode 2020 - 2030. Per wegvak is behalve de etmaalintensiteit van belang hoe het verkeer verdeeld is tussen dag-, avond- en nachturen. Bovendien is de verdeling van de aantallen en snelheden per voertuigcategorie uitgesplitst. De voertuigcategorieën worden hierbij als volgt ingedeeld:  lichte motorvoertuigen (personenauto’s en bestelauto’s);  middelzware motorvoertuigen (autobussen, vrachtwagens met twee assen en vier achterwielen);  zware motorvoertuigen (vrachtwagens met drie of meer assen, vrachtwagens met aanhanger, trekkers met oplegger). De gehanteerde verkeersgegevens zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1: Gehanteerde etmaalintensiteiten 2030 Omschrijving

Verkeersgegevens per weg Verkeersintensiteit (mvt/etmaal)

Stationsweg

5.920

Etmaalverdeling

Voertuigverdeling in %

Etmaalperiode

Uur%

Licht

Middelzwaar

Zwaar

Dag

7,0

94,4

3,4

2,2

Avond

2,8

94,6

2,3

3,1

Nacht

0,5

88,2

2,2

9,6

Maximum snelheid (km/uur) 30

In het rekenmodel is rekening gehouden met de wettelijke maximumsnelheden ter plaatse. Voor de wegdekverharding per wegvak is uitgegaan zoals omschreven in § 2.2 van dit onderzoek.

13 augustus 2020 | 6356/NAA/hw/ft/1

.

Blad 10 van 18

6

VASTGESTELDE GELUIDSNIVEAUS OP HET PLANGEBIED

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=501e4dc0-bb00-4d02-90e2-b48bcc755f1a