B02 Bijlage 1 Beleidsnotitie Archeologie 2025-2031
Tekst van het document
Hierdoor kan worden voorkomen dat initiatiefnemers voor onnodige kosten opdraaien. Naast het beschermen van archeologische en cultuurhistorische waarden binnen de gemeentegrenzen, kan de gemeente het erfgoed ook inzetten voor andere doeleinden. Gemeenten hebben de taak het publieksbereik te bevorderen en in te zetten op publieksparticipatie. Binnen de gemeente Opsterland zijn bijvoorbeeld diverse partijen actief om het cultuurhistorische erfgoed voor een groter publiek te ontsluiten. Zo zijn er vrijwilligers actief bij opgravingen en worden regelmatig lezingen, excursies en exposities georganiseerd door de historische verenigingen die binnen de gemeente actief zijn. Het draagt bij aan het historisch besef van inwoners en kan een extra stimulans voor het toerisme zijn. Zowel bekende archeologisch resten als nog niet bekende resten, vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeentelijke zorg en behoren in het omgevingsplan middels een stelsel van omgevingsvergunningen beschermd te worden. De uitgangspunten van het gemeentelijk archeologiebeleid worden verankerd in het definitieve omgevingsplan. Erfgoedverordening Door middel van een erfgoedverordening kunnen de archeologische belangen binnen een gemeente gewaarborgd worden, waar dit nog niet het geval is in de vigerende bestemmingsplannen (artikel 38, Monumentenwet 1988).
Een erfgoedverordening kan worden voorzien van een vangnet archeologie om te voldoen aan de minimale wettelijke eisen die gesteld worden rond archeologie. Verder kunnen gemeenten zelf archeologische terreinen als gemeentelijk monument aanwijzen op basis van de erfgoedverordening en daaraan regels verbinden op grond van de Omgevingswet. Archeologisch onderzoek en archeologische beleidsadvieskaarten Nagenoeg alle Nederlandse gemeenten maken gebruik van een of meerdere archeologische beleidsadvieskaarten waarop bekende en verwachte archeologische vindplaatsen staan. Doorgaans eisen gemeenten bij planvoornemens op archeologisch waardevolle terreinen en in gebieden met een archeologische verwachtingswaarde archeologisch vooronderzoek in de vorm van een ‘inventariserend bureauonderzoek’ of een booronderzoek (zie de categorieën/zones op de beleidsadvieskaarten). Het gaat hierbij zowel om planvoornemens van woningbouwverenigingen, projectontwikkelaars, particulieren en andere initiatiefnemers als om planvoornemens van andere overheden (Rijk en provincie) en van de gemeenten zelf. Indien de beleidsadvieskaarten voor een bepaalde locatie aangeven dat het gebied een lage verwachting heeft, kunnen de planvoornemens vanuit archeologisch oogpunt zonder nader onderzoek worden uitgevoerd. 23
3. Landschaps- en bewoningsgeschiedenis van gemeente Opsterland Het cultuurlandschap van Opsterland is het resultaat van een eeuwenlange wisselwerking tussen mens en natuur. Natuurlijke geologische processen hebben de hoofdlijnen van het landschap gevormd. De resultaten hiervan zijn tegenwoordig nog deels te zien, maar liggen ook gedeeltelijk ondergronds. De basis voor het huidige landschap ligt voor een belangrijk deel in de ijstijden. Tijdens de daarop volgende perioden hebben verschillende culturen zich opgehouden in het gebied dat vandaag de dag gemeente Opsterland is. Om deze culturen te kunnen duiden, wordt er door archeologen een indeling van archeologische perioden gehanteerd. Deze indeling van tijdperken wordt eveneens in deze notitie gebruikt. In dit hoofdstuk wordt het ontstaan van het landschap besproken en worden de verschillende culturen die zich hebben gevestigd in het gebied chronologisch benoemd. Ook wordt er achtergrond informatie gegeven over de archeologische vondsten die er zijn gedaan.
Chronologisch overzicht van de archeologische perioden. Bron: RAAP.
24
3.1 Landschapsgeschiedenis. Het natuurlijke landschap De bodemvorming is van grote invloed geweest op de bewonings- en ontginningsgeschiedenis van Noord-Nederland. Landschappelijk gezien maakt het beekdal, dat de kern vormt van gemeente Opsterland, deel uit van het Drents-Fries plateau. In de voorlaatste ijstijd (Saalien, tussen 238.000 en 126.000 jaar geleden), de laatste ijstijd (Wechselien, 116.000 tot 11.700 jaar geleden) en het Holoceen heeft het natuurlijke landschap gestalte gekregen. 3.1.1 Pleistoceen De voorlaatste ijstijd, het Saalien, wordt geplaatst in het tijdvak 238.000-126.000 jaar geleden. Het was niet alleen een langdurig koude periode, maar had afwisselend warmere (interstadialen) en koudere perioden (stadialen). Het Saalien eindigde met een erg koude periode. In deze tijd lag Friesland onder een ijslaag, die vanuit Scandinavië naar het zuiden schoof. Deze ijslaag bracht klei, zand en stenen mee, die vermalen raakten en zich vormden tot keileem, een stugge en stenenrijke laag. Hieruit vormde zich onder andere het FriesDrents Plateau, waarvan de uitlopers zich uitstrekken tot in de Zuidelijke Friese Wouden. Gemeente Opsterland ligt op de overgang van het Fries-Drentse keileemplateau naar het laaggelegen veengebied van Fryslân. Het keileem is een leemachtige bodemsoort met veel keien en stenen.
Het komt maar op enkele plaatsen, zoals het Wijnjeterper schar, aan de oppervlakte. Toch zit het vrijwel overal ten oosten van de lijn Olterterp-Makkinga in de ondergrond en op veel plekken vormt het ook de basis van de zandruggen die de dalen van de Drait, het Koningsdiep, de Tjonger en de Linde van elkaar scheiden. Zowel de keileemlaag als het later afgezette dekzand vormden de basis van ons huidige landschap. Ook het dal van de Boorne werd in deze periode gevormd. Dit dal vormt het verbindende element binnen Opsterland tussen oost en west, tussen hoog en laag, tussen zand en veen, tussen dorpen en mensen en tussen de verschillende landschappen.
Weergave van de Actuele Hoogtekaart Nederland (AHN). Rechts de uitlopers van het Fries-Drents plateau. De beek, in het blauw, kronkelt door deze hoger gelegen delen heen. Links het dieper gelegen lage midden. 25 een stuk lager ligt. Bron: AHN Nederland. De blauwe kleur toont dat het landschap hier
Na het Saalien brak er een nieuwe, warmere periode aan, het Eemien (126.000 tot 116.000 jaar geleden). In deze warmere periode tussen de ijstijden smolt de ijskap en rees de zeespiegel, waardoor er een stroom van smeltwater ontstond en het lichtglooiende gebied met zijn hooggelegen keileemplateau’s door erosie van wind en water aangetast werd. De smeltwaterstromen die ook zand, stenen en grind meevoerden, hadden tot gevolg dat het keileem uitsleet en brede smeltwaterdalen werden uitgeschuurd. Dit waren de voorlopers van de huidige beekdalen in het oosten van Friesland. Het Koningsdiep ontstond hierbij ook als smeltwaterdal. Het dal van het Koningsdiep was tussen Hemrik en Beetsterzwaag zo’n 12,5 meter diep en bij Allardsoog bovenstrooms ongeveer 7.5 meter. Als gevolg van de overheersende ijsstroomrichting tijdens de Saale-ijstijd kent het beekdal van het Koningsdiep tot Beetsterzwaag een noordoost-zuidwestelijke oriëntatie. Tijdens het Eemien trokken de eerste mensen het gebied in dat we nu kennen als Noord-Nederland. Ook de eerste tekenen van menselijke bewoning (Neanderthalers) in het Koningsdiepgebied dateren uit het Eemien, getuige de vuistbijl die amateurarcheoloog Hein van der Vliet (1890-1956) vond in het dal van het Koningsdiep nabij Wijnjeterp. Na de warmere periode van het Eemien ontstond er opnieuw een ijstijd, het Weichselien (116.000 tot 11.700 jaar geleden).
Het landijs bestreek toen niet langer het NoordNederlandse gebied, maar beperkte zich tot Denemarken en Noord-Duitsland. Ook de Weichsel-ijstijd had afwisselend warmere en koudere perioden. Wel was de bodem nog aanhoudend bevroren en zag de provincie eruit als een grote, glooiende toendra. In de warmere perioden van het Weichselien zorgden wind en water ook voor erosie, waarbij het smeltwater dal deels werd opgevuld met sediment. Het grootste deel van het nu nog zichtbare reliëf van het Drents-Friese keileemplateau werd gevormd tijdens deze laatste ijstijd. In de koudste perioden, waarbij begroeiing ontbrak en het erg droog was, boetseerden poolwinden het landschap en ontwikkelde zich er een patroon van beekdalen vanuit het centrale deel van het plateau naar de zeekust. De omgeving van Beetsterzwaag is in deze tijd bedekt met een ongeveer een meter dikke laag dekzand. Op de overgang van het hooggelegen kale kleileemplateau met het lager gelegen en begroeide smeltwaterdal van het Koningsdiep, werd het zand vastgehouden door opgaande begroeiing. Op het keileemplateau ontstonden hoge dekzandruggen en dekzandkoppen, en uitgestoven laagten (latere dobben). Veel dobben danken hun ontstaan aan uitwaaien door de wind, maar er zijn er ook die in een later stadium ontstonden, doordat de mens ze aanlegde als drinkplaatsen voor hun vee.
Daarnaast ontstonden er enkele door de werking van het ijs. De dekzandruggen hebben de oudere noordoost-oostwest richting overgenomen. Tegen het eind van de Weichsel-ijstijd, tussen 25.000 en 19.000 jaar geleden, hebben zich vorstheuvels (pingo’s) ontwikkeld in het landschap, doordat er grote concentraties water in de ondergrond bevroren (permafrost). Door toestromend grondwater konden deze ijsheuvels steeds groter worden. De ijskern kwam omhoog en vormde een heuvel, soms tientallen meters hoog, met eromheen een laag omhoog gedrukte grond. In warmere periodes smolten de ijskernen en vormden grote cirkelvormige kraters: pingoruïnes. De randen worden vaak gevormd door een aarden wal, de randwal. Pingoruïnes komen met name in het oostelijke deel van Opsterland voor, nabij Ureterp, Siegerswoude, Bakkeveen en Frieschepalen en Duurswoude. Het Siegerswouder Meer is een mooi voorbeeld van een pingoruïne. Andere pingoruïnes in Opsterland zijn de Harmsdobbe en de Poepedobbe in/nabij de Bakkeveenster Duinen, het Gânzemar, de Stokersdobbe in de Mersken bij Ureterp, de Grote Vijver, Molsdobbe, het Zwarte Meer, Boerenbedrog aan de zuidoostzijde van Beetsterzwaag en enkele op de heide van Duurswoude. Het water in dergelijke pingoruïnes kan soms een diepte van wel vijf tot zelfs twintig meter bereiken.
Ook ontwikkelden de karakteristieke komvormige uitblazingslaagten zich in deze periode onder invloed van de wind. Ondiepe dobben of veentjes zijn hier overblijfselen van. Vaak is er veenvorming opgetreden en zo groeide de Stokersdobbe bij Ureterp weer grotendeels dicht met riet en 26
wilgenbos. Omdat dit voedselarme veen geschikte turf leverde zijn veel dichtgegroeide dobben later uitgeveend.
Links: Ontwikkeling van een pingoruïne. Bron: www.raap.nl Rechts: De Poepedobbe bij Bakkeveen. Bron: Luchtfoto IRIS.
Het pleistocene landschap werd aldus gevormd tijdens de laatste twee ijstijden. Het landschap veranderde in het Weichselien in een toendra met hier en daar wat boomgroei, zoals dwergberken en dwergwilgen. Het opwarmen aan het einde van het Weichselien zorgde ervoor dat het bos opnieuw een kans kreeg, waarmee het zand werd vastgelegd. In de laatste periode van het Weichselien ontstonden open dennenbossen of groepjes dennenbomen op de zandruggen langs de rivierdalen. In deze wat warmere periode verschenen mensen en dieren opnieuw in het landschap. 3.1.2 Holoceen Na het Weichselien, zo’n 9.700 v.Chr., volgde een warmere en nattere periode, waarin we ons nu nog bevinden: het Holoceen. Door het stijgen van de temperatuur verdween de ijslaag en rees de zeespiegel. De zee rukte verder op in de bekkens van het Boornedal, wat zorgde voor een verslechterde afwatering van de beekdalen. De voortdurende opwarming en het vochtiger wordende klimaat hadden tot gevolg dat de toendra aan het begin van het Holoceen langzaam maar zeker verdween. Verschillende soorten loofbomen, naaldbomen en struiken deden hun intrede (circa 6.000 jaar v.Chr.), waardoor het landschap een parkachtig uiterlijk kreeg. Wilde paarden en rendieren trokken naar het noorden. Het opgewarmde klimaat zorgde ervoor dat het landschap veranderde in een dicht loofbos, het Atlantische climaxbos.
In het beekdal van het Koningsdiep ontstonden broekbossen met elzen en berken. Op hoger gelegen dekzandruggen en –koppen en ook het keileemplateau groeiden lindes en eiken. Aangenomen wordt dat de dichtheid van de bossen nadelig was voor de aanwezigheid van wilde dieren, vooral grote grazers. Voor de bewoners van het gebied, die afhankelijk waren van de jacht om te overleven, verloor het gebied haar aantrekkelijkheid. Het zeer dichte, aaneengesloten loofwoud met onder meer eiken en lindes bedekte de zand- en leemgronden van het Drents-Friese plateau tot ongeveer 3.000 v.Chr. 27
Landinwaarts veroorzaakte de keileemondergrond een stagnatie van de grondwaterafvoer, waardoor vernatting van het gebied optrad. In deze tijd was er ook sprake van een stijging van het zeewaterniveau. Deze twee factoren tezamen zorgden voor de stagnatie. Ook was de komst van de eerste landbouwers van invloed op het landschap (circa 4.900 v.Chr.). Door een toename van de omvang van de bevolking was er steeds meer landbouwgrond nodig. Steeds grotere stukken bos werden gekapt. Ontbossing zorgde mede voor vernatting van lokale gronden en regionale grondwaterstijging. In de eeuwen die volgden (2.800-1.300 v.Chr.) ontstond er aldus een halfopen tot open landschap op met name de zandgronden binnen de gemeente. De vernatting zorgde ervoor dat zich een steeds verder aangroeiend veenpakket ontwikkelde. Er vormden zich veenmoerassen op het keileem en dekzand. Veenvorming vond het eerst plaats in het laaggelegen deel van het gebied: in dalen van vroegere smeltwaterstromen en in depressies (zoals dobben en pingoruïnes). Het veen breidde zich uit als gevolg van de vernatting en grondwaterstijging, ook de hogere beboste zandgronden raakten deels met veen bedekt. In een latere fase ontstonden er (soms metershoge) hoogveenkoepels op de slecht waterdoorlatende gronden van het keileemplateau, doordat veenmos sneller in het midden groeide dan aan de randen.
De oevergronden ter hoogte van middenloop van het Koningsdiep raakten aan beiden kanten waarschijnlijk begroeid met zeggemoerassen, de beekdalflanken hadden delen met elzenbroekbos terwijl hoger gelegen delen bestonden uit elzen-berkenbos en ijl berkenbos, te midden van een open hoogveengebied. Aan weerszijden van het Koningsdiep ontstonden onbegaanbare, uitgestrekte hoogveengebieden. In het beekdal werden zelfs delen van het laagveenpakket overwoekerd door het oligotrofe veen. Rond de jaartelling hebben alle lokale hoogveengebieden zich vermoedelijk tot een bijna aansluitend hoogveencomplex gevormd, met een zoom van lichte broek- of moerasbossen. Alleen de hogere dekzandruggen langs het Koningsdiep, de hoogste delen van het keileemplateau ten zuiden van de kerk van Wijnjeterp en Duurswoude en ten noorden van de kerk van Ureterp, de Merskenheide en het kerkhof van Siegerswoude waren vermoedelijk niet geheel met veen begroeid, al is dit niet met zekerheid te zeggen. Het Koningsdiep was toentertijd een meanderende veenrivier die fungeerde als afvoerweg van het water dat uit de hoogvenen en meertjes in het veen (meerstallen) kwam. De vernatting en veenvorming van het gebied leidden er uiteindelijk toe dat het grondgebied van gemeente Opsterland opnieuw ongeschikt voor bewoning werd.
Uiteindelijk waren zeer grote arealen van het Noord-Nederlandse (dek)zandgebied met een veenkussen bedekt. De veengroei duurde voort totdat mensen het geheel verlaten landschap in de loop van de elfde en twaalfde eeuw opnieuw in gebruik namen. In de zeventiende en achttiende eeuw hadden veencomplexen een grote economische waarde. Het natuurlijke hoogveenlandschap met veenkoepels en meerstallen is inmiddels geheel verdwenen. Resten van de veenpakketten zijn nog wel te vinden onder kerkheuvels, zoals die van Wijnjewoude (Wijnjeterp) en Lippenhuizen. Onder de kerkheuvel van Wijnjeterp kwam op een diepte van drie meter een drie tot vier centimeter dik laagje veen voor, bleek uit booronderzoek. In de navolgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de bewoningsgeschiedenis van de gemeente Opsterland vanaf de oude steentijd tot de middeleeuwen.
28
Overzicht van de ontwikkeling van de veenvorming (bruin) in NoordNederland in de periode 5500 v.Chr. tot 50 v.Chr. De situatie tussen 50 v.Chr. en 800 veranderde nauwelijks. Opsterland was in de periode waarin het veen het landschap bedekte onbewoonbaar. Pas met de komst van ontginners en de grootschalige ontginningen die volgden, verdween het veen en werd Opsterland een geschikt gebied om in te wonen. Bron kaartmateriaal: P. Vos e.a., Atlas van Nederland in het Holoceen (Amsterdam 2018).
29
3.2 Bewoningsgeschiedenis van de gemeente Opsterland De bewoningsgeschiedenis van gemeente Opsterland begint in het Eemien (een warmere periode tussen 126.000-116.000 v.Chr.). In deze periode had het landijs dat Noord-Nederland bedekte zich teruggetrokken. De stijging van de temperatuur zorgde voor het ontstaan van een landschap met grote bossen, moerassen en grasvlakten. Het gaf de eerste bewoners de gelegenheid om hier rond te trekken. Daarna volgden er, soms met perioden zonder bewoning, diverse andere culturen die zich ophielden in het gebied wat nu Opsterland is. Het zijn vooral amateurarcheologen die vuursteenvindplaatsen en artefacten uit de steentijd ontdekten. Binnen Opsterland zijn het onder andere Piet Houtsma (1915-2006), J. Schilstra (†), Jan Klaas Boschker (1935-1995), Rinke Nolles (1917-2015), Hein van der Vliet (18901956), dr. Johannes Siebenga (1898-1969), Rein Visser (†), Klaas Iest (†), Roel van der Brug en zijn zoon Nico B. van der Brug die belangrijke archeologische vondsten hebben gedaan. Daarnaast zijn er een aantal gevestigde archeologen die veel onderzoek en opgravingen hebben begeleid en uitgevoerd binnen Opsterland, zoals Gerrit Elzinga (1923-2017, provinciaal archeoloog/BAI), Albert Egges van Giffen (1884-1973, BAI), Hendrik Jan Popping (1885-1950, drukker en uitgever), J.C.
(Assien) Bohmers (1912-1988, BAI) en Harm Tjalling Waterbolk (1924-2020, BAI). In Friesland is er bovendien het Archeologisch Wurkferbân actief van de Fryske Akademy, opgericht door provinciaal archeoloog Elzinga. 3.2.1 Paleolithicum (oude steentijd - tot 9.600 jaar geleden) Midden-paleolithicum (midden oude steentijd – vanaf 300.000 tot 35.000 v.Chr.) De eerste bewoners die zich ophielden op het grondgebied van gemeente Opsterland waren de Neanderthalers (Homo sapiens neandertalensis). Neanderthalers verbleven tussen 120.000 en 35.000 jaar geleden met regelmaat in Noord-Nederland, bijvoorbeeld tijdens het Eemien en gedurende warmere periodes in het Weichselien. Een van de vondsten die wijst op aanwezigheid in onze streken, was de vuistbijl van Wijnjeterp, gevonden door amateurarcheoloog Hein van der Vliet. Geoloog/archeoloog en specialist oude steentijd dr. Bohmers en archeoloog prof. dr. A. E. (Albert) van Giffen bevestigden de authenticiteit van de vuistbijl, waarvan de ouderdom door hen gedateerd werd op 180.000 tot 130.000 jaar (het Riss-Würminterglaciaal). Vermoedelijk heeft de vuistbijl behoord tot een pre-Neanderthalergroep in de tijd tussen 150.000 en 60.000 jaar v.Chr., meer specifiek te dateren rond 110.000 jaar geleden, tijdens het warmere Eemien. Op de locatie waar de vuistbijl gevonden werd groef dr.
Bohmers in 1950 een proefsleuf, waar hij in dezelfde leemlaag als waar de vuistbijl uitkwam een groot tal vuurstenen vond. Dergelijke vuistbijlen zijn in Nederland maar enkele keren gevonden.
De vuistbijl van Wijnjeterp, gevonden door Hein van der Vliet, gedateerd op ca. 110.000 jaar oud. Bron: Marcel Niekus, archeoloog en specialist oude steentijd/Neanderthalers. Foto: Frans de Vries, Toonbeeld
Neanderthalers leefden van de jacht op groot wild, zoals rendieren, wolharige neushoorns, bizons, bosolifanten, mammoets en paarden. Zij leefden in tijdelijke kampementen, doorgaans in de openlucht met een stookplaats of haard, en trokken weg zodra het wild waarop zij jaagden schaarser werd. Op enkele locaties in gemeente Opsterland zijn werktuigen van Neanderthalers gevonden, waaronder het netgenoemde Wijnjeterp, en twee afslagen in Siegerswoude en Nij Beets. Ook 30
in de Mersken bij Ureterp is een krabber van vuursteen gevonden uit vermoedelijk deze periode, maar deze vondst behoeft nader onderzoek, Er zijn ook midden-paleolithische vuurstenen artefacten (werktuigen als schrabbers, klingen, spitsen en stekers) en vuursteenafslagen (afval afkomstig van vuurstenen tijdens de bewerking tot werktuigen) gevonden op de hoger gelegen zandgronden bij de Poasen. Toen er rond 50.000 jaar geleden opnieuw een koudere periode aanbrak, werd het opnieuw te koud voor de mens om te leven in deze streek. Het jachtwild en de Neanderthalers trokken naar het warmere zuiden. Omstreeks 30.000 v.Chr. stierven de Neanderthalers uit. Iets eerder, zo rond 35.000 v.Chr. kwam er een nieuwe mensensoort vanuit Afrika naar Europa, die de plaats van de Neanderthalers innam, Homo sapiens. Laat-paleolithicum (jonge oude steentijd - 35.000 tot 9.600 v.Chr.) In de laatste fase van het Weichselien, omstreeks 15.000 v.Chr., verbeterde het klimaat in Noord-Nederland. Op de karig begroeide dekzandgronden ontwikkelde zich een toendra met hier en daar dwergboomgroei. Dieren trokken opnieuw naar onze streek en ook de eerste moderne mensen. Er hebben vanaf ongeveer 14.000 jaar geleden tot ongeveer 9.600 jaar geleden gedurende verschillende perioden jager-verzamelaars rondgetrokken in onze streken.
Vanuit Frankrijk kwamen jagers en verzamelaars vanuit de Magdaleniéncultuur (18.000-10.000 v.Chr.) mee met het wild naar het noordelijker gelegen gebied. Zij splitsten zich op in twee richtingen, namelijk Engeland (Creswellcultuur, soms ook Cheddarcultuur genoemd) en van Nederland tot Polen (Hamburgcultuur). De rendierjagers in ons gebied behoorden doorgaans tot de Hamburgcultuur (14.500-10.000 v.Chr.), genoemd naar de vindplaatsen van archeologische artefacten in de omgeving van het Duitse Hamburg. Zij leefden in onze gebieden van 14.500 jaar tot 10.000 jaar geleden. Net als de Neanderthalers trokken ook zij mee met het leefgebied van het wild waarop zij jaagden. Hun voornaamste jachtdieren waren het rendier en het paard. Ze jaagden daarnaast op vogels en klein wild, zoals hazen, dassen, vossen, en lemmingen. Ook visten zij. Kenmerkend voor de Hamburgcultuur zijn vuurstenen kerfspitsen, klingschrabbers en krombekstekers, ook wel gidsartefacten genoemd. Ook vervaardigden zij speerpunten en harpoenen van botten en geweien. Ten tijde van de Hamburg- en Magdaleniéncultuur woonden er naar schatting zo’n 500 mensen in Nederland. In totaal zijn er 70 vindplaatsen bekend.
Een van de bekendste vindplaatsen van deze cultuur is gelegen nabij Ureterp, die na Meiendorf, de vindplaats nabij Hamburg waarnaar deze cultuur genoemd is, gezien kan worden als belangrijkste vindplaats vanwege het grote aantal vondsten. Dr. Siebenga, arts en amateurarcheoloog uit Opeinde, vond al in 1931 in de heide nabij de Mounleane in Ureterp een fraaie kerfspits uit de Hamburgcultuur. Ook werden er stenen werktuigjes ontdekt bij de Prinsendobbe onder Ureterp door een familielid van notaris J. Peereboom (1882-1955) uit Buitenpost, die door dr. Bohmers werd ingehuurd om te zoeken naar vuurstenen artefacten tussen Ureterp en Bakkeveen.3 Deze werktuigjes werden door Bohmers gedetermineerd als Hamburgcultuur. In 1943 werden er tijdens een opgraving overblijfselen gevonden op een dekzandrug langs een lager terreingedeelte ten noorden van het Koningsdiep aan de Merskerdyk, zo’n 600 meter ten westen van de Prinsendobbe. Er werden maar liefst 5408 vondsten geborgen, waaronder 1360 werktuigen. Het gaf Ureterp landelijke bekendheid. Deze bekendheid is tot 3 In de Encyclopedie van Friesland (1958) staat genoteerd dat dhr. P. Mudstra (1901-1990), vondstenzoeker en
later ook medewerker Fries Museum, deze locatie heeft ontdekt. Dit blijkt onjuist op basis van informatie van dhr. J. de Jong (†), voormalig bewoner van het Marschhuisje bij Ureterp.
31
op heden gebleven. Opvallend aan de opgraving waren de grote hoeveelheid kerfspitsen (65 stuks), krombekstekers (74 stuks), stekers (122 stuks) en klingschrabbers (218 stuks). Ook werden er 326 bewerkte klingen gevonden. In het noordelijke deel van de opgraving lek zich een vage‘ tent-ring’ af te tekenen met een doorsnee van vier meter. Een ‘tent-ring’ is een ring van grotere stenen die de tentwanden op de grond vastmaken. Er werden dertien van dergelijke grote stenen gevonden in dit deel van de opgraving. De opgraving werd uitgevoerd in 1943 en 1944 en werd geleid door dr. Bohmers voor Das Ahnenerbe. Ook prof. dr. Van Giffen was erbij betrokken. Ureterp was lange tijd de belangrijkste Hamburgien vindplaats van Nederland en het is nog steeds de grootste. In tegenstelling tot het Duitse Meiendorf werden er in Ureterp geen hoorn- en botwerktuigen gevonden. Het waren met name kerfspitsen, krombekstekers en klingschrabbers die uit de grond tevoorschijn kwamen daterend uit de oudere fase van de Hamburgcultuur (Hamburg I). Ook Kerfspits (links) en twee krombekstekers uit de in de omgeving van Bakkeveen zijn enkele Hamburgcultuur, gevonden te Ureterp. Hamburg I vondsten gedaan, waaronder een Gedateerd 13.000-10.000 v.Chr. krombeksteker, gevonden in de Bakkeveenster Foto: R. van der Brug duinen door amateurarcheoloog Houtsma.
De zogenaamde krombeksteker is een vuurstenen werktuig dat typisch bij de Hamburgcultuur hoort. Aangenomen werd dat men deze gebruikte om dunne spanen uit een gewei of stuk been te kerven, waar priemen of naalden van gemaakt werden. Nieuw onderzoek twijfelt aan deze veronderstelling in verband met slijtageonderzoek. Bij Bakkeveen werd bovendien een kampement van Hamburgjagers gevonden. In Duurswoude, aan het Selmien te Ureterp en Siegerswoude zijn ook voorwerpen gevonden afkomstig uit de Hamburgcultuur, maar deze behoorden tot de jongere fase van de Hamburgcultuur (Hamburg II). Op de Duurswouderheide werden typische Hamburgartefacten gevonden, zoals kerfspitsen en steelspitsen. De opgraving in de heide van Duurswoude was van belang, omdat dit de eerste keer was dat Hamburg II vastgesteld werd in Friesland. Bij de aanleg van een fietspad door het bos bij de kruising Beakendyk en Zwarte Singel kwamen ook voorwerpen uit de Hamburgcultuur tevoorschijn. Op de Merskerheide bij Siegerswoude zijn artefacten gevonden uit de veel minder in Nederland voorkomende Creswellcultuur, daterend uit 10.000 tot 9.800 v.Chr. Na 13.500 v.Chr. begon het klimaat verder op te warmen. Het toendralandschap maakte plaats voor uitgestrekte naaldboombossen. Er ontstond een meer bosachtige omgeving met onder andere dennen en berken. De rendierjagers van de Hamburgcultuur trokken weg naar het noorden.
De inwoners die hierna hun intrede deden in het gebied behoorden tot de Tjongercultuur, tegenwoordig de Federmessercultuur genoemd. Er werd door hen vooral gejaagd op standwild, zoals oerossen, edelherten, elanden en wilde zwijnen. Ook werd er gejaagd op kleiner wild en vogels. Doordat deze jager-verzamelaars jaagden op standwild, werd hun leefgebied veel beperkter dan dat van rendierjagers. Kenmerkend voor deze cultuur zijn de gravetspits, de korte schrabbers en een apart model steker. Artefacten van 32
deze cultuur zijn gevonden bij de opgraving Oudleger bij Duurswoude. Ook zijn er sporen van deze cultuur gevonden ten zuiden van de Bremerwei, vlakbij de Voorwerkersbrug. In de laatste fase van de ijstijd, rond 12.000 v.Chr. werd het opnieuw kouder in onze streek. Door een klimaatramp veroorzaakt door een meteorieteninslag in Groenland, de doorbraak van een stuwmeer in Canada en vulkaanuitbarsting in Duitsland. In de bodem is dit nog te zien als de laag van Usselo, die bij Duurswoude werd opgegraven door Houtsma. Bossen verdwenen en karig begroeide vlakten, zogenaamde steppen, kwamen ervoor in de plaats. Bewoning was zo’n 800 jaar lang onmogelijk. De rendierkuddes verschenen na verloop van tijd opnieuw vanuit het noorden en de jagers van de Ahrensburgcultuur (ca. 11.200 tot ca. 9.500 v.Chr.) hielden zich op in onze omgeving. Er werd sporadisch een losse vondst gedaan, zoals in de omgeving van Oostermeer en Oudehaske. Bij de Mersken nabij de N381 zijn in januari 2024 enkele vondsten gedaan door amateurarcheoloog Nico B. van der Brug, die nagenoeg zeker stammen uit de vroege Ahrensburgcultuur. De periode van de Ahrensburgcultuur loopt af als het voor de rendieren te koud is in ons gebied, zo rond 10.800 jaar geleden. Zij verplaatsten zich naar gematigder streken in het zuiden.
3.2.2 Mesolithicum (middensteentijd – 9.600 tot 4.900 v.Chr.) Het mesolithicum, ook wel middensteentijd genoemd, begon ongeveer 10.000 jaar geleden met een geleidelijke overgang van de jong paleolithische culturen naar een andere jagerscultuur. Aan het begin van het Holoceen verdween de toendra langzaam maar zeker door verdergaande opwarming, zeespiegelstijging en het vochtiger worden van het klimaat. Dennen, loofbomen en struiken kwamen op en vormden een parkachtig landschap. Kleiner standwild vestigde zich in het gebied, rondtrekkende rendierkuddes verplaatsten zich naar het noorden. Grote grazers als elanden, oerossen en herten vestigden zich eveneens in het gebied. Het zorgde ervoor dat de jachtomstandigheden veranderden, wat terug te zien is in de manier waarop de werktuigen gemaakt werden. Ze zijn kleiner en verfijnder dan die uit eerdere perioden en worden microlithen genoemd.
Kernbijl met tranchetsnede. Een kant is vanaf beide kanten oppervlaktedekkend bewerkt, de andere kant deels bewerkt. Periode: Mesolithicum midden tot laat 7.100-4.900 v.Chr. Vindplaats: Siegerswoude. Bron: Collectie database Noordelijk Archeologisch Depot.
Klingschrabber. Periode: vroege Ahrensburg cultuur (ca. 10.600 v.Chr. tot ca. 9.800 v.Chr., Vindplaats: Ureterp. Gevonden januari 2024 door amateurarcheoloog Nico B. van der Brug. Foto: R. van der Brug.
33
Reconstructie kampplaats van de mesolithische mens. Bron: J.H.F. Bloemers e.a., Verleden land. Archeologische opgravingen in Nederland (Amsterdam 1981).
Jagers-verzamelaars hielden zich op in semipermanente kampementen en verhuisden van daaruit naar kleinere, meer tijdelijke locaties, waar zij zich toelegden op de jacht van dieren uit de directe omgeving en het vangen van vis. Op de lange leemruggen in de Friese Wouden die in de Saale-ijstijd ontstonden, liggen op een groot aantal plekken de restanten van nederzettingen van mesolithische jagers-verzamelaars en later de eerste steentijdboeren uit het neolithicum. Men bivakkeerde vooral op de hoger gelegen dekzandkoppen en –ruggen langs de rivier- en beekdalen en in de nabijheid van pingoruïnes. Daar hadden ze de beschikking over de dichte bossen van de hogere zandgronden en het vochtige beekdal. Over het algemeen komen de vindplaatsen overeen met de laat-paleolithische vindplaatsen. In Opsterland zijn vele vondsten gedaan uit het mesolithicum, vooral op de hogere dekzandruggen en dekzandkoppen. Mesolithische vindplaatsen binnen Opsterland zijn onder meer aangetroffen bij locaties waar een hoge zandrug naast een laagte of naast water ligt. Vondsten zijn onder andere gedaan in Ureterp, Wijnjeterp (Heawei, Leidyk, zandrug bij de Kapellepôle), de heide van Duurswoude, aan de Bûtewei in Siegerswoude, in de bossen bij Heidehuizen nabij Olterterp, Beetsterzwaag (Pôpehichte en bij het Hemrikkerpaed aan het Koningsdiep), Hemrik (dinnebosk aan het Hemrikkerpaed) en bij Bakkeveen.
Bakkeveen werd beschreven door Popping in 1928. Op de schoon gestoven oerbanken in de duinen aan de Oude Drentseweg lagen de werktuigjes in honderdtallen voor het oprapen. Volgens Popping was het de eerste maal dat er een nederzetting uit de middensteentijd in Nederland vastgesteld werd. In 1953 zijn er bij de Krûme Swynswei in Nij Beets op de overgang van zand naar veen resten gevonden van een elandgewei tijdens het turfsteken door veenarbeiders. Mogelijk was hier sprake van een rituele depositie. Popping verhaalt over hoe hij op een plek, in een duinpan met een oppervlakte van zo’n 60 vierkante meter, maar liefst 500 fijne mesjes en microlithen vond, die aan een zijde bewerkt waren: het bewijs dat er iemand op die locatie bezig geweest was met de vervaardiging van een groot tal werktuigen. Ook is er op de dekzandkop nabij de Beakendyk een mesolithische 34
vindplaats aanwezig. Ook elders in het beekdal zijn er meerdere mesolithische vindplaatsen, op dekzandkoppen. Ten behoeve van de uitbreiding van de begraafplaats aan de Mersken is er een kleinschalige opgraving uitgevoerd in 2010, mede gefinancierd door gemeente Opsterland, waarbij een fraaie naaldspits gevonden is. Op de grens tussen beekdal en dekzandrug net westen van de Stokersdobbe is een schrabbertje opgegraven. Verder zijn er honderden mesolithische werktuigen gevonden in de omgeving van Siegerswoude en Bakkeveen. Op de dekzandrug bij de Merskenheide zijn ook meerdere afslagen van vuursteen uit deze periode gevonden. In 2012 zijn er op het verhoogde kerkhofterrein van Siegerswoude kuilen uit het mesolithicum gevonden, die gebruikt werden om voedsel in te bereiden. In een van de kuilen werden stenen aangetroffen, vermoedelijk gaat het hier om kookstenen. Popping vond ook gereedschap uit de overgangstijd naar het Neolithicum, zoals bijltjes, beiteltjes en pijlpunten met een breed snijvlak. Deze pijlpunten leken wel wat op de trapezia van het eerdere tijdvak, maar ze zijn grover en zwaarder, en minder verfijnd afgewerkt. Het parkachtige landschap had zich rond 6.000 v.Chr. ontwikkeld tot een dicht loofbos (het Atlantische climaxbos). Restanten hiervan zijn nu nog te vinden als kienhout.
Aangenomen wordt dat dit geen passende leefomgeving was voor elanden, herten en oerossen. Doordat zij uit het gebied trokken, werd de mogelijkheid om te jagen op dit groot wild beperkt, wat de voedselvoorziening voor mesolithische culturen beperkte. Ook kregen ze te maken met veenvorming in de lager gelegen delen van hun leefgebied. In die periode trok de mesolithische mens zich terug in de opener gebieden, zoals de hoger gelegen oevers van grote rivieren en meren. Vanwege de toenemende vernatting had een grote deel van de jacht plaats op en rond het water. Vondsten van benen vishaken, aan elkaar tot visnet geknoopte twijgen en houten kano’s leveren hiervoor het bewijs. Niet altijd waren de werktuigen van steen gemaakt. 3.2.3 Neolithicum (steentijd – 4.900 tot 2.000 v.Chr.) Archeologen geven aan dat de overgang van het mesolithicum naar het neolithicum heel geleidelijk ging. Omstreeks 4.900 v.Chr. verschenen de eerste boeren in Noord-Nederland. Kenmerkend voor het neolithicum zijn de intrede van de akkerbouw en veeteelt en het ontstaan van permanente nederzettingen. Ook het Hamerbijl van gabbro steen (grijswit, met zwarte inclusies, gebruik van aardewerk en geslepen geërodeerd) met wijde centrale cilindrische doorboring. Ronde stenen bijlen zijn kenmerkend. Het is vorm met afgepunte slagzijde. Periode: 5.300-2.000 v.Chr. bekend dat de landbouw in het Vindplaats: Terwispel.
Bron: Noordelijk Archeologisch Depot zuidelijke deel van Nederland al veel eerder tot ontwikkeling was gekomen, al rond 5.300 v.Chr. In deze tijd werd het gebied boven de rivieren nog bewoond door rondtrekkende jagers-verzamelaars van het mesolithicum. Wel waren er (handels)contacten tussen beide groepen. Dit blijkt onder meer uit bijlen en andere vondsten afkomstig van de Zuid-Limburgse boeren. Bij Opperkoten in gemeente Achtkarspelen is een voor Noord-Nederland uiterst zeldzame bandkeramiekspits gevonden die vermoedelijk via ruilhandel met boeren van de Lineaire Bandkeramiek (LBK) uit Zuid35
Limburg in Friesland terecht gekomen is. Beide culturen hebben zo’n duizend jaar naast elkaar bestaan. Vroeg-neolithicum: Swifterbantcultuur (5.000-3.400 v.Chr.) De Swifterbantcultuur kan worden opgedeeld in een vroege (5.000-4.600 v.Chr.), midden (4.600-3.900 v.Chr.) en late fase (3.900-3.400 v.Chr.). Hun cultuur strekte zich uit over midden en westelijk Nederland. Zij hadden een andere oorsprong dan de LBK-cultuur, namelijk de noordelijke Ertebøllecultuur (Zuid-Scandinavisch). Aardewerk speelt een belangrijke rol in de herkenbaarheid van deze cultuur. De vroegste boeren in het noorden behoorden tot de Swifterbantcultuur, die zich ontwikkelden uit de jagers-verzamelaarscultuur van boven de rivieren. Zij worden getypeerd als jagers-vissers-verzamelaars, die zich ook bezighielden met akkerbouw en veeteelt. De gemeenschappen bestonden uit groepen van zo’n 40 tot 80 personen, die grotendeels leefden van de visvangst en de jacht. Ook verzamelden zij wilde planten als hazelnoot, wilde appel en bramen. Vanaf ongeveer 4.500 v.Chr. werd veeteelt belangrijker. Veeteelt was alleen van belang voor het vlees. Deze cultuur bewoog zich op de overgang van een rondtrekkend bestaan en het settelen in permanente nederzettingen. De jagers en verzamelaars gingen van een mobiel bestaan naar een boerenbestaan. Deze overgang vond relatief laat plaats in het stroomdal van het Koningsdiep.
In de gemeente Opsterland zijn diverse vuurstenen artefacten gevonden uit de Swifterbantcultuur. Ten noorden van de grote rivieren stond de Swifterbantcultuur zeer waarschijnlijk aan de basis van de trechterbekercultuur. Midden-neolithicum: trechterbekercultuur (3.400 tot 2.900 v.Chr.) De eerste leden van de trechterbekercultuur streken rond 3.400 v.Chr. in Opsterland neer. De naam trechterbekercultuur is de overkoepelende term voor een groot aantal met elkaar verwante gemeenschappen in het neolithicum (nieuwe steentijd), wonend in het gebied vanaf het zuiden van Scandinavië in het noorden, Nederland in het westen, de Boeg (rivier in Polen, Oekraïne en Wit-Rusland) in het oosten en de rivier de Donau in het zuiden. Nederzettingen en grafmonumenten legden zij bij voorkeur aan op droge dekzandgronden, dicht bij beken en vennen. De Nederlandse tak behoort tot de Westgroep. Mensen van de trechterbekercultuur woonden in woningen met een houten skelet, met muren gevlochten van takken met leem en een rieten dak. Ze verbouwden eenkoorn en emmertarwe op kleine akkerpercelen rondom hun woning. Ze beheerden daarnaast een eigen veestapel, bestaand uit runderen, varkens, schapen en geiten. Ossen werden ingezet bij het zware werk en op de
Kommetje uit de trechterbekercultuur. Handgevormd aardewerk met tamelijk grove 36 in diepsteektechniek. Brandsporen. Periode: steengruismagering. Versierd met verticale lijnen ca. 3.400 v.Chr. – 2.850 v.Chr. Vindplaats: Allardsoog. Bron: Noordelijk Archeologisch Depot.
grotere percelen. In tegenstelling tot Duitsland zijn er in het noorden van Nederland nog geen huisplattegronden aangetroffen van boerderijen uit de trechterbekercultuur. Van de gevonden nederzettingslocaties zijn er in ons gebied alleen aardewerkscherven, werktuigen van vuursteen en afvalkuilen bekend. Kenmerkend waren trechterbekers en andere keramieken vormen zoals kommen en schalen. Het aardewerk was rijk versierd. Gereedschap bestond uit hamerbijlen met doorboringen die aan een houten steel bevestigd konden worden. Mensen uit de trechterbekercultuur werden ook wel hunebedbouwers genoemd. Hunebedden werden vervaardigd in de periode tussen 3.350 en 3.050 v.Chr. Deze van grote zwerfkeien gebouwde grafkamers werden afgedekt door een dekheuvel van zand. Hunebedden werden meerdere keren gebruikt als plaats voor bijzetting van crematieresten in fraaie urnen. Hierbij werden ook grafgiften meegegeven, zoals bijltjes en stenen gereedschap. Ze werden vooral opgericht langs de plateauranden van het Fries-Drents plateau. Op een oude kaart van Schotanus wordt melding gemaakt van een ‘groote steenen bult’, waarvan Popping aannam dat dit ook een hunebed geweest moet zijn. Of er daadwerkelijk hunebedden hebben gestaan in gemeente Opsterland is echter onzeker. De trechterbekercultuur begroef hun doden ook wel in individuele vlakgraven (kuilen in de grond).
In vlakgraven uit de vroegere periode werden lijken bijgezet. In vlakgraven uit de latere periode werden crematieresten bijgezet. In beide gevallen kregen de overledenen aardewerk mee als bijgift. Rituele bijzettingen (offers) in venen of vochtige laagtes als rivierdalen speelden ook een rol in de trechterbekercultuur. Offers bestonden uit grote stenen bijlen (geïmporteerd uit Denemarken) en keramiek. Diverse vondsten wijzen op de aanwezigheid van de trechterbekercultuur in gemeente Opsterland. De vuurstenen breedtoppige en breednekkige bijl die langs de Kromme Singel op de grens tussen zand en veen gevonden werd, aan de rand van het bosgebied achter de Duerswâldmerwei, behoorde met zekerheid tot de trechterbekercultuur. Tweehonderd meter westelijk hiervan is neolithisch vuursteen gevonden in het beekdal. Ook op de dekzandrug waar nu de Heawei overheen loopt, zijn vondsten gedaan uit dit tijdperk, zoals twee maalstenen en een slijpsteen. Popping vond diverse scherven van aardewerk uit deze cultuur in de Bakkeveenster duinen en een werkplaats met over het gehele oppervlak geretoucheerde pijlpunten. Tijdens de aanleg van een sportveld in 1933 werd er rijk versierd aardewerk gevonden, onder andere een schaal, een beker, en een kommetje. Archeoloog Waterbolk zag deze artefacten als een inventaris van enkele vlakgraven.
Dit zijn graven die, anders dan bij grafheuvels, niet bedekt worden met een heuvel. Dat het rituele grafgiften waren, is aannemelijk, gezien de vondsten vergelijkbaar zijn met vondsten uit andere vlakgraven in onder andere Drenthe. In de buurt van Bakkeveen zijn meerdere transversaal spitsen gevonden, die gebruikt werden bij de jacht. In Opsterland zijn ook enkele vuurstenen bijlen gevonden nabij Bakkeveen, Allardsoog en verspreid over het gebied rondom deze twee plaatsen, die gelinkt kunnen worden aan de trechterbekercultuur en gedateerd kunnen worden rond 3.000 v.Chr. Deze bijlen zijn waarschijnlijk gebruikt bij het openhakken van stukken bos. Daarnaast werden er diverse andere scherven, fragmenten van schalen en potten uit de trechterbekercultuur gevonden bij Allardsoog. Er was in Allardsoog sprake van twee typen trechterbekerkeramiek, af te lezen aan het verschil in makelij. De vondsten maakten dat Allardsoog tot een van de belangrijkste vindplaatsen van de trechterbekercultuur in Friesland gerekend kon worden.
37
In Opsterland zijn er neolithische werktuigen en bijlen gevonden in onder meer Bakkeveen (twee vuurstenen beitels en een dunhalzige bijl) en Ureterp (waar volgens Van der Vliet regelmatig bijlen en hamers gevonden werden). Ook nabij Allardsoog is een bijl gevonden. Rond 1930 ontving het Fries Museum een strijdhamer van het Hannoverse type uit de Mersken bij Duurswoude, die daar terecht gekomen was met de modder vanuit het Koningsdiep. In mei 1956 werd er tijdens het aanleggen van een sportveld bij de kerk van Duurswoude een bijl gevonden. In Siegerswoude kwam uit het Mieuwmeer een ‘langwerpige platte beitel van vuursteen, uitstekend bewerkt’ tevoorschijn. Ook werden hier twee bijlen gevonden door Siebenga. Nabij het Selmien bij Ureterp werd eveneens een bijl gevonden: een zware strijd- of werkbijl met een steelgat. Ook bij de Beakendyk zijn twee bijlen gevonden uit deze periode op een locatie waar voorheen een poel lag, en gaat het vermoedelijk om rituele deposities. In Beetsterzwaag werd al in 1918 in een kleine zandkop in de hoek tussen de Gordyksterwei en het Âlddjip een onregelmatige schijfvormige knotssteen van grijze natuursteen ontdekt. In Wijnjeterp zijn een maalsteen en wrijfstenen gevonden. Deze bijlen en hamers werden niet altijd in Friesland gemaakt. Aangenomen wordt dat de mooiste stukken uit Zweden en Denemarken kwamen.
De zwerfkeien hier leenden zich niet zo goed voor bewerking. Zo is er bij Een, net over de grens bij Opsterland, eens een depotvondst gedaan: afgewerkte grote bijlen, half afgewerkte producten en vuursteenplaten, die waarschijnlijk uit Zweden afkomstig waren, hetgeen handel of ruilhandel impliceert. Rond 2.750 v.Chr. kwam er abrupt een einde aan deze voor Noord-Nederland kenmerkende cultuur. Vermoedelijk door invloeden van buitenaf, maar veel is nog onduidelijk. Wel zijn er op verschillende plaatsen aanwijzingen dat er sprake moet zijn geweest van conflicten. De periode die hierop volgde kennen we als touwbekercultuur (2.900-2.450 v.Chr.) De Enkelgrafcultuur in ons land vormt hier een onderdeel van. Boven: Aardewerk uit standvoetbekercultuur, mogelijk uit een vlakgraf. Periode: ca. 3300 v.Chr. Vindplaats: Allardsoog. Foto: Noordelijk Archeologisch Depot. Bron: It Beaken, 1982. Onder: Bekapt en beslepen dunbladig bijltje van donkergrijze vuursteen. Periode: Neolithicum laat A: 2850-2450 v.Chr. Vindplaats: Bakkeveen. Bron: Noordelijk Archeologisch Depot.
Laat-neolithicum: enkelgraf/standvoetbeker- en klokbekercultuur (2.900-2.000 v.Chr.) Tot de periode van het laat-neolithicum behoren de enkelgrafcultuur oftewel standvoetbekercultuur (ca. 2.9002.450 v.Chr.) en de klokbekercultuur (ca. 2.450-2.000 v.Chr.). De enkelgrafcultuur is een kleine cultuur die deel uitmaakt van de veel grotere touwbekercultuur. Deze cultuur was een nieuwe cultuur die vrij plotseling opkwam vanuit het steppegebied in Oost-Europa (vanuit de Yamnaya-cultuur in Rusland en Oekraïne). Met de touwbekercultuur kwamen 38
ook de Indo-Europese talen op. De enkelgrafcultuur was specifiek voor Nederland, NoordDuitsland en een deel van Denemarken. Net als bij de trechterbekercultuur bestond de veestapel van de enkelgrafcultuur uit runderen, varkens, schapen en geiten. De openheid van het landschap en daarmee de toename van grassen en kruiden, leidde ertoe dat de bodem steeds moeilijker te bewerken was. Met behulp van een eergetouw of haakploeg werd het makkelijker om de grond te bewerken en was de opbrengst hoger. Het intensiever gebruik van de grond zorgde echter voor een afname van de bodemvruchtbaarheid. De boeren uit het late neolithicum kozen de droge dekzanden in de buurt van rivieren, beken of vennen uit om zich te vestigen, net zoals de boeren uit de trechterbekercultuur. Ze begroeven hun doden in grafheuvels met een enkele begraving. Kenmerkend voor de enkelgrafcultuur waren de standvoetbekers. De klokbekercultuur ontstond in Zuid- en Oost-Europa en verspreidde zich vanaf daar. Er kwam vanuit dat gebied een enorme migratiestroom op gang richting westelijker streken. In de periode van de klokbekercultuur (ca. 2.450-2.000 v.Chr.) werd de veestapel, bestaande uit runderen, varkens, schapen en geiten, uitgebreid met het paard. Ook begon men in deze tijd met het gebruik van koper. Binnen Nederland is er sprake van een Veluwe-groep en een Noordoost-Nederlandse/Noordwest-Duitse traditie.
Ook binnen Opsterland zijn er vele vondsten gedaan die afkomstig zijn uit de enkelgrafcultuur en klokbekercultuur, waaronder pijlpunten en een hamerbijl (type E-hamer) van diabaas in Ureterp. 3.2.4 Bronstijd (2.000-800 v.Chr.) Vanaf ongeveer 2.000 v.Chr. begon de bronstijd, toen bronzen gebruiksvoorwerpen hun intrede deden. Men maakte onder meer wapens, gebruiksvoorwerpen, sieraden en rituele voorwerpen van brons, dat aangevoerd werd uit andere gebieden, zoals Bohemen en ZuidEngeland. Voor brons was men afhankelijk van het buitenland omdat de twee grondstoffen, koper en tin, niet in Nederland voorkomen. Het moest dus van elders ingevoerd worden. In
Sögel spits uit de Bronstijd. Vindplaats: Opsterland. Foto: R. van der Brug.
Mes uit de vroege bronstijd. Huidige data geven aan dat de mesjes aan het begin van de midden-bronstijd uit het artefactenspectrum verdwenen. Foto: R. van der Brug.
39
Nederland zijn vondsten uit de bronstijd zeldzaam. Uit natte, moerasachtige delen van het Nederlandse landschap zijn enkele bronzen objecten, zoals zwaarden en sieraden, bekend die in veen of water zijn gedeponeerd. Deze vermeende offers zijn onder andere gevonden in Ommerschans, Lunteren, Den Dolder en Heiloo. Toch zijn er enkele vondsten gedaan in Bakkeveen: een bronzen beitel, een kromme bronzen speer/lanspunt en twee bronzen bijlen (de ene een zogenaamde holle kokerbijl of Celt, de ander een Absatz-bijl, die ouder is als de kokerbijl). Een vondst uit de late bronstijd (1.600-1.200 v.Chr.) werd gedaan ter hoogte van de kruising tussen de Finnen en de Mounewei onder Wijnjewoude. In zand afkomstig uit het Koningsdiep werd in 1932 een strijdbijl van Hannoveraans type gevonden. Het gaat om een gaaf exemplaar dat waarschijnlijk niet gebruikt is. Mogelijk is deze bijl op rituele wijze in het beekdal terecht gekomen. Gezien de datering van de bijl is dat waarschijnlijk gebeurd toen er nog een uitgestrekt veenmoeras lag waar alleen nog hoge
Bronstijdboerderijen, waarin vee inpandig gehouden werd, met links een graanschuur (spieker) op palen. Bron: Bronstijd (geheugenvandrenthe.nl).
zandkoppen uitstaken. Langs de Bûtewei net ten oosten van Ureterp is een bronstijdspits gevonden. In 1918 werd nabij de Mieuwmeerswijk bij Bakkeveen ook een speerpunt uit de late bronstijd gevonden. Het had een vrij smal, iets afgerond blad, waarvan het ondereinde van de schacht was afgebroken en het blad vrij sterk omgebogen. Het bevatte pingaatjes en was van het type Lüneborg. In Appelscha, hoewel buiten Opsterland, is een zwaard gevonden. Ook werden gebruiksvoorwerpen van vuursteen en steen nog steeds gebruikt. Er zijn messen en vele tientallen pijlpunten gevonden uit de bronstijd. Het toont aan dat de zandruggen die door het veen liepen nog steeds bewoond waren, of tenminste gebruikt werden om doorheen te reizen. In het dal van het Koningsdiep zijn de vondsten schaars. In de vroege en midden-bronstijd lagen de nederzettingen op de droge dekzanden, op de overgang van bos en hei. Deze nederzettingen werden zo nu en dan verplaatst. De grafvelden bleven vaak wel langere tijd op dezelfde plaats in gebruik. Het is aannemelijk dat de woonarealen van de boeren in de buurt van de grafheuvels en grafvelden hebben gelegen. Zij hielden zich bezig met akkerbouw en veeteelt. Vanaf deze tijd werd het vee niet langer 40
ingeschaard in veekralen, maar gehuisvest binnenin de boerderij. Karakteristiek zijn dan ook de drieschepige woonstalhuizen. Boerderijen stond her en der verspreid in het landschap, of vormden groepjes van maximaal vier stuks. Bronstijdboerderijen waren zo’n 5 tot 6 meter breed en minimaal 15 meter lang. In de late bronstijd waren ze zelfs 30 tot 40 meter lang. Boeren hielden zo’n 20 tot 30 stuks vee. Nu het vee op stal kwam te staan, werd het ook mogelijk de mest in te zetten als bemesting voor de akkers. Op het erf stonden graanschuurtjes op palen (spiekers). Tijdens de opgraving van Oud-Ureterp (2013) en een opgraving bij Oud-Wijnjeterp in 1962 en 1963 door provinciaal archeoloog Elzinga zijn dergelijke constructies gevonden. Grafheuvels Grafheuvels kwamen voor in de periode tussen het laat-neolithicum tot in de vroege bronstijd. De enkelgrafcultuur is bekend door de vele grafheuvels. Ze begroeven hun doden destijds in grafheuvels en vlakgraven. Ook de grafheuvels waren bestemd voor een persoon. In de vroege bronstijd werden de doden in eerste instantie ook in grafheuvels begraven. In de latere bronstijd werden doden begraven in boomstamkisten. Of er dergelijke graven met boomstamkisten in Opsterland zijn geweest, is niet bekend. Oudere, neolithische grafheuvels werden soms opnieuw gebruikt voor een begraving.
De grafheuvels in Allardsoog zijn hiervan een voorbeeld, ze bestaan uit lagen uit meerdere tijdsperioden. Omdat grafheuvels in de loop van de bronstijd voor meerdere personen gebruikt werden die aan de heuvelrand rond een centraal graf werden bijgezet, wordt gedacht dat het hierbij om familieheuvels gaat. In 2023 is er bovendien archeologisch onderzoek uitgevoerd op de Duurswouderheide, waarbij vast kwam te staan dat ook hier een grafheuvel aanwezig is, die dateert uit het neolithicum tot de bronstijd.
Opgraving grafheuvel aan de Poasen bij Hemrik. Van links naar rechts: H. van der Vliet, H.J. Popping en L. de Jong. Bron: H. van der Vliet, De grêfhichte to Wijnterp fen H. van der Vliet Sr. (Lippenhuizen 1940).
41
Later in de bronstijd (na ca. 1.250 v.Chr.) werden doden gecremeerd. As werd in een urn gedaan en dit werd begraven op urnenvelden. De urn werd in een kuiltje geplaatst en daaromheen werd een greppel gegraven. De opgegraven grond werd als klein heuveltje over het graf aangebracht. Crematieresten werden ook wel in een leren of stoffen zak begraven. Soms werden er grafgiften aan toegevoegd, zoals potjes, kledingspelden of sieraden. Urnenvelden zijn vaak aangelegd in de buurt van oudere grafheuvels, waar hun voorouders mogelijk begraven lagen. In Opsterland zijn er echter geen urnenvelden bekend. Het is bekend dat er onder andere tumuli geweest zijn op de hoger gelegen zandruggen, waaronder bij de Bûtewei onder Siegerswoude en de Boskwei in Siegerswoude, in het Mandeveld bij Bakkeveen, Allardsoog en ook het Selmien. Bij onder meer de ontginningen in de eerste helft van de twintigste eeuw zijn deze grafheuvels verloren gegaan. Een grafgift uit een vlakgraf van de enkelgrafcultuur is aangetroffen bij Allardsoog. In de crisisjaren zijn er waarschijnlijk diverse grafheuvels geëgaliseerd, onder meer onder Selmien, bij Siegerswoude en Bakkeveen. In de heide tussen Sparjebird en de Poasten, nabij de Poastwei onder Wijnjeterp, is in augustus 1939 een grafheuvel, gelegen op een heiderug, onder wetenschappelijk toezicht afgegraven.
Door een misverstand kon ook deze grafheuvel niet behouden blijven. De grafheuvel had een doorsnede van zo’n 14 meter en was op het middenstuk zo’n anderhalve meter hoog. Onder leiding van dr. A. Wassenbergh (1897-1992, toen directeur Fries Museum), H.J. Popping en Hein van der Vliet werd deze grafheuvel opengemaakt. Tijdens de opgraving kwamen er vier grafgiften tevoorschijn die zo’n drie tot vier eeuwen onder de grond gelegen hadden. De grafgiften bestonden uit een bijl van het Jutlandse type, een vuurstenen pijlpunt in een bijzondere vorm, een kleiner vuurstenen bijltje en een mes van vuursteen. Hout of leder dat hier mogelijk aan bevestigd was geweest, was vergaan. Ook het lijk was vergaan, slechts wat vettige modder toonde nog de locatie waar de begraven persoon had gelegen. Popping veronderstelde dat het graf van een aanvoerder of strijder was. Hamerbijl gemaakt van porfirisch basalt, type Baexem 1. Vermoedelijk nooit gebruikt. Periode: late bronstijd (1.100-800 v.Chr.) tot ver in de ijzertijd (800-500 v.Chr.). Vindplaats: Wijnjewoude. Afmeting: 11,5 cm. Bron: Noordelijk Archeologisch Depot.
Ook van de vier grafheuvels die bij Allardsoog liggen is een klein deel van de heuvels archeologisch onderzocht. Het onderzoek leverde maar weinig vondstmateriaal op: enkele vuurstenen werktuigjes en twee onversierde scherven. De datering van de grafheuvels was daarom globaal van aard: neolithicum/vroege bronstijd. Bij de opgraving van een grafheuvel bij Allardsoog troffen archeologen Van der Sanden en Taayke vier verschillende lagen aan. Het wijst erop dat er vier fasen te onderscheiden zijn in het ontstaan ervan, van laat-mesolithicum tot in de vroege bronstijd. Gezien de bevindingen uit het archeologisch onderzoek van de grafheuvels, is het aannemelijk dat het bovenloop- en middenloopgebied van het Koningsdiep in de loop van de vroege bronstijd verlaten moet zijn. De vier grafheuvels bij Allardsoog zijn gerestaureerd en nog steeds te bezichtigen. De meest oostelijk gelegen grafheuvel staat op oude kaarten benoemd als de Kruisberg en heeft een 42
doorsnede van zo’n 18 meter. Deze vormde eeuwenlang een markant punt in het landschap. In Bakkeveen ligt eveneens een gerestaureerde grafheuvel uit de neolitische tijd. Ten noordwesten van de Duurswouderheide bij Wijnjewoude is ook een neolithische grafheuvel bewaard gebleven. Het vermoeden bestaat dat er nog meerdere grafheuvels aanwezig zijn in de natuurgebieden binnen Opsterland, maar dat die nog niet ontdekt zijn. 3.2.6 IJzertijd (800-12 v.Chr.) Dat er ook nog sprake was van bewoning in deze periode toont onder meer de vondst van een weefgewicht in een stuk klei bij Terwispel. De overgangstijd van de bronstijd naar de ijzertijd was eveneens een geleidelijke, zo tonen ook de begrafenisrituelen aan. Aan het begin van de ijzertijd werden doden nog bijgezet in urnenvelden. Hoewel urnenvelden nog niet in Opsterland zijn aangetroffen, heeft Popping wel restanten aardewerk en enkele stukken verbrand bot uit de ijzertijd gevonden nabij Bakkeveen. Ook is er een urn gevonden nabij Allardsoog/Bakkeveen die mogelijk uit de ijzertijd stamt. Overledenen werden gecremeerd en de resten werden, net als in de late bronstijd, in een pot of zak gedaan en begraven in een grafveld. Vanaf de vijfde eeuw v.Chr. tot ongeveer 100 jaar voor de jaartelling richtte men grafheuvels op daar waar de doden gecremeerd werden. Over de verkoolde resten van de brandstapel werden brandheuvels opgericht.
Na circa 100 v.Chr. werden de crematieresten begraven in een kuil of bijgezet in oudere bronstijdgrafheuvels. In Opsterland is dit echter moeilijk aantoonbaar, wel is in Oosterwolde een kringgreppelgrafveld aangetroffen. In de ijzertijd bewerkten de boeren het land middels een systeem dat we nu kennen als honinggraatvormige akkersystemen. Deze akkersystemen waren vele hectares groot. Elk stukje grond, een raatakker, was ongeveer 35 bij 35 meter groot en was omgeven door een aarden wal. Ze vormden een aaneengesloten systeem van akkertjes die werden gebruikt voor de verbouw van primitieve graansoorten als emmertarwe en spelt. Binnen een raatakkercomplex lagen kleine nederzettingen van drie tot vijf boerderijen. Deze werden doorgaans gebouwd op verlaten akkertjes en na verloop van tijd weer vervangen door nieuwe boerderijen op een nieuwe plek binnen het complex. In buurgemeente Ooststellingwerf zijn raatakkers gevonden bij Weper, Fochteloo, Oosterwolde, Oldeberkoop en Appelscha. In Opsterland zijn er geen duidelijke sporen van raatakkers gevonden, maar mogelijk zijn deze er wel geweest.
Raatakkers van ijzertijdboeren. Bron: Provincie Drenthe.
43
Door oprukkende veengroei werd het leefgebied steeds kleiner. Er zijn geen directe aanwijzingen dat er binnen Opsterland nog hooggelegen locaties waren waar structurele bewoning plaatsvond. Het zich uitbreidende natte veen verdrong in deze tijd het cultuurlandschap en gedurende zo’n 1000 tot 1500 jaar zou het gebied praktisch onbewoond zijn. De overgebleven dekzandeilandjes waren te klein en te geïsoleerd om te overleven. Mogelijk werd er wel sporadisch door het gebied gereisd. In de derde en vierde eeuw raakte geheel Friesland onbewoond. Nieuwe bewoners streken vanuit vermoedelijk Drenthe, Denemarken en andere oostelijker gebieden neer in wat we nu kennen als het terpengebied. Veenarbeiders vonden in maart 1863 ergens onder Terwispel een grote muntschat, bestaande uit 161 zilveren sceatta’s. Hiervan bevinden zich 141 in het Fries Museum. De rest is destijds geschonken aan andere musea. Deze munten waren tussen 650 en 750 in gebruik, al kan dit ook iets eerder geweest zijn. De muntschat van Terwispel is veelvuldig genoemd in de geschiedenisboeken, maar de exacte plek van dit ‘Ingelske jild’ bleef lange tijd een raadsel. Terwispel was in die tijd een heel uitgestrekt dorp. In het verslag van het Friesch Genootschap over de vondst staat dat deze werd gedaan in de veenderijen van Terwispel, boven het veen, in de bonkaarde.
Nader onderzoek wijst uit dat de vindplaats zo’n 2 kilometer noordoostelijk van het centrum van Tijnje lag, in de zogeheten Brêgewarren, tussen het Moediep en de Riperwâlden Het lag bijeen gehoopt in een naar het scheen vette specie (adipocira), waarschijnlijk een overblijfsel van een menselijk lichaam. Volgens de verhalen van getuigen was de eigenaar van het geld nog wel herkenbaar: een man, die naar het leek in het veen was weggezakt en gestikt in de modder. Het lijk stond rechtop in een diep gat in het veen. De munten zaten in een buidel rond zijn hals. De vindplaats bleef lang onbekend, doordat de veenarbeiders geen ruchtbaarheid wilden geven aan de vondst, omdat ze bang waren dat de veenbaas de beloning zou opeisen. De munten werden op geringe diepte aangetroffen bij het turfsteken, niet ver van de plek waar het Moediep in de Boorne uitmondt. Naast geld werd er ook een staafje zilver, drie stukjes platgeslagen zilver en een klompje en stukje opgerold zilver gevonden, plus enkele fragmenten van zilveren ringen en de uit een kransje bestaande omlijsting van een steentje. Volgens een conservator archeologie van het Fries Museum, was de man muntmeester geweest. Het grote mysterie is wat die muntmeester daar in het verlaten veen deed. Zijn gezicht was naar het zuiden gericht. De dorpen van het latere Opsterland bestonden nog niet.