B02 Bijlage 1 Beleidsnotitie Archeologie 2025-2031
Tekst van het document
Spoaren út it ferline Beleidsnotitie Archeologie 2025-2031
Gemeente Opsterland | Wonen en Werken
1
Colofon Opdrachtgever: Titel: Afbeeldingen titelblad:
Gemeente Opsterland. Spoaren út it ferline. Beleidsnotitie Archeologie 2025-2031. Fragment kaart Schotanus Halma 1718; vuistbijl van Wijnjeterp, vuursteenvondst, standvoetbeker.
Datum: Auteur: Afbeeldingen:
Aafke Bonnet-Bekkema, beleidsadviseur cultureel erfgoed door auteur, tenzij anders vermeld.
Uitwerking beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten
Team Archeologie, provinsje Fryslân
Zaaknummer: Status:
0086215640
Anderhalfhandig tweesnijdend zwaard, gerestaureerd. Bevat religieuze OOO-inscriptie op de kling, waarschijnlijk verwijzend naar de drie-eenheid, die mogelijk met goud was ingelegd. Periode: 1200-1350. Vindplaats: nabij de Poostbrug, Olterterp. Collectie Koninklijk Fries Genootschap. Foto: Paulien Kaan.
2
Inhoudsopgave Samenvatting gemeentelijk beleid archeologie
5
Inleiding en aanleiding
7
1. Wettelijk en beleidsmatig kader 1.1 De Erfgoedwet 1.2 De Omgevingswet 1.3 Omgevingsplan 1.4 Provinciaal beleid en de provinciale verordening
10 11 11 12 13
2. Betrokken overheidsinstanties 2.1 Rijk 2.2 Provincie 2.2.1 Provinciaal erfgoedbeleid 2.3 Gemeente 2.3.1 Ruimtelijke plannen en archeologie 2.3.2 Gemeentelijk archeologiebeleid
15 15 16 18 19 21 22
3. Landschaps- en bewoningsgeschiedenis van gemeente Opsterland 3.1 Landschapsgeschiedenis 3.1.1 Pleistoceen 3.1.2 Holoceen 3.2 Bewoningsgeschiedenis van de gemeente Opsterland 3.2.1 Paleolithicum (oude steentijd – tot 9.600 jaar geleden) 3.2.2 Mesolithicum (midden steentijd – 9.600 tot 4.900 v.Chr.) 3.2.3 Neolithicum (steentijd – 4.900 tot 2000 v.Chr.) 3.2.4 Bronstijd (2000-800 v.Chr.) 3.2.5 IJzertijd (800-12 v.Chr.) 3.2.6 Romeinse tijd (12 v.Chr.) en vroege middeleeuwen (500 – 1000) 3.2.7 Volle en late middeleeuwen (1000 – 1500) 3.2.8 Nieuwe tijd (1500 tot heden)
24 25 25 27 30 30 33 35 39 43 44 45 55
4. Archeologische beleidskader van de gemeente Opsterland 59 4.1 Instrumentarium van de gemeente Opsterland 59 4.1.1 Erfgoedverordening 59 4.1.2 Plan van Aanpak (PvA) en Programma van Eisen (PvE) 60 4.1.3 Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) 61 4.1.4 Toepassing en gebruik nieuw archeologiebeleid en archeologische kaarten 61 4.1.5 Doorvertaling naar het omgevingsplan: bouwsteen 62 5. Archeologische beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten 64 5.1 Aandachtsgebieden 64 5.2 FAMKE: algemene toelichting op de kaarten 68 5.2.1 Opbouw van de FAMKE: twee advieskaarten en twee bronnenkaarten 68 5.3 Toelichting op de archeologische beleidsadvieskaarten steentijd-bronstijd 72 5.4 Toelichting op de archeologische beleidsadvies kaarten 3
ijzertijd-middeleeuwen 6. Overige beleidsaspecten 6.1 Egaliseren, diepploegen en afplaggen 6.2 Amateurarcheologen en vrijwilligers: inzet en ondersteuning bij opgravingen 6.3 Metaaldetectoren
73 74 74
7. Kennislacunes in de archeologie en aanvullende aandachtsgebieden 7.1 Dijken 7.2 Ringwallen 7.3 Voorden 7.4 Nader onderzoek middeleeuwse huisterpen 7.5 Onderzoek mogelijke stinswier
76 76 76 77 77 77
8. Voorlichting 8.1 Openbaarheid van het archeologisch beleid 8.2 Belevingswaarde en zichtbaarheid van archeologie 8.3 Wat gaan we doen: uitvoeringsprogramma
78 78 78 80
9. Financiering 9.1 Kosten opstellen en uitvoeren archeologiebeleid 9.2 Aanpassingen en updates 9.3 Thematische verdiepingsslagen 9.4 Kosten voor de gemeente als verstoorder 9.5 Toevalsvondsten en aanvullend onderzoek 9.6 Opstellen uitvoeringsprogramma archeologie 9.7 Bestuurslastenvergoeding en opgravingen van maatschappelijk belang 9.8 Fondsen 9.9 Schema kosten
81 81 81 82 82 82 82 83 83 83
Literatuur en bronnen
74 74
84
Bijlagen Bijlage 1: Beleidsadviezen in Opsterland voor de periode steentijd-bronstijd Bijlage 2: Beleidsadviezen in Opsterland voor de periode ijzertijd-middeleeuwen Bijlage 3: De oude Monumentenwet 1988 en de Wamz Bijlage 4: Veranderingen in de Erfgoedwet ten opzichte van de Wamz Bijlage 5. Historie BAI en RCE Bijlage 6. Gebruikte bronnen totstandkoming kaartmateriaal Bijlage 7. Stappenplan AMZ-cyclus
4
87 104 113 115 116 117 118
Samenvatting gemeentelijk beleid archeologie In 2023 heeft de gemeente Opsterland besloten om gemeentelijk archeologisch beleid op te stellen. Wetswijzigingen op het gebied van de archeologische monumentenzorg in 2007 verplichtten de Nederlandse gemeenten om archeologische waarden in de ruimtelijke planprocedures te betrekken en waardevolle resten te beschermen. De archeologiewetgeving legt de verantwoordelijkheid voor het archeologische erfgoed grotendeels bij de gemeenten neer. Tientallen wetten en besluiten wordt gebundeld in de Omgevingswet. Archeologisch erfgoed is een van de pijlers die een rol moeten spelen bij de inrichting van onze fysieke leefomgeving. De Omgevingswet heeft als maatschappelijk doel het bereiken en in standhouden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een goede bescherming van ons cultureel erfgoed, waartoe ook archeologie behoort, is daarbij essentieel. Met enerzijds duurzaam behoud van ons archeologisch erfgoed en anderzijds gedegen en waar mogelijk aansprekend onderzoek, biedt dit een kans om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te vergroten en deze meer diepgang te geven. Beleidsnotitie Archeologie In de beleidsnotitie ‘Spoaren út it ferline’ is verwoord hoe de gemeente Opsterland omgaat met archeologische waarden binnen haar gemeentegrenzen.
De kern van de notitie ligt bij de uitvoering van onze wettelijke taken. In deze nota komen diverse andere zaken aan de orde, waaronder wettelijke en beleidsmatige kaders, bevoegdheden van de verschillende overheden, landschaps- en bewoningsgeschiedenis, archeologisch bekende waarden en archeologische verwachtingswaarden, archeologie en cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, omgevingsplanregels en de wijze waarop de gemeente de bescherming van de archeologische waarden borgt. Daarnaast wordt het belang van archeologie breder getrokken door in te zetten op beleefbaarheid, zichtbaarheid en bewustwording. Beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten archeologie De beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten die vervaardigd zijn in samenwerking met provinsje Fryslân vormen het uitgangspunt voor dit beleid. De Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE) geeft een overzicht van de bekende en de te verwachten archeologische waarden. De advieskaarten van de FAMKE worden verdeeld in twee tijdvakken, te weten ‘steentijd-bronstijd’ en ‘ijzertijd-middeleeuwen’. Elk tijdvak heeft een bronnenkaart en een beleidsadvieskaart met bekende waarden en verwachtingswaarden, zodat er in totaal 4 kaarten zijn.
Het archeologisch verwachtingsmodel dat is vertaald in de FAMKE, is gebaseerd op de ruimtelijke verspreiding van de vindplaatsen en de kennis over de landschapsgeschiedenis van de gemeente Opsterland. Het verwachtingsmodel kent een driedeling: gebieden met een grote kans op archeologische resten, gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde en gebieden met een geringe c.q. lage kans op archeologische resten en structuren. Op de FAMKE werd zoveel mogelijk ook de kans verwerkt dat de mogelijk aanwezige archeologische waarden reeds verstoord waren. Dit alles bij elkaar werd vertaald naar provincie-dekkende kaarten met verschillende beleidsadviezen die aangeven hoe er het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan. Daarbij wordt aangegeven welke minimale omvang een voorgenomen bodemingreep moet hebben, wil archeologisch onderzoek nodig zijn. De archeologische beleidsnotitie en de FAMKE zijn bepalend voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeente Opsterland. Er zal op termijn een vertaling van de FAMKE naar de gemeentelijke schaal plaatsvinden. De archeologische waarden uit de kaarten worden gekoppeld aan omgevingsplanregels en dienen als bouwsteen in het omgevingsplan. Voortgezet onderzoek zal ook in de toekomst nieuwe kaartbeelden 5
opleveren, die verwerkt zullen moeten worden op de kaarten. Daarbij kunnen ook nieuwe waarden in beeld komen die nu nog niet of nauwelijks bescherming genieten. Vierjaarlijks zullen de beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten worden herzien op basis van nieuwe informatie die op het gebied van archeologie beschikbaar is gekomen. De kaarten worden daarmee dynamische kaarten, die steeds van de recentste gegevens zijn voorzien, zoals ook de Omgevingswet van een gemeente verwacht. Beleidsuitgangspunten samengevat De gemeente Opsterland zet met deze beleidsnotitie archeologie in op het behoud van waardevolle archeologische overblijfselen. Gemeente Opsterland heeft de ambitie om een voor de gemeente representatief deel van het erfgoed te behouden, waarbij internationale, landelijke en provinciale belangen en wettelijke regelgeving op dit vlak in acht genomen worden. Wanneer behoud niet aan de orde kan zijn, zal de gemeente eisen dat er adequaat archeologisch onderzoek verricht wordt. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd volgens de richtlijnen die de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) daaraan stelt. De beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten en bijbehorende toelichtingen geven voorschriften waar het gaat om het vooronderzoek en deze zullen, waar het de archeologisch waardevolle terreinen en zones alsmede verwachtingswaarden betreft, ook gebruikt worden.
De archeologische beleidsadvies- en bronnenkaarten zullen na vaststelling direct deel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan door toepassing van de vangnetbepaling in de gemeentelijke erfgoedverordening. Het zorgt ervoor dat verouderde of onvolledige archeologische informatie vervangen wordt door actuele archeologische gegevens. De meerwaarde van het vaststellen van het archeologische beleid kan als volgt worden samengevat: 1. De actuele beleidsadvieskaarten worden onderdeel van het toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven. Vanaf vaststelling van het beleid en de bijbehorende kaarten zijn deze via de vangnetbepaling direct onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan. Dit maakt dat ontwikkelingen c.q. ruimtelijke initiatieven via dat tijdelijke omgevingsplan rechtstreeks getoetst worden aan deze actuele gegevens. Zij worden dus het toetsingskader voor vergunningaanvragen en andere werkzaamheden waarbij archeologische gegevens een rol spelen. 2. Actueel archeologisch beleid wordt onderdeel van het afwegingskader voor strijdige ruimtelijke initiatieven. Als gebleken is dat een initiatief in strijd is met het omgevingsplan, dan kan de gemeente overwegen hieraan medewerking te verlenen als er sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL).
Binnen die afweging hoort zonder meer thuis dat het belang van behoud van cultureel erfgoed moet worden meegenomen en geborgd. Aan deze afweging en borging wordt gestalte gegeven door het nieuwe archeologiebeleid toe te passen. De aangegeven archeologische (verwachtings)waarden op de beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten krijgen op termijn een planologische bescherming in het definitieve omgevingsplan. Naast dat archeologie in een vroegtijdig stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen meegewogen moeten worden, wordt er, omdat archeologie doorgaans weinig zichtbaar is, gestreefd naar het vergroten van zichtbaarheid en beleefbaarheid. De gemeente heeft als doel amateurarcheologen te betrekken bij archeologisch veldonderzoek uitgevoerd door archeologische marktpartijen en zet zich in om archeologie op verschillende manieren onder de aandacht te brengen bij inwoners en andere geïnteresseerden.
6
Inleiding en aanleiding Archeologie (Grieks: αρχαιος – oud, uit oude tijden, λόγος – leer, kennis) of Oudheidkunde gaat over het bestuderen van menselijk handelen in het verleden aan de hand van de materiële objecten en sporen die mensen bij of na hun handelen in de bodem achterlieten. Dit geheel aan objecten en sporen wordt het archeologisch erfgoed genoemd. De praktische kant bestaat uit veldwerk en vondstverwerkingen, de theoretische kant uit analyseren en interpreteren met als gezamenlijk doel het vertellen van het verhaal over het verleden. Nieuwe wet- en regelgeving heeft ervoor gezorgd dat archeologen ook andere taken hebben gekregen, zoals het beschermen van het archeologisch bodemarchief, het opstellen van archeologiebeleid en daaruit voortvloeiend deelname aan werkgroepen en creëren van maatschappelijk draagvlak bij een groot publiek. Het beschermen van archeologische waarden In deze beleidsnotitie archeologie wordt het archeologiebeleid van de gemeente Opsterland uiteengezet. De rode draad in het opstellen van het archeologische beleid is de kerngedachte dat de gemeente het waardevolle, maar doorgaans kwetsbare archeologische erfgoed op een correcte wijze behoort te behartigen. De gemeente heeft de plicht om aantasting en verstoring, die bijna altijd definitief en onherstelbaar is, van het eigen bodemarchief te voorkomen.
Bovendien voelt de gemeente een intrinsieke wens om bijzondere archeologische waarden te beschermen en bij te dragen aan het verhaal dat deze resten kunnen vertellen over de (verre) geschiedenis van onze mooie gemeente. Daarnaast zorgt kennis en inzicht in eigen bodemarchief voor een meerwaarde: het geeft de mogelijkheid de kernkwaliteiten en identiteit van de eigen gemeente uit te dragen, geeft meerwaarde aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, kan een stimulans betekenen voor toerisme en recreatie en vormt een onmisbare leidraad bij de ontwikkeling en realisering van ruimtelijke plannen. De decentralisatie van de zorg voor het archeologische erfgoed biedt kansen om archeologie te benutten voor (lokale) maatschappelijke doeleinden. Op deze manier kunnen gemeenten optimaal gebruik maken van de meerwaarde van archeologie voor de leefomgeving. Archeologische resten in de grond: het bodemarchief Opsterland wordt al millennia lang bevolkt door allerlei volkeren met eigen kenmerken en leefwijzen, die overal in de gemeente Opsterland hun sporen en resten in de bodem hebben achtergelaten. We weten het meeste over de bewoningsgeschiedenis van de oudste culturen door de tastbare objecten en archeologische vondsten die bij tijd en wijle tevoorschijn komen. Archeologisch erfgoed bevindt zich voor een deel in musea en depots, maar ligt hoofdzakelijk nog in de bodem.
Het bodemarchief gaat duizenden jaren verder terug in de tijd dan de oudste schriftelijke bronnen. Het grootste deel van het verleden kan dus alleen maar bestudeerd worden met behulp van de overblijfselen die in de bodem bewaard gebleven zijn. Het bodemarchief is dan ook een van de belangrijkste kennisbronnen over het verleden van gemeente Opsterland. Maar ook als het gaat om de recentere geschiedenis, zoals de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd, tussen ongeveer 1500 en 1800, herbergt het bodemarchief veel meer informatie over hoe mensen leefden en werkten dan waarin schriftelijke bronnen ons voorzien. De diversiteit aan bodemvondsten, zoals relicten uit de steentijd, vuursteenvindplaatsen, resten van aardewerk, pijlpunten, vuistbijlen, vuurstenen en benen vishaakjes, maalstenen, grafheuvels uit de late steentijd, oude huisterpen, nederzettingen uit de late steentijd tot en met de middeleeuwen, verlaten kerkhoven, schansen, leidijken en andere artefacten, vertellen het verhaal van de ontstaans- en bewoningsgeschiedenis van gemeente Opsterland 7
en zorgen ervoor dat we die geschiedenis begrijpen. Ook sporen van door de mens gegraven, opgeworpen of op andere wijze gemaakte structuren vallen hieronder. Met name het onderlinge verband tussen deze voorwerpen en sporen, de archeologische context, is een essentiële bron van informatie. Deze sporen, voorwerpen en context worden samen ‘het archeologisch bodemarchief’ genoemd. De Omgevingswet spreekt in dit verband van ‘archeologische monumenten en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’. Soms leidden die tot nieuwe inzichten, zoals de vondst van de vuistbijl bij Wijnjeterp, die van grote historische betekenis was, omdat daarmee voor het eerst aangetoond werd dat NoordNederland al vóór de laatste ijstijd bewoond was. Ook de ontdekking van een laatpaleolithische nederzetting in Siegerswoude in 1962 vormde een bouwsteen voor de geschiedenis van Opsterland. De vondsten duidden op de aanwezigheid van de Creswellcultuur. Het was de eerste keer dat aangetoond werd dat deze, oorspronkelijk in Engeland gevestigde steentijdcultuur, zich ook in Nederland bevond. Ondanks de ontdekking van diverse nederzettingen en aanwezigheid van vindplaatsen, missen we ook nog veel informatie. Deze ligt nog opgeslagen in het bodemarchief. Vanuit de gemeente Opsterland zetten wij ons, mede met dit beleid, daarom in voor een goed beheer van dit bodemarchief.
Achtergrond voor het gemeentelijke archeologiebeleid Voor een weloverwogen beheer van het archeologische erfgoed is het noodzaak dat niet alleen het gemeentebestuur inzicht heeft in het eigen bodemarchief. Het is evenzeer van belang dat deze kennis bekend gemaakt wordt aan de inwoners van gemeente Opsterland. Een eerste stap hiertoe is gezet door het thema cultureel erfgoed in te bedden in de omgevingsvisie van de gemeente. De bewustwording van het belang van de lokale geschiedenis zorgt ervoor dat bewoners zich kunnen identificeren met eigen omgeving. Door de ontstaansgeschiedenis te kennen, doen de gemeente en haar inwoners inspiratie op voor inrichtingsvraagstukken. Kennis over de ontstaansgeschiedenis, het landschap en de inrichting van de openbare ruimte (hoe heeft dit zich ontwikkeld) vormt het fundament voor verantwoorde keuzes waar het gaat om de toekomstige inrichting van die openbare ruimte (hoe gaat het worden). Gezien de grote “transities” waar Nederland voor staat, is het van groot belang aan de voorkant na te denken over welke waarden wij als gemeente belangrijk vinden voor de ontwikkelingen en toekomstige plannen binnen ons grondgebied. Het besef dat een groot deel van het archeologisch erfgoed in het verleden ongezien is verdwenen als gevolg van bodemverstorende ingrepen, bestaat al enkele decennia in Europa.
In de jaren tachtig van de twintigste eeuw werd in Europa breed geconstateerd dat het archeologische bodemarchief in hoog tempo aan het verdwijnen was. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog werden ruimtelijke ontwikkelingen veel grootschaliger. Er bleek betere bescherming nodig. Landelijk startte begin jaren negentig van de vorige eeuw een ontwikkeling naar een betere bescherming van het bodemarchief. In 1992 werd daarom het Europees Verdrag van Malta (Valletta) ondertekend door leden van de Raad van Europa (waaronder Nederland), met het doel archeologische waarden te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het cultureel erfgoed. Eenmaal aangetast, is een archeologische vindplaats niet meer te herstellen in originele staat. Behoud van archeologische waarden in de bodem (in situ) werd het uitgangspunt, net als het principe dat de veroorzaker van bodemverstorende activiteiten de kosten van het archeologische onderzoek betaalt (het ‘principe van de verstoorder betaalt’). De bepalingen uit het Verdrag van Malta (Valletta) leidden ertoe dat archeologie onderdeel werd van de wetgeving omtrent cultureel erfgoed en ruimtelijke ordening. Als uitwerking van dit internationale verdrag is in Nederland in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Sedertdien zijn gemeenten grotendeels verantwoordelijk voor het behoud van hun waardevolle bodemarchief.
8
Gemeentelijk archeologiebeleid De onderbouwing van veel gemeentelijke beleidskaarten bestaat meestal uit een gedetailleerde archeologische informatiekaart die in combinatie met een landschappelijke eenhedenkaart wordt omgezet in een archeologische waarden- en verwachtingskaart. In de gemeente Opsterland wordt er kaartmateriaal als bron gebruikt in de vorm van een versie van de FAMKE uit 2012, maar is er sprake van verouderde kennis. De afgelopen jaren is er door onderzoek en nieuwe inzichten meer kennis opgedaan over het Opsterlandse archeologische bodemarchief. De verdiepingsslag heeft ervoor gezorgd dat de kennis die sinds 2012 opgedaan is, verwerkt is in nieuw kaartmateriaal: de verbeterde FAMKE. De gedetailleerdere kaarten en het onderhavige nieuwe beleid moeten samen zorgen voor een verbetering van de bescherming van de archeologische waarden in Opsterland. De verbeterde FAMKE fungeert als onderlegger voor het in deze nota geformuleerde beleid. Dit alles zal worden verwerkt in het omgevingsplan, zodat de bescherming van het archeologische erfgoed binnen de gemeente optimaal geregeld is. De gemeente Opsterland zet in op het behouden van waardevolle archeologische relicten.
Alleen met zo volledig mogelijk uitgewerkte kaarten, die ook regelmatig een update ondergaan, is te voldoen aan de taken en vereisten die de Omgevingswet van gemeenten vraagt op het gebied van archeologie.
9
1. Wettelijk en beleidsmatig kader De wijze waarop met het archeologisch erfgoed en het archeologisch bodemarchief moet worden omgegaan, is vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw verankerd in internationale verdragen en nationale wetgeving. Het beleid en de wet- en regelgeving op het vlak van de archeologische monumentenzorg van provincie en rijk is sturend voor het gemeentelijk archeologiebeleid. Op Europees niveau is dit beleid vastgelegd in het Verdrag van Malta (Valletta) (1992). Het doel van dit verdrag is om archeologische waarden te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het cultureel erfgoed. De nadruk ligt op de ambitie om archeologische waarden ‘ in situ’, op de oorspronkelijke locatie in de bodem dus, te bewaren. Verdrag van Malta (Valletta) Het Verdrag van Malta bestaat uit enkele uitgangspunten: 1. Vroegtijdig rekening houden met archeologie bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen. Wanneer bescherming en inpassing van behoudenswaardige archeologische waarden niet mogelijk is, zal de historische informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek moeten worden veilig gesteld (art. 5); 2. De veroorzaker van een bodemverstoring is verantwoordelijk voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan, het zogenaamde principe van ‘de verstoorder betaalt’ (art. 6).
De inwerkingstelling van het Verdrag van Malta heeft in 2007 geleid tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz beoogt dat zo goed en zo vroeg mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid, of de mogelijke aanwezigheid, van archeologische waarden in de bodem. De Wamz bevatte twee belangrijke uitgangspunten: 1. Het streven naar behoud van archeologische resten in hun originele context in de bodem (in situ) of, als dit niet mogelijk is, door opgraving en documentatie (ex situ). 2. Degene die nieuwe ontwikkelingen met mogelijk bodemverstorende ingrepen tot stand brengt, is verantwoordelijk voor de inventarisatie en een verantwoord beheer van de bekende en te verwachten archeologische resten in de ondergrond (volgens het principe ‘de verstoorder betaalt’). Als gevolg van deze wet zijn taken en bevoegdheden ten aanzien van archeologische monumentenzorg gedecentraliseerd naar gemeentelijk niveau. Het archeologisch belang is verweven met de regelingen die betrekking hebben op de ruimtelijke processen en uitvoering daarvan. Er moet met archeologische (verwachtings)waarden rekening gehouden worden bij onder andere het verlenen van omgevingsvergunningen, ontgrondingen en milieueffectrapportages. Van belang is dat gemeenten een juiste invulling geven aan deze rol, zodat de omgang met het bodemarchief op verantwoorde wijze gewaarborgd wordt.
Verdrag van Faro Naast het Verdrag van Malta is ook het Verdrag van Faro (2005) van belang. De Raad van Europa benadrukt met dit verdrag een ander perspectief op erfgoed. Het Verdrag van Faro is in Nederland ondertekend in 2024, maar moet nog worden geratificeerd. Het verdrag stelt de mens en de samenleving centraal en hun relatie met erfgoed: de kern vormt erfgoedparticipatie. In Nederland sluit het verdrag goed aan bij ontwikkelingen in de erfgoedzorg die te maken hebben met meerstemmigheid, co-creatie, burgerinitiatief en burgerexpertise. Het is een kaderverdrag: de bepalingen van het verdrag zijn geen juridische verplichtingen, maar een oproep tot beleidsvorming. Het is een aanvulling om na te denken over de vraag: waarom bewaren we erfgoed, voor wie, hoe zijn mensen betrokken en hoe komt erfgoed ten goede aan de hele samenleving? De belangrijkste doelen in het verdrag zijn meedoen en meebeslissen in de erfgoedpraktijk, stimuleren, erfgoed inzetten voor sociaal10
maatschappelijke doelen en openstaan voor andere erfgoedopvattingen. De sociale waarde van erfgoed komt daarmee in toenemende mate centraal te staan. 1.1 De Erfgoedwet De bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland, die voorheen in de Monumentenwet (1988) en Wamz vervat waren, werd per 1 juli 2016 gebundeld in de Erfgoedwet. Voor achtergrondinformatie over de regelgeving in de Monumentenwet en de Wamz, zie bijlage 3. Na de invoering van de Erfgoedwet in 2016 bleef artikel 38a van de Monumentenwet van kracht via het overgangsrecht (art. 9.1 lid 1a). Daarnaast werd een aantal nieuwe bepalingen aan de Erfgoedwet toegevoegd. De essentie van de Erfgoedwet was nog steeds dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De uitgangspunten uit het Verdrag van Malta bleven dus ook in de Erfgoedwet de basis voor de omgang met de archeologische monumentenzorg. Er werden echter wel enkele veranderingen doorgevoerd: de vereiste van een wettelijk geregelde certificering (waarop enkele uitzonderingen bestaan), betere inkadering van het maritieme erfgoed en het schrappen van de excessieve kostenregeling. Meer achtergrondinformatie over deze wijzigingen is opgenomen in bijlage 4.
1.2 De Omgevingswet Het omgevingsrecht bestond voor 1 januari 2024 uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Al deze wetten en regelingen hadden hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De rijksoverheid was van mening dat de wetgeving daardoor te ingewikkeld was geworden. Daarom is besloten om het omgevingsrecht makkelijker te maken en samen te voegen in een nieuwe wet, de Omgevingswet. De Omgevingswet moet gaan zorgen voor een samenhangende aanpak van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Daarnaast zal participatie worden bevorderd, door bijvoorbeeld burgers en ondernemers zo goed mogelijk te betrekken bij de ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingswet is per 1 januari 2024 in werking getreden. Samen met de Omgevingswet zorgt de Erfgoedwet voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed. Voor het onroerend cultureel erfgoed zijn de implementatie van de Erfgoedwet en de Omgevingswet van belang. In de Omgevingswet is cultureel erfgoed in ieder geval als onderdeel van de fysieke leefomgeving benoemd. Participatie bij de totstandkoming van omgevingsplannen is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Een van de doelen ervan is het tijdig opwekken van creativiteit en ophalen van kennis bij belanghebbenden.
De bundeling van de verschillende wetten Een aantal bestaande wetten gaan in hun geheel op in de Omgevingswet. Dit betreft bijvoorbeeld de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De Monumentenwet (1988, geactualiseerd in 2008) is vervallen. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, is namelijk ook opgegaan in de Omgevingswet. Het resterende deel van de Monumentenwet is opgenomen in de Erfgoedwet. Van de (herziene) Monumentenwet 1988 zijn alle onderdelen over omgevingsrecht overgeheveld naar de Omgevingswet. Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met erfgoed in de fysieke leefomgeving. Zo vallen vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten onder de Omgevingswet. Maar ook verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie vallen onder de nieuwe wet. Datzelfde geldt ook voor de bescherming van stads- en dorpsgezichten.
11
Onder de Omgevingswet zijn gemeenten in principe het bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor de rijksmonumentenactiviteit van archeologische rijksmonumenten bij zogeheten meervoudige aanvragen. Dus bijvoorbeeld in combinatie met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan recht van advies en instemming. In de praktijk is dit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). De minister van OCW blijft bevoegd gezag bij enkelvoudige aanvragen. Vergunningverleners houden rekening met de door het Rijk vastgestelde beoordelingsregels. De Omgevingswet regelt dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang, niet alleen de minister van OC&W, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen (afdeling 19.2. Archeologische toevalsvondst van algemeen belang).
Schema overgangsrecht Monumentenwet 1988 naar Erfgoedwet en Omgevingswet. Bron: RCE.
1.3 Omgevingsplan Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Het instrument ‘bestemmingsplan’ is komen te vervallen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hiervoor in de plaats is het gemeentebrede omgevingsplan gekomen. Het omgevingsplan moet voor de gemeenten de gebiedsdekkende regeling gaan vormen. Het omgevingsplan biedt daarmee één integrale, inhoudelijk op elkaar afgestemde set van regels, die van toepassing zijn op een locatie. Ook de regelgeving die van toepassing is op archeologie hoort daarbij. In het geval van archeologie zal het gaan om archeologische regels die in het omgevingsplan worden geformuleerd en gekoppeld worden aan de verschillende (juridische) gebieden. Deze juridische gebieden worden gehaald uit de actuele beleidsadvieskaarten met bijbehorende beleidsregels. De voorheen geldende bestemmingsplannen zijn van rechtswege omgezet naar een tijdelijk omgevingsplan. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om dit om te zetten naar een 12
gemeentedekkend definitief omgevingsplan waarin alle rijksregels zijn verwerkt. De komende jaren zal het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Opsterland stapsgewijs worden vervangen door nieuwe regels. De beleidsadvieskaarten (inclusief beleidsregels) kunnen inhoudelijk één-op-één worden opgenomen in het omgevingsplan. Hierbij is het van belang dat de beleidsadvieskaarten goed onderbouwd zijn. De gemeente moet bij het wijzigen en vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).1 Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente bovendien rekening houden met bepaalde uitgangspunten bij de verlening van een omgevingsvergunning. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels. Voor archeologie betreft dit:
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten. aantasting van de omgeving van een beschermd monument. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. De gemeente moet in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Een belangrijk instrument in het omgevingsplan is een archeologische onderzoeksplicht bij activiteiten die een (te verwachten) archeologisch monument kunnen verstoren. De Omgevingswet voorziet niet in een actualiseringsplicht voor het omgevingsplan. Er bestaat dus geen verplichting om het omgevingsplan met een vaste termijn te actualiseren. Wel is het vanuit de Omgevingswet verplicht om de gegevens up-to-date te hebben en te houden. Het achterwege laten van de actualiseringsplicht ontslaat de gemeente dan ook uitdrukkelijk niet van het actueel houden van haar beleid. Het is na de implementatie van de Omgevingswet echter aan de gemeente om te beoordelen of het omgevingsplan actueel is of (op onderdelen) wijziging behoeft. 1.4 Provinciaal beleid en de provinciale verordening Provinsje Fryslân heeft ten aanzien van archeologie als onderdeel van de fysieke leefomgeving beleid geformuleerd en verordend.
Het gaat om de Structuurvisie Fysieke Leefomgeving Grutsk Op ‘e Romte (2014) en de Omgevingsvisie De Romte Diele (2022). In de provinciale omgevingsvisie wordt de ‘basis op orde’ als belangrijk speerpunt genoemd. De Friese ruimte heeft veel kwaliteiten die de provincie wil behouden en versterken. Dat moet op een slimme manier gebeuren: niet door veranderingen tegen te houden, maar door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. Om deze bestaande kwaliteiten op orde te hebben en te houden, voert zij haar wettelijke taken uit en neemt zij de verantwoordelijkheid die zij als provincie heeft. In Fryslân geldt naast de Omgevingswet ook de Omgevingsverordening Fryslân 2022. Provinsje Fryslân heeft een bepaling in artikel 2.1 (eerste lid) opgenomen in hun omgevingsverordening. Deze gaat over de bescherming van de archeologische waarden en het behoud en de versterking van de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Met betrekking tot de archeologie is opgenomen in de provinciale verordening dat gemeenten bij het vaststellen van hun archeologiebeleid uit moeten gaan van de 1 De BKL is een van de AMvB’s die tegelijktijdig met de Omgevingswet in werking is getreden als onderdeel van
de integrale herziening van het omgevingsrecht.
13
beleidsadviezen op de FAMKE of van kaartmateriaal dat afgestemd is met de provincie. Er blijft ruimte om af te wijken, maar er dient dan wel te worden onderbouwd op welke andere wijze de archeologie passend wordt beschermd (of onderbouwd te worden dat deze bescherming niet nodig is). Vanaf 2025 zijn er voor cultuur, taal en onderwijs en erfgoed afzonderlijke programma’s. In 2024 is er een herijkt ‘programma erfgoed’ opgesteld voor de periode 2025-2028. Het is de uitwerking voor het onroerende erfgoed: cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 2, paragraaf 2.2, wordt hier dieper op ingegaan. Wet Revitalisering Generiek Toezicht In de Wet Revitalisering Generiek Toezicht uit 2012 is vastgelegd hoe het interbestuurlijk toezicht wordt uitgevoerd. Deze wet bepaalt dat de bovenliggende bestuurslaag, in dit geval provinsje Fryslân, toezicht houdt op de wettelijke taken die bij de onderliggende bestuurslaag zijn belegd. Ten aanzien van archeologisch erfgoed gaat het om toezicht op de taken vanuit de Erfgoedwet en de Omgevingswet.
14
2. Betrokken overheidsinstanties Bij het ontwikkelen, uitvoeren en toezichthouden op de werkzaamheden op het vlak van archeologie zijn diverse overheidsinstanties betrokken. In deze paragraaf worden hun rol, bevoegdheden, plichten en werkzaamheden verder uitgelicht. 2.1 Rijk Op nationaal niveau zijn er twee instanties, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Erfgoedinspectie, die zich bezighouden met archeologische monumentenzorg, onderzoek en kennisoverdracht. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) De RCE (voorheen Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten) fungeert als nationaal kennisinstituut op het gebied van archeologie. De dienst speelt een centrale rol bij de aanwijzing en afvoering van archeologische rijksmonumenten en bij het verlenen van vergunningen voor bodemverstorende activiteiten op terreinen van archeologische rijksmonumenten. De RCE is verantwoordelijk voor de verwerking van archeologische gegevens in de nationale databank ARCHIS en de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Deze AMK geeft een overzicht van de belangrijkste archeologische terreinen in Nederland en is ontwikkeld in samenwerking met provinciale en gemeentelijke archeologen. Complementair aan de AMK is de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Deze kaart geeft de kans op het aantreffen van archeologische resten weer.
Echter doordat deze kaart op een landelijke schaal is opgesteld, betreft het een zeer grofmazige kaart. De meeste gemeenten hebben daarom besloten tot het (laten) uitvoeren van een verfijning voor het eigen grondgebied. Met deze notitie en de archeologische kaarten sluit de gemeente Opsterland zich bij deze gemeenten aan. De RCE neemt verder deel aan grote infrastructurele projecten waar archeologie in het geding is (zoals de Hoge Snelheidslijn en de Betuwelijn). Het merendeel van de taken op het gebied van de archeologische monumentenzorg is al gedecentraliseerd naar de gemeenten. Toch zijn er een aantal wettelijke taken op archeologisch gebied, waar het Rijk verantwoordelijk voor is. De RCE heeft de volgende taken: 1. Aanwijzing archeologische rijksmonumenten: namens de minister van OCW wijst de Rijksdienst onroerende goederen aan als beschermd monument. Dit betreft ook archeologische vindplaatsen (ex artikel 3 van de Monumentenwet 1988); 2. Verlening monumentenvergunningen: de Rijksdienst verleent namens de minister van OCW monumentenvergunningen voor bodemverstorende activiteiten op wettelijk beschermde archeologische monumenten (ex artikel 11 en 12 van de Monumentenwet 1988); 3.
Instandhouding centraal archeologisch informatiesysteem: artikel 55 van de Monumentenwet 1988 geeft aan dat de minister een centraal archeologisch informatiesysteem in stand houdt, waarin onder andere onderzoeksgegevens en vondstmeldingen worden geregistreerd. De RCE beheert de archeologische gegevens in het centrale archeologische informatiesysteem ARCHIS (het verwerken van de gegevens ligt voornamelijk bij de gebruikers). Naast de wettelijke taken op het gebied van de archeologische monumentenzorg ontwikkeld de RCE zich als kenniscentrum voor roerend en onroerend erfgoed, en dus ook voor het archeologisch erfgoed. Samen met nationale en internationale kennispartners, zoals musea, universiteiten en archieven, verricht het kenniscentrum onderzoek, karakteriseert het materialen en analyseert veranderingsprocessen. De Rijksdienst zorgt ervoor dat derden die 15
kennis praktisch kunnen toepassen. De Rijksdienst treedt daarnaast op als coördinator bij projecten van zogenaamde convenantspartners. Bij grote infrastructurele en provinciegrensoverschrijdende projecten treedt het Rijk op als eerste aanspreekpunt en coördinator van het archeologische onderzoekstraject. De gemeenten zijn echter nog steeds het bevoegd gezag (uitgezonderd de wettelijk beschermde archeologische monumenten en wanneer er sprake is van ontgrondingen boven een bepaald oppervlak is de provincie het bevoegd gezag). De RCE heeft hiervoor convenanten afgesloten met onder andere de Gasunie, Rijkswaterstaat, Nederlandse Spoorwegen, Dienst Landelijk Gebied en grote terrein beherende instanties zoals de Dienst Vastgoed van Defensie, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Ook ontwikkelde en ontwikkelt de Rijksdienst nog steeds samen met andere partners in het archeologische veld een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) 2.0.2 De NOaA is opgezet om op nationaal niveau de samenhang te bevorderen in de doelen en prioriteiten van het archeologisch onderzoek. Opsterland wordt op de interactieve kaart van de NOaA geschaard onder het Fries veengebied en Drents zandgebied. In de bij die gebieden behorende databank met vragen wordt een meer algemene achtergrond geschetst van de ontstaans- en bewoningsgeschiedenis van Opsterland.
Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed houdt toezicht op de naleving van het archeologiebestel, opgravingen, vondsten en archeologische monumenten. Dit houdt onder meer in dat de Inspectie toezicht houdt op opgravingen door universiteiten, hogescholen, amateurverenigingen & buitenlandse bedrijven die incidenteel in Nederland graven en op het opgravingsverbod, maar ook op archeologische depots en op het stelsel van certificering van archeologische opgravingen. 2.2 Provincie De provinciale rol binnen de archeologie speelt zich vooral af op het terrein van beleid met betrekking tot voorlichting, onderzoek en bescherming. Taken in de fysieke leefomgeving worden in principe uitgevoerd door gemeenten en waterschappen. De provincie neemt vooral verantwoordelijkheid voor belangen die de hele provincie raken en voor wettelijke provinciale taken. De provincie ziet het als haar rol om erop toe te zien dat gemeenten bij het opstellen van omgevingsplannen rekening houden met de adviezen op de FAMKE. Ook heeft de provincie vanuit het interbestuurlijk toezicht nog steeds de taak erop toe te zien dat gemeenten een goed beleid ontwikkelen en borgen. In dit kader ziet de provincie voor zichzelf ook een adviserende rol. Er wordt vroegtijdig in het planproces afstemming voorgestaan.
De wettelijke taken en kerntaken op het gebied van erfgoed en archeologie van provinsje Fryslân worden uitgevoerd op basis van de Erfgoedwet en Omgevingswet. Deze zijn: Adviseren in het kader van de aanwijzingsprocedure voor rijksbeschermde monumenten (artikel 3, sub 3 Monumentenwet 1988); Aanwijzing van archeologische attentiegebieden (artikel 44, sub 1 Monumentenwet 1988); Wettelijke taken op het vlak van de ruimtelijke ordening, zoals provinciale inpassingsplannen, ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor het opstellen MER’s verplicht is en tracéprocedures;
2 https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/overzicht/nationale-onderzoeksagenda-
archeologie.
16
Verlenen van provinciale vergunningen bij ontgrondingen (o.a. ontgrondingsvergunning) en het bijbehorende toezicht en handhaving (Ontgrondingenwet); Beheer en up-to-date houden Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE); Het in stand houden en beheren van een depot, waarin roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen binnen die provincie kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is (artikel 51, sub 1 Monumentenwet 1988); Uitvoeren Interbestuurlijk Toezicht (IBT). De provincie heeft zoals gezegd een wettelijke depottaak: alle vondsten en documentatie behorend bij archeologisch onderzoek dient bewaard te worden in het provinciaal depot voor bodemvondsten. De provincies Fryslân, Groningen en Drenthe beschikken over een gezamenlijk depot, het Noordelijk Archeologisch Depot, in Nuis. Provinsje Fryslân is eigenaar van de vondsten die bij archeologisch onderzoek in de bodem aangetroffen zijn (artikel 50, sub a Monumentenwet 1988). Er is nog een aantal uitzonderingen waarbij niet de gemeente maar provinsje Fryslân bevoegd gezag is. Het gaat om: gemeentegrens overschrijdende projecten; projecten waarbij provinciale (water)wegen zijn betrokken; projecten waarbij de provinsje Fryslân verstoorder is.
Stellages met vondsten in de depotruimte van het Noordelijk Archeologisch Depot, Nuis.
Daarnaast zijn er met het Rijk afspraken gemaakt over onder meer de restauratie van rijksmonumenten en ruimtelijk beleid voor erfgoed. De provincie spant zich in voor bescherming van archeologie en maatschappelijk draagvlak. Een belangrijk instrument daarbij is de provinciale beleidsadvieskaart FAMKE.
17
2.2.1 Provinciaal erfgoedbeleid Het in 2024 opgestelde ‘Programma erfgoed’, dat loopt van 2025 tot en met 2028, is een vervolg op ‘Nij Poadium’ (2021-2024). Hierin lag de focus op bescherming, ontwikkeling en zichtbaar maken van archeologie, groene en gebouwde monumenten en cultuurhistorisch erfgoed. Kennisdeling en de doorwerking daarvan in ruimtelijke plannen vormden de essentie. Het ‘Programma erfgoed’ voor de periode 2025-2028 richt zich op de uitwerking van het bestuursakkoord ‘Oparbeidzje foar Fryslân 2024-2027’. Provincies dienen vanuit de Omgevingswet de belangen van cultureel erfgoed af te wegen in de fysieke leefomgeving; het gaat om gebouwde en aangelegde monumenten, archeologische monumenten, stadsen dorpsgezichten én cultuurlandschappen. Provinsje Fryslân heeft haar programma erfgoed opgedeeld in vier programmalijnen. Programmalijn 3 handelt over archeologie. Jaarlijks is er een bedrag van €382.300 gemoeid met deze programmalijn. De provincie stelt zich op het gebied van de archeologie enkele doelen die zij wil bereiken:
Behouden en zichtbaar maken van archeologische waarden. Kwetsbare archeologische waarden zijn beschermd met het zoveel mogelijk voorkomen van onnodig onderzoek. Kansen voor het betrekken van archeologische waarden in nieuwe ontwikkelingen zijn benut. Draagvlak voor de bescherming van archeologische waarden is vergroot door publieksactiviteiten. De publieksfunctie van het Noordelijk Archeologisch Depot (NAD) in Nuis stimuleren. De zichtbaarheid van archeologie in Friesland verbeteren door ondersteuning van de archeologische steunpunten binnen de gemeente.
Om deze doelen te behalen zet provinsje Fryslân in op het doorontwikkelen en verbeteren van de FAMKE samen met de Friese gemeenten (gemeentelijke verdiepingsslagen), waarvoor samenwerkingsverbanden worden afgesloten. De FAMKE geeft gerichte archeologische adviezen op basis van archeologische verwachtingen en wordt onder meer gebruikt bij de wettelijke verplichtingen voor archeologisch onderzoek. Daarnaast worden er thematische verdiepingsslagen uitgevoerd samen met kennisinstellingen. Thema’s zijn onder meer terpen, historische boerderijplaatsen, het overgangsgebied tussen klei en veen en goed bewaarde steentijdlandschappen. Er wordt samengewerkt met academische kennis- en onderwijsinstellingen, zoals de Fryske Akademy en de Rijksuniversiteit Groningen, en onderzoek uitgevoerd. Publieksbereik en het vergroten van draagvlak wordt hieraan gekoppeld middels participatie van amateurarcheologen en andere vrijwilligers bij onderzoek en organiseren van open dagen tijdens opgravingen. Verder streeft provinsje Fryslân ernaar om in samenwerking met de Friese gemeenten te komen tot ‘Friese’ oplossingen voor specifieke archeologische beleidsvragen.
Komende periode wordt de vorm en positie van de FAMKE herijkt met meer aandacht voor de onderbouwing, voor gemeentelijke verantwoordelijkheid, sturing op provinciale belangen en ligt de focus op een voortgezette samenwerking met gemeenten om de kaarten up-todate te houden. Bovendien zet men in op de doorwerking van FAMKE in eigen plannen en projecten en wordt er uitvoering gegeven aan het Terpenproject. Ook spelen archeologische waarden een rol bij andere provinciale opgaven, zoals gebiedsontwikkelingen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het veenweidegebied, waarin veel, vaak onbekende, archeologische waarden aanwezig zijn. Andere speerpunten waar de provincie zich op concentreert zijn: continuering van toetsing van onomkeerbare ingrepen; uitbrengen van adviezen over aanwijzing van archeologische monumenten; 18
stimuleren van archeologie-vriendelijk beheer van waardevolle terreinen; de instandhouding van het depot; continueren beleid ten aanzien van amateurarcheologie; (efficiëntere) verwerking vondstmeldingen.
Provinsje Fryslân spreekt de ambitie uit tot meer publieksbereik via de media en aansprekende projecten, zoals archeologische opgravingen. Betrokkenheid van het publiek kan onder meer vergroot worden door amateurarcheologen een rol te geven bij opgravingen. Ook de doorontwikkeling van de FAMKE staat hoog op de agenda en wordt als een eerste speerpunt beschreven. Voor een efficiënt archeologisch beleid is goede en actuele beleidsvoorlichting essentieel. In de komende beleidsperiode worden de vorm en de positie van de FAMKE nader afgestemd op de Omgevingswet. De noodzaak tot inhoudelijke onderbouwing is belangrijker geworden. Een bronnenkaart als nieuwe onderlaag moet dit opvangen. Voor de gemeente Opsterland is deze bronnenkaart al uitgewerkt (en deze wordt in de toekomst steeds verfijnder door de toevoeging van nieuwe informatie). Daarnaast wordt er meer nadruk gelegd op de gemeentelijke verantwoordelijkheid. In de praktijk is het niet altijd makkelijk de belangen van het archeologisch erfgoed te borgen wanneer er sprake is van voornemens op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, landbouw, natuurontwikkeling en andere plannen die bodemingrepen met zich meebrengen. De provincie maakt de keuze om samen met Rijk en gemeenten te komen tot een oplossing voor de diversiteit aan vraagstukken die hieruit voortkomen.
2.3 Gemeente Gemeenten spelen een belangrijke rol bij het beheer van archeologische en gebouwde monumenten, het verlenen van vergunningen en ontheffingen en de uitvoering van de subsidieregelingen. De gemeente is op grond van de Omgevingswet het bevoegd gezag voor het verlenen van alle monumentenvergunningen voor gebouwd erfgoed (rijks-, provinciaal en gemeentelijk), beschermde historische buitenplaatsen en voor archeologisch erfgoed (voor zover niet-rijksbeschermd). Andere taken van de gemeente op het gebied van archeologie bestaan uit: Toezien op de naleving van de instandhouding van rijksmonumenten. (Hieronder vallen sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet ook archeologische rijksmonumenten) Het beschermen van archeologische (verwachtings)waarden in ruimtelijke ontwikkelingen op eigen grondgebied. Gemeente kan fungeren als eisensteller en ontheffer bij vergunningverlening. Toezichtontvanger van de provincie. Toetsing van archeologische rapporten en Programma’s van Eisen (PvE’s). Aanwijzing gemeentelijke archeologische monumenten. Toezicht houden op opgravingen. (Bevoegdheid gemeente sinds inwerkingtreding Omgevingwet). Vrijwel alle gemeenten beschikken over een gemeentelijke monumenten-, archeologie-, of gecombineerde erfgoedverordening en een commissie ruimtelijke kwaliteit.
Bovendien heeft het gros van de Nederlandse gemeenten een lijst van gemeentelijke monumenten in aanvulling op de lijst van (gebouwde) rijksmonumenten. In toenemende mate worden ook archeologische monumenten op die lijsten geplaatst. Ook bevatten steeds meer gemeentelijke erfgoedverordeningen regels gericht op de bescherming van archeologische
19
vindplaatsen. Voor de uitvoering van het beleid beschikt een deel van de gemeenten over een of meerdere beleidsmedewerker(s) Monumenten/Erfgoed en/of Archeologie. Het is de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur om erop toe te zien, dat bij bouwof inrichtingsplannen waarbij de bodem verstoord wordt, tijdig het benodigde archeologische en historische onderzoek gedaan wordt. Omdat gemeenten de afweging moeten maken of, en zo ja welke, archeologische waarden zij in hun nieuwe plannen gaan opnemen, hebben de meesten besloten hierop te anticiperen door hun eigen archeologiebeleid te formuleren middels een erfgoednota, en de waarden binnen hun grondgebied te inventariseren en weer te geven op een archeologische beleidsadvieskaart. Gemeenten zijn verplicht om archeologische belangen mee te wegen in bouwprocessen en stedelijke ontwikkeling, en onderzoek in te passen. De gemeente moet daarom de op haar grondgebied aanwezige archeologische monumenten inventariseren en analyseren. Vervolgens moet de gemeente in het (definitieve) omgevingsplan rekening houden met de bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten (artikel 5.130, lid 1 en 2). Hierbij is het uitgangspunt conserveren en in stand houden. Aantoonbaar te verwachten betekent dat de verwachting gebaseerd moet zijn op relevante en goed onderbouwde archeologische, bodemkundige of historische informatie.
Conserveren en in stand houden doet de gemeente bij voorkeur in de bodem: behoud in situ. Het doel daarvan is om het bodemarchief als bron van kennis van ons verleden en van cultuurbeleving beschikbaar te houden voor komende generaties. Dit kan de gemeente bijvoorbeeld doen door een verbod op bodemverstorende activiteiten op te nemen in het omgevingsplan voor locaties waar dat nodig is. Het is niet altijd mogelijk om archeologische monumenten in de bodem te behouden. De gemeente kan het archeologisch monument laten opgraven door deskundigen. De archeologische vondsten laat de gemeente behouden in een depot, samen met de opgravingsdocumenten en het opgravingsrapport. Dit is behoud ex situ. Gemeenten kunnen lokale regels stellen over archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Dit kan bijvoorbeeld worden gedaan om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of om ze op een deskundige wijze te laten opgraven. Het archeologisch onderzoek kan verschillende vormen aannemen. Voorbeelden zijn: archeologische begeleiding van baggerwerkzaamheden; graven van proefsleuven; grootschalige opgraving. Om inhoudelijk de regie te voeren kan de gemeente eisen stellen aan dit onderzoek. Zo kan de gemeente bijvoorbeeld regelen dat lokale onderzoeksthema's meer aandacht krijgen of lokale vrijwilligers betrokken worden bij het onderzoek.
Gemeenten moeten projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrijstellen van de archeologische onderzoekplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Maar een gemeente kan in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen, zolang die goed onderbouwd is. Bijvoorbeeld in historische binnensteden of op locaties van verlaten kerkhoven is de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot. Archeologisch onderzoek kan daar ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 belangrijke wetenschappelijke informatie opleveren en daarmee grote maatschappelijke en wetenschappelijke meerwaarde hebben. Gemeenten kunnen op deze locaties in het omgevingsplan kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, zoals 50 m2 of zelfs 0 m2. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de 20
gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. Daarom zal de gemeente de vrijstelling ook met archeologisch-inhoudelijke redenen moeten onderbouwen. De kaarten vormen hierbij een hulpmiddel.
Archeologische begeleiding bij een proefsleuvenonderzoek in het kader van de aanleg van de N381. Bron: RAAP rapport “Onderzoeksgebied N381 De Mersken te Ureterp”, 2013.
2.3.1 Ruimtelijke projecten en archeologie Een vroegtijdige inventarisatie van archeologische en cultuurhistorische waarden is in het belang van zowel de initiatiefnemers van een project met bodemverstorende activiteiten als de planontwikkeling. Bij een vroegtijdige opsporing kunnen archeologische waarden immers nog ingepast worden, zodat de kosten voor bijvoorbeeld een opgraving vermeden kunnen worden. En mocht een opgraving wel noodzakelijk zijn, dan kan deze vroegtijdig worden uitgevoerd, waardoor er geen onnodige vertraging hoeft te ontstaan. Bij het inpassen van de archeologische en cultuurhistorische waarden blijven deze behouden voor toekomstige generaties. Het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden brengt bewoners en gebruikers meer historisch besef over hun omgeving bij. Het is daarom van belang om, zeker bij grotere projecten, ook in een vroegtijdig stadium rekening te houden met het vertellen van het verhaal. Inpassing van archeologische en overige cultuurhistorische waarden kan een gebied cultuurhistorische identiteit verlenen en daarmee kwaliteit toevoegen aan de openbare ruimte. Bij inpassing kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bescherming en behoud van archeologische waarden op een vindplaats door er een plantsoen of speelweide overheen aan te leggen.
Een eerder gepland gebouw op diezelfde locatie zou bijvoorbeeld in een ander deel van het plangebied gerealiseerd kunnen worden. Behoud kan ook worden gerealiseerd door technische maatregelen te nemen die bodemverstorende ingrepen voorkomen (bijvoorbeeld ophoging). 21
De bodem wordt vaak verstoord in gebieden die planologisch (her)ontwikkeld gaan worden en/of die een nieuwe bestemming krijgen, zoals van agrarisch grondgebruik naar bedrijventerrein/wonen of nieuwe natuur. Dat betekent dat archeologische waarden een grote rol spelen in de procedures bij ruimtelijke ordening. Het betreft bijvoorbeeld vergunningaanvragen voor infrastructurele werken, ontgrondingen en allerhande klein- en grootschalige bouw- of natuurontwikkelingsprojecten die de bodem dieper dan de normaal agrarisch bewerkte bovengrond zullen roeren. Ook grootschalige verlagingen van het grondwaterpeil kunnen mogelijk bedreigend zijn voor het archeologisch erfgoed, omdat door oxidatie van organisch materiaal als hout, textiel, botresten en leer sneller zullen vergaan, maar ook de leesbaarheid van grondsporen staat onder druk door veranderingen aan het waterpeil. Daarmee verdwijnt informatie die van belang kan zijn voor de interpretatie en reconstructie van archeologische vindplaatsen bij latere opgravingen. 2.3.2 Gemeentelijk archeologiebeleid Gemeenten hebben wettelijk gezien een belangrijke rol bij het behoud en het beheer van het ondergrondse cultureel erfgoed. De gemeente is zoals gezegd bij bodemingrepen van enige omvang verplicht om rekening te houden met zowel de bekende archeologische waarden als de te verwachten archeologische waarden.
Gemeenten hebben een loketfunctie voor initiatiefnemers en dienen voor alle gebieden in de gemeente aan te geven wanneer er een plicht tot archeologisch vooronderzoek bestaat of onder welke voorwaarden een vergunning verleend kan worden. In de huidige praktijk worden aanvragen voor nieuwe planologische ontwikkelingen getoetst aan het tijdelijke Omgevingsplan dat per 1 januari 2024 in werking getreden is. Hierin zijn de archeologische dubbelbestemmingen van de voorheen geldende bestemmingsplannen opgenomen. In de voorschriften van het omgevingsplan dienen zaken als onderzoeksplicht en de voorwaarden te zijn beschreven waaraan voldaan moet worden voordat een vergunning wordt afgegeven. Bij ruimtelijke projecten waarbij een archeologische onderzoeksplicht geldt, dienen de binnen het plangebied aanwezig archeologische waarden al van tevoren in kaart gebracht te worden door een adviserend bureauonderzoek en/of booronderzoek, mogelijk zelfs gevolgd door proefsleuvenonderzoek. Indien behoud van archeologische resten door middel van planaanpassing of fysieke bescherming niet tot de opties behoort, moeten de randvoorwaarden voor vervolgonderzoek middels de regels in het omgevingsplan worden geregeld. Net als voorheen is het mogelijk onder de Omgevingswet om voor initiatieven via een omgevingsvergunning van de planologische regels in het tijdelijke omgevingsplan af te wijken.
Het tijdelijke omgevingsplan voorziet zelf al in afwijkingsregels om onder voorwaarden ‘binnenplans’ af te wijken. Waar dat niet volstaat, kan er ‘buitenplans’ worden afgeweken. Onder de Omgevingswet wordt dit een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) genoemd. Afwijken kan alleen als er sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Daaronder valt sowieso een beoordeling op het behoud van cultureel erfgoed. Als uit het gemeentelijk beleid blijkt dat een archeologisch (voor)onderzoek is vereist, dan dient dergelijk onderzoek te worden uitgevoerd conform een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), dat aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) voldoet, in combinatie met een Plan van Aanpak (PvA). Uitzondering hierop zijn bureauonderzoeken en booronderzoeken. Voor bureauonderzoek is geen PvA noodzakelijk, voor booronderzoeken wel. Naast de richtlijnen van de KNA kan een gemeente ook (aanvullende) richtlijnen opstellen waar het onderzoek aan moet voldoen. Ook deze richtlijnen dienen in het PvE en/of PvA te worden opgenomen. De gemeente kan het PvE zelf opstellen, of dit laten doen door het inhuren van een gecertificeerd senior KNA22
archeoloog/bedrijf, als de benodigde kennis niet in huis is. Dit geldt ook voor het goedkeuren van een PvE en/of PvA dat door particulieren of andere initiatiefnemers wordt ingediend. Hoewel niet wettelijk verplicht, is het aan te raden om tevens het PvA voorafgaand aan het onderzoek te toetsen. Op deze wijze kan voorkomen worden dat een initiatiefnemer het onderzoek opnieuw moet laten uitvoeren omdat het gebruikte PvA niet correct was. De initiatiefnemer laat vervolgens het onderzoek op basis van het goedgekeurde PvA en/of PvE uitvoeren door een (gecertificeerd) archeologisch bedrijf. Dit resulteert in een rapport waarin een selectieadvies is opgenomen (bijvoorbeeld: geen vervolgonderzoek noodzakelijk). De gemeente dient dit rapport te toetsen op de inhoud, maar dient ook na te gaan of het onderzoek conform de richtlijnen van de KNA en het PvE/PvA is uitgevoerd. Als het rapport voldoet aan alle eisen, dan dient de gemeente het in het rapport beschreven selectieadvies om te zetten in een selectiebesluit. Het selectiebesluit mag afwijken van het advies, mits daar gegronde redenen voor zijn. Het toetsen van archeologische rapporten kan worden uitbesteed, indien men van mening is dat binnen de gemeente de benodigde kennis ontbreekt. Het is aan te raden dat initiatiefnemers elke stap uit de zogenoemde Wamz-cyclus laten toetsen.