CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

05-03-2025 2502285_ML_205384_Rapportage voortoets stikstof Luxwoude_D2

Raadsvergadering 24 maart 2025, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Luxwoude – Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie (B)12.582 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In al deze hexagonen is de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van 1.071 mol N/ha/j. Effectbeoordeling De doelstelling van H9190 in Van Oordt’s Mersken is behoud oppervlakte en van de kwaliteit. De toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op 1,50 ha, 28,85% van de totale oppervlakte aan H9190 in het Natura 2000-gebied. Ten tijde van de PAS-gebiedsanalyse is H9190 niet in detail beschouwd, daarom is lastig om trends van dit habitattype te bepalen. Er is vooral gebrek aan gegevens, waardoor conclusies over het wel of niet behalen van de instandhoudingsdoelen niet zijn te trekken. Verslechtering van de kwaliteit en afname van oppervlakte zijn niet uitgesloten. (Provincie Fryslân, 2023)

De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j. Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Van Oordt’s Mersken (RIVM, 2024) 1.300 mol N/ha/j. De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 65 – 130 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.300 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,015-0,0077%). Door het gebrek aan gegevens van de staat van dit habitattype in Van Oordt’s Mersken is afname van oppervlakte en verslechtering van de kwaliteit van het habitattype niet uitgesloten. Ondanks het ontbreken van gegevens over het wel of niet behalen van de instandhoudingsdoelen voor H9190 heeft de extra stikstofdepositie geen negatief effect. Een dergelijke beperkte depositietoename op het habitattype is dermate gering dat er geen waarneembare verandering optreedt op de standplaats wat ook niet zal doorwerken in de kwaliteit van het habitattype. De hoeveelheid van 0,01 mol N/ha/j stikstof kan men geen relevante stikstofbelasting noemen, zoals ook in paragraaf 3.5 wordt uitgelegd met een rekenvoorbeeld. Er is geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitattype wat kan leiden tot kwaliteits- en oppervlakteverlies. Het behalen van de behoudsdoelstellingen van het habitattype zullen door deze beperkte bijdrage niet belemmerd worden.

Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op H9190 als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten. H6230dka heischrale graslanden Algemene beschrijving Dit habitattype omvat in ons land min of meer gesloten, zogenoemde halfnatuurlijke graslanden op betrekkelijk zure zand- en grindbodems. Goed ontwikkelde heischrale graslanden zijn zeer rijk aan allerlei grassoorten, kruiden en paddenstoelen. Een deel van de soorten komt ook voor in heide-begroeiingen. Op de hogere zandgronden komen heischrale graslanden zowel op vochtige als op relatief droge standplaatsen voor. Het habitattype is in ons land aan te treffen in het heuvelland, de duinen en op de hogere zandgronden van het binnenland. De oorspronkelijke beschrijving van de habitatrichtlijn beperkte dit type tot ‘berggebieden’, maar in de latere interpretatie van de Europese handleiding is aangegeven dat ook soortenrijke heischrale graslanden in het laagland bij dit type horen. Heischrale graslanden komen in verschillende variaties voor op uiteenlopende bodemtypen: Op de hogere zandgronden komen heischrale graslanden zowel op vochtige (de associatie van klokjesgentiaan en borstelgras) als op relatief droge standplaatsen (de associatie van liggend walstro en schapegras) voor. In de duinen komen heischrale graslanden ook op zowel relatief droge als op vochtige standplaatsen voor.

Alleen de duingemeenschappen op vochtige standplaatsen (de associatie van klokjesgentiaan en borstelgras) worden tot habitattype H6230 gerekend. In het heuvelland wordt het habitattype vertegenwoordigd door de associatie van betonie en gevinde kortsteel. Ze is daar te vinden langs de bovenranden van kalkhellingen waar bodem is bedekt met een laag kalkarm materiaal afkomstig van hoger op de helling. In laag- en hoogveen is dit type zeer zeldzaam. Het is daar te vinden op licht verdroogd veen waar vroegere bemesting en bekalking nog zorgen voor een lichte buffering van de bodem. In hoogveengebieden is het alleen bekend van de bovenveengronden in het Bargerveen, niet afgegraven veengronden die vroeger werden gebruikt als landbouwgrond. In laagveengebieden kan het voorkomen in licht verzuurde en verdroogde (voormalige) blauwgraslanden. Op vergelijkbare maar iets beter gebufferde standplaatsen komt ook de associatie van maanvaren en vleugeltjesbloem voor, die echter onderdeel uitmaakt van de heischrale variant van de grijze duinen (H2130C). Abiotische randvoorwaarden: o Vochttoestand: nat tot droog: o Zoutgehalte: zeer zoet; o De pH is basisch tot matig zuur; o De voedselrijkdom: zeer voedselarm tot matig voedselrijk. Kenmerken van een goede structuur en functie:

o o o o

Dominantie van grassen en kruiden; Aanwezigheid van dwergstruiken met geringe bedekking (< 25%); Hoge soortenrijkdom (> 20 plantensoorten/m2); Optimale functionele omvang: vanaf enkele hectares.

Resultaten berekening In 19 hexagonen met een totale oppervlakte van 1,11 hectare H6230dka is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j. In al deze hexagonen is de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van 714 mol N/ha/j. Effectbeoordeling De doelstelling van H6230 in Van Oordt’s Mersken is uitbreiding oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. De toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op 1,11 ha, 100% van de totale oppervlakte aan H6230 in het Natura 2000-gebied. Het heischraal grasland in Van Oordt's Mersken heeft een goede omvang van enkele hectares, maar er zijn wel hydrologische knelpunten en te hoge stikstofdepositie voor het habitattype aanwezig. Dit resulteert in verzuring, eutrofiëring, verdroging en daardoor verruiging, matige vegetatietypen en lage soortenrijkdom. Waarschijnlijk is de omvangsdoelstelling bereikt, door gunstige ontwikkelingen op geplagde percelen. De kwaliteit van de heischrale graslanden is over het geheel genomen waarschijnlijk niet verbeterd, waarbij verslechtering niet valt uit te sluiten. (Provincie Fryslân, 2023) De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j. Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Van Oordt’s Mersken (RIVM, 2024) 1.300 mol N/ha/j.

De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 65 – 130 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.300 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,015-0,0077%). Ondanks het niet behalen van de instandhoudingsdoelen heeft de extra stikstofdepositie geen negatief effect. Een dergelijke beperkte depositietoename op het habitattype is dermate gering dat er geen waarneembare verandering optreedt op de standplaats wat ook niet zal doorwerken in de kwaliteit van het habitattype. De hoeveelheid van 0,01 mol N/ha/j stikstof kan men geen relevante stikstofbelasting noemen, zoals ook in paragraaf 3.5 wordt uitgelegd met een rekenvoorbeeld. Er is geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitattype wat kan leiden tot kwaliteits- en oppervlakteverlies. Het behalen van de uitbreiding- en verbeterdoelstellingen van het habitattype zullen door deze beperkte bijdrage niet belemmerd worden. Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op H6230 als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten. Lg05 groot zeggenmoeras Algemene beschrijving Grote zeggenmoerassen ontstaan bij voortgaande opslibbing en veenvorming en het daarmee gepaard gaande droger worden van moerassen, waardoor het aandeel grote zeggesoorten toeneemt.

Voorgaande successiestadia bestaan uit andere subtypen van hetzelfde natuurdoeltype (3.24 a t/m d) zoals dichte riet- of biezenbegroeiing in open water, pioniergemeenschap van droogvallende, gebufferde wateren en begroeiing van riet, biezen en hoge kruiden. Dit leefgebied is een bij uitstek amfibisch ecosysteem dat zich bevindt op de grens van water en land. Er kunnen verschillende soorten grotere zeggen domineren zoals scherpe zegge en moeraszegge. Het leefgebied komt vlakvormig voor in grotere moerassen en in mesotrofe beekdalen, maar ook als lint in oeverzones die niet zo lang onder water staan. Grote-zeggenmoerassen vormen - naast de zeggenrijke ondergroei in elzenbroekbossen (behorend tot H91E0C) - een belangrijk leefgebied voor de zeggekorfslak. De nauwe korfslak komt in Nederland vrijwel uitsluitend voor in de meer kalkrijke delen van de kustduinen; uit het binnenland is de soort van een beperkt aantal vindplaatsen bekend. In het Geleenbeekdal komt de soort voor in een grote-zeggenmoeras.

Lg05 is leefgebied voor nauwe korfslak, zeggekorfslak. Ook is het leefgebied voor kemphaan en paapje . In Van Oordt’s Mersken zijn kemphaan en paapje aangewezen soorten. Leefgebied is dus hier aangewezen voor kemphaan en paapje. Abiotische randvoorwaarden: o Vochttoestand: drooggevallen tot zeer nat; o De pH: neutraal tot zwak zuur; o De voedselrijkdom: zwak voedselrijk tot matig voedselrijk. Resultaten berekening In 9 hexagonen met een totale oppervlakte van 0,95 hectare Lg05 is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j. In al deze hexagonen is de achtergronddepositie lager dan de kritische depositiewaarde van 1.714 mol N/ha/j. Effectbeoordeling Lg05 is leefgebied van kemphaan en paapje waar doelstellingen voor zijn opgesteld. De doelstellingen van kemphaan en paapje in van Oordt’s Mersken zijn uitbreiding omvang leefgebied en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied. De kemphaan heeft een doelbereik van 10 broedparen het paapje van 5 broedparen. De toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op circa 6,70 ha, op 5,15% van de totale oppervlakte aan Lg08 in het Natura 2000-gebied (en 2,01% van totaal leefgebied van deze 2 vogelsoorten). Kemphaan en paapje: de populatiedoelstellingen wordt niet gehaald. De populatiedoelstellingen zijn jaren geleden (1987 en 1997) voor het laatst gehaald.

De dalingen van het aantal broedparen komt overeen met de landelijke trend. De knelpunten voor beide soorten zijn: verdroging, verzuring, slechte waterkwaliteit, eutrofiering, slecht beheer en menselijke verstoring. Stikstof speelt dus een rol in verslechtering van het leefgebied. Dat de populatiedoelstelling niet wordt gehaald ligt waarschijnlijk ook aan invloeden van buiten het gebied, gezien de instorting van de gehele Nederlandse populatie. Intensivering van de landbouw met het gevolg versnippering en verdroging is dan ook het grootste knelpunt voor het behalen van de populatiedoelstellingen. Of de leefgebied doelstellingen worden behaald is onduidelijk. Dit omdat er nog geen eenduidige definities en richtlijnen zijn van leefgebieden. Daarnaast lijkt het erop dat de overschrijding van de KDW geen grote rol speelt in de afname van de kemphaan en paapje als broedvogel. Er zijn genoeg leefgebieden buiten de habitattypen om, die geen last hebben van vermesting (Provincie Fryslân, 2023). Zoals Lg05. De stikstofdepositie komt neer in hexagonen die niet overbelast zijn in Lg05. Dat betekent dat stikstof geen invloed heeft op de instandhoudingsdoelen. De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j. Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Van Oordt’s Mersken (RIVM, 2024) 1.300 mol N/ha/j.

De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 65 – 130 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.300 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,015-0,0077%). Omdat de stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol/ha/j terecht komt in hexagonen die niet overbelast zijn, wat wil zeggen dat de achtergronddepositie + stikstofbelasting in deze hexagonen lager is dan de kritische depositiewaarde van het leefgebied, zijn negatieve effecten door stikstofbelasting door dit project uitgesloten.. Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op kemphaan en paapje (Lg05) als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten. H3130 zwakgebufferde vennen Algemene beschrijving Dit habitattype betreft begroeiingen van zwakgebufferde vennen. Het onderscheid met de zeer zwak gebufferde vennen van habitattype 3110 is dat die vennen een lager gehalte aan bicarbonaat hebben ofwel koolstofgelimiteerd zijn. Zwakgebufferde vennen daarentegen zijn nietkoolstofgelimiteerd en kunnen –hoewel

de naamgeving hierover verwarring wekt- zowel zwak gebufferd als zeer zwak gebufferd zijn. Kenmerkend voor deze vennen is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. En toch zijn de meeste van de vennen van dit habitattype niet meer dan enkele tientallen meters lang en breed. De leefgemeenschappen van deze vensystemen – de plassen plus de oeverzones - vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties (gradiënten) in zones en fijnschalige mozaïeken. De standplaatscondities variëren van zeer voedselarm (oligotroof) tot voedselarm (mesotroof), van aquatisch tot vochtig, langdurig tot zeer kortstondig overstroomd enzovoort. Voor een deel betreft het systemen die zijn ontstaan uit uitgeveende hoogveenvennen. Sommige van de pioniergemeenschappen komen binnen vensystemen alleen voor op kale vochtige plekjes in het hogere gedeelte van de oeverzone. Die gemeenschappen zijn ook elders – buiten de vensystemen - op de zandgronden te vinden op plekken met vergelijkbare condities zoals op afgeplagde natte heide. Abiotische randvoorwaarden: o Vochttoestand: diep water tot ’s winters inunderend; o Zoutgehalte: zeer zoet; o De pH is neutraal tot matig zuur; o De voedselrijkdom: zeer voedselarm tot matig voedselrijk.

Kenmerken van een goede structuur en functie: o Periodiek wisselende waterstanden; o Zandige of venige bodem; o Geen of weinig dominantie van veenmossen (< 20%); o Optimale functionele omvang: vanaf enkele hectares. Resultaten berekening In 1 hexagoon met een totale oppervlakte van 0,06 hectare H3130 is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j. In dit hexagoon is de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van 500 mol N/ha/j. Effectbeoordeling De doelstelling van H3130 in Van Oordt’s Mersken is behoud oppervlakte en van de kwaliteit. De toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op 0,06 ha, 100% van de totale oppervlakte aan H3130 in het Natura 2000-gebied. De zwakgebufferde vennen in Van Oordt’s Mersken zijn relatief klein, maar er is wel sprake van uitbreiding van het areaal van zowel de bestaande vennen als nieuw vormende venvegetaties. Gezien de gunstige ontwikkelingen van de omvang en vegetaties van de vennen wordt hier waarschijnlijk voldaan. Verslechtering van het habitattype lijkt dus te kunnen worden uitgesloten (Provincie Fryslân, 2023). De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j. Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Van Oordt’s Mersken (RIVM, 2024) 1.300 mol N/ha/j.

De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 65 – 130 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.300 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,015-0,0077%). De instandhoudingsdoelen worden behaald. Verslechtering van het habitattype lijkt te kunnen worden uitgesloten. Daarnaast is een dergelijke beperkte depositietoename op het habitattype dermate gering dat er geen waarneembare verandering optreedt op de standplaats wat ook niet zal doorwerken in de kwaliteit van het habitattype. De hoeveelheid van 0,01 mol N/ha/j stikstof kan men geen relevante stikstofbelasting noemen, zoals ook in paragraaf 3.5 wordt uitgelegd met een rekenvoorbeeld. Er is geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitattype wat kan leiden tot kwaliteits- en oppervlakteverlies. Het behalen van de behoudsdoelstellingen van het habitattype zullen door deze beperkte bijdrage niet belemmerd

worden. Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op H3130 als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten.

4.3 Beoordeling per habitattype in Wijnjeterper Schar H4030 Droge heide Algemene beschrijving Het habitattype betreft struikheibegroeiingen in het laagland en gebergte van Europa. Ze worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Droge heides komen in Nederland voor op matig droge tot droge, kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd. Het meest komt het type voor op –al dan niet lemige- dekzanden en op stuwwallen, maar ze strekken zich ook uit op stuwwallen, rivierterrassen en tertiaire (mariene) zandafzettingen. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei. Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes of rode bosbes. Zelfs plekken waar gewone dophei domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen. Andere soorten die algemeen voorkomen zijn fijn schapegras en de mossen heide-klauwtjesmos, gewoon gaffeltandmos en bronsmos. Struwelen met brem, solitaire jeneverbes of gaspeldoorn maken in veel gebieden deel uit van het heidelandschap en worden dan ook bij dit habitattype gerekend. Plaatselijk komen grasrijke delen voor met grassen zoals ruwe smele, bochtige smele en pijpenstrootje. Zolang de door grassen gedomineerde verarmde vegetaties niet domineren, worden ze als deel van het habitattype beschouwd.

Abiotische randvoorwaarden: • Vochttoestand: vochtig tot droog; • Zoutgehalte: zeer zoet; • De pH is matig zuur tot zuur; • De voedselrijkdom: zeer voedselarm tot matig voedselarm; Kenmerken van een goede structuur en functie: • Dominantie van dwergstruiken (> 25%); • Aanwezigheid van hoge, oude heidestruiken; • Gevarieerde vegetatiestructuur; • Lage bedekking van grassen (< 25%) en struweel (< 10%); • Optimale functionele omvang: vanaf tientallen hectares. Resultaten berekening In 1 hexagoon met een totale oppervlakte van 0,01 hectare H4030 is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j. In dit hexagoon is de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van 714 mol N/ha/j. Effectbeoordeling De doelstelling van H4030 in Wijnjeterper Schar is behoud oppervlakte en kwaliteit. De tijdelijke toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op 0,01 ha, op 0,0697% van de totale oppervlakte aan H4030 in het Natura 2000-gebied. Dit habitattype heeft een redelijk groot oppervlakte. Knelpunten zijn de hydrologie en stikstofdepositie die de kwaliteit beïnvloeden. Of de behoudsdoelstellingen worden behaald is nog niet zeker door het ontbreken van een recente habitatkartering. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat de oppervlakte is afgenomen. Er zijn ook geen duidelijke aanwijzingen voor een afname van de kwaliteit.

Gezien de abiotische omstandigheden kan verslechtering van de kwaliteit echter niet worden uitgesloten. (Provincie Fryslân, 2023)

De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j. Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Wijnjeterper Schar (RIVM, 2024) 1.200 mol N/ha/j. De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 60 – 120 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.200 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,017-0,0083%). Ondanks het niet duidelijk hebben of de instandhoudingsdoelen worden behaald door ontbreken van een recente kartering heeft de extra stikstofdepositie geen negatief effect op het instandhoudingsdoel van H4030. Een dergelijke beperkte depositietoename op maar 0,069% van het habitattype is dermate gering dat er geen waarneembare verandering optreedt op de standplaats wat ook niet zal doorwerken in de kwaliteit van het habitattype. De hoeveelheid van 0,01 mol N/ha/j stikstof kan men geen relevante stikstofbelasting noemen, zoals ook in paragraaf 3.5 wordt uitgelegd met een rekenvoorbeeld. Er is geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitattype wat kan leiden tot kwaliteits- en oppervlakteverlies. Het behalen van de behoudsdoelstelling van het habitattype zal door deze beperkte bijdrage niet belemmerd worden.

Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op H4030 als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten.

5 Conclusie drinkwaterzuivering Luxwoude Aan de hand van de berekening worden de volgende conclusies getrokken: •

De stikstofdepositie van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering bij Luxwoude bedraagt maximaal 0,01 mol op Lg07, Lg10, Lg08, H6410, H4010A, H9190, H6230dka, Lg05 en H3130 van Van Oordt’s Mersken en 0,01 mol/ha/j op H4030 van Wijnjeterper Schar.

•

Significante negatieve effecten op Lg08 en Lg05 van Van Oordt’s Mersken zijn uitgesloten. Dit omdat de stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol/ha/j terecht komt in hexagonen die niet overbelast zijn, wat wil zeggen dat de achtergronddepositie + stikstofbelasting in deze hexagonen lager is dan de kritische depositiewaarde van het habitattype. Significante negatieve effecten op Lg07 en Lg10 van Van Oordt’s Mersken zijn uitgesloten. Dit omdat de stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol/ha/j terecht komt in hexagonen die maar een klein oppervlakte betreffen van het totale leefgebied van kemphaan en paapje (waarvoor doelstellingen zijn opgesteld). Bovendien ligt de oorzaak van het niet behalen van de doelstellingen buiten het N2000gebied. Daarnaast kan men de hoeveelheid van maximaal 0,01 mol stikstof geen relevante stikstofbelasting noemen. Significante negatieve effecten op H3130 zijn uitgesloten. De instandhoudingsdoelen zijn behaald of in zicht, waardoor de stikstofdepositie door dit project geen invloed hebben op het behalen van de doelen. Significante negatieve effecten op H6410, H4010A, H9190, H6230 (Van Oordt’s Mersken) en H4030 (Wijnjeterper Schar) gebieden zijn uitgesloten.

Een beperkte stikstofdepositietoename (van maximaal 0,01 mol) is dermate gering dat er geen waarneembare verandering optreedt op de standplaats wat ook niet zal doorwerken in de kwaliteit van de habitattypen. De hoeveelheid van maximaal 0,01 mol stikstof kan men geen relevante stikstofbelasting noemen. Er is geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitattype wat kan leiden tot kwaliteits- en oppervlakteverlies. Het behalen van de uitbreidings- , verbeterings- of behouddoelstellingen van de habitattypen zal door deze beperkte bijdrage niet belemmerd worden. Een Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit, onderdeel stikstof is niet aan de orde voor het in werking hebben van de drinkwaterzuivering nabij Luxwoude.

•

• •

•

Literatuurlijst BIJ12. (2021). Handreiking voortoets stikstof. CBS, PBL, RIVM, & WUR. (2013, 06 12). Vermesting en verzuring: oorzaken en effecten. Opgehaald van Compendium voor de leefomgeving: https://www.clo.nl/indicatoren/nl0178-vermesting-en-verzuringoorzaken-en-effecten CBS, PBL, RIVM, & WUR. (2020, 06 22). Geschiktheid stikstofdepositie stikstofgevoelige landnatuur, 2018. Indicator 1591, versie 03. Goderie, R., & Vertegaal, K. (2020). ), Achtergrondnotitie actualiseren StikstofEffectvoorspellingsModel (SEM 3.1). Heil, G., & Diemont, W. (1983). Raised nutrient levels change heathland into grassland. Vegetarion 53, pp. 113120. Kellner, O., & Redbo-Torstensson, P. (1995). Effects of elevated nitrogen deposition on the field-layer vegetation in coniferous forests. Ecological Bulletins 44, pp. 227-237. Kemmers, R., Bloem, J., & Faber, J. (2010). Bodembiota en stikstofstromen in schraalgraslanden. Effecten op vegetatie. Alterra-rapport 1979. Ministerie van LNV. (2017). Document PAS-gebiedsanalyse voor Van Oordt's Mersken (15). Ministerie van LNV. (2017). Document PAS-gebiedsanalyse voor Wijnjeterper Schar. Payne, R., Dise, N., Stevens, C., Growing, D., & Begin Partners. (2013). Impact of nitrogen deposition at the species level. PNAS 110, pp. 984-987. Provincie Fryslân. (2023). Natuurdoelanalyse Van Oordt's Mersken. Provincie Fryslân. (2023).

Natuurdoelanalyse Wijnjeterperschar. Raad van State. (2023, 08 30). Uitspraak 202201482/1/R2. Redbo-Torstensson, P. (1984). The demographic consequences of nitrogen fertilization of a population of sundew, Drosera rotundifolia. 175-188. Acta botanica Neerlandica 43, pp. 175-188. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. (2016). Natura 2000-beheerplan Van Oordt's Mersken (15). Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. (2016). Natura 2000-beheerplan Wijnjeterper Schar (16). RIVM. (2015). Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. RIVM. (2018). vermestende stikstofdepositie per hectare. RIVM. (2023, 11 16). RIVM. Opgehaald van https://www.rivm.nl/en/node/99101, RIVM. (2024, 09 20). RIVM. Opgehaald van https://data.rivm.nl/apps/gcn/ Stuyfzand, Asman et al, Galloway et al., & Kooijman et all. (sd). Stuyfzand 1993; Asman et al. 1998; Galloway et al. 2004 in: Kooijman et al,. Ten Harkel, M., & Van der Meulen, F. (1996). Impact of grazing and atmospheric deposition on the vegetation of dry coastal dune grasslands. Journal of Vegetation Science 7, pp. 445-452. Van Dobben, H., & van Hinsberg, A. (2008). Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 1654. Van Dobben, H., Bobbink, R., Bal, D., & van HInsberg, A. (2012).

Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Wageningen: Alterra Wageningen UR.

Bijlage 1: Stikstofberekening drinkwaterzuivering Luxwoude De berekening is als apart PDF bijgevoegd.

www.eelerwoude.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=a6cfc862-75fc-40f8-9eab-1f03727d67df