CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

05-03-2025 2502285_ML_205384_Rapportage voortoets stikstof Luxwoude_D2

Raadsvergadering 24 maart 2025, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Luxwoude – Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie (B)12.582 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Voortoets stikstof Drinkwaterzuivering Luxwoude

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Status: Versie:

205384 28-2-2025 Definitief 2

© 2025 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................................................... 4

1.1

Aanleiding ...............................................................................................................................................4

1.2

Wettelijk kader .......................................................................................................................................4

1.3

Doel van deze rapportage ......................................................................................................................5

2

Uitkomsten stikstofberekening................................................................................................................. 6

3

Methodiek effectbeoordeling tijdelijke stikstofdepositie ........................................................................ 8

3.1

Kritische depositiewaarde ......................................................................................................................8

3.2

Relevante stikstofbijdrage ......................................................................................................................9

3.3

Stikstofkringloop in ecosystemen en achtergronddepositie ................................................................11

3.4

Werkingsmechanismen van stikstoftoename ......................................................................................12

3.5

Rekenvoorbeeld stikstofbelasting ........................................................................................................13

4

Effectbeoordeling stikstofdepositie ........................................................................................................ 15

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................15

4.2

Beoordeling per habitattype in Van Oordt’s Merksen .........................................................................15

4.3

Beoordeling per habitattype in Wijnjeterper Schar .............................................................................27

5

Conclusie drinkwaterzuivering Luxwoude .............................................................................................. 29

Literatuurlijst ......................................................................................................................................................... 30 Bijlage 1: Stikstofberekening drinkwaterzuivering Luxwoude .............................................................................. 31

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Vitens is voornemens een nieuwe drinkwaterzuivering te openen vlakbij Luxwoude. Bij het gebruik van de drinkwaterzuivering worden bronnen gebruikt waarbij uitstoot van stikstofoxiden (NOx) plaatsvindt en daarmee mogelijk sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Zie voor de locatie afbeelding 1. Om alle toestemmingen voor gebruik van de drinkwaterzuivering te kunnen verkrijgen, dient een ecologische analyse plaats te vinden of significante gevolgen van stikstof op aangewezen habitattypen en leefgebieden zijn uit te sluiten. Volgens de Omgevingswet Natura 2000 activiteit zijn significante gevolgen op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied niet zondermeer toegestaan. Door de uitstoot van stikstof door vervoersbewegingen en het gebruik van aggregaat, fakkels en warmtekrachtkoppeling (WKK) zijn mogelijke negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden aan de orde. In deze rapportage wordt een analyse uitgevoerd op basis van de stikstofberekening.

Afbeelding 1: Ligging plangebied (paarse belijning, onderaan midden) ten opzichte van de omringende Natura 2000gebieden Deelen (blauw gemarkeerd), Van Oordt’s Mersken (groen en blauw gemarkeerd) en Wijnjeterper Schar (geel gemarkeerd)

1.2 Wettelijk kader Binnen Natura 2000 worden de meest waardevolle natuurgebieden in Europa beschermd om de hierin voorkomende biodiversiteit te behouden. Om deze biodiversiteit te beschermen is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Alle Europese lidstaten wijzen specifieke Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn gebieden aan als onderdeel van deze Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen bepaald van doelsoorten of habitattypen welke gericht zijn op het behouden, uitbreiden of verbeteren van deze soorten of habitattypen. De bescherming van deze Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden zijn in Nederland juridisch vertaalt in de Omgevingswet. Bij nieuwe plannen en projecten is het van belang dat deze instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden niet negatief worden aangetast. Eén van de mogelijkheden waarbij sprake is van aantasting van deze instandhoudingsdoelen is via

stikstofdepositie. Stikstofdepositie veroorzaakt vermesting en verzuring op habitattypen binnen Natura 2000gebieden en kan ervoor zorgen dat instandhoudingsdoelen niet worden gehaald. Een stikstofberekening is uitgevoerd om te bepalen of de voorgenomen plannen een significante stikstofdepositie veroorzaken op habitattypen van veelal omliggende Natura 2000-gebieden. Uit de stikstofberekening blijkt dat er een stikstofdepositie is van meer dan 0,00 mol, namelijk 0,01 mol ha/j. Aangetoond dient te worden dat deze stikstofdepositie geen significante negatieve effecten kan veroorzaken op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden.

1.3 Doel van deze rapportage Het in bedrijf hebben van de nieuwe drinkwaterzuivering in Luxwoude heeft het gebruik van WKK, fakkels en aggregaten tot gevolg. Dit gebruik veroorzaakt een stikstofemissie, welke een stikstofdepositie veroorzaken. De stikstofdepositie die ontstaat door gebruik van de drinkwaterzuivering kan negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. De drinkwaterzuivering ligt circa 4,5 km ten zuidwesten van het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken, op circa 5 km ten zuidoosten van het Natura 2000-gebied Deelen en op ruim 12 km afstand tot het Natura 2000-gebied Wijnjeterper Schar. Zie voor de ligging van het plangebied in relatie tot de Natura 2000-gebieden afbeelding 1. Deze rapportage heeft tot doel inzichtelijk te maken of er sprake is van negatieve effecten van de stikstof op Natura 2000-gebieden.

2 Uitkomsten stikstofberekening Met AERIUS-Calculator, versie 2024.1.2. is de stikstofdepositie berekend voor de gebruiksfase van de drinkwaterzuivering bij Luxwoude. De stikstofdepositie die het gebruik veroorzaakt is meer dan 0,0049 mol op verschillende habitattypen en leefgebieden van Van Oordt’s Mersken en Wijnjeterper Schar. De hoogste depositie bedraagt maximaal 0,01 mol/ha/j. Dit betekent dat het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering een stikstofdepositie tot gevolg heeft, waarbij significante negatieve effecten op voorhand niet zijn uit te sluiten. In afbeelding 2 is de uitkomst van de berekening in beeld gebracht.

Afbeelding 2: Rekenresultaten van de stikstofberekening van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude

Zie hiervoor ook de rapportage AERIUS in bijlage 1. Het gebruik van de drinkwaterzuivering heeft een extra stikstofdepositie op totaal 145 hexagonen van het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken (144 hexagonen) en Wijnjeterper Schar (1 hexagoon). In tabel 1 staan de resultaten van de stikstofberekening overzichtelijk weergegeven.

Tabel 1: resultaten van de stikstofberekening en de belasting van het aantal hexagonen Habitattype

Stikstofdepositie mol

Belast oppervlakte in

KDW mol

# hexagonen

Achtergronddepositie + 70

N/ha/jaar

ha

N/ha/jaar

belast

mol > dan KDW?

Van Oordt’s Mersken Lg07

0,01

19,42

1.286

76

Ja in 69 hexagonen (17,72 ha)

Lg10

0,01

11,54

1.286

75

Ja, in 73 hexagonen

Lg08

0,01

8,83

1.571

63

Nee

H6410

0,01

6,38

786

40

Ja, in alle hexagonen

H4010A

0,01

4,20

1.071

18

Ja, in alle hexagonen

H9190

0,01

1,50

1.071

5

Ja, in alle hexagonen

H6230dka

0,01

1,11

714

19

Ja, in alle hexagonen

Lg05

0,01

0,95

1.714

9

Nee

H3130

0,01

0,06

500

1

Ja

0,01

0,01

714

1

Ja

Wijnjeterper Schar H4030

3 Methodiek effectbeoordeling tijdelijke stikstofdepositie Stikstof is een belangrijke voedselbron in ecosystemen, maar een teveel kan leiden tot schade door eutrofiëring (verrijking) en verzuring. De extra aanvoer van deze voedingsstof kan vooral bedreigend zijn voor voedselarme habitattypen. Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan depositie van stikstof, en dan vooral depositie van ammoniak, leiden tot een daling van de zuurgraad van de bodem. Door deze verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af.

3.1 Kritische depositiewaarde Atmosferische stikstofdepositie kan leiden tot verzuring en vermesting van stikstofgevoelige habitattypen wanneer deze boven een kritische waarde komt: de kritische depositiewaarde (KDW). Met de kritische depositiewaarde, op basis van het meest recente beschikbaar wetenschappelijk onderzoek vastgesteld door van Dobben et. al (Van Dobben, Bobbink, Bal, & van HInsberg, 2012), wordt bedoeld: ‘de grens waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische depositie.’ Een kritisch depositieniveau is gedefinieerd als: ‘de maximaal toelaatbare hoeveelheid atmosferische depositie waarbij, volgens de huidige wetenschappelijke kennis, negatieve effecten op de structuur en de functies van ecosystemen niet voorkomen’ (CBS, PBL, RIVM, & WUR, 2013). Wanneer de atmosferische depositie (achtergrondconcentratie) hoger is dan de kritische depositiewaarde van het habitattype of het leefgebied van Habitat- en/of Vogelrichtlijnsoorten bestaat een risico op een significant negatief effect, waardoor geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen mogelijk niet duurzaam kunnen worden gerealiseerd. Toename van depositie kan de abiotiek die ten grondslag ligt aan het voorkomen van habitattypen nadelig beïnvloeden.

Hoe hoger de overschrijding van het kritische niveau en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste effecten op abiotiek met gevolgen voor de biodiversiteit. De benaming van en de kwaliteit van een habitattype wordt bepaald door het voorkomen van kenmerkende planten- en diersoorten, waaronder de zogenoemde typische soorten, en de samenstelling ervan. Het gaat daarbij om het duurzaam voortbestaan (instandhouden) van habitattypen op de lange(re) termijn. Maar ook kwalificerende Vogel- en/of Habitatrichtlijnsoorten, die afhankelijk zijn van een goede vegetatieve opbouw en samenstelling van een habitattype kunnen nadelig beïnvloed worden. De KDW zoals hierboven gedefinieerd is geen toetswaarde voor tijdelijke effecten maar heeft betrekking op langdurige stikstofdepositie. Ook bij (een tijdelijke en/of beperkte nadere) overschrijding van de KDW is het mogelijk om habitattypen duurzaam in stand te houden indien de sturende factoren die het voorkomen van deze habitattypen bepalen (als dit niet stikstof is), zoals dynamiek, hydrologie en/of beheer, op orde zijn. Of, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het formuleert in (onder andere) de uitspraak van 11 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:741): “een overschrijding van de KDW betekent niet zonder meer dat de kwaliteit van een habitattype slecht is.

De KDW geeft - kort weergegeven - aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Overschrijding van deze waarde betekent dan ook niet dat vaststaat dat een aantasting van de kwaliteit van een habitattype plaatsvindt, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is.”

De KDW is in Van Dobben et. Al (Van Dobben, Bobbink, Bal, & van HInsberg, 2012) primair uitgedrukt in (hele) kilogrammen stikstof per hectare per jaar (N/ha/j). In internationale wetenschappelijke publicaties worden kritische depositiewaarden veelal beschreven in de vorm van ranges (bandbreedtes). Deze ranges beschrijven enerzijds de variatie in kritische depositiewaarden als gevolg van verschillen in gevoeligheid binnen een ecosysteem, anderzijds beschrijven zij de betrouwbaarheidsmarges als gevolg van methodische onzekerheden. Van Dobben heeft de KDW gepreciseerd naar een concrete waarde per N2000-habitattype. Daarbij wordt aangegeven dat de kritische depositiewaarden met een onzekerheidsmarge van minimaal 1 kg moeten worden gehanteerd, deze waarden zijn vastgesteld binnen marges van ± 5 kg N/ha/j (Cunha et al. 2002). Omdat vaak gebruik wordt gemaakt van mol-eenheid, zijn de kilogrammen omgerekend naar hele mol (1kg N = 71,43 mol N). Gelet hierop zijn er ecologisch gezien binnen deze marges geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat bij verschillen in depositie die kleiner zijn dan 1 kilogram per hectare per jaar, hetgeen ongeveer gelijk staat aan een depositie van 70 mol N per hectare per jaar. De kritische depositiewaarde verschilt per habitattype. Hierbij is een indeling gemaakt van uiterst gevoelig, zeer gevoelig, gevoelig en matig gevoelig.

In tabel 3 zijn de klassen weergegeven, en ook voorbeelden van habitattypen, die daarbinnen vallen. Gekeken naar de kritische depositiewaarden van de verschillende habitattypen is sprake van ‘geen’, ‘een matige’, tot ‘een sterk overbelaste’ situatie. Matige overbelasting betreft een overschrijding van de KDW van meer dan 70 mol N/ha/j (ca. 1 kg N/ha/j) tot 2x de KDW, bij sterke overbelasting is sprake van een totale stikstofdepositie van meer dan 2x de KDW.

3.2 Relevante stikstofbijdrage Om daadwerkelijk tot een kwaliteitsverlies van habitattypen te komen is een langdurige relevante stikstofdepositiebijdrage nodig. Voor stikstofdepositie geldt dat het accumuleert in het systeem en dat ook kleine hoeveelheden die lange tijd deponeren kunnen leiden tot een accumulatie met alle gevolgen van dien. Een ecologische verandering is pas waarneembaar als een aanzienlijke hoeveelheid gedurende meerdere jaren (langdurig) accumuleert in het systeem. Een tijdelijke (beperkte) bijdrage van enkel honderdsten tot enkele molen gedurende bijvoorbeeld één jaar heeft geen ecologische doorwerking. De periode is te kort en de omvang van de bijdrage is te gering om enig effect op de omstandigheden in het veld en de vegetatie te hebben. Deze hoeveelheden zijn in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 75 – 150 mol N/ha/j, te verwaarlozen. Daarnaast is de totale stikstofkringloop in het systeem vele malen groter en is een tijdelijke bijdrage van enkele molen te verwaarlozen. Een blijvende beperkte bijdrage van 0,01 mol N/ha/j, ook al is sprake van een overbelaste situatie, zal eveneens geen ecologische doorwerking hebben. Deze geringe bijdrage is op plantniveau verwaarloosbaar. In onderstaande tekstkader is dit verder toegelicht.

De bijdrage van 1 en 0,01 mol N/ha is omgerekend van hectare naar plantniveau: Per ha

1 mol N = 14 gram N

0,01 mol N = 0,14 gram N

2

0,0001 mol N = 0,0014 gram N

0,000001 mol = 0,000014 gram N

Per plant (10cm*10cm)

0,0001 mol N = 0,0014 gram N

0,00000001 mol N = 0,00000014 gram N

Per m

Ter vergelijking: 0,14 gram stikstof is vergelijkbaar met de hoeveelheid stikstof in nog geen halve ganzenkeutel vervolgens verspreid over een hectare. Bij kleine planten met een wortelstelsel van 10 x 10 cm komt dit overeen met 0,00000014 gram stikstof per plant. Deze berekende bijdrage ter hoogte van de standplaats is verwaarloosbaar.

Pas in geval van een relevante blijvende stikstofdepositiebijdrage treden na tientallen jaren ecologische effecten in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk areaalverlies op. Dit speelt zich, afhankelijk van de

gevoeligheid van een habitattype, af in een periode van 10-20 jaar (zie tabel 3). Hierbij is geen rekening gehouden met het huidige reguliere beheer om de habitattypen in stand te houden. Tabel 2: Indeling van gevoeligheidsklassen voor habitattypen en tijdspad voor daadwerkelijk areaalverlies van een habitattype als gevolg van kwaliteitsverlies door stikstofdepositie (Goderie & Vertegaal, 2020).

KDW Gevoeligheidsklasse (mol N/ha/j)

uiterst gevoelig

<1000

Habitattypen voorbeelden

Tijdspad daadwerkelijk verlies habitattype (uitgezonderd gebufferde typen*)

Zwakgebufferde en zure vennen, zandverstuivingen, heischrale graslanden, actieve hoogvenen

10 jaar

12,5 jaar

(kg N/ha/j)

6-15 kg

zeer gevoelig

1000-1500 15 -21 kg

Droge en vochtige heidetypen, jeneverbesstruwelen, oude eikenbossen, Blauwgraslanden, kalkmoerassen pioniervegetaties, beukeneikenbossen, Stroomdal- en glanshaverhooilanden.

gevoelig

1500-2000 21-28 kg

Beekbegeleidende bossen

15 jaar

>2000

Beken en rivieren met waterplanten, meren met krabbenscheer, esseniepenbossen, kranswierwateren

20 jaar

matig gevoelig

> 28 kg

* bij gebufferde habitattypen (gebufferde vennen, heischrale graslanden, blauwgraslanden, kranswierwateren, meren met krabbenscheer) is geen sprake van een gradueel kwaliteitsverlies maar van een ‘plotselinge’ omslag sterk afhankelijk van de lokale situatie (o.a. mate van buffering (Goderie & Vertegaal, 2020).

Zolang van een plan of project geen sprake is van een langdurige relevante (dat is in ieder geval meerdere molen gedurende meerdere jaren) stikstofdepositiebijdrage, treden er geen wijzigingen in de standplaatsfactoren en de vegetatie in het veld op waardoor de kwaliteit van habitats kunnen worden beïnvloed. Significant negatieve gevolgen zijn daarmee uit te sluiten. Voor een (zwaar) overbelaste situatie waarbij de KDW ruim wordt overschreden en de kwaliteit van het habitattype zichtbaar lijdt door de overmatige al jaren aanhoudende relevante stikstofbelasting is een nadere gebiedsspecifieke ecologische analyse per habitattype (op hexagoonniveau) nodig bij plannen en projecten die een mogelijke toename van stikstofdepositie tot gevolg hebben.

3.3 Stikstofkringloop in ecosystemen en achtergronddepositie In de meeste habitattypen functioneert een stikstofkringloop, waarin grotere hoeveelheden stikstof circuleren, veelal duizenden kilo’s per hectare, in verschillende vormen circuleren zoals NO 3-, NO2- en NH4+ opgelost in (grond)water en als N2 (80% in de lucht-niet reactief). Een groot deel van de stikstof is als eiwit vastgelegd in vegetatie, strooisel en bodembiota (bacteriën, schimmels, protozoen, nematoden, wormen). Het aandeel ‘opgeslagen’ stikstof in bodemorganismen is bij schrale graslanden vele malen groter dan bij de vegetatie zelf (Kemmers, Bloem, & Faber, 2010). Huidige achtergronddepositie, overschrijding van de KDW en trend Onverstoorde, natuurlijke achtergronddeposities van NOx en NH3 (reactieve vorm) liggen in de orde van 1-5 kg stikstof per hectare per jaar (Stuyfzand, Asman et al, Galloway et al., & Kooijman et all.), overeenkomend met 71 -357 mol N per hectare per jaar. Er is in Nederland echter geen sprake meer van een natuurlijke achtergronddepositie. Door de mens is de achtergronddepositie van NO x en NH3 aanzienlijk hoger geworden. De achtergronddepositie in Nederland ligt grofweg tussen de 1.000 en 3.500 mol N/ha/j met een gemiddelde van 1.600 mol per hectare per jaar, maar met grote regionale verschillen. In de open terreinen en langs de kust is de achtergronddepositie het laagst.

Dit komt enerzijds door zeewind en grotere invang bij bos dan bij open kale terreinen (open water/lage vegetatie/bos 1x / 2x / 4x) (Van Dobben & van Hinsberg, 2008). De achtergronddepositie in AERIUS Calculator 2023.0.1 wordt weergegeven als een gemiddelde over meerdere jaren. Uit het rapport dat hoort bij de berekeningen van de achtergronddepositie blijkt dat meteorologische fluctuaties variaties in jaargemiddelde deposities geven van 5 tot 10 procent (RIVM, 2015). Dit komt bij een achtergronddepositie tussen de 1.000 - 3.500 mol N/ha/j neer op een fluctuatie van 50 - 350 mol N/ha/j. In AERIUS Calculator is de achtergronddepositie gebaseerd op meerdere jaren gebaseerde gemiddelde meteosituaties. Dit is te beschouwen als de huidige achtergronddepositie. Volgens berekeningen door het RIVM is de trend in stikstofdepositie sinds 1990 dalend van 2.600 mol N per hectare per jaar naar gemiddeld 1.600 mol N per hectare per jaar (RIVM, 2018). Recent is geen sprake van verdergaande daling. Ondanks de inmiddels opgetreden daling is zeker ter hoogte van zeer gevoelige habitattypen op regionaal niveau sprake van overschrijding van de kritische depositiewaarde vanwege een hogere achtergrondconcentratie t.o.v. de kritische depositiewaarde (KDW). Ongeveer driekwart van het totale areaal landnatuur kent een te hoge stikstofdepositie.

Met name in meer stikstofgevoelige ecosysteemtypen als bos, heide en open duin zijn de condities door stikstofdepositie over vrijwel het gehele areaal matig of slecht. In vrijwel het gehele areaal heide worden de kritische depositiewaarden overschreden. Nagenoeg de gehele oppervlakte valt hierdoor in de kwaliteitscategorieën matig of slecht. Voor open duin is de situatie iets beter; hier valt het grootste deel van de oppervlakte binnen de categorieën matig. Vermesting via stikstofdepositie speelt met name op de voedselarme zandgronden die juist erg gevoelig zijn voor stikstofdepositie en waar de depositie uit intensieve veehouderij doorgaans extra hoog is (CBS, PBL, RIVM, & WUR, 2020). Bekend is dat de KDW van zeer gevoelige habitattypen (lager dan 1.500 mol N/ha/j) in de meeste gevallen wordt overschreden. Binnen verhoogde achtergronddeposities zijn er niettemin mogelijkheden om verschillende habitattypen duurzaam in stand te houden. In hoeverre in de praktijk sprake is van een overbelaste situatie voor een habitattype is enerzijds afhankelijk van de standplaats (arme zandgronden of voedselrijker en gebufferd riviergebied) en aanwezige processen (dynamiek, beheer) en anderzijds de hoogte van de achtergronddepositie.

3.4 Werkingsmechanismen van stikstoftoename Het mogelijke effect van een toename van stikstofdepositie als gevolg van een plan of project is afhankelijk van het bodemtype, het habitattype en de sleutelfactoren. Sleutelfactoren zijn onder meer grond- en oppervlaktewaterhuishouding, toegepast (natuur)beheer en natuurlijke dynamiek. Ter hoogte van habitattypen die voorkomen langs rivieren en in beekdalen is de bodem veelal gebufferd en vindt door overstroming met nutriëntenrijk oppervlaktewater buffering plaats. Bij deze natuurlijke overstromingsdynamiek wordt eveneens een laagje kalkrijk zand en/of slib (klei) afgezet op de gronden van het winterbed (uiterwaard/beekdal) die bijdragen aan het bufferend vermogen in het systeem. Daardoor zijn deze standplaatsen niet of in mindere mate gevoelig voor verzuring als gevolg van stikstofdepositie en zijn van nature voedselrijker. De habitattypen hebben hierdoor een hogere kritische depositiewaarde in vergelijking met bijvoorbeeld heide en vennen op (voedselarme) zandgronden. Voor habitattypen van voedselarme of ‘schrale’ standplaatsen, zoals op stuifzandheide en droge heidevegetaties op zandgronden, heeft stikstofdepositie sneller een vermestende en verzurende werking. Dit leidt over het algemeen tot een versnelde successie van het habitattype doordat de natuurlijke groeilimitatie door stikstof van sneller groeiende soorten is opgeheven.

Ook krijgen andere soorten, die anders geen kans hebben op voedselarme gronden, een concurrentievoordeel. Beide mechanismen kunnen leiden tot het verdwijnen van de kritische en kenmerkende soorten. Een steeds verder zakkend grondwaterpeil (verdroging) is naast stikstofdepositie een zeer belangrijk knelpunt voor de (grond)waterafhankelijke habitattypen. Grondwater bevat vaak veel kalk en mineralen die bufferend werken tegen verzuring door stikstofdepositie en habitattypen beter bestand maken tegen invloeden van deze stikstofdepositie. In de Natura 2000-beheerplannen en in de in het kader van het voormalige programma aanpak stikstof (PAS) opgestelde gebiedsanalyses per Natura 2000-gebied zijn de belangrijkste knelpunten voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van soorten en habitats (van soorten) en eventueel benodigde maatregelen verder uitgewerkt. Deze beheerplannen geven dan ook belangrijke informatie voor een nadere ecologische onderbouwing bij een effectbepaling op habitattypeniveau. Veel van deze maatregelen voor habitattypen zijn gericht op het herstel/verbetering van de hydrologische situatie. In een aantal experimentele studies zijn negatieve effecten onderzocht van toevoeging van stikstof op habitattypen. De volgende twee voorbeelden zijn uitgevoerd in Nederlandse Natura 2000-gebieden: •

In een heidegebied in Nederland, waar verschillende hoeveelheden stikstof (0,0, 1,75, 7,0 en 28,0 kg N/ha/j) experimenteel aan plots werd toegevoegd, werd als resultaat daarvan een toename in Festuca ovina (schapengras) onderzocht die de Calluna vulgaris (struikheide) verving. De leeftijd van de heide speelde hierbij een belangrijke rol, waarbij in de jongere plots van 1 jaar oud iedere toevoeging van stikstof leidde tot een toename in Festuca ovina, met sterkere effecten naarmate de hoeveelheid toegevoegde stikstof toenam. Geen effect werd gevonden voor de toevoeging van de lage dosis stikstof in oude heide (Heil & Diemont, 1983). De achtergronddepositie voor deze studie is geschat op 30 - 35 kg N/ha/j7 en hiermee ruim boven de KDW.

•

In een ander experiment had experimentele toevoeging van 25 kg N/ha/j over een periode van vijf jaar geen effect op soortensamenstelling in een grasland in een Nederlands duingebied (Meijendel) (Ten Harkel & Van der Meulen, 1996). Als mogelijke reden hiervoor noemen de auteurs fosfaatlimitatie en begrazing. Ook in andere studies is bekend dat beheermaatregelen zoals begrazing en maaien dominantie van grassen en verdwijnen van kritische soorten kan voorkomen ondanks overschrijding van de KDW.

In het buitenland is vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd naar effecten van atmosferische stikstofdepositie op habitattypen. In verschillende studies in Zweden (Kellner & Redbo-Torstensson, 1995) en (Redbo-Torstensson, 1984) en Engeland (Payne, Dise, Stevens, Growing, & Begin Partners, 2013) werden pas ecologische effecten gevonden bij relatief hoge stikstofgiften, meestal meer dan 5 kg N/ha/j (ruim 350 mol N/ha/j). Er zijn geen experimenten bekend waarbij effecten werden gevonden bij een stikstofgift van minder dan 1 kg N/ha/j.

3.5 Rekenvoorbeeld stikstofbelasting Om daadwerkelijk tot een meetbaar kwaliteitsverlies van habitattypen (door onder andere verdringing van soorten) te komen verbonden aan een projectbijdrage stikstofdepositie is langdurig een relevante bijdrage nodig. De vraag is, wat een relevante bijdrage is. Om een beeld te krijgen van een relevante bijdrage en de invloed van stikstofdepositie op de concurrentiepositie van plantensoorten (ecologische doorwerking) is hieronder een rekenvoorbeeld opgenomen voor een éénmalige, tijdelijke depositietoename van 1 mol per hectare. •

Een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N/ha. Per m2 betreft dit 0,0001 mol oftewel 0,0014 gram N. Op plantniveau (10 cm*10 cm of minder) is dit weer een factor 100 kleiner. Deze éénmalig bijdrage op standplaatsniveau houdt geen verandering van die standplaats in, ook gegeven het feit dat van Dobben et al. (2012) bewust kiezen voor 1 kg N/ha als kleinste relevante maat.

•

De totale stikstofkringloop is vele malen groter. Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen zijn tientallen kg N/ha/j nodig. Dit komt overeen met duizenden mol N/ha/j. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via gronden oppervlaktewater, overstroming, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting.

•

Een eenmalige depositie van 1 mol N/ha/j komt overeen met 0,02 - 0,05% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking zou komen aan de vegetatie (wat niet het geval is, bijvoorbeeld door uitspoeling), zal dit niet leiden tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Zo blijkt bijvoorbeeld ook uit de gecontroleerde experimenten (zie vorige paragraaf) waarin gezocht wordt naar dosis-effect relaties.

•

De omvang van een bijdrage van 1,0 mol N/ha/j is in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 510% in achtergronddepositie, d.w.z. 75 – 150 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.500 mol N/ha/j te verwaarlozen.

•

Een projectbijdrage van 1,0 mol N/ha/j betekent geen (wezenlijke) verandering van de huidige achtergronddepositie van gemiddeld 1.600 mol N/ha/j (RIVM, 2023). De maximale projectbijdrage van bijvoorbeeld 1,0 mol is 0,06% van de achtergronddepositie.

•

Een dergelijke beperkte projectbijdrage heeft geen invloed op het regulier natuurbeheer (onder andere hooilandbeheer, begrazing, plaggen, uitbaggeren wateren) van habitattypen die daarvan afhankelijk zijn.

Ter vergelijking 1 mol (14 gram) per ha is vergelijkbaar met 4 suikerklontjes uitgestrooid over 1 ha. Gerelateerd aan een ganzenkeutel is 0,01 mol (0,14 gram) vergelijkbaar met minder dan een halve ganzenkeutel verspreid over één hectare. Bij kleine planten met een wortelstelsel van 10 x 10 cm komt dit overeen met 0,00000014 gram stikstof per plant. Deze berekende bijdrage ter hoogte van de standplaats is ecologisch gezien verwaarloosbaar. Op grond van de voorgaande informatie volgt dat een lage, tijdelijke depositietoename op zichzelf geen gevolgen zal hebben op het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen. Een toename van 1 mol N/ha/j ter hoogte van habitattypen en/of leefgebieden is in vergelijking met de achtergronddepositie van zeker meer dan 1.000 mol N per hectare per jaar, de totale stikstofkringloop en de natuurlijke fluctuatie in achtergronddepositie van 50 – 350 mol N per hectare per jaar (ecologisch gezien) te verwaarlozen. Dergelijke lage hoeveelheden hebben geen ecologisch waarneembare of meetbare effecten op de groeisnelheid, de vegetatiesamenstelling en concurrentieverhoudingen binnen de vegetatie. Deze hoeveelheden hebben ook zeker geen doorwerking op het regulier noodzakelijke natuurbeheer.

In het vervolg van deze voortoets zijn de mogelijke ecologische effecten van de stikstofbijdrage van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude gebiedsspecifiek nader beoordeeld.

4 Effectbeoordeling stikstofdepositie 4.1 Inleiding In van Oordt’s Mersken is sprake van een stikstofdepositie door de drinkwaterzuivering in 131 hexagonen. In Wijnjeterper Schar is sprake van een stikstofdepositie door de nieuwe drinkwaterzuivering in 1 hexagoon. De stikstofdepositie komt neer in de leefgebieden en habitattypen Lg07, Lg10, Lg08, H6410, H4010A, H9190, H6230dka, Lg05, H3130 (Van Oordt’s Mersken) en in H4030 van Wijnjeterper Schar. Aan de hand van het Natura 2000-beheerplan Van Oordt’s Mersken (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2016) en het Natura 2000-beheerplan Wijnjeterper Schar (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2016) en de PASgebiedsanalyses (Ministerie van LNV, 2017) en (Ministerie van LNV, 2017) is gekeken naar de eisen en de kwaliteit van de habitattypen. Dit is dus de situatie zoals die toen is vastgesteld. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de natuurdoelanalyses van beide gebieden (Provincie Fryslân, 2023) en (Provincie Fryslân, 2023) die in 2023 zijn opgesteld waarin de staat van de instandhoudingsdoelen zijn gemeten. In een voortoets mogen enkel objectieve gegevens gebruikt worden, zoals staat geschreven in de Handreiking Voortoets Stikstof (BIJ12, 2021). Objectieve gegevens zijn in deze gegevens waar een ieder toegankelijkheid tot heeft en navolgbaar tot stand zijn gekomen en als gemene deler beschouwd kunnen worden.

Zoals een PASgebiedsanalyse en andere algemenere wetenschappelijke onderzoeken, zoals deze in H4 wat betreft effecten van stikstof zijn beschreven. Dit is tevens bevestigd in de “Porthos”-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2023:3308), d.d. 308-2023 (Raad van State, 2023). In deze uitspraak is vastgesteld dat er geen mitigerende maatregelen zijn betrokken bij de voortoets in het Porthos-project. Ook zijn er geen andere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afname van de oppervlakte van een Natura 2000-gebied, waardoor op voorhand duidelijk is dat significante gevolgen zullen optreden. Ook de voorliggende toetsing van het in bedrijf zijn van de drinkwaterzuivering in Luxwoude kan worden gezien als een voortoets. In deze “Porthos” uitspraak is ook ingegaan op de wijze van toetsen. Zowel de generieke analyse als de gebiedsspecifieke analyse gezamenlijk hebben geleid tot de conclusie dat de tijdelijke stikstofdepositie niet leidt tot significante negatieve effecten. In voorliggende voortoets wordt zowel gekeken naar de generieke analyse als de gebiedsspecifieke analyse.

4.2 Beoordeling per habitattype in Van Oordt’s Merksen Lg07 Leefgebied dotterbloemgrasland van veen en klei Algemene beschrijving Dit leefgebied omvat kruidenrijke hooilanden op natte tot matig natte, matig zure tot neutrale, vooral zwak eutrofe veen- en kleigronden. Het type komt voor in het rivierengebied, het laagveengebied en het zeekleigebied, lokaal ook in de duinen en langs de afgesloten zeearmen. Het komt tot ontwikkeling op plaatsen waar in winter en voorjaar een hoge grondwaterstand aanwezig is, met basenrijk grondwater. Dit leefgebied omvat matig productieve graslanden in verschillende landschappelijke situaties. Het meest komt grasland met Waterkruiskruid en Dotterbloem voor, dat 's winters onder water staat. Dit grasland is min of meer de voortzetting van de verwante beekdalgraslanden, maar dan in de boezem- en vlietlanden van de aangrenzende klei- en veenregio's. Waar menging met mineralenarmer water plaatsvindt, kan ook grasland voorkomen dat rijk is aan veldrus. In twee zeldzamere vormen van het dotterbloemgrasland van veen en klei

komt de harlekijn als opvallende soort voor. In het laagveengebied komt het vooral in zwak brakke gebieden voor; deze vorm is verwant aan het bloemrijk rietland. In het zeekleigebied (en de rand van de duinen) gaat het om reeds lang geleden ingepolderde, zandige kwelders. Deze graslanden worden niet geïnundeerd, terwijl het kwelwater door de bolle ligging afgevoerd wordt naar sloten en kreken. Lg07 is leefgebied voor geel schorpioenmos. Grote vuurvlinder, grutto, kemphaan, paapje, scholekster, tureluur en watersnip. In Van Oordt’s Mersken zijn kemphaan en paapje aangewezen soorten. Leefgebied is dus hier aangewezen voor kemphaan en paapje. Abiotische randvoorwaarden: o Vochttoestand: nat tot zeer nat; o De pH: neutraal tot matig zuur; o De voedselrijkdom: zwak voedselrijk tot matig voedselrijk. Resultaten berekening In 76 hexagonen met een totale oppervlakte van 19,42 hectare Lg07 is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j. In 69 van deze hexagonen is de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van 1.286 mol N/ha/j. Dit betreft een oppervlakte van circa 17,72 hectare. Effectbeoordeling Lg07 is leefgebied van kemphaan en paapje waar doelstellingen voor zijn opgesteld. De doelstellingen van kemphaan en paapje in van Oordt’s Mersken zijn uitbreiding omvang leefgebied en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied.

De kemphaan heeft een doelbereik van 10 broedparen het paapje van 5 broedparen. De toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op circa 17,72 ha, op 13,39% van de totale oppervlakte aan Lg07 in het Natura 2000-gebied (en 5,33% van totaal leefgebied van deze 2 vogelsoorten). Kemphaan en paapje: de populatiedoelstellingen wordt niet gehaald. De populatiedoelstellingen zijn jaren geleden (1987 en 1997) voor het laatst gehaald. De dalingen van het aantal broedparen komt overeen met de landelijke trend. De knelpunten voor beide soorten zijn: verdroging, verzuring, slechte waterkwaliteit, eutrofiering, slecht beheer en menselijke verstoring. Stikstof speelt dus een rol in verslechtering van het leefgebied. Dat de populatiedoelstelling niet wordt gehaald ligt waarschijnlijk ook aan invloeden van buiten het gebied, gezien de instorting van de gehele Nederlandse populatie. Intensivering van de landbouw met het gevolg versnippering en verdroging is dan ook het grootste knelpunt voor het behalen van de populatiedoelstellingen. Of de leefgebied doelstellingen worden behaald is onduidelijk. Dit omdat er nog geen eenduidige definities en richtlijnen zijn van leefgebieden. Daarnaast lijkt het erop dat de overschrijding van de KDW geen grote rol speelt in de afname van de kemphaan en paapje als broedvogel.

Er zijn genoeg leefgebieden buiten de habitattypen om, die geen last hebben van vermesting (Provincie Fryslân, 2023). De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j. Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Van Oordt’s Mersken (RIVM, 2024) 1.300 mol N/ha/j. De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 65 – 130 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.300 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,015-0,0077%). Het is onduidelijk of de doelstellingen voor het leefgebied worden behaald. De populatiedoelstellingen van kemphaan en paapje worden niet behaald, maar de oorzaken hiervan liggen niet zozeer in het gebied. Daarbij gaat het maar om een fractie van het totale leefgebied van deze 2 soorten. Daarom heeft de stikstofdepositie geen significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het leefgebied. Daarnaast is een dergelijke beperkte depositietoename dermate gering dat er geen waarneembare verandering optreedt op de standplaats wat ook niet zal doorwerken in de kwaliteit van het leefgebied. De hoeveelheid van 0,01 mol N/ha/j stikstof kan men geen relevante stikstofbelasting noemen, zoals ook in paragraaf 3.5 wordt uitgelegd met een rekenvoorbeeld. Er is geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het leefgebied

wat kan leiden tot kwaliteits- en oppervlakteverlies. Het behalen van de uitbreidings- en verbeterdoelstelling van het leefgebied zal door deze beperkte bijdrage niet belemmerd worden. Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op kemphaan en paapje (Lg07) als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten. Lg10 Kamgrasweide zand en veengebied Algemene beschrijving Het leefgebied wordt gevormd door uit kruidenrijk grasland op vooral vochtige tot matig droge, zwak zure tot neutrale, zwak eutrofe zand-, leemen veengronden. Dit type grasland komt vooral voor op de hogere zandgronden en in het laagveengebied, maar ook in de duinen en op de oeverlanden van afgesloten zeearmen. Op de hogere zandgronden neemt het een middenpositie in tussen enerzijds droger en schraler grasland en anderzijds nattere graslanden. Deze situaties doen zich van nature vooral voor op de overgang van stuwwallen en hogere dekzandgebieden naar beekdalen en lagere dekzandgebieden, daarnaast ook op plaatsen langs beken waar kwel een relatief geringe rol speelt. Door ontwatering en bemesting heeft het echter een veel ruimere verspreiding gekregen waarna het vervolgens door intensivering van dat gebruik weer sterk is afgenomen.

In het laagveengebied komt het voor op de relatief droge gronden; ook hier is het door agrarisch gebruik eerst sterk toegenomen en vervolgens weer afgenomen. In de duinen komt het voor in de binnenduinrand en op plaatsen waar bemest wordt. In afgesloten zeearmen is het te vinden op zandige, maar wel vrij voedselrijke bodems. Het leefgebied omvat beweide kamgrasweide en beweide of gemaaide bloemrijke weidevogelgraslanden. Lg10 is leefgebied voor blauwe, bruine en grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grutto, kemphaan, kievit, korhoen, kwartelkoning, paapje, scholekster, tureluur, velduil, visdief en zwarte stern. In Van Oordt’s Mersken zijn kemphaan en paapje aangewezen soorten. Leefgebied is dus hier aangewezen voor kemphaan en paapje. Abiotische randvoorwaarden: o Vochttoestand: matig droog tot droog; o De pH: neutraal tot matig zuur; o De voedselrijkdom: zwak voedselrijk tot matig voedselrijk. Resultaten berekening In 75 hexagonen met een totale oppervlakte van 11,54 hectare Lg10 is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j. In 73 van deze hexagonen is de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van 1.286 mol N/ha/j. Dit betreft een oppervlakte van circa 11,54 hectare.

Effectbeoordeling Lg10 is leefgebied van kemphaan en paapje waar doelstellingen voor zijn opgesteld De doelstellingen van kemphaan en paapje in van Oordt’s Mersken zijn uitbreiding omvang leefgebied en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied. De kemphaan heeft een doelbereik van 10 broedparen het paapje van 5 broedparen. De toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op circa 11,54 ha, op 20% van de totale oppervlakte aan Lg10 in het Natura 2000-gebied (en 3,47% van totaal leefgebied van deze 2 vogelsoorten). Kemphaan en paapje: de populatiedoelstellingen wordt niet gehaald. De populatiedoelstellingen zijn jaren geleden (1987 en 1997) voor het laatst gehaald. De dalingen van het aantal broedparen komt overeen met de landelijke trend. De knelpunten voor beide soorten zijn: verdroging, verzuring, slechte waterkwaliteit, eutrofiering, slecht beheer en menselijke verstoring. Stikstof speelt dus een rol in verslechtering van het leefgebied. Dat de populatiedoelstelling niet wordt gehaald ligt waarschijnlijk ook aan invloeden van buiten het gebied, gezien de instorting van de gehele Nederlandse populatie. Intensivering van de landbouw met het gevolg versnippering en verdroging is dan ook het grootste knelpunt voor het behalen van de populatiedoelstellingen. Of de leefgebied doelstellingen worden behaald is onduidelijk. Dit omdat er nog geen

eenduidige definities en richtlijnen zijn van leefgebieden. Daarnaast lijkt het erop dat de overschrijding van de KDW geen grote rol speelt in de afname van de kemphaan en paapje als broedvogel. Er zijn genoeg leefgebieden buiten de habitattypen om, die geen last hebben van vermesting (Provincie Fryslân, 2023). De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j. Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Van Oordt’s Mersken (RIVM, 2024) 1.300 mol N/ha/j. De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 65 – 130 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.300 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,015-0,0077%). Het is onduidelijk of de doelstellingen voor het leefgebied worden behaald. De populatiedoelstellingen van kemphaan en paapje worden niet behaald, maar de oorzaken hiervan liggen niet zozeer in het gebied. Daarbij gaat het maar om een fractie van het totale leefgebied van deze 2 soorten. Daarom heeft de stikstofdepositie geen significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het leefgebied. Daarnaast is een dergelijke beperkte depositietoename dermate gering dat er geen waarneembare verandering optreedt op de standplaats wat ook niet zal doorwerken in de kwaliteit van het leefgebied.

De hoeveelheid van 0,01 mol N/ha/j stikstof kan men geen relevante stikstofbelasting noemen, zoals ook in paragraaf 3.5 wordt uitgelegd met een rekenvoorbeeld. Er is geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het leefgebied wat kan leiden tot kwaliteits- en oppervlakteverlies. Het behalen van de uitbreidings- en verbeterdoelstelling van het leefgebied zal door deze beperkte bijdrage niet belemmerd worden. Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op kemphaan en paapje (Lg10) als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten. Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland Algemene beschrijving Het leefgebied omvat kruidenrijk grasland op natte tot matig natte, zwak zure tot neutrale, zwak tot matig eutrofe gronden. Het type komt vooral voor in het rivierengebied, het laagveengebied, het zeekleigebied en de afgesloten zeearmen. Verder komt het voor op plaatsen waar de hogere zandgronden en de duinen aan deze regio's grenzen (venige en kleiige beekdalen en vroongraslanden in de binnenduinrand). Het komt tot ontwikkeling op plaatsen die in winter en voorjaar langdurig onder water staan, wat veroorzaakt wordt door overstromend oppervlaktewater of onderdijkse kwel. In de zomer daalt het waterpeil snel; overstroming vindt dan hooguit incidenteel plaats. In vergelijking met dotterbloemgraslanden is de bodem stikstofrijker.

De subtypen a en c van het natuurdoeltype betreffen zilverschoongrasland respectievelijk nat, matig voedselrijk weidevogelgrasland, die onderling verschillen in de aard van het water- en het vegetatiebeheer. Op plaatsen met langdurige en rechtstreekse overstroming door oppervlaktewater, ontstaat zilverschoongrasland (subtype a) met beweiding als gebruikelijke beheersvorm. Het zilverschoongrasland komt enerzijds voor in de oeverzone van allerlei wateren, zoals riviertjes, rivierbegeleidende wateren en sloten ('plas-dras-situaties'). Het is dan vaak een overgangszone tussen moeras (natuurdoeltype 3.24) en drogere graslanden (bijvoorbeeld natuurdoeltypen 3.38 en 3.39). Anderzijds kan het ook vlakvormig voorkomen in lage graslanden, bijvoorbeeld in de uiterwaarden en in combinatie met natuurdoeltype binnendijks zilt grasland (3.41). Hoewel algemene grassen domineren (zoals fioringras en geknikte vossenstaart), komen in dit subtype ook bijzondere soorten voor, zoals genadekruid, kruipend moerasscherm, platte bies en polei. Subtype c van het natuurdoeltype kan zowel beweid als gehooid worden en is van groot belang voor weidevogels, met name voor 'kritische' weidevogels van natte omstandigheden, zoals kemphaan, kwartelkoning, tureluur en watersnip. In de winter zijn deze graslanden belangrijk voor ganzen en zwanen, terwijl steltlopers er gedurende de trek graag gebruik van maken.

Het leefgebied is niet alleen belangrijk vanwege de natuurwaarden, maar is ook inpasbaar in waterretentiegebieden, mits de overstroming (vrijwel) beperkt blijft tot winter en vroege voorjaar. Lg08 is leefgebied voor kruipend moerasscherm, blauwe kiekendief, bontbekplevier, bruine kiekendief, grutto, kemphaan, kievit, kwartelkoning, paapje, scholekster, tureluur, velduil, visdief en watersnip. In Van Oordt’s Mersken zijn kemphaan en paapje aangewezen soorten. Leefgebied is dus hier aangewezen voor kemphaan en paapje.

Abiotische randvoorwaarden: o Vochttoestand: nat tot vochtig; o De pH: neutraal tot zwak zuur; o De voedselrijkdom: zwak voedselrijk tot matig voedselrijk. Resultaten berekening In 63 hexagonen met een totale oppervlakte van 8,83 hectare Lg08 is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j. In al deze hexagonen is de achtergronddepositie lager dan de kritische depositiewaarde van 1.571 mol N/ha/j. Effectbeoordeling Lg08 is leefgebied van kemphaan en paapje waar doelstellingen voor zijn opgesteld. De doelstellingen van kemphaan en paapje in van Oordt’s Mersken zijn uitbreiding omvang leefgebied en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied. De kemphaan heeft een doelbereik van 10 broedparen het paapje van 5 broedparen. De toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op circa 8,83 ha, op 6,79% van de totale oppervlakte aan Lg08 in het Natura 2000-gebied (en 2,66% van totaal leefgebied van deze 2 vogelsoorten). Kemphaan en paapje: de populatiedoelstellingen wordt niet gehaald. De populatiedoelstellingen zijn jaren geleden (1987 en 1997) voor het laatst gehaald. De dalingen van het aantal broedparen komt overeen met de landelijke trend. De knelpunten voor beide soorten zijn: verdroging, verzuring, slechte waterkwaliteit, eutrofiering, slecht beheer en menselijke verstoring. Stikstof speelt dus een rol in verslechtering van het leefgebied.

Dat de populatiedoelstelling niet wordt gehaald ligt waarschijnlijk ook aan invloeden van buiten het gebied, gezien de instorting van de gehele Nederlandse populatie. Intensivering van de landbouw met het gevolg versnippering en verdroging is dan ook het grootste knelpunt voor het behalen van de populatiedoelstellingen. Of de leefgebied doelstellingen worden behaald is onduidelijk. Dit omdat er nog geen eenduidige definities en richtlijnen zijn van leefgebieden. Daarnaast lijkt het erop dat de overschrijding van de KDW geen grote rol speelt in de afname van de kemphaan en paapje als broedvogel. Er zijn genoeg leefgebieden buiten de habitattypen om, die geen last hebben van vermesting (Provincie Fryslân, 2023). Zoals Lg08. De stikstofdepositie komt neer in hexagonen die niet overbelast zijn in Lg08. Dat betekent dat stikstof geen invloed heeft op de instandhoudingsdoelen. De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j. Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Van Oordt’s Mersken (RIVM, 2024) 1.300 mol N/ha/j. De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 65 – 130 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.300 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,015-0,0077%).

Omdat de stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol/ha/j terecht komt in hexagonen die niet overbelast zijn, wat wil zeggen dat de achtergronddepositie + stikstofbelasting in deze hexagonen lager is dan de kritische depositiewaarde van het leefgebied, zijn negatieve effecten door stikstofbelasting door dit project uitgesloten.. Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op kemphaan en paapje (Lg08) als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten. H6410 blauwgraslanden Algemene beschrijving Het habitattype betreft in ons land de zogenoemde blauwgraslanden. Het zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter, blauwe zegge en tandjesgras. De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Zo kunnen in het

laagveengebied plaatselijk riet en melkeppe talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig zijn. In sommige geografische regio’s zijn bepaalde soorten kenmerkend, zoals grote pimpernel in noordelijk Noord-Brabant, veldrus in beekdalen, en karwijselie in Willinks Weust. Schrale hooilanden met veel veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond Junco-Molinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig). Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals parnassia. Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden echter gerekend tot het habitattype ‘alkalisch laagveen’ (habitattype H7230; zie aldaar voor de verschillen met type H6410). In duingebieden komen plaatselijk ook blauwgraslanden voor. Het betreft hier oudere, reeds langdurig in cultuur gebrachte delen met een sterke bodemontwikkeling. Abiotische randvoorwaarden: o Vochttoestand: zeer nat tot zeer vochtig: o Zoutgehalte: zeer zoet; o De pH neutraal tot matig zuur; o De voedselrijkdom: matig voedselarm tot matig voedselrijk.

Kenmerken van een goede structuur en functie: o Hooibeheer (jaarlijks laat in het jaar maaien en materiaal afvoeren); o Toevoer van basenrijk water (door overstromingen met oppervlaktewater of door toestroom grondwater); o Opslag van struwelen en bomen < 5%; o Optimale functionele omvang: vanaf enkele hectares; o Het zo nu en dan opbrengen van organisch materiaal kan noodzakelijk zijn om verzuring tegen te gaan. Resultaten berekening In 40 hexagonen met een totale oppervlakte van 6,38 hectare H6410 is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j. In al deze hexagonen is de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van 786 mol N/ha/j. Effectbeoordeling De doelstelling van H6410 in Van Oordt’s Mersken is uitbreiding oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. De toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op 6,38 ha, 100% van de totale oppervlakte aan H6410 in het Natura 2000-gebied. In het concept natuurdoelanalyse staat dat de trend in oppervlakte positief is en de trend in de kwaliteit negatief. De kwaliteit van het habitattype is matig ongunstig en verslechtering is niet uitgesloten. De uitbreidingsdoelstelling is behaald, maar de verbeterdoelstelling niet. (Provincie Fryslân, 2023) De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j.

Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Van Oordt’s Mersken (RIVM, 2024) 1.300 mol N/ha/j. De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 65 – 130 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.300 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,015-0,0077%). Ondanks het niet behalen van de verbeterdoelstelling van het habitattype heeft de extra stikstofdepositie geen negatief effect op het instandhoudingsdoel van H6410. Een dergelijke beperkte depositietoename op het habitattype is dermate gering dat er geen waarneembare verandering optreedt op de standplaats wat ook niet zal doorwerken in de kwaliteit van het habitattype. De hoeveelheid van 0,01 mol N/ha/j stikstof kan men geen relevante stikstofbelasting noemen, zoals ook in paragraaf 3.5 wordt uitgelegd met een rekenvoorbeeld. Er is geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitattype wat kan leiden tot kwaliteits- en oppervlakteverlies. Het behalen van de uitbreidings- en verbeterdoelstelling van het habitattype zal door deze

beperkte bijdrage niet belemmerd worden. Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op H6410 als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten. H4010A Vochtige heiden Algemene beschrijving Het habitattype betreft vochtige ofwel natte heidegemeenschappen op voedselarme, zure zand- en veenbodems. Kenmerkend is de hoge bedekking van gewone dophei. De begroeiingen van de natte zandgronden variëren afhankelijk van de waterhuishouding, de ouderdom en het leemgehalte van de bodem. De plantengemeenschap heet Associatie van gewone dophei. De meest zure en natte heiden tenderen naar hoogveen. Open begroeiingen zijn vaak rijk aan korstmossen. Op leemhoudende standplaatsen bevatten de natte heidebegroeiingen veelal soorten van blauwgraslanden en heischraal grasland. In gedegradeerde vochtige heide gaan grassen zoals pijpenstrootje domineren of treden struiken zoals gagel op de voorgrond. Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. Ontwatering in de omgeving maar ook grondwaterwinningen in de regio kunnen een groot knelpunt vormen. Abiotische randvoorwaarden: o Vochttoestand: zeer nat tot vochtig: o Zoutgehalte: zeer zoet; o De pH matig zuur tot zuur; o De voedselrijkdom: zeer voedselarm tot matig voedselarm.

Kenmerken van een goede structuur en functie: o Dominantie van dwergstruiken (> 50%); o Bedekking struiken en bomen is beperkt < 10%; o Bedekking van grassen is beperkt < 25%; o Hoge bedekking van veenmossen (subtype B, en lokaal subtype A); o Hoge soortenrijkdom van mossen en korstmossen. Resultaten berekening In 18 hexagonen met een totale oppervlakte van 4,20 hectare H4010A is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j. In al deze hexagonen is de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van 1.071 mol N/ha/j. Effectbeoordeling De doelstelling van H4010A in Van Oordt’s Mersken is behoud oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. De toename van maximaal 0,01 mol n/ha/j op belaste hexagonen vindt plaats op 4,20 ha, 100% van de totale oppervlakte aan H4010A in het Natura 2000-gebied. In het concept natuurdoelanalyse staat dat het oppervlakte en de kwaliteit niet voldoende zijn. Verslechtering van beide is niet uitgesloten. Knelpunten zijn de hydrologie en stikstof die beiden een grote invloed hebben op de kwaliteit van het habitattype. Door ontbreken van recente habitatkarteringen is niet met zekerheid te stellen dat de doelen niet worden gehaald, alhoewel er daar wel naar lijkt. (Provincie Fryslân, 2023) De stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/j.

Gemiddeld was de achtergronddepositie in 2023 ter hoogte van het belaste deel van het project in Van Oordt’s Mersken (RIVM, 2024) 1.300 mol N/ha/j. De stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j in vergelijking met de natuurlijke fluctuatie van 5-10% in achtergronddepositie, d.w.z. 65 – 130 mol N/ha/j bij een achtergronddepositie van 1.300 mol N/ha/j te verwaarlozen (0,015-0,0077%). Ondanks dat het lijkt dat de uitbreiding- en verbeterdoelstellingen niet worden gehaald heeft de extra stikstofdepositie geen negatief effect op het instandhoudingsdoel van H4010A. Een dergelijke beperkte depositietoename op het habitattype is dermate gering dat er geen waarneembare verandering optreedt op de standplaats wat ook niet zal doorwerken in de kwaliteit van het habitattype. De hoeveelheid van 0,01 mol

N/ha/j stikstof kan men geen relevante stikstofbelasting noemen, zoals ook in paragraaf 3.5 wordt uitgelegd met een rekenvoorbeeld. Er is geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitattype wat kan leiden tot kwaliteits- en oppervlakteverlies. Het behalen van de uitbreidings- en verbeterdoelstelling van het habitattype zal door deze beperkte bijdrage niet belemmerd worden. Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen op H41010A als gevolg van het in bedrijf hebben van de drinkwaterzuivering in Luxwoude uitgesloten. H9190 oude eikenbossen Algemene beschrijving het habitattype betreft eiken-berkenbossen op leemarme zandbodems, waarvan de boomlaag en/of de bosgroeiplaats oud is. Het habitattype komt voor op kalkarme, zeer voedselarme, vochtige tot droge zandgronden, vaak met een duidelijk podzolprofiel. Het zijn stuif- en dekzanden die door de wind zijn afgezet of in het verre verleden door gletsjerijs opgestuwde en verspoelde zanden. De bodem wordt enkel gevoed door regenwater, waardoor uitspoeling van mineralen naar de diepere ondergrond optreedt. In de boomlaag van oude eikenbossen domineren zomereik en ruwe berk. In de ijle struiklaag vallen vooral wilde lijsterbes, sporkehout en ratelpopulier op. De ondergroei is door de arme bodem doorgaans soortenarm en bestaat vooral uit zuurminnende dwergstruiken, grassen, mossen en paddenstoelen.

Daaronder zijn een aantal typische soorten die vooral op oude boslocaties groeien. De mantel- en zoomgemeenschappen van dit bostype zijn van wezenlijk belang voor de soortensamenstelling van het habitattype. De oude eikenbossen zijn in het algemeen ontstaan in het heide- en stuifzandlandschap en hebben nu vaak de vorm van strubbenbossen. Zij onderscheiden zich daarmee van de bossen op de wat rijkere zandgronden (habitattype H9120), die overigens ook oud zijn en een boomlaag van eiken kunnen hebben. Oude eikenbossen van de duinen zijn onderdeel van het habitattype duinbossen (H2180). Abiotische randvoorwaarden: o Vochttoestand: zeer vochtig tot droog: o Zoutgehalte: zeer zoet; o De pH is zuur; o De voedselrijkdom: zeer voedselarm tot matig voedselarm. Kenmerken van een goede structuur en functie: o Zeer open structuur; deze structuur wordt negatief beïnvloed door de in de loop van de successie, met name op de iets minder voedselarme bodems, optredende Beuk (waardoor de beschaduwing en strooiselvorming sterk toenemen en de soortenrijkdom afneemt); o Goed ontwikkelde moslaag en/of korstmoslaag; o Aanwezigheid van dood hout op de bosbodem; o Optimale functionele omvang: vanaf tientallen hectares. Resultaten berekening In 5 hexagonen met een totale oppervlakte van 1,50 hectare H9190 is een stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=a6cfc862-75fc-40f8-9eab-1f03727d67df