CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4.3. Canada 4 te Elsloo_Bijlagen regels

Raadsvergadering 23 september 2025, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Canada 4 te Elsloo13.971 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan Canada 4 te Elsloo vastgesteld

bestemmingsplan Bijlagen regels

Canada 4 te Elsloo vastgesteld

bestemmingsplan Canada 4 te Elsloo

Inhoudsopgave

Bijlagen regels

5

Bijlage 1

Procesboek Ontwikkeling agrarische erven

6

Bijlage 2

Parkeerkencijfers

94

3

bestemmingsplan Canada 4 te Elsloo

4

bestemmingsplan Canada 4 te Elsloo

Bijlagen regels

5

bestemmingsplan Canada 4 te Elsloo

Bijlage 1 Procesboek Ontwikkeling agrarische erven

6

Procesboek Ontwikkeling (agrarische) erven Ooststellingwerf

Procesboek Ontwikkeling (agrarische) erven Ooststellingwerf

Projectnummer: 180.00.01.35.00 Datum: 20 augustus 2015

Inhoudsopgave

1. Inleiding

7

2. Integrale afweging

13

3. Inpassing op locatie

17

4. Woudontginningen

21

5. Essenlandschap

33

6. Heideontginningen

45

7. Hoogveenontginningen

57

8. Beekdalen

69

1. Inleiding

In onze gemeente Ooststellingwerf hechten we aan ons fraaie landschap. Het is een van de visitekaartjes van onze gemeente. Daarom vinden we het van groot belang dat nieuwe ontwikkelingen in het landelijke gebied goed passen in het landschap en in hun omgeving: een mooi erf in een mooi landschap. We hanteren daarbij de ‘ja,mits’- instelling: nieuwe ontwikkelingen mogen in het landelijk gebied, mits ze een bijdrage leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van het landschap. Dit procesboek laat zien op welke wijze we willen ontwikkelen met kwaliteit in het landelijk gebied. Daarbij geven we meteen aan dat ontwikkelen met kwaliteit altijd maatwerk is en afhankelijk van plannen en plek. Maar in dit boek geven wij de handvatten om het goede maatwerk te kunnen leveren en te komen tot een plan dat ontwikkelruimte biedt en een kwalitatieve meerwaarde levert voor de locatie en de directe omgeving. Relatie met bestemmingsplan Het bestemmingsplan buitengebied geeft de kaders waarbinnen ontwikkelingen in het buitengebied mogen plaatsvinden. Tussen het bestemmingsplan en dit procesboek zit een nauwe relatie. In het bestemmingsplan is namelijk vastgelegd dat ontwikkelingen pas worden toegestaan als daarbij de stappen uit dit procesboek zijn gevolgd en het daaruit voortkomende plan door het college van Burgemeester en Wethouders is goedgekeurd.

Het procesboek is als bijlage bij de regels vastgesteld. 7

PROCES

Type uitbreiding

Nieuwvestiging erf

Keukentafelgesprek team Nije Pleats

Uitbreiding of aanpassing bestaand erf met flinke ruimtelijke impact (oa. nieuwe stal, loods, kamperen bij de boer, ruimte voor ruimte)

Uitbreiding of aanpassing bestaand erf met geringe ruimtelijke impact (oa. sleufsilo, paardenbak)

(Keukentafel)gesprek team gemeente

Zelf voorstel maken aan de hand van dit procesboek

Relatie met Nije Pleats In de provincie Fryslân is ‘ Nije Pleats’ inmiddels een bekend begrip. Nije Pleats is een provinciale aanpak voor het uitbreiden van (agrarische) erven in het buitengebied. Onderdeel van de procesaanpak is een specialistisch team dat aan de keukentafel samen met de gemeente en de ondernemer bekijkt hoe een vergroting of ontwikkeling van een (nieuw) agrarisch erf gestalte kan krijgen. Daarbij wordt rekening gehouden met een goede bedrijfsvoering en praktische inrichting van het erf, planologische randvoorwaarden en een goede landschappelijke inpassing. In Ooststellingwerf werken we ook met dit team van de Nije Pleats, maar alleen in gevallen waarbij sprake is van de vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf. Denkstappen en processtappen Dit voorliggende procesboek is gebaseerd op dezelfde afwegingen en stappen als die in de provinciale ‘Nije Pleats’ -methode worden toegepast. De stappen zijn van toepassing op alle vormen van ontwikkeling van agrarische erven in het buitengebied van de gemeente. Het procesboek geeft aan welke denkstappen doorlopen moeten worden in het proces om te komen tot een plan op maat. Deze denkstappen hoeft u niet allemaal alleen te zetten, dat hangt af van de omvang van uw plannen.

Wilt u bijvoorbeeld een paardenbak op uw erf realiseren, wat natuurlijk een ruimtebeslag en een verandering van het erf met zich meebrengt, maar geen toename van dieren, dan kunt u zelf veel doen.

Waar een nieuwe ontwikkeling gepaard gaat met een toename van verkeersbewegingen of dierenaantallen, dan gaan wij graag eerst met u in overleg. Dat geeft het schema hiernaast ook aan. Met het doornemen van dit procesboek, voorafgaand aan dat overleg, bent u al goed voorbereid. Hoe zit dit procesboek in elkaar? Dit procesboek geeft de achterliggende gedachten en de te zetten stappen om te komen tot een maatwerkoplossing voor uw ontwikkelplannen. Daarbij valt het procesboek uiteen in twee delen. Het eerste deel (hoofdstuk 2) gaat in op de locatie en de omgeving: is de gekozen plek ook voor de lange termijn de meest geschikte plek voor de ontwikkeling? Deze afweging zorgt voor een integrale afgewogen onderbouwing van de ontwikkeling(en) op de gekozen locatie. Hierbij worden alle randvoorwaarden vanuit verkeer, milieu, natuur etc. in beeld gebracht. Als de keuze voor de locatie goed is onderbouwd, kan in tweede instantie (vanaf hoofdstuk 3) worden ingezoomd op de ontwikkeling en de locatie zelf. In dit hoofdstuk gaat het over de wijze waarop de ontwikkeling op het erf kan worden vormgegeven, rekening houdend met de landschappelijke kenmerken van de omgeving en met de bedrijfseconomische wensen van de initiatiefnemer. In dit deel worden voor elk landschap voorbeelden gegeven hoe een landschappelijke inpassing vorm kan krijgen.

Een schematisch overzicht van alle processtappen vindt u op de volgende pagina’s.

9

Stappenplan proces 1. Spoorkeuze Wat wilt u realiseren?

Nieuw erf op een nieuwe plek

Proces:

Keukentafelgesprek team Nije Pleats

Nieuwe stal, loods, kampeerterrein, nieuwe woning in kader van ruimte-voorruimte (Uitbreiding of aanpassing van bestaand erf met flinke ruimtelijke impact)

Proces:

Keukentafelgesprek team gemeente

Nieuwe sleufsilo’s, paardenbak (Uitbreiding of aanpassing bestaand erf met geringe ruimtelijke impact)

Proces:

Voorstel maken aan de hand van dit procesboek

B 2. Processtappen (voor elk spoor gelijk!)

A Integrale afweging - is het de goede locatie? 1. Tijdshorizon Staat uw grondpositie (aantal m2) in verhouding tot de gewenste uitbreiding en is die voldoende voor een toekomstbestendige ontwikkeling? 2. Bereikbaarheid Heeft de uitbreiding consequenties voor het verkeer van en naar uw bedrijf ? Heeft u een extra ontsluiting van het erf nodig of een bredere inrit?

Inpassing locatie - hoe ziet het eruit? 1. Landschapstype In welk landschapstype ligt uw erf ? Kijk op de kaart op pagina 18 en ga naar het desbetreffende hoofdstuk. 2. Uitbreidingswensen Wat zijn uw wensen? Welke omvang hoort daarbij? 3. Landschappelijke waarden Welke landschappelijke waarden zijn er in uw directe woon- en werkomgeving? 4. Randvoorwaarden omgeving Zijn er nog randvoorwaarden uit de omgeving (zie deel A) die bepalend zijn voor hoe u uw uitbreidingswensen kunt realiseren? 5. Stel een inpassingsplan op Maak een inpassingsplan aan de hand van alle ingrediënten uit de vorige stappen. 6. Vormgeving bebouwing en bouwwerken Hoe komen de nieuwe bebouwing of de niewue bouwwerken eruit te zien?

3. Nabijheid wonen Is er voldoende afstand tot naastgelegen woonbebouwing? 4. Nabijheid natuur Welke effecten verwacht u met uw ontwikkeling op de natuur in uw omgeving?

Maak één document waarin de resultaten uit deel A zijn opgenomen en een inpassingsplan met bijbehorende onderbouwing.

2. Integrale afweging

2.1 Inleiding Als ondernemer ben je voortdurend bezig met het toekomstbestendig houden en maken van je bedrijf. Soms betekent dat dat het bedrijf zich verder moet ontwikkelen: schaal vergroten, verbreden met andere functies of stoppen en wat nieuws beginnen. Wanneer dit betekent dat het erf moet worden opgeschaald of aangepast en dat niet past binnen de regels van het bestemmingsplan zal er een nieuwe ruimtelijke (vergunning)procedure moeten worden gestart. Dan is dit procesboek de handleiding om te komen tot een passend voorstel op basis waarvan uiteindelijk een omgevingsvergunning kan worden verleend. De belangrijkste eerste vraag hierbij is of de voorgenomen locatie de juiste plek voor de gewenste ontwikkeling? Is bijvoorbeeld de bereikbaarheid van het erf voldoende om de bij de schaalvergroting horende toename aan verkeer goed te kunnen afwikkelen? En past een vergroting nog binnen de milieucontouren ter plekke? Met andere woorden: is het verstandig om op deze plek nog te investeren?

13

2.2 Aspecten voor afweging Het antwoord op de vraag of de voorgenomen locatie (vaak de bestaande locatie) geschikt is voor een uitbreiding van het erf is niet gemakkelijk eenduidig te beantwoorden. Bovendien speelt vaak mee dat veel bedrijven familiebedrijven zijn waar decennialang van vader op zoon (of dochter) een bedrijf heeft gehad. Toch is het goed om te bepalen bij elke ontwikkeling of die locatie voldoende toekomstperspectief biedt. Belangrijke aspecten die een rol spelen om uit te kunnen breiden op de bestaande locatie of toch te kiezen voor een verplaatsing en nieuwvestiging: 1. tijdshorizon 2. bereikbaarheid: ontsluiting en infrastructuur 3. nabijheid van wonen 4. nabijheid van natuur In het navolgende wordt bij elk van de aspecten ingegaan op de te maken afweging. Wij verwachten dat u bij het indienen van uw verzoek om medewerking te verlenen aan uw plannen, ook ingaat op al deze aspecten en de daaruit voortvloeiende afweging. In sommige gevallen kan dat heel kort. Maar hoe omvangrijker de ontwikkeling, hoe ingewikkelder de te maken afweging is. In die gevallen is het ook goed om eerst een afspraak te maken met ons op het gemeentehuis om deze bredere verkenning samen door te spreken. 1. Tijdshorizon Het vergroten of verder ontwikkelen van een bedrijf is meestal niet alleen voor de korte termijn.

Het is dan ook goed om meteen in het begin van het (denk)proces stil te staan bij de ontwikkelmogelijkheden, ook op langere termijn, op de gedachte locatie.

14

Is er voldoende ruimte, hoe zit het met de grondposities? Past de uitbreiding in de plannen voor de verdere toekomst? Grondpositie is met name ook van belang voor agrariërs. Grotere stallen betekent meer beesten en daarvoor is meer grond nodig. Een nieuwe stal van bijvoorbeeld 3000 m² biedt ruimte aan zo’n 300 koeien en daarvoor is (naar de huidige maatstaven) zo’n 150 hectare cultuurgrond nodig. Wij verwachten dat u in beeld brengt dat uw grondpositie (aantal m2) in verhouding staat en voldoende is voor een toekomstbestendige ontwikkeling. 2. Bereikbaarheid Een goede bereikbaarheid is voor ondernemers in het landelijk gebied van groot belang, of het nu gaat om een kampeerterrein of een (groot) agrarisch bedrijf. Een groter bedrijf genereert meer verkeersbewegingen en niet alle bestaande wegen zijn daarop berekend. Voor agrarische bedrijven komt daar bovenop dat ook het in te zetten materieel steeds groter en zwaarder wordt. Is de bestaande infrastructuur daar nog geschikt voor? Ontstaan er conflicten met bijvoorbeeld het langzaam verkeer? Als een boer door het dorp moet met zijn materieel is dat voor de boer lastig, maar geeft het voor het dorp ook hinder. Daarnaast heeft een modern agrarisch erf steeds vaker een tweede ontsluiting. Wetgeving, een efficiënte bedrijfsvoering en veiligheid vragen een scheiding van verkeersstromen die het erf op en af gaan.

Ooststellingwerf is een landelijke en toeristisch recreatieve gemeente. Als gemeente accepteren we daarmee dat er (veel) landbouwverkeer in onze gemeente rijdt, maar ook veel recreatief (fiets)verkeer.

de richtafstand ten opzichte van andere functies aan te houden. Zo wordt voorkomen dat bedrijven op de langer termijn ‘op slot’ komen te staan. De ervaring leert namelijk dat ook de milieuwetgeving steeds strenger wordt.

Wij vragen u bij het uitwerken van uw plannen aan te geven op welke wijze de uitbreiding consequenties heeft voor het verkeer van en naar uw bedrijf en of u een extra ontsluiting van het erf nodig bent, of een bredere inrit.

Als gemeente nemen wij bij ontwikkelingen in het buitengebied de VNG-richtlijnen als uitgangspunt en hanteren die als minimale afstand.

3. Nabijheid wonen De nabijheid van woonbebouwing van derden rond het boerenbedrijf kan beperkingen opleveren voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een (agrarisch) bedrijf, nu én in de toekomst. In Nederland hanteren we richtlijnen voor de afstand tussen woningen en andere bestemmingen. Deze richtlijnen, vastgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zijn opgesteld in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en geven een richtafstand aan tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Huidige richtafstanden zijn bijvoorbeeld: - akkerbouwbedrijven: 30 m; - veehouderijen: 100 m; - varkens- en pluimveehouderijen: 200m; - loonbedrijven: 30 – 50m afhankelijk van de omvang (kleiner of groter dan 500m2) Zeker wanneer het gaat om forse ontwikkelingen met een flink lange termijn perspectief is het verstandig om meer dan

Wij vragen u aan te geven in uw onderbouwing bij de plannen wat de afstand tot naastgelegen woonbebouwing is. 4. Nabijheid natuur In Ooststellingwerf liggen vele natuurgebieden. Het DrentsFriese Wold en het Fochteloërveen horen tot het Europese netwerk van Natura2000-gebieden. Beide gebieden zijn gevoelig voor een toename van de stikstofdepositie die het gevolg kan zijn van de vergroting van agrarische bedrijven, in het bijzonder veehouderijen en paardenhouderijen. Bij recreatieve ontwikkelingen speelt een toename van de recreatieve druk op natuurgebieden een rol. Bij een vergroting van erven in het landelijk gebied is ecologisch onderzoek dan ook altijd noodzakelijk. Als gemeente vragen we u op voorhand in beeld te brengen welke effecten u verwacht met uw ontwikkeling op de natuur in uw omgeving. Geef bijvoorbeeld aan met welke omvang uw veestapel groeit en of u met de bouw van een stal maatregelen neemt om de stikstofemissie te beperken.

15

3. Inpassing op locatie

Inleiding Waar in het vorige hoofdstuk vooral de vraag op tafel ligt of de voorgenomen locatie voor uw plannen ook op de langere termijn een verstandige keuze is, ligt in dit hoofdstuk het accent op de manier waarop uw plannen op de locatie kunnen worden ingepast. Daarbij zoeken we naar een oplossing die zowel rekening houdt met de landschappelijke kenmerken van de omgeving, als met voorwaarden vanuit de bedrijfsvoering: meerdere uitritten, draaicirkels, ruimte voor opslag etc. Natuurlijk is geen enkele locatie gelijk en dat betekent dus ook dat elke oplossing een maatwerkoplossing is. Toch zijn er overeenkomsten tussen erven, afhankelijk van het landschap waarin ze te vinden zijn. Een erf in het esdorpenlandschap bij Oosterwolde zit anders in elkaar dan een erf in de hoogveenontginningen bij Haulerwijk. In dit procesboek nemen we voor elk landschapstype een ‘voorbeelderf’. Aan de hand van dit erf zetten we de te volgen denkstappen uiteen die uiteindelijk moeten resulteren in een goed voorstel voor het ontwerp van uw plan en de inpassing ervan op de locatie en in de omgeving.

17

DEELGEBIEDEN

4

1. Woudontginningen (groen) 2. Essenlandschap (bruin) 3. Heideontginningen (geel) 4. Hoogveenontginningen (roze) 5. Beekdalen (blauw)

3 1 3 2

5

2

1

1 3 1

2

2 1

5

1 5 3

Landschappelijke deelgebieden

Landschappelijke deelgebieden In Ooststellingwerf vinden we grote landschappelijke verschillen. Binnen de gemeente komen maar liefst 5 landschappen voor: 1. Woudontginningen 2. Essenlandschap 3. Heideontginningen 4. Hoogveenontginningen 5. Beekdalen. Op de kaart hiernaast is de indeling in de verschillende landschappen te zien. De kenmerken van elk landschap zijn in belangrijke mate richtinggevend voor de inpassing van een erf in zijn omgeving. U kijkt dus allereerst in welk landschap uw erf of uw (bouw)plan zich bevindt. Per landschap (elk landschap in een hoofdstuk) laten we vervolgens stap voor stap zien hoe een inpassingsplan kan worden opgesteld. Daarbij gaan we eerst in op de kenmerken van het landschap en het erf en doen we vervolgens handreikingen op welke wijze uw erf landschappelijk kan worden ingepast.

19

4. Woudontginningen

Ontstaansgeschiedenis In de dertiende eeuw zijn de mensen begonnen met het in cultuur brengen van de dekzandruggen tussen de beekdalen. Deze ruggen zijn de hogere en dus drogere plekken in het landschap en daarom geschikt als woonplek. Haaks op de loop van de beek zijn langgerekte kavels zijn ontstaan op de dekzandruggen. De percelen worden van elkaar gescheiden door houtsingels en smalle bosstroken. De woudontginningen zijn een bijzondere vorm van esvorming, waarbij een lang-gerekt patroon van bouwlanden, heidevelden en hooilanden is ontstaan. Kenmerkend zijn de twee parallelle wegen over de dekzandrug, die alle percelen met elkaar verbinden. De binnenweg loopt over het hoogste deel van de zandrug en is de basis van het oudste bebouwingslint. De buitenweg ligt op de overgang van de rug naar het beekdal en is pas later bebouwd. Dat is goed te zien bij Oldeberkoop waar de binnenweg (Oosterwoldseweg) eerder is bebouwd dan de buitenweg (De Weeme). Ook de bebouwing volgt de zandrug waardoor de karakteristieke streekdorpen zijn ontstaan. Deze streekdorpen vormen een lang bebouwingslint op de rug. Het bebouwingslint van Oldeberkoop, Nijeberkoop en Makkinga wordt tot dit landschap gerekend evenals het lint van Donkerbroek en Haule.

Naast deze lange bebouwingslinten op de zandruggen zijn in de bovenloop van de Tjonger en op geïsoleerde zandruggen de linten van Fochteloo en Elsloo ontstaan. Deze bebouwingslinten worden ook tot de woudontginningen gerekend. 21

Landschapskarakteristiek Landschapsstructuren - Opstrekkende verkavelingsstructuur met percelen vanaf de zandrug het beekdal in. - Vaak parallelle wegenstructuur met een binnenweg op het hoogste deel van de zandrug en een buitenweg aan de zijde van het beekdal. - Bebouwing geconcentreerd langs rechte wegen over de zandrug. - Regelmatige opzet van erven. Ruimtelijk-visuele kenmerken Laanbeplanting langs de wegen, houtsingels op perceelsgrenzen en bosstroken geven het gebied een kleinschalig karakter. - Duidelijk contrast tussen meer beplante dekzandruggen en weidse beekdalen. - Klinkerwegen en zandpaden.

-

22

Het kleinschalige karakter van de woudontginningen vormt ook een sterk contrast met de veel opener en grootschaliger beekdalen. De bosstroken, houtsingels en laanbeplantingen langs wegen spelen daarin een belangrijke rol. We vinden het belangrijk dat het contrast met de beekdalen duidelijk zichtbaar blijft, ook in de toekomst. De overgangen naar meer open gebieden (de beekdalen) hebben een rafelig karakter, doordat singels en bosstroken in afwisselende lengtes doorlopen tot aan het open gebied. Deze gevarieerde overgangen zijn kenmerkend. Behoud en versterking van dit rafelig karakter is gewenst.

Erven De kenmerken van het landschap zien we ook terug in de erven. In de woudontginningen liggen de boerenerven meestal in de bebouwingslinten. De erven liggen direct aan de doorgaande weg. Ze hebben een langgrekte opzet en liggen in de opstrekkende verkavelingsstructuur, met het voorerf op de weg gericht en het achtererf grenzend aan de landerijen.

Woudontginningen

Aandachtspunten De woudontginningen hebben van oudsher een sterk besloten karakter. Maar door allerhande ontwikkelingen in de afgelopen decennia is dat kleinschalige, besloten beeld niet overal meer even sterk. We zien bovendien dat recente uitbreidingen van agrarische erven vaak kaal in het landschap liggen. We zetten dan ook in op een versterking van het landschapsbeeld en verbetering van de erfinpassing met houtsingels en bosstroken.

Vroeger was er een duidelijk onderscheid tussen voorerf en achtererf, maar tegenwoordig is dat beeld vervaagd. Onze inzet is erop gericht om dit onderscheid tussen voor- en achtererf te accentueren. Het woonhuis of de boerderij vormt het voorerf. Hier wordt gewoond, is de siertuin de moestuin en soms een boomgaard. Het achterste deel van de boerderij en de bijgebouwde stallen en silo’s vormen het achtererf. Dit deel richt zich op het landschap. Houtsingels langs een perceelsgrens lopen door tot op het erf. Nieuwe beplantingen worden op dezelfde manier ingepast, langs perceelsgrenzen, zodat de lengterichting van het landschap wordt versterkt. Op het erf passen verder hoogstamfruitbomen, hagen en enkele solitaire bomen.

De bebouwing en beplanting zorgen samen voor een afwisselend beeld van open plekken en meer besloten gebieden waardoor een aantrekkelijk dorpssilhouet ontstaat. Doorzichten vanuit de bebouwingslinten naar het achterland zorgen voor een sterke relatie tussen het dorp en de omgeving. Wij vinden het erg belangrijk dat deze doorzichten ook voor de toekomst worden gewaarborgd.

23

Stap 0. Bestaande situatie Om een goed inpassingsplan op te kunnen stellen beginnen we met het in beeld brengen van de bestaande situatie. Dat is het vertrekpunt. Waar staat de huidige bebouwing, welke bebouwing wordt eventueel gesloopt, waar liggen de grenzen van het erf? Maar we kijken ook in de omgeving. Zijn er bijzonderheden in de directe omgeving van het erf? Een mooi doorzicht bijvoorbeeld. We vinden we dat waardevolle erfbeplanting bij voorkeur gespaard moet blijven, zoals een oude houtsingel langs uw erf. Op de bestaande situatie kunt u (indicatief) deze erfbeplanting dan ook aangeven. Wat waardevol is, is niet op voorhand goed aan te geven. Over het algemeen vinden we houtsingels en solitaire volwassen bomen die passen in de streek (eik, beuk, kastanje, linde) die markant zijn op het erf waardevol.

++ ++ ++ ++ ++

24

Maak foto's van het bestaande erf en bekijk luchtfoto's Teken de bestaande bebouwing en beplanting in Geef aan waar de grenzen van het erf liggen Geef aan welke beplanting waardevol is Geef aan of er in de directe omgeving van uw erf bijzondere landschappelijke waarden zijn

Stap 1. Wensen bedrijfsvoering

++ ++

Woudontginningen

Natuurlijk heeft u uw wensen, niet voor niets staat u op het punt om uw erf verder te ontwikkelen. Het is goed om in beeld te brengen wat uw wensen zijn. Een paardenbak, een mestsilo of een nieuwe stal? En van welke omvang dan? Heeft u ook extra mavoevreerruimte nodig op het erf, zodat vrachtwagens of loonwerkers niet ingewikkelde en tijdrovende draai- en keerbewegingen hoeven te malen. Of misschien een tweede ontsluiting van uw erf?

Geef aan wat uw wensen zijn Voor zover ze van een maatvoering zijn te voorzien, zet die dan maatvast op papier.

25

Stap 2. Kenmerken landschap In de volgende stap kijken we naar de ingredienten uit het landschap. De woudontginningen worden gekenmerkt door een opstrekkende verkaveling. De erven liggen daar vaak tussen. Elk erf heeft in meer of mindere mate een voorerf en een achtererf. Op het voorerf wordt gewoond, het achtererf is het deel waar wordt gewerkt. Bij het opstellen van een erfinrichtingsplan borduren we voort op de kenmerken van het landschap en van het erf. De belangrijkste uitgangspunten bij aanpassingen aan erven in de woudontginningen zijn dan ook:

- doorzichten vanaf de weg naar het achterland zoveel mogelijk behouden; - vasthouden aan een onderscheid tussen een voorerf waar gewoond wordt en een achtererf waar wordt gewerkt en de bijgebouwen staan: nieuwe bedrijfsbebouwing komt achter de achtergevel van het woonhuis of de oorspronkelijke boerderij; - erfbeplanting in de vorm van houtsingels in de lengterichting van het perceel, waarbij de houtsingel over de perceelsgrens doorloopt langs het erf. We adviseren u de ruimte te nemen voor de inpassing van uw bouwplan. Dat biedt niet alleen voldoende kansen voor een goede inpassing, maar maakt het ook mogelijk om eventuele latere aanpassingen aan uw erf gemakkelijker te realiseren. Een krappe opzet kan de ontwikkeling van het erf in een latere fase juist op slot zetten. Ook is in die gevallen vaak de ruimte voor de aanplant van bomen en struiken beperkt.

++ ++

26

Geef aan welke landschappelijke kenmerken zich op en rond uw perceel bevinden. Trek over uw erf een denkbeeldige lijn die de scheiding vormt tussen het voorerf en het achtererf.

Stap 3. Randvoorwaarden omgeving

++

Woudontginningen

In hoofdstuk 2 van dit procesboek hebben we stil gestaan bij het maken van de integrale afweging of de voorgenomen locatie de juiste plek is voor de gewenste ontwikkeling. In deze afweging is ook gekeken naar randvoorwaarden uit de omgeving. Als deze randvoorwaarden er daadwerkelijk zijn en ze kunnen van invloed zijn op de uitwerking en de inpassing van het plan op de locatie, dan is het goed om ze ook aan te geven en mee te nemen in de planvorming.

Geef eventuele ruimtelijke randvoorwaarden die uit het voortraject komen aan op kaart, bijvoorbeeld de afstand tot naastgelegen woningen.

27

Stap 4. Inpassingsplan Het uiteindelijke inpassingsplan is een samenspel van alle voorgaande stappen. Zoeken naar voldoende ruimte en een goede indeling van het erf, zorgen voor een goede inpassing van het erf in de omgeving en rekening houden met de randvoorwaarden die vanuit de omgeving worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van milieu. Het uiteindelijke resultaat is een plan dat zowel bedrijfseconomisch als landschappelijk voldoet. Een mooi erf dat goed is ingepast in de omgeving en waar het goed werken is. Maar waar (indien gewenst) ook zicht is op ruimte voor toekomstige groei. Een belangrijk onderdeel bij de inpassing is de beplanting. We hechten veel waarde aan een goede erfbeplanting. In de woudontginningen bestaat de erfbeplanting vaak uit houtsingels die doorlopen langs de perceelsgrenzen, het achterland in. Soms staat er een boom los op het voorerf. Dit beeld, dat bepalend is voor de verweving van erven in het landschap, zien we graag terug in uw inpassingsplan, zoals ook het voorbeeld laat zien. De beplanting die u gebruikt moet wel streekeigen zijn en passen bij de bodemsoort (zie daarvoor de bijlage met beplantingstypen). Denk bij de inpassing ook aan de inpassing van sleufsilo’s, bijvoorbeeld met een lage aarden wal of struiken.

++

++

++

28

Maak een inpassingsplan dat rekening houdt met de wensen vanuit een goede bedrijfsvoering en rekening houdt met de kenmerken van het landschap Laat zien dat het plan ook een meerwaarde heeft voor de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten van de omgeving, bijvoorbeeld door het herstellen en versterken van een houtsingel Geef aan welk type en welke soorten erfbeplanting wordt gekozen (bijv. bomenrij, houtsingel)

Stap 5. Vormgeving bebouwing

Woudontginningen

Tot slot kan een goede vormgeving van de bebouwing en andere bouwwerken bijdragen aan een goed eindbeeld van een fraai erf. In de woudontginningen is de bebouwing vaak eenvoudig van vorm. Een simpele rechthoekige schuur met kap, een eenvoudige boerderij met een lage goot. In zijn algemeenheid houden wij vast aan eenduidige bouwvolumes met natuurlijke en gebiedseigen kleuren en materialen. Moderne (kunststoffen) materialen mogen wel worden gebruikt, mits ze donkergekleurd zijn. Wat altijd goed past zijn riet, donkere rode tot bruine baksteen, voor de plint, donker houtwerk en eenvoudige donkergrijze dakpannen of golfplaten. Wat wij in ieder geval afkeuren is veel wit (en andere lichte kleuren) en glimmende oppervlakken. Ook opvallend gekleurde en grote hekwerken rond paardenbakken en als erfafscherming vinden we niet passend. Om het gevoel van de kleine schaal van de woudontginningen te behouden, willen we graag een lage gootlijn voor de bebouwing, in ieder geval aan de zijde die aan het landschap grenst. Als dat niet kan, overweeg dan een dakoverstek te gebruiken of een rij beplanting om de gootlijn voor het oog laag te houden. Donkerte wordt steeds vaker gezien als een kwaliteit van het landelijk gebied. Kies daarom bij voorkeur voor bebouwing waar in de vormgeving rekening is gehouden met de mate van lichtuitstoot.

++ ++

Voeg, indien aanwezig, de bouwtekeningen toe Gebruik eventueel referentiebeelden om te laten zien welk eindbeeld u voor ogen heeft

29

Andere voorbeelden van inpassing De denkstappen op de vorige pagina’s zijn universeel, of het nu om de bouw van een stal gaat of een andere uitbreiding van het erf. De principes die daar worden gebruikt, gelden ook voor de inpassing van andere elementen op een erf, zoals een camping of paardenbak. De belangrijkste uitgangspunten blijven: 1. in beeld brengen van de wensen van de uitbreiding; 2. in beeld brengen van de landschappelijke kwaliteiten; 3. rekening houden met randvoorwaarden uit de omgeving; 4. opstellen van een inpassingsplan: met een onderscheid in voor- en achtererf; het nieuwe erf vormgeven als één erf; met benutten van beplanting als middel voor de inpassing in het landschap.

Kleinschalig kamperen aan achterzijde erf

30

Functieverandering naar bedrijf

Silo’s op achtererf

Paardenbak aan achterzijde erf

Toepassing ruimte voor ruimte - splitsen van erf

Toepassing ruimte voor ruimte op bestaand erf

Overzicht handreikingen

Inrichting van het erf -- Maak onderscheid tussen een voorerf en een achtererf; -- Plaats nieuwe bebouwing op voldoende afstand van bestaande bebouwing. Houd rekening met eventuele toekomstige ontwikkelingen op uw erf. Denk aan mogelijkheden om (in de toekomst) overbodige bebouwing te slopen; -- Nieuwe bebouwing, opslag of stalling komt op het achtererf, achter de achtergevel van de oorspronkelijke boerderij; -- Laat de oorspronkelijke boerderij of de woning de blikvanger zijn; stem de positie van nieuwe bebouwing daar op af. Kies zo mogelijk voor stallen en bijgebouwen een lagere nokhoogte dan de hoogte van de oorspronkelijke boerderij.

Inpassing van het erf -- Behoud voor zover mogelijk de bestaande erfbeplanting, mits streekeigen en van voldoende kwaliteit; -- Nieuwe erfbeplanting in de vorm van houtsingels op de perceelsgrenzen, waarbij de nieuwe bebouwing grotendeels aan het zicht onttrokken wordt; -- Geef extra aandacht aan erfbeplanting aan de zijden van het erf die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn; -- Pas ook sleufsilo’s in, bijvoorbeeld met struiken of een lage aarden wal; -- Op het erf passen solitaire bomen en hoogstamfruitbomen in een boomgaard; -- Rond het voorerf past een haag; -- Voor sortimentskeuze zie de bijlage.

Woudontginningen

Uitbreidingsrichting -- Zorg dat u de ruimte neemt voor uw bouwplan. Past het bouwplan niet op het erf, kies dan voor een vergroting van het erf; -- Kies zo mogelijk voor een uitbreiding aan de achterzijde van het erf; -- Probeer de uitbreiding binnen de bestaande perceelsgrenzen te situeren; -- Houd belangrijke doorzichten vanaf de weg naar het landschap vrij.

Vormgeving bebouwing -- Kies voor de bebouwing bij voorkeur een eenvoudige vorm die past bij de functie (rechthoekige stal, silo’s rond); -- Voor zover mogelijk, worden nieuwe gebouwen voorzien van een kap met een lage gootlijn; -- In geval van stallen bij de vormgeving er van rekening houden met de mate van lichtuitstoot; -- Kies kleuren en materialen die passen in het gebied en opgaan in hun omgeving (geen wit, geen glimmende oppervlakken).

31

5. Essenlandschap

Ontstaansgeschiedenis Op de uitlopers van het Drents Plateau is, net als in Drenthe, in de vroege Middeleeuwen het essenlandschap ontstaan. Rond deze essen zijn de dorpen en buurtschappen gegroeid, zoals Oosterwolde, Jardinga, Schrappinga, Weper, Tronde en Oud Appelscha. De essen liggen als eilanden tussen de beekdalen van het Grootdiep, de Tjonger en de Linde. Het ‘onland’ is vanuit de esdorpen afgeplagd en gemeenschappelijk begraasd. De lange geschiedenis van de esdorpen is in het landschap nog steeds te zien. Historische boerderijen, erven, houtsingels en (het reliëf van) de essen maken het een waardevol gebied. Deze van oudsher relevante elementen zijn ook nu nog de drager van het landschap: de essen als bouwland, de beekdalen als hooiland en de heidevelden als weidegebied (nu onderdeel van de jonge veldontginningen). Te midden van de essen en op de overgangen naar de beekdalen liggen de dorpen. Het wegenverloop is kronkelig. De bolle vorm van de essen en de aanwezige steilranden zorgen op kleine schaal voor hoogteverschil. In Ooststellingwerf zijn de esdorpen, op Oosterwolde na, kleine buurtschappen gebleven. Hier is het aloude samenspel tussen bebouwing en omgeving nog sterk aanwezig en zichtbaar. De esdorpen kenmerken zich door een stervormig uitwaaierend wegen- en bebouwingspatroon dat samenhangt met de natuurlijke hoogteverschillen in het gebied.

33

Landschapskarakteristiek Landschapsstructuren -- Ruimtelijke samenhang van es, esdorp of buurtschap en beekdal, wat zich uit in het wegenverloop en beplantingselementen als esrandbosjes en houtwallen; -- Organisch wegenverloop vanuit de dorpen naar de omgeving, waarbij de wegen vaak nog een klinkerbestrating hebben en een bomenrij aan weerszijden. -- Verspreid liggende bebouwing, waarbij de ligging ten opzichte van de doorgaande weg verschilt. -- Grillig verloop van de doorgaande weg, passend binnen onregelmatige verkavelingsopzet. -- Onregelmatige opzet van erven. Ruimtelijk-visuele kenmerken -- Aanwezigheid van microreliëf: bollende bouwlanden (essen) en steilranden. -- Kleinschalig landschap met een afwisseling van houtsingels, bospercelen, esrandbeplantingen, boomgroepen, losse bomen en laanbeplanting langs de wegen. -- Klinkerwegen en zandpaden. 34

gaard. Het achterste deel van de boerderij en de bijgebouwde stallen en silo’s vormen het achtererf. De erfbeplanting bestaat uit boomgroepen en boomgaarden met hoogstamfruit of notenbomen. Vaak ligt aan een zijde een houtsingel, die langs een perceelsgrens verder loopt het landschap in. Beukenhagen vormen de afscheiding van de voortuin met de openbare weg. Wij zetten in op een versterking van dit beplantingspatroon.

Essenlandschap

Aandachtspunten Het essenlandschap is een waardevol cultuurlandschap. We zien dat de karakteristieke elementen van het essenlandschap onder druk staan, door schaalvergroting en rond Oosterwolde door de aanwas van bebouwing. Als gemeente vinden we het van groot belang dat het reliëf van de essen behouden blijft. Wij stimuleren het verder versterken van de esrandbeplantingen, om het besloten karakter van dit landschap te benadrukken. Zandwegen mogen niet worden verhard. Erven Het essenlandschap wordt gekenmerkt door verspreid liggende erven. Op verschillende momenten zijn er doorkijkjes naar het achterliggende landschap. Deze landschappelijke kenmerken vinden we terug op de erven. De oriëntatie van de bebouwing wisselt en ook de vorm van de erven is variabel. Meestal is het voorerf is gericht op de weg, het achtererf is vaak gekoppeld aan de (eenmans)es. De erven in het essenlandschap worden getypeerd door een rafelig silhouet van bebouwing en beplanting. De bebouwing wisselt af met houtsingels, boskavels en kleine boomgroepen. Desondanks hebben de erven een duidelijk onderscheid tussen een voorerf en een achtererf. Onze inzet is erop gericht om bij nieuwe ontwikkelingen verder te bouwen aan dit ruimtelijke en functionele onderscheid. Het woonhuis of de boerderij vormt het voorerf. Hier wordt gewoond, is de siertuin, de moestuin en soms een boom-

35

Stap 0. Bestaande situatie Om een goed inpassingsplan op te kunnen stellen beginnen we met het in beeld brengen van de bestaande situatie. Dat is het vertrekpunt. Waar staat de huidige bebouwing, welke bebouwing wordt eventueel gesloopt, waar liggen de grenzen van het erf? Maar we kijken ook in de omgeving. Zijn er bijzonderheden in de directe omgeving van het erf? Een mooi doorzicht bijvoorbeeld. We vinden we dat waardevolle erfbeplanting bij voorkeur gespaard moet blijven, zoals een oude houtsingel langs uw erf. Op de bestaande situatie kunt u (indicatief) deze erfbeplanting dan ook aangeven. Wat waardevol is, is niet op voorhand goed aan te geven. Over het algemeen vinden we houtsingels en solitaire volwassen bomen die passen in de streek (eik, beuk, kastanje, linde) die markant zijn op het erf waardevol.

++ ++ ++ ++ ++

36

Maak foto's van het bestaande erf en bekijk luchtfoto's Teken de bestaande bebouwing en beplanting in Geef aan waar de grenzen van het erf liggen Geef aan welke beplanting waardevol is Geef aan of er in de directe omgeving van uw erf bijzondere landschappelijke waarden zijn

Stap 1. Wensen bedrijfsvoering

++ ++

Essenlandschap

Natuurlijk heeft u uw wensen, niet voor niets staat u op het punt om uw erf verder te ontwikkelen. Het is goed om in beeld te brengen wat uw wensen zijn. Een paardenbak, een mestsilo of een nieuwe stal? En van welke omvang dan? Heeft u ook extra mavoevreerruimte nodig op het erf, zodat vrachtwagens of loonwerkers niet ingewikkelde en tijdrovende draai- en keerbewegingen hoeven te malen. Of misschien een tweede ontsluiting van uw erf?

Geef aan wat uw wensen zijn Voor zover ze van een maatvoering zijn te voorzien, zet die dan maatvast op papier.

37

Stap 2. Kenmerken landschap In de volgende stap kijken we naar de ingredienten uit het landschap. Het essenlandschap kenmerkt zich door een variabele blokvormige verkaveling. De erven hebben vaak een onregelmatige opzet met bebouwing die ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de weg onder een hoek staat. Elk erf heeft in meer of mindere mate een voorerf en een achtererf. Op het voorerf wordt gewoond, het achtererf is het deel waar wordt gewerkt. Bij het opstellen van een erfinrichtingsplan borduren we voort op de kenmerken van het landschap en van het erf. De belangrijkste uitgangspunten bij aanpassingen aan erven in het essenlandschap zijn dan ook:

-- het zicht op de essen, steilranden en andere hoogteverschillen zoveel mogelijk vrij houden; -- niet bouwen op de es -- het silhouet van het erf waarbij bebouwing en beplanting elkaar afwisselen blijft behouden; -- vasthouden aan een onderscheid tussen een voorerf waar gewoond wordt en een achtererf waar wordt gewerkt en de bijgebouwen staan. We adviseren u de ruimte te nemen voor de inpassing van uw bouwplan. Dat biedt niet alleen voldoende kansen voor een goede inpassing, maar maakt het ook mogelijk om eventuele latere aanpassingen aan uw erf gemakkelijker te realiseren. Een krappe opzet kan de ontwikkeling van het erf in een latere fase juist op slot zetten. Ook is in die gevallen vaak de ruimte voor de aanplant van bomen en struiken beperkt.

++ ++

38

Geef aan welke landschappelijke kenmerken zich op en rond uw perceel bevinden. Trek over uw erf een denkbeeldige lijn die de scheiding vormt tussen het voorerf en het achtererf.

Stap 3. Randvoorwaarden omgeving

++

Essenlandschap

In hoofdstuk 2 van dit procesboek hebben we stil gestaan bij het maken van de integrale afweging of de voorgenomen locatie de juiste plek is voor de gewenste ontwikkeling. In deze afweging is ook gekeken naar randvoorwaarden uit de omgeving. Als deze randvoorwaarden er daadwerkelijk zijn en ze kunnen van invloed zijn op de uitwerking en de inpassing van het plan op de locatie, dan is het goed om ze ook aan te geven en mee te nemen in de planvorming.

Geef eventuele ruimtelijke randvoorwaarden die uit het voortraject komen aan op kaart, bijvoorbeeld de afstand tot naastgelegen woningen.

39

Stap 4. Inpassingsplan Het uiteindelijke inpassingsplan is een samenspel van alle voorgaande stappen. Zoeken naar voldoende ruimte en een goede indeling van het erf, zorgen voor een goede inpassing van het erf in de omgeving en rekening houden met de randvoorwaarden die vanuit de omgeving worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van milieu. Het uiteindelijke resultaat is een plan dat zowel bedrijfseconomisch als landschappelijk voldoet. Een mooi erf dat goed is ingepast in de omgeving en waar het goed werken is. Maar waar (indien gewenst) ook zicht is op ruimte voor toekomstige groei. Een belangrijk onderdeel bij de inpassing is de beplanting. We hechten veel waarde aan een goede erfbeplanting. In het essenlandschap bestaat de erfbeplanting vaak uit een eenzijdige (onregelmatige) boomsingel en één of enkele boomgroepen. Soms staat er een boom los op het voorerf. Ook een boomgaard komt veel voor, net als beukenhagen. Dit beeld, dat bepalend is voor het rafelig silhouet van het erf, zien we graag terug in uw inpassingsplan. De beplanting die u gebruikt moet wel streekeigen zijn en passen bij de bodemsoort (zie daarvoor de bijlage met beplantingstypen). Denk bij de inpassing ook aan de inpassing van sleufsilo’s, bijvoorbeeld met een aarden wal of struiken.

++

++

++

40

Maak een inpassingsplan dat rekening houdt met de wensen vanuit een goede bedrijfsvoering en rekening houdt met de kenmerken van het landschap Laat zien dat het plan ook een meerwaarde heeft voor de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten van de omgeving, bijvoorbeeld door het herstellen en versterken van een houtsingel Geef aan welk type en welke soorten erfbeplanting wordt gekozen (bijv. bomenrij, houtsingel)

Stap 5. Vormgeving bebouwing

Essenlandschap

Tot slot kan een goede vormgeving van de bebouwing en andere bouwwerken bijdragen aan een goed eindbeeld van een fraai erf. In het essenlandschap is de bebouwing vaak eenvoudig van vorm. Een simpele rechthoekige schuur met kap, een eenvoudige boerderij met een rieten dak, lage goot en een wolfseind. Dat is kenmerkend voor dit eeuwenoude landschap. In zijn algemeenheid houden wij vast aan eenduidige bouwvolumes met natuurlijke en gebiedseigen kleuren en materialen. Moderne (kunststoffen) materialen mogen wel worden gebruikt, mits ze donkergekleurd zijn. Wat altijd goed past zijn riet, donkere rode tot bruine baksteen, donker houtwerk en eenvoudige donkergrijze dakpannen. Wat wij in ieder geval afkeuren zijn hoogglanzende geglazuurde dakpannen, veel wit (en andere lichte kleuren) en glimmende oppervlakken. Ook opvallend gekleurde en grote hekwerken rond paardenbakken en als erfafscherming vinden we niet passend. Om het gevoel van de kleine schaal van het essenlandschap te behouden, willen we graag een lage gootlijn voor de bebouwing, in ieder geval aan de zijde die aan het landschap grenst. Als dat niet kan, overweeg dan een dakoverstek te gebruiken of een rij beplanting om de gootlijn voor het oog laag te houden. In de beschermde dorpsgezichten zal de gevraagde kwaliteit van de bebouwing hoger zijn. Donkerte wordt steeds vaker gezien als een kwaliteit van het landelijk gebied.

Kies daarom bij voorkeur voor bebouwing waar in de vormgeving rekening is gehouden met de mate van lichtuitstoot.

++ ++

Voeg, indien aanwezig, de bouwtekeningen toe Gebruik eventueel referentiebeelden om te laten zien welk eindbeeld u voor ogen heeft

41

Andere voorbeelden van inpassing De denkstappen op de vorige pagina’s zijn universeel, of het nu om de bouw van een stal gaat of een andere uitbreiding van het erf. De principes die daar worden gebruikt, gelden ook voor de inpassing van andere elementen op een erf, zoals een camping of paardenbak. De belangrijkste uitgangspunten blijven: 1. in beeld brengen van de wensen van de uitbreiding; 2. in beeld brengen van de landschappelijke kwaliteiten; 3. rekening houden met randvoorwaarden uit de omgeving; 4. opstellen van een inpassingsplan: -met een onderscheid in voor- en achtererf; -het nieuwe erf vormgeven als één erf; -met benutten van beplanting als middel voor de inpassing in het landschap.

Kleinschalig kamperen aan achterzijde erf

42

Functieverandering naar bedrijf

Silo’s op achtererf

Paardenbak aan achterzijde erf

Toepassing ruimte voor ruimte - splitsen van erf

Toepassing ruimte voor ruimte op bestaand erf

Overzicht handreikingen

Inrichting van het erf -- Maak onderscheid tussen een voorerf en een achtererf; -- Plaats nieuwe bebouwing op voldoende afstand van bestaande bebouwing. Houd rekening met eventuele toekomstige ontwikkelingen op uw erf. Denk aan mogelijkheden om (in de toekomst) overbodige bebouwing te slopen; -- Nieuwe bebouwing, opslag of stalling komt op het achtererf, achter de achtergevel van de oorspronkelijke boerderij; -- Laat de oorspronkelijke boerderij of de woning de blikvanger zijn; stem de positie van nieuwe bebouwing daar op af. Kies zo mogelijk voor stallen en bijgebouwen een lagere nokhoogte dan de hoogte van de oorspronkelijke boerderij.

Inpassing van het erf -- Behoud voor zover mogelijk de bestaande erfbeplanting, mits streekeigen en van voldoende kwaliteit; -- Nieuwe erfbeplanting in de vorm van boomgroepen op het erf en aan één zijde een houtsingel op de perceelsgrens, waarbij de nieuwe bebouwing voor een deel aan het zicht onttrokken wordt; -- Geef extra aandacht aan erfbeplanting aan de zijden van het erf die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn; -- Pas ook sleufsilo’s in, bijvoorbeeld met struiken of een lage aarden wal; -- Op het erf passen solitaire bomen en hoogstamfruitbomen in een boomgaard; -- Rond het voorerf past een haag; -- Voor sortimentskeuze zie de bijlage.

Essenlandschap

Uitbreidingsrichting -- Kies zo mogelijk voor een uitbreiding aan de achterzijde van het erf; -- Probeer de uitbreiding binnen de bestaande perceelsgrenzen te situeren; -- Houd belangrijke doorzichten vanaf de weg naar het landschap vrij; -- Zorg dat u de ruimte neemt voor uw bouwplan. Past het bouwplan niet op het erf, kies dan voor een vergroting van het erf.

Vormgeving bebouwing -- Kies voor de bebouwing bij voorkeur een eenvoudige vorm die past bij de functie (rechthoekige stal, silo’s rond); -- Voor zover mogelijk, worden nieuwe gebouwen voorzien van een kap met een lage gootlijn; -- Kies kleuren en materialen die passen in het gebied en opgaan in hun omgeving (geen wit, geen glimmende oppervlakken).

43

6. Heideontginningen

Ontstaansgeschiedenis De heideontginningen zijn de gronden in de gemeente die als laatste in cultuur zijn gebracht. Door hun natuurlijke omstandigheden, vooral de arme en droge bodem, waren deze gronden in eerste instantie niet geschikt als landbouwgrond. De oude heidegronden zijn vaak in één keer ontgonnen. Dat gebeurde op een planmatige manier via lange lijnen in een regelmatige verkaveling. Boerderijen worden verspreid over het gebied gebouwd. De heideontginningen kenmerken zich door hun rationele opzet, de duidelijke lijnen in het landschap en de grote regelmatige verkaveling. Ook komen er veel dobben en pingo’s voor, relicten van tienduizenden jaren geleden. Doordat veel wegen zijn beplant, wordt de van oudsher aanwezige openheid gebroken. Er is een afwisseling tussen bouwlanden, weilanden en bospercelen. Op sommige plekken zijn nog restanten van de heide aanwezig. Bij Appelscha is een deel van de oude zandgronden beplant om het stuivende zand vast te houden. Hoogteverschillen komen niet voor. Vanwege de late periode van ontginning liggen er in dit landschap geen dorpen. Wel hebben er door het gebied tramlijnen gelopen die in dezelfde perio-de als de heideontginningen zijn aangelegd. Er is een spoorverbinding geweest tussen Noordwolde, Makkinga en Oosterwolde en vanuit Gorredijk via Donkerbroek naar Oosterwolde en vandaar verder richting Appelscha.

45

Landschapskarakteristiek Landschapsstructuren De structuur van het gebied wordt bepaald door een rechthoekige verkaveling met een afwisseling van landbouwgrond, grote bospercelen en heiderestanten en daarmee een afwisseling van open en besloten gebieden. -- Bebouwing ligt verspreid aan de meestal sterk beplante wegen. -- Regelmatige opzet van erven. -- Aanwezigheid van pingoruïnes.

--

Ruimtelijk-visuele kenmerken Erven als verdichtingen aan de weg. Afwisseling van open en besloten gebieden. Zandpaden. Wegbeplantingen.

-----

46

Erven In de heideontginningen vormen de doorgaande wegen de bebouwingslinten waar de meeste erven aan liggen. De erven liggen direct aan de weg of op korte afstand van de weg. De erven liggen in de verkavelingsstructuur en zijn vaak royaal van omvang. Ze hebben een rechthoekige tot langgerekte opzet. Op veel erven zijn stallen tot op het voorerf gebouwd. Dat past bij het beeld waarin het onderscheid tussen voorerf en achtererf is vervaagd. Onze inzet is erop gericht om dat onderscheid juist weer te accentueren. Het woonhuis of de boerderij vormt het voorerf. Hier wordt gewoond, is de siertuin, de moestuin en soms een boomgaard. Het achterste deel van de boerderij en de bijgebouwde stallen en silo’s vormen het achtererf. Dit deel richt zich op het landschap, op de gronden die bij de boerderij horen.

De erfbeplanting is op dit moment sterk uiteenlopend: van een singel op de perceelsgrens tot een groter bosperceel waar het erf naast ligt. Passend in dit soort landschappen zijn erfbeplantingen die een forse maat hebben. Brede singels rond het erf vormen een scherpe grens met de omgeving. De beplanting op het erf bestaat uit bomenrijen, erfbosjes en enkele solitaire bomen. We kiezen ervoor om in de heideontginningen de erfbeplanting in ieder geval één hoek van het achtererf te laten omkaderen. Hiermee wordt het groene karakter van het erf versterkt en ontstaat een fraaie achterwand voor de (nieuwe) bebouwing.

Heideontginningen

Aandachtspunten De heideontginningen zijn een relatief jong landschap. Door de rationele verkaveling en ontginning is een duurzame robuuste landschappelijke structuur ontstaan, die we als gemeente als basis willen vasthouden voor de toekomst. We zetten daarom in op een verdere versterking van deze structuur. Stevige erfbeplantingen als losse landschapselementen passen daarin. De nog aanwezige pingo’s, dobben en zandwegen willen we als cultuurhistorisch waardevolle relicten behouden.

47

Stap 0. Bestaande situatie Om een goed inpassingsplan op te kunnen stellen beginnen we met het in beeld brengen van de bestaande situatie. Dat is het vertrekpunt. Waar staat de huidige bebouwing, welke bebouwing wordt eventueel gesloopt, waar liggen de grenzen van het erf? Maar we kijken ook in de omgeving. Zijn er bijzonderheden in de directe omgeving van het erf? Een mooi doorzicht bijvoorbeeld. We vinden we dat waardevolle erfbeplanting bij voorkeur gespaard moet blijven, zoals een oude houtsingel langs uw erf. Op de bestaande situatie kunt u (indicatief) deze erfbeplanting dan ook aangeven. Wat waardevol is, is niet op voorhand goed aan te geven. Over het algemeen vinden we houtsingels en solitaire volwassen bomen die passen in de streek (eik, beuk, kastanje, linde) die markant zijn op het erf waardevol.

++ ++ ++ ++ ++

48

Maak foto's van het bestaande erf en bekijk luchtfoto's Teken de bestaande bebouwing en beplanting in Geef aan waar de grenzen van het erf liggen Geef aan welke beplanting waardevol is Geef aan of er in de directe omgeving van uw erf bijzondere landschappelijke waarden zijn

Stap 1. Wensen bedrijfsvoering

++ ++

Heideontginningen

Natuurlijk heeft u uw wensen, niet voor niets staat u op het punt om uw erf verder te ontwikkelen. Het is goed om in beeld te brengen wat uw wensen zijn. Een paardenbak, een mestsilo of een nieuwe stal? En van welke omvang dan? Heeft u ook extra mavoevreerruimte nodig op het erf, zodat vrachtwagens of loonwerkers niet ingewikkelde en tijdrovende draai- en keerbewegingen hoeven te malen. Of misschien een tweede ontsluiting van uw erf?

Geef aan wat uw wensen zijn Voor zover ze van een maatvoering zijn te voorzien, zet die dan maatvast op papier.

49

Stap 2. Kenmerken landschap In de volgende stap kijken we naar de ingredienten uit het landschap. De heideontginningen kenmerken zich door hun rationele opzet, varierend van een opstrekkende tot een meer blokvormige verkaveling. Elk erf heeft in meer of mindere mate een voorerf en een achtererf. Op het voorerf wordt gewoond, het achtererf is het deel waar wordt gewerkt. Bij het opstellen van een inpassingsplan borduren we voort op de kenmerken van het landschap en van het erf. De belangrijkste uitgangspunten bij aanpassingen aan erven in het heideontginningslandschap zijn dan ook:

---

---

vasthouden aan de rationele opzet van de verkaveling en van de erven; waar het landschap wordt gedomineerd door een opstrekkende verkaveling wordt door de situering van bebouwing, nokrichting en de richting van de beplanting deze verkavelingsrichting versterkt; het silhouet van het erf als groen cluster in het landelijk gebied behouden; respecteren van een onderscheid tussen een voorerf waar gewoond wordt en een achtererf waar wordt gewerkt en de bijgebouwen staan.

We adviseren u de ruimte te nemen voor de inpassing van uw bouwplan. Dat biedt niet alleen voldoende kansen voor een goede inpassing, maar maakt het ook mogelijk om eventuele latere aanpassingen aan uw erf gemakkelijker te realiseren. Een krappe opzet kan de ontwikkeling van het erf in een latere fase juist op slot zetten. Ook is in die gevallen vaak de ruimte voor de aanplant van bomen en struiken beperkt.

++ ++

50

Geef aan welke landschappelijke kenmerken zich op en rond uw perceel bevinden. Trek over uw erf een denkbeeldige lijn die de scheiding vormt tussen het voorerf en het achtererf.

Stap 3. Randvoorwaarden omgeving

++

Heideontginningen

In hoofdstuk 2 van dit procesboek hebben we stil gestaan bij het maken van de integrale afweging of de voorgenomen locatie de juiste plek is voor de gewenste ontwikkeling. In deze afweging is ook gekeken naar randvoorwaarden uit de omgeving. Als deze randvoorwaarden er daadwerkelijk zijn en ze kunnen van invloed zijn op de uitwerking en de inpassing van het plan op de locatie, dan is het goed om ze ook aan te geven en mee te nemen in de planvorming.

Geef eventuele ruimtelijke randvoorwaarden die uit het voortraject komen aan op kaart, bijvoorbeeld de afstand tot naastgelegen woningen.

51

Stap 4. Inpassingsplan Het uiteindelijke inpassingsplan is een samenspel van alle voorgaande stappen. Zoeken naar voldoende ruimte en een goede indeling van het erf, zorgen voor een goede inpassing van het erf in de omgeving en rekening houden met de randvoorwaarden die vanuit de omgeving worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van milieu. Het uiteindelijke resultaat is een plan dat zowel bedrijfseconomisch als landschappelijk voldoet. Een mooi erf dat goed is ingepast in de omgeving en waar het goed werken is. Maar waar (indien gewenst) ook zicht is op ruimte voor toekomstige groei. Een belangrijk onderdeel bij de inpassing is de beplanting. We hechten veel waarde aan een goede erfbeplanting. In de heideontginningen bestaat de erfbeplanting vaak uit boomsingels op de erfgrenzen. Soms staat er een boom los op het voorerf. Om het beeld van de heideontginningen te versterken willen we dat een hoek van het achtererf is beplant door twee boomsingels aan weerszijden. Dit beeld zien we graag terug in uw erfinrichtingsplan. Neem ook sleufsilo’s mee bij de inpassing, bijvoorbeeld door struiken of een lage aarden wal. De beplanting die u gebruikt moet streekeigen zijn en passen bij de bodemsoort (zie daarvoor de bijlage met beplantingstypen).

++

++

++

52

Maak een inpassingsplan dat rekening houdt met de wensen vanuit een goede bedrijfsvoering en rekening houdt met de kenmerken van het landschap Laat zien dat het plan ook een meerwaarde heeft voor de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten van de omgeving, bijvoorbeeld door het herstellen en versterken van een houtsingel Geef aan welk type en welke soorten erfbeplanting wordt gekozen (bijv. bomenrij, houtsingel)

Stap 5. Vormgeving bebouwing

Heideontginningen

Tot slot kan een goede vormgeving van de bebouwing en andere bouwwerken bijdragen aan een goed eindbeeld van een fraai erf. In de jonge veldontginningen is de bebouwing over het algemeen eenvoudig van vorm en opzet. Wij houden dan ook vast aan eenduidige bouwvolumes met natuurlijke en gebiedseigen kleuren en materialen. Dat mogen ook moderne materialen zijn, mits ze donkergekleurd zijn. Wat goed past zijn donkere rode tot bruine baksteen, donker houtwerk en eenvoudige donkergrijze dakpannen. Wat wij in ieder geval afkeuren is veel wit (en andere lichte kleuren) en glimmende oppervlakken. Ook opvallend gekleurde en grote hekwerken rond paardenbakken en als erfafscherming vinden we niet passend. Donkerte wordt steeds vaker gezien als een kwaliteit van het landelijk gebied. Kies daarom bij voorkeur voor bebouwing waar in de vormgeving rekening is gehouden met de mate van lichtuitstoot.

++ ++

Voeg, indien aanwezig, de bouwtekeningen toe Gebruik eventueel referentiebeelden om te laten zien welk eindbeeld u voor ogen heeft

53

Andere voorbeelden van inpassing De denkstappen op de vorige pagina’s zijn universeel, of het nu om de bouw van een stal gaat of een andere uitbreiding van het erf. De principes die daar worden gebruikt, gelden ook voor de inpassing van andere elementen op een erf, zoals een camping of paardenbak. De belangrijkste uitgangspunten blijven: 1. in beeld brengen van de wensen van de uitbreiding; 2. in beeld brengen van de landschappelijke kwaliteiten; 3. rekening houden met randvoorwaarden uit de omgeving; 4. opstellen van een inpassingsplan: -met een onderscheid in voor- en achtererf; -het nieuwe erf vormgeven als één erf; -met benutten van beplanting als middel voor de inpassing in het landschap.

Kleinschalig kamperen bij het erf

54

Functieverandering naar bedrijf

Silo’s op achtererf

Paardenbak op het achtererf

Toepassing ruimte voor ruimte - splitsen van erf

Toepassing ruimte voor ruimte op bestaand erf

Overzicht handreikingen

Inrichting van het erf -- Maak onderscheid tussen een voorerf en een achtererf; -- Plaats nieuwe bebouwing op voldoende afstand van bestaande bebouwing. Houd rekening met eventuele toekomstige ontwikkelingen op uw erf. Denk aan mogelijkheden om (in de toekomst) overbodige bebouwing te slopen; -- Nieuwe bebouwing, opslag of stalling komt op het achtererf, achter de achtergevel van de oorspronkelijke boerderij; -- Laat de oorspronkelijke boerderij of de woning de blikvanger zijn; stem de positie van nieuwe bebouwing daar op af. Kies zo mogelijk voor stallen en bijgebouwen een lagere nokhoogte dan de hoogte van de oorspronkelijke boerderij.

Inpassing van het erf -- Behoud voor zover mogelijk de bestaande erfbeplanting, mits streekeigen en van voldoende kwaliteit; -- Nieuwe erfbeplanting in de vorm van boomsingels op de perceelsgrenzen, waarbij een hoek van het erf in ieder geval is beplant en waarbij de (nieuwe) bebouwing zo veel mogelijk aan het zicht onttrokken wordt; -- Geef extra aandacht aan erfbeplanting aan de zijden van het erf die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn; -- Pas ook sleufsilo’s in, bijvoorbeeld met struiken of een lage aarden wal; -- Op het voorerf past een enkele solitaire boom; -- Rond het voorerf past een haag; -- Voor sortimentskeuze zie de bijlage.

Heideontginningen

Uitbreidingsrichting -- Zorg dat u de ruimte neemt voor uw bouwplan. Past het bouwplan niet op het erf, kies dan voor een vergroting van het erf; -- Kies zo mogelijk voor een uitbreiding aan de achterzijde van het erf; -- Kies voor een rechthoekige tot vierkante opzet van het erf; -- Probeer de uitbreiding binnen de bestaande perceelsgrenzen te situeren; -- Houd belangrijke doorzichten vanaf de weg naar het landschap vrij.

Vormgeving bebouwing -- Kies voor de bebouwing bij voorkeur een eenvoudige vorm die past bij de functie (rechthoekige stal, silo’s rond); -- Voor zover mogelijk, worden nieuwe gebouwen voorzien van een kap met een lage gootlijn; -- Kies kleuren en materialen die passen in het gebied en opgaan in hun omgeving (geen wit, geen glimmende oppervlakken).

55

7. Hoogveenontginningen Ontstaansgeschiedenis De hoogveengebieden zijn lange tijd ondoordringbare natte, ruige gebieden geweest. De hoogvenen strekten zich uit over het Drents Plateau tot in de bovenlopen van de beekdalen en tot aan de dekzandruggen. Vanaf het eind van de negentiende eeuw zijn de gebieden in cultuur gebracht. De turf wordt allereerst uit de hoogveengebieden gestoken waar deze droog kon worden gewonnen. Hiervoor graaft men een hoofdvaart: de Opsterlandse Compagnonsvaart, Appelschaster Vaart, Haulerwijkstervaart of Lycklamavaart. Vanaf de hoofdvaart worden haaks daaropstaande wijken gegraven in een duidelijke ritmiek en met dezelfde onderlinge afstand. Ook in de naamgeving komt dat vaak terug zoals bij Ravenswoud met Eerste Opwiek, Tweede Opwiek, etc. Zo ontstaat een rationeel ontginningspatroon. De turf wordt over het water afgevoerd. Langs de vaarten waar de turfstekers zich vestigen, ontstaan veenkoloniedorpen. De vaarten vormen zo naast transportas een ontginngingsbasis en afwateringskanaal voor het onland. De leidijken vormen een grens tussen ontginning en onland en beschermen op deze wijze het ontgonnen land tegen wateroverlast vanuit het hoogveen. Bovendien werd met de leidijken de hoge waterstand van het onland in tact ge-houden en hadden de leidijken daardoor tegelijk de functie als verdedigingslinie voor het rijke Friese land.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=6420078d-351b-4808-adc8-d613240569d3