CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3. Ruimtelijke onderbouwing inclusief bijlagen

Raadsvergadering 25 maart 2025, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvergunning/Ontwerp-verklaring van geen bedenkingen Fochtelooërveen 8-10 Fochteloo28.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015; het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Gemeentelijk beleid De gemeente hanteert de veiligheidsafstanden die moeten worden aangehouden tussen een buisleiding en bijvoorbeeld woningen, scholen en ziekenhuizen conform de huidige circulaires. Momenteel is het Rijk bezig met het opstellen van een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Buisleidingen. Deze AMvB zal nieuwe regels gaan stellen aan risiconormering en zonering langs buisleidingen, het opnemen van regels in bestemmingsplannen et cetera. Een en ander zal worden vastgelegd in een nieuwe circulaire en vervolgens in een wettelijke regeling. De gemeente is voornemens aan te sluiten bij de nieuwe wetgeving waarbij de aandacht voor het groepsrisico meer nadruk zal krijgen. De gemeente hanteert de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet als harde norm, dan wel dat een overschrijding van de oriënterende waarde pas acceptabel wordt bevonden als optimaal aan alle aspecten, zoals zelfredzaamheid, beheersbaarheid en hulpverlening wordt voldaan.

Deze insteek wil de gemeente ook toepassen bij toenames van het groepsrisico die onder de oriënterende waarde blijven. Dit betekent dat de toename van het groepsrisico altijd goed zal worden gemotiveerd, waarbij de gemaakte keuzes worden

verantwoord en vastgelegd in het bijbehorende document, bijvoorbeeld het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning.

5.7.2 Beoordeling Binnen het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig, dit wordt weergegeven op figuur 5.3. Daarnaast worden geen risicobronnen opgericht middels de voorgenomen ontwikkelingen.

Figuur 5.3 Risicokaart plangebied (bron: Risicokaart Nederland)

5.7.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen risicobronnen in de directe omgeving van de projectlocatie aanwezig zijn. Ook liggen er geen overige externe veiligheidscontouren (PR 10-6) ter hoogte van het plangebied (denk aan buisleidingen of vervoer gevaarlijke stoffen). Geconcludeerd wordt dat het plan uitvoerbaar is voor het thema externe veiligheid.

5.8 Water 5.8.1 Wettelijk kader Waterparagraaf Op grond van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen welke een beschrijving bevat van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient te worden uiteengezet of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen'. Het kader voor de watertoets is het vigerend beleid (onder andere Nationaal Waterplan, Waterbeleid 21e eeuw, Europese Kaderrichtlijn water). De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en

regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. Een aantal relevante beleidsdocumenten wordt hierna kort besproken. Nationaal Waterplan De Vierde Nota Waterhuishouding is op 22 december 2009 vervangen door het Nationaal Waterplan. Dit is de nieuwe planvorm op Rijksniveau op basis van de nieuwe Waterwet. Het Nationaal Waterplan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding, waarbij veel van het ingezette beleid uit deze nota's wordt voortgezet. Het Nationaal Waterplan heeft de status van een structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Er komen nieuwe normen op basis van overstromingskansen die per dijkringgebied zullen worden vastgesteld. Waterbeleid 21e eeuw Met het Waterbeleid 21e eeuw wordt ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen die hogere eisen stellen aan het waterbeheer. Het gaat hierbij om onder andere de klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelrijzing. Het Waterbeleid 21e eeuw heeft twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd, te weten de tritsen: • •

vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren.

De trits vasthouden, bergen en afvoeren houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Omgevingsvisie Het provinciaal waterbeleid is opgenomen in de Omgevingsvisie Fryslân. Het regionaal waterplan zet sterker in op het op orde krijgen en houden van een watersysteem dat in staat is de gevolgen van klimaatveranderingen op te vangen. Het herstellen van het systeem en de waterhuishouding hierbij een belangrijke rol. Van provinciaal belang zijn: •

• • • •

een robuust watersysteem, dat zodanig is ingericht dat de risico's op wateroverlast en watertekort tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau beperkt blijven, met bijzondere aandacht voor de beekdalen; een goede kwaliteit van het oppervlaktewater, gebaseerd op de normen van de Kaderrichtlijn water (KRW). een zo groot mogelijke voorraad zoet grondwater van een goede kwaliteit, beschikbaar voor mens en natuur; een zodanige kwaliteit van het grondwater dat het zonder ingrijpende en kostbare zuivering geschikt is voor de bereiding van drinkwater; de waterbergingsgebieden.

Het dagelijkse en operationele waterbeheer wordt afgestemd op de aanwezige functies. Het waterbeleid richt zich op het versterken van de samenhang tussen de functies landbouw en natuur. Binnen de gebieden met als hoofdfunctie natuur gaat het om het behouden, herstellen of ontwikkelen van natuurwaarden. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Wetterskip Fryslân Het plangebied maakt deel uit van het beheergebied van Wetterskip Fryslân. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft het Wetterskip Fryslân wat de inzet zal zijn om de ingezetenen van veilig, voldoende en schoon water te voorzien.

Uitdagingen in het waterbeheer De wereld om het Wetterskip heen verandert snel. Verschillende ontwikkelingen zijn direct van invloed op het waterbeheer en dagen het Wetterskip uit. De volgende ontwikkelingen gaan het werk in de nabije en verre toekomst raken: • de verandering van het klimaat; • de verstoring van de ecologie en • de veranderende relatie tussen overheid en samenleving. Wetterskip Fryslân staat voor schoon en voldoende water en voor veiligheid achter de dijken. De kennis en kunde staan borg voor een betrouwbare integrale uitvoering van onze taken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het Wetterskip zoekt voortdurend de samenwerking met publieke en private partners om maximale maatschappelijke meerwaarde te kunnen creëren en om tot gedragen oplossingen te kunnen komen. Duurzaamheid en innovatie staan hoog in het vaandel en het Wetterskip neemt de regierol in het bereiken van een klimaatbestendig waterbeheer.

5.8.2 Beoordeling De toepassing van het watertoetsproces vindt plaats op basis van bestuurlijke afspraken tussen het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen. Het doel van het watertoetsproces is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding. Vergunningsplicht voor maatregelen Voor de ontwikkelingen in het plangebied heeft afstemming plaatsgevonden met Wetterskip Fryslân om te bepalen aan welke eisen het plan moet voldoen met betrekking tot het opvangen en afhandelen van hemelwater. Het plangebied is gelegen binnen het werkgebied van Wetterskip Fryslân. In dit geval is sprake van uitvoering van hydrologische maatregelen ten behoeve van Natura 2000 gebied Fochteloërveen en tevens afname van verhard oppervlak aangezien het erf wordt gesaneerd en een groot deel van de bestaande gebouwen wordt gesloopt.

5.9.3 Conclusie Bij activiteiten die van invloed zijn op de oppervlaktewaterkwaliteit of het watersysteem gelden de regels van het waterschap Wetterskip Fryslân. De werkzaamheden die uitgevoerd worden, hebben geen negatieve invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit of het watersysteem. De watergangen maken geen onderdeel uit van de Legger van Wetterskip Fryslân, maar wel van de Keur. Voor het uitvoeren van de beoogde maatregelen wordt met Wetterskip afgestemd of een watervergunning aangevraagd dient te worden op basis van de Keur. Geconcludeerd wordt dat het plan uitvoerbaar is ten aanzien van het thema Water.

6 Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de haalbaarheid van het afwijken van het bestemmingsplan. Het plan dient op financiële en maatschappelijke haalbaarheid te worden getoetst.

6.1 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer Vereniging Natuurmonumenten en het bevoegd gezag de gemeente Ooststellingwerf hebben overeenstemming bereikt over het voorgenomen plan. De kosten voor uitvoering van de genoemde werkzaamheden komen voor rekening van Natuurmonumenten.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In de voorbereiding van dit plan is veelvuldig overleg geweest met de omwonenden en overige geïnteresseerden. Onderstaand is een korte beschrijving van het doorlopen participatietraject opgenomen. Omgeving Met de directe omwonenden zijn de eerste schetsen gedeeld en besproken. Daarnaast zijn de resultaten van de onderzoeken besproken met de direct belanghebbenden. De omwonenden zijn regelmatig bezocht door Natuurmonumenten. Gemeente De gemeente Ooststellingwerf is als bevoegd gezag vanaf het begin nauw betrokken bij het project.

Bijlagen 1. 2. 3. 4.

Rapport Archeologie en cultuurhistorie Natuurtoets Milieukundig bodemonderzoek Maatregelkaart en schets inrichting percelen

Bureauonderzoek Archeologie Fochteloërveenweg te Fochteloo Gemeente Ooststellingwerf Natuurmonumenten 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Contactpersoon EVA VAN VEEN Erfgoedadviseur

M 0611460592

2

Arcadis Nederland B.V. Postbus 4205 3006 AE Rotterdam Nederland

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Inhoudsopgave 1

2

3

3

Inleiding

7

1.1

Aanleiding van het onderzoek

7

1.2

Plangebied en onderzoeksgebied

7

1.3

Administratieve gegevens

9

1.4

Huidige en toekomstige situatie plangebied

10

1.5

Doel van het bureauonderzoek

10

1.6

Normen en werkwijze

10

1.6.1

Werkwijze archeologie

11

1.7

Juridisch en beleidskader

11

1.7.1

Europees: Verdrag van Malta (1992)

11

1.7.2

Nationaal: Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)

12

1.7.3

Provinciaal beleid

12

1.7.4

Gemeentelijk beleid

15

1.7.5

Conclusie beleid

17

Landschap

19

2.1

Ontstaansgeschiedenis

19

2.1.1

Elsterien (circa 475.000 – 410.000 jaar BP)

19

2.1.2

Saalien (circa 370.000 – 130.000 jaar BP)

19

2.1.3

Weichselien (circa 115.000 – 10.000 jaar BP)

20

2.1.4

Holoceen (circa 10.000 tot heden)

20

2.2

Gegevens binnen het plangebied

23

2.2.1

Geologie

23

2.2.2

Geomorfologie en bodem

24

2.2.3

Hoogtebestand AHN

26

2.2.4

Grondwaterpeil

27

2.2.5

Diepteligging archeologische lagen en bodemopbouw

28

Archeologie

32

3.1

32

Bewoningsgeschiedenis

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

4

5

6

3.2

Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart

33

3.3

FAMKE

35

3.4

Bekende Vindplaatsen

36

3.4.1

AMK-terreinen

37

3.4.2

Vondstlocaties en waarnemingen

37

3.4.3

Eerder uitgevoerd onderzoek

38

3.4.4

Tweede Wereldoorlog

38

3.4.5

Verstoringen

38

3.4.6

Conclusie archeologie

39

Historie

40

4.1

Ontwikkelingsgeschiedenis

40

4.1.1

Het begin van de ontginningen

40

4.1.2

Verveningen (turfwinning)

41

4.1.3

Recentere ontwikkelingen

41

Conclusies en aanbevelingen

48

5.1

Conclusie Archeologie

48

5.2

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

48

5.3

Advies Archeologie

49

Referenties

52

Tabellen Tabel 1: Provinciaal beleid uit FAMKE

13

Tabel 2: Gemeentelijk beleid in het plangebied.

16

Tabel 3: Beleid uit de dubbelbestemmingen.

16

Tabel 4: Grondwatertrappen.

27

Tabel 5. Archeologische perioden (Bron: ABR).

32

Tabel 6: Archeologische verwachtingen gemeente Ooststellingwerf

34

Tabel 7: Toelichting archeologisch advies uit FAMKE

35

Tabel 8. Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel.

48

Figuren Figuur 1: Het plan- en onderzoeksgebied op de topografische kaart. De huisnummers en de parkeerplaatsen (cirkels) zijn ook aangegeven. 8

4

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Figuur 2: Luchtfoto van het plan- en onderzoeksgebied.

9

Figuur 3: Zes pijlers van het cultureel erfgoed.

11

Figuur 4: FAMKE Advieskaart Steentijd-Bronstijd.

14

Figuur 5: FAMKE Advieskaart IJzertijd-Middeleeuwen.

15

Figuur 6: Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' (Ruimtelijkeplannen.nl).

17

Figuur 7: Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' (Ruimtelijkeplannen.nl).

17

Figuur 8: Het plangebied op de paleogeografische kaartenreeks

21

Figuur 9: Het plangebied op de paleogeografische kaartenreeks (Vos e.a., 2018).

22

Figuur 10: Het plangebied op de geologische kaart van Nederland.

24

Figuur 11: Het plangebied op de geomorfologische kaart.

25

Figuur 12: Het plangebied op de bodemkaart.

26

Figuur 13: Het plangebied op het AHN.

27

Figuur 14: Boring B12C1213 in het onderzoeksgebied.

29

Figuur 15: Boring B12C1122 in het onderzoeksgebied.

29

Figuur 16: Boring B12C0985 in het onderzoeksgebied.

30

Figuur 17: Boring B12C1008 in het onderzoeksgebied.

30

Figuur 18: Boring B12C0879 in het onderzoeksgebied.

31

Figuur 19: Boring B12C1586 in het onderzoeksgebied.

31

Figuur 20: Het plangebied op de archeologische beleids- en verwachtingskaart van de gemeente Ooststellingwerf. 35 Figuur 21: AMK-terreinen, vondstlocaties en onderzoeksmeldingen in het plan- en onderzoeksgebied (Archis).

37

Figuur 22: Het plangebied op de vergraven gronden kaart.

39

Figuur 23: Het plangebied op de historische topografische kaart uit 1850.

43

Figuur 24: Het plangebied op de topografische kaart uit 1900.

44

Figuur 25: Het plangebied op de topografische kaart uit 1930.

44

Figuur 26: Het plangebied op de topografische kaart uit 1950

45

Figuur 27: Het noordelijke deel van het plangebied op de topografische kaart uit 1964. Hierop is de turfstrooiselfabriek zichtbaar aan de oostelijke zijde van de Fochteloërveenweg en de turfbanen aan de westelijke zijde. 45 Figuur 28: Het plangebied op de topografische kaart uit 1970.

46

Figuur 29: Het plangebied op de topografische kaart uit 1990.

47

Figuur 30: De locatie van het plangebied (zwart) op de HISGIS kaart van Friesland.

47

Colofon

53

5

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Samenvatting Aanleiding Natuurmonumenten verkent de mogelijkheden om de bebouwing op twee locaties langs de Fochteloërveenweg te Fochtelo te saneren en de bijbehorende percelen om te vormen naar natuur waarbij graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Dit gebeurt in het kader van hydrologisch herstel en stikstofreductie in het Fochteloërveen. Daarnaast zijn er wegwerkzaamheden voorzien aan de Fochteloërveenweg en worden er drie bestaande parkeerplaatsen aangepast. De parkeerplaatsen bevinden zich achter de boerderij aan de Fochteloërveenweg 8, in de bocht van de Fochteloërveenweg (parkeerplaats Bonghaar) en bij de vogelkijkhut van de Bruustingerplas. De benodigde graafwerkzaamheden zullen de vrijstellingsgrenzen zoals vastgelegd in de dubbelbestemmingen op de locatie mogelijk overschrijden, waardoor vooronderzoek noodzakelijk is. Onderzoeksplicht vanuit gemeentelijk beleid Het plangebied ligt binnen verschillende beleidszones op de gemeentelijke beleidskaart. Hierbij geldt dat een deel geen beperkingen heeft. De overige delen hebben de volgende vrijstellingsgrenzen: 2.500 m2 en 40 cm -Mv en 50 m2 en 30 cm -Mv. Omdat er verwacht wordt dat de werkzaamheden dieper dan 40 cm -Mv zullen plaatsvinden is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Dit bureauonderzoek geeft invulling aan deze eis.

Voor het cultuurhistorische onderzoek naar de erven aan de Fochteloërveenweg, wordt verwezen naar het rapport van Timmermans 2023. Doel en vraagstelling Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden in het plangebied en stelt vast of de geplande ingrepen de eventueel aanwezige waarden zullen verstoren. Op basis hiervan wordt geadviseerd of vervolgonderzoek nodig is. Bodemverstoring en diepteligging archeologisch niveau De bodemopbouw in het plangebied bestaat voornamelijk uit een veenlaag die veelal aan maaiveld of dicht onder het oppervlak voorkomt. Het veen behoort tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven. Het dekzand van de Formatie van Boxtel is voornamelijk binnen een meter aanwezig. Daarnaast is in veel boringen een keileem en/of zandlaag van de Formatie van Drenthe aanwezig. Het dekzand heeft een hoge archeologische verwachting. In het veen kunnen archeologische resten voorkomen, maar dit is minder waarschijnlijk. Advies vervolgonderzoek Het advies voor vervolgonderzoek is afhankelijk van de verschillende ingrepen. In het algemeen geldt dat indien er middels planaanpassing geen bodemingrepen zullen plaatsvinden, de noodzaak tot archeologisch vervolgonderzoek vervalt. Hieronder wordt per locatie het advies beschreven indien bodemingrepen wel plaatsvinden.

Erven, landbouwperceel & achterliggend terrein Ter plaatse van de erven geldt dat geen vervolgonderzoek noodzakelijk is indien de ingrepen beperkt blijven tot het uitgraven van de bestaande fundering. Bij diepere ingrepen tot in het dekzandniveau wordt een karterend booronderzoek geadviseerd. Indien de bodemingrepen beperkt blijven tot het veenpakket, kan gebruik gemaakt worden van het Protocol Toevalsvondsten (zie paraaf 5.3). Fochteloërveenweg Ter plaatse van de weg geldt dat geen vervolgonderzoek nodig is indien de bodemingrepen binnen het bestaande wegcunet blijven. Zo niet, wordt karterend booronderzoek conform de richtlijnen van FAMKE geadviseerd. Indien de bodemingrepen beperkt blijven tot het veenpakket, kan gebruik gemaakt worden van het Protocol Toevalsvondsten (zie paraaf 5.3). Drie parkeerplaatsen Ter plaatse van de drie parkeerplaatsen gelden verschillende adviezen. Bij de parkeerplaats achter Fochteloërveenweg 8 is geen vervolgonderzoek nodig indien de bodemingrepen beperkt blijven tot minder dan 500 m2. Indien deze grens wordt overschreden, wordt karterend onderzoek conform de richtlijnen van FAMKE geadviseerd. Ter plaatse van de overige twee parkeerplaatsen wordt ten eerste geadviseerd om te kijken of de aanpassingen mogelijk zijn zonder bodemingrepen. In dat geval is er geen vervolgonderzoek noodzakelijk.

Indien niet mogelijk, wordt waarderend archeologisch onderzoek conform de richtlijnen van FAMKE geadviseerd.

6

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

1

Inleiding

1.1 Aanleiding van het onderzoek Natuurmonumenten verkent de mogelijkheden om de bebouwing op twee locaties langs de Fochteloërveenweg in Fochteloo te saneren en de bijbehorende percelen om te vormen naar natuur, waarbij graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Dit gebeurt in het kader van hydrologisch herstel en stikstofreductie in het Fochteloërveen. Daarnaast zijn er op termijn (2026) wegwerkzaamheden voorzien aan de Fochteloërveenweg en worden er drie bestaande parkeerplaatsen aangepast. De parkeerplaatsen bevinden zich achter de boerderij aan de Fochteloërveenweg 8, in de bocht van de Fochteloërveenweg (parkeerplaats Bonghaar) en bij de vogelkijkhut van de Bruustingerplas. De graafwerkzaamheden zullen de vrijstellingsgrenzen zoals vastgelegd in de dubbelbestemmingen op de locatie (deels)overschrijden, waardoor vooronderzoek noodzakelijk is. Bij de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen mogelijk archeologische waarden worden verstoord. Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden in het plangebied en stelt vast of de geplande ingrepen de eventueel aanwezige waarden zullen verstoren. Op basis hiervan wordt geadviseerd of vervolgonderzoek nodig is.

1.2 Plangebied en onderzoeksgebied Het plangebied beslaat circa 21,8 ha en is gelegen langs de Fochteloërveenweg in Fochteloo. Voor het onderzoeksgebied is gekozen om een buffer van 200 meter rondom het plangebied aan te houden, om zo een completer beeld te krijgen van de archeologische context van het plangebied (Figuur 1). Het plangebied beslaat deel van de Fochteloërveenweg, inclusief de huisnummers 4, 8 en 10, zowel als deel van een agrarisch terrein en een open nat natuurterrein. Het plangebied reikt tot aan de kruising met het Zandpad en de Heilomaweg in het noorden, en tot aan het eerste kanaal in het zuiden (Figuur 1, Figuur 2). Langs de weg liggen ook open droge natuurterreinen en beboste delen. Het plangebied maakt deel uit van het Fochteloërveen, een beschermd natuurgebied en een van de laatste gebieden in West-Europa met hoogveen1.

1 https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebieden/fochteloerveen.

7

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Huisnummer 4

Huisnummers 8/10

Figuur 1: Het plan- en onderzoeksgebied op de topografische kaart. De huisnummers en de parkeerplaatsen (cirkels) zijn ook aangegeven.

8

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Figuur 2: Luchtfoto van het plan- en onderzoeksgebied.

1.3 Administratieve gegevens Objectgegevens onderzoek Project Opdrachtgever Plaats Gemeente Provincie Coördinaten Oppervlakte plangebied Onderzoeksmelding Archis3 Uitvoerder Contactpersoon Arcadis

Auteurs Bevoegd gezag Uitvoeringsperiode onderzoek Beheerder en plaats documentatie Arcadis projectnummer ISSN-nummer

9

Bureauonderzoek Archeologie Fochteloërveenweg Natuurmonumenten Fochteloërveen, Fochteloo Ooststellingwerf Friesland 220.919,40E 557.982,74N 21,8 ha 5443024100 Arcadis Nederland BV Eva Van Veen 0611460592 eva.vanveen@arcadis.com Eva van Veen, Janin Hekman, Karin Wink Gemeente Ooststellingwerf Juni-juli 2023 Arcadis Nederland BV, Arnhem 30073445 2666-8718

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

1.4 Huidige en toekomstige situatie plangebied Het plangebied volgt voornamelijk de Fochteloërveenweg en wijkt het natuurgebied in bij huisnummers 4, 8 en 10. Zoals genoemd maakt het plangebied deel uit van het natuurgebied Fochteloërveen. Het grootste deel van de beoogde werkzaamheden is nu vastgesteld. Deze worden per locatie hieronder toegelicht. Parkeerplaats achter de boerderij: • Aanleggen van een draailus en aanpassen van parkeerplaats waarbij tot 50 cm -Mv wordt ontgraven; • Rooien van een boom, incl. gebruik van stobbenfrees. Parkeerplaats Bonghaar: • Aanleggen van een draailus waarbij tot 40 cm -Mv wordt ontgraven. Parkeerplaats Vogelkijkhut Brustingerplas: • Verstevigen en uitbreiden van bestaande parkeerplaats met halfverharding waarbij tot 60 cm -Mv wordt ontgraven. Werkzaamheden percelen Fochteloërveenweg 4, 8 en 10 en achterliggende percelen: • Saneren bebouwing inclusief fundering; • Dempen van sloten; • Verwijderen en aanleg van kades; • Plaatsen verdeelstuw; • Plaatsen uitkijktoren en rustpunten; • Saneren bestrating en wandelpad; • Afvoeren vlonderbrug; • Verwijderen drainage, stuw met pomp en bos. Hiernaast zijn er wegwerkzaamheden voorzien aan de Fochteloërveenweg waarvan de aard nog niet bekend is. Deze werkzaamheden worden pas in 2026 uitgevoerd.

1.5 Doel van het bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is drieledig: • Inzicht verschaffen in de archeologische waarden die zich in het plangebied bevinden of hier verwacht worden; • Opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel volgens de KNA 4.1; • Advies opstellen over of, en waar, er archeologisch vervolgonderzoek nodig is, en indien nodig, uit welke onderzoeksmethode het vervolgonderzoek bestaat.

1.6 Normen en werkwijze Arcadis streeft naar een integrale aanpak van erfgoed volgens zes pijlers (Figuur 3): archeologie, historische gebouwen, historisch landschap, natuurlijk erfgoed, collecties & objecten en immaterieel erfgoed. Deze aspecten vertonen een grote verbondenheid en onderlinge samenhang. Een integrale benadering van deze aspecten heeft een meerwaarde voor het project waarbinnen het wordt uitgevoerd. Het zorgt ervoor dat er een gedegen inventarisatie beschikbaar is en dat er een integrale erfgoedwaardering kan worden uitgevoerd. De pijlers zullen niet allemaal van even groot belang zijn in ieder project en met onze werkwijze hebben we dat vroeg in het proces in beeld. Hierdoor kunnen kansen en risico's worden meegewogen en kan zorgvuldige besluitvorming plaatsvinden. In dit bureauonderzoek ligt de focus op de pijler archeologie. Arcadis heeft ook recent een QS Cultuurhistorische Verkenning van de drie ontginningsboerderijen in het onderzoeksgebied opgesteld (Timmermans 2023). In dit onderzoek lag de focus op de pijler gebouwd erfgoed. •

•

10

Archeologie: Deze pijler omvat alle bekende en onbekende, in en op het bodemarchief aanwezige resten van menselijke activiteiten, die wel of niet verstoord zullen gaan worden. Archeologie zal worden uitgevoerd volgens de KNA 4.1, protocol bureauonderzoek 4002. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de te verwachten aanof afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Historisch landschap: In deze pijler worden de elementen die behoren tot de historische geografie beschreven. Dit zijn cultuurhistorische punten, lijnen en vlakken, zoals cultuurhistorische landschappen, historisch groen, Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

• •

• •

historische paden, sloten, dijken, beplantingen etc. als ook historische zichtlijnen en historische wegen-, verkavelings- en beplantingspatronen etc. Gebouwd Erfgoed: Deze pijler bestaat uit elementen die behoren tot de historische (steden)bouwkunde. Hieronder vallen beschermde stads- en dorpsgezichten, Rijksmonumenten, en waardevolle bouwkundige objecten (molens, boerderijen, sluizen, etc.) en ensembles (erven, dorpen, linten, landgoederen, etc.). Natuurlijk Erfgoed: Onderdeel van deze pijler zijn bijzondere elementen van het landschap die door natuurlijke processen zijn gevormd, zoals bijvoorbeeld een steilrand of een stuwwal. Ook aardkundige waarden vallen onder deze pijler. Collecties en objecten: Onder de pijler Objecten en Collecties valt het roerend erfgoed zoals museumcollecties. Immaterieel Erfgoed: De pijler immaterieel erfgoed omvat sociale gewoonten, voorstellingen, rituelen, tradities, uitdrukkingen, bijzondere kennis of vaardigheden. Een bijzonder kenmerk is dat het wordt overgedragen van generatie op generatie en belangrijk is voor een gemeenschappelijke identiteit.

Figuur 3: Zes pijlers van het cultureel erfgoed.

1.6.1

Werkwijze archeologie

Het bureauonderzoek wordt opgesteld volgens de BRL SIKB 4000, KNA 4.1, protocol bureauonderzoek 4002. De archeologische situatie wordt beschreven op basis van een aantal bronnen. De opbouw en ontwikkeling van het onderzoeksgebied zegt veel over de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. In combinatie met gegevens over bekende archeologische vondsten en historische gegevens wordt een verwachting opgesteld voor de kans op het aantreffen van archeologische resten. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de verwachte aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Voor het bureauonderzoek zijn o.a. de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • •

Archeologische Monumenten Kaart (AMK); Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Ooststellingswerf, en FAMKE kaart; Relevante publicaties van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek; Bodemkaart, geologische kaart, geomorfologische kaart, paleogeografische kaarten, het AHN; Informatie uit Archis3; Historisch kaartmateriaal: Topografische Militaire Kaart, Bonnekaart 1900, Minuutplannen (Kadaster 18111832).

1.7 Juridisch en beleidskader 1.7.1

Europees: Verdrag van Malta (1992)

Op 16 januari 1992 is door de Raad van Europa het Europese verdrag van Malta - ook wel bekend als de Conventie van Malta of het Verdrag van Valletta - gesloten. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem 11

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

bevindt beter te beschermen. In het verdrag zijn drie uitgangspunten ten aanzien van de omgang met archeologie geïntroduceerd: • •

•

Het streven naar het behouden van archeologie in de bodem, het zogenaamde "behoud in situ" (artikel 4, tweede lid). De gedachte daarachter is dat er bodemarchief voor toekomstige generaties bewaard moet blijven. “Behoud in situ” wordt bereikt door in de planvorming tijdig rekening houden met de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alternatieven (artikel 5). Dit gebeurt door vooraf onderzoek uit te voeren naar archeologische resten. Door er vooraf rekening mee te houden, wordt vertraging in bouwprocessen voorkomen. Wanneer ‘behoud in situ” niet mogelijk is, dienen de behoudenswaardige archeologische resten te worden veiliggesteld door middel van archeologisch onderzoek. Elke lidstaat die het Verdrag van Malta ondertekent, is verplicht maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat bij alle ontwikkelingsprojecten de kosten van het archeologisch onderzoek worden gedekt (artikel 6). In de Nederlandse wetgeving is dit vertaald in het ‘de verstoorder betaalt’-principe (Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2008). De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de kosten van het archeologisch onderzoek en de uitwerking van de resultaten.

1.7.2

Nationaal: Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)

Sinds 1 juli 2016 geldt de nieuwe Erfgoedwet. Deze wet harmoniseert de bestaande wet- en regelgeving omtrent roerend en onroerend erfgoed en vormt één integrale Erfgoedwet voor het beheer en behoud van cultureel erfgoed. Een belangrijke wijziging voor archeologie is dat in de Erfgoedwet de regels voor de archeologische monumentenzorg aan de orde komen. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving wordt onderdeel van de Omgevingswet. Tot dat de Omgevingswet ingaat blijven de artikelen uit de Monumentenwet 1988 die niet terugkomen in de Erfgoedwet van kracht, waaronder regelingen omtrent omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen. •

Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening), zijn gemeenten verplicht de belangen van de archeologische en cultuurhistorische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren. De verankering vindt plaats door het toekennen van de bestemming of dubbelbestemming. In een gemeentelijke verordening en in het bestemmingsplan worden regels opgenomen met betrekking tot het gebruik van de grond. Aan deze regels kan een omgevingsvergunningstelsel voor onder meer het gebruik van de grond en bodemwerkzaamheden worden gekoppeld. Op grond van artikel 2.22, derde lid onder d, van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht kunnen in het belang van de archeologische en cultuurhistorische monumentenzorg, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden. Deze voorschriften kunnen inhouden dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport overlegd, waarin de archeologische en/of cultuurhistorische waarde wordt vastgesteld van het terrein dat volgens de aanvraag wordt verstoord.

1.7.3

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid omtrent erfgoed en archeologie is vastgelegd in meerdere beleidsstukken, hieronder beschreven. Voor de provincie Friesland geldt dat algemene uitgangspunten in relatie tot de leefomgeving zijn beschreven in de omgevingsvisie. Er wordt specifieker ingegaan op landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van de provincie in de structuurvisie, welke meegenomen kunnen worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Gerichte beleidspunten voor erfgoed en archeologie worden benoemd en beschreven in de Nota Nij Poadium Cultuur, Taal en Erfgoed. De Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) fungeert als hulpmiddel bij het invullen van de beleidseisen. Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte (2014) In deze structuurvisie wordt specifiek in beeld gebracht welke landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, structuren en elementen van provinciaal belang zijn. De provinciale belangen worden gewaardeerd en van richtinggevend advies voorzien, met als doel het behoud en verder ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Tien gebiedsoverschrijdende landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang worden toegelicht en elf regio’s in de provincie worden beschreven. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘Zuidelijke Wouden’, waarvoor zeven kenmerken van provinciaal belang zijn benoemd en voorzien van advies.

Indien relevant worden deze kenmerken in latere hoofdstukken toegelicht.

12

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Omgevingsvisie De Romte Diele (2020) In de omgevingsvisie worden de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze met betrekking tot de leefomgeving uitgewerkt. De provincie herkent vier ambities: vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond. Hierbinnen vallen negen inhoudelijke principes die richting geven bij het maken van keuzes. Daarnaast heeft de provincie acht doelstellingen geformuleerd voor de bestaande kwaliteiten van de omgeving, waaronder het behoud van het Friese erfgoed, o.a. door middel van het beheer van het depot en de FAMKE. Concrete acties voor de toekomst worden ook toegelicht. Erfgoed en archeologie komen verder terug als onderdeel van een ‘karakteristieke en gezonde fysieke leefomgeving’. Nota Nij Poadium Cultuur, Taal en Erfgoed (2021-2024) Deze nota kijkt naar de bijdrage van kunst, taal en erfgoed aan de brede welvaart van mensen en licht concrete doelen toe voor de periode 2021-2024. Voor erfgoed, inclusief archeologie, zijn de belangrijkste beleidspunten als volgt: • Vergroten zichtbaarheid en internationalisering; • Ferhaal van Fryslan borgen en vertellen en het maken van een toetsingskader voor musea; • Erfgoed inzetten als fundament, meerwaarde en inspiratie voor nieuwe opgaven; • Meer rijksmonumenten restaureren; • Inzetten op de Fryske Pleats; • Samenwerking met gemeenten, instellingen en vrijwilligersorganisaties.

Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) De Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) is gebaseerd op de AMK en de IKAW, maar houdt ook rekening met eventuele verstoringen van archeologische resten en met de omvang van de geplande ingreep. Deze informatie wordt vertaald tot beleid. De FAMKE betreft twee advieskaarten, één voor de Steentijd-Bronstijd (300.000 – 800 v. Chr.) en één voor de periode IJzertijd – Middeleeuwen (800 v Chr. – 1500 n. Chr.). De adviezen geven aan welke vervolgstappen nodig zijn voor een bepaald gebied om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief. Dit kan ook betekenen dat er geen vervolgonderzoek nodig is. De FAMKE wordt voortdurend aangepast om de laatste archeologische ontdekkingen mee te nemen. Het plangebied is weergeven op de advieskaarten in Figuur 4 en Figuur 5. Voor de periode Steentijd-Bronstijd ligt het plangebied in meerdere beleidszones, dezelfde zones gelden voor het bredere onderzoeksgebied. Voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen liggen het plan- en onderzoeksgebied in één zone. In onderstaande tabel (Tabel 1) wordt het beleid per verwachting toegelicht. De verwachtingen zelf worden verder beschreven in 3.3. Tabel 1: Provinciaal beleid uit FAMKE

Advies

Toelichting

Advieskaart Steentijd – Bronstijd

Quickscan

Bij ingrepen van meer dan 5.000 m 2 wordt een quickscan aanbevolen. Dit is een extensief booronderzoek waarmee duidelijk wordt gemaakt of het steentijd bodemarchief intact is. Bij een intacte bodem kan over worden gegaan op karterend onderzoek 2. Indien dobben of vuursteenvindplaatsen aanwezig zijn, dienen deze gewaardeerd te worden d.m.v. archeologisch onderzoek.

Karterend onderzoek 2 (steentijd)

Bij ingrepen groter dan 2.500 m2 wordt geadviseerd een karterend booronderzoek uit te voeren met minimaal 6 boringen per ha, of minimaal 6 boringen voor gebieden kleiner dan een hectare. Het booronderzoek dient vooral gericht te zijn op het podzol en het microreliëf van het zand onder het veen- of kleidek. Indien dekzandkoppen aanwezig zijn, wordt een waarderend onderzoek aanbevolen.

Karterend onderzoek 1 (steentijd)

Bij ingrepen groter dan 500 m2 wordt aanbevolen een karterend booronderzoek uit te voeren met minimaal 12 boringen per ha, of minimaal 12 boringen voor gebieden kleiner dan een hectare. Het booronderzoek dient vooral gericht te zijn op het microreliëf

13

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

van het zand onder het veen- of kleidek. Indien dekzandkoppen aanwezig zijn, wordt een waarderend onderzoek aanbevolen.

Waarderend onderzoek (vuursteenvindplaats)

Bij ingrepen groter dan 50 m2 dient een waarderend onderzoek uitgevoerd te worden, gericht op de waarde en begrenzing van de vindplaats.

Streven naar behoud

De provincie raadt af om in deze gebieden bodemingrepen te verrichten die het bodemarchief kunnen aantasten.

Advieskaart IJzertijd – Middeleeuwen Geen onderzoek noodzakelijk

Geen beperkingen.

Figuur 4: FAMKE Advieskaart Steentijd-Bronstijd.

14

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Figuur 5: FAMKE Advieskaart IJzertijd-Middeleeuwen.

1.7.4

Gemeentelijk beleid

Zoals hierboven beschreven zijn gemeenten verplicht de belangen van de archeologische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren. Input hiervoor is veelal een gemeentelijke archeologische beleidskaart. Deze is gebaseerd op een archeologische verwachtingskaart, welke een actueel overzicht van de archeologische verwachtingen en bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen biedt. Daarnaast worden het beleid en de uitgangspunten voor erfgoed en archeologie ook in andere beleidsstukken toegelicht. Deze worden hieronder beschreven. Erfgoedverordening (2010) De erfgoedverordening legt de regels vast omtrent het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten en archeologische terreinen. De vrijstellingsgrenzen voor gebieden met bepaalde archeologische verwachtingen worden benoemd, al zullen de dubbelbestemmingen actueler zijn. Ook worden de eisen rondom opgravingen en begeleidingen beschreven. Nota Archeologie (2014) De nota archeologie (Mennens 2014) bevat het gemeentelijk archeologiebeleid van de gemeente Ooststellingwerf. De wettelijke beleidskaders van en de samenwerking tussen Rijk, provincies en gemeentes wordt toegelicht. Daarna wordt ingegaan op de bewoningsgeschiedenis binnen de gemeente en het beleidskader van de gemeente zelf, inclusief het gebruik van de archeologische verwachtings- en beleidskaart.

Voor elke verwachting wordt een toelichting van het hieraan gekoppelde beleid gegeven. Het beleid is verder vastgelegd in dubbelbestemmingen en de erfgoedverordening.

15

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart De gemeente Ooststellingwerf beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidskaart (2014) (Figuur 20). Hierop worden ook enkele cultuurhistorische elementen weergeven. Op de kaart worden bepaalde verwachtingen of elementen weergeven, het gekoppelde beleid is beschreven in de Nota Archeologie (Mennens 2014). Het plangebied ligt voornamelijk in een gebied met een lage archeologische verwachting. Voor een klein deel ligt het plangebied in een gebied met een middelhoge verwachting (WR-a5). In de bocht en langs het zuidelijke verloop van de Fochteloërveenweg liggen twee vuursteenvindplaatsen (WR-a2) en een AMK-terrein (WR-a2). Het plangebied doorkruist een van de vindplaatsen en grenst aan de andere zowel als aan het AMK-terrein. Voor het bredere onderzoeksgebied gelden dezelfde verwachtingen, maar krijgt een groter deel de verwachting ‘middelhoog’. Het beleid per verwachting wordt toegelicht in onderstaande tabel (Tabel 2). De verwachtingen zelf worden verder beschreven in paragraaf 3.2. Tabel 2: Gemeentelijk beleid in het plangebied.

Verwachting

Gekoppeld beleid

Lage verwachting

Geen beperkingen.

WR-a5

Vooronderzoek (bureauonderzoek en/of karterend booronderzoek) nodig bij ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm -Mv.

WR-a2 (vuursteenvindplaatsen)

Bij ingrepen groter dan 50 m2 is een waarderend booronderzoek (6-12 boringen per ha) noodzakelijk. Deze moet zich richten op de waarde en begrenzing van de vindplaats om inzicht te geven in de behoudenswaardigheid.

WR-a2 (AMK-terreinen)

Er dient gestreefd te worden naar behoud van de archeologische en cultuurhistorische waarden. Bij ingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 30 cm -Mv is archeologisch vooronderzoek (inventariserend/waarderend bureauonderzoek) noodzakelijk.

Bestemmingsplannen Het plangebied valt volledig binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2019-03-27), waaronder twee dubbelbestemmingen archeologie gelden (Tabel 3). De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ ligt op een deel van het plangebied en houdt in dat werkzaamheden tot een diepte van 40 cm -Mv en een oppervlakte van 2.500 m2 zijn toegestaan zonder omgevingsvergunning (Figuur 6). De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is van toepassing op een ander deel van het plangebied (Figuur 7). Hier zijn werkzaamheden tot een diepte van 30 cm -Mv en een oppervlakte van 50 m2 toegestaan zonder omgevingsvergunning. Dit komt overeen met de gemeentelijke beleidskaart. De exacte diepte van alle geplande ingrepen is niet bekend, echter reiken deel van de bekende werkzaamheden dieper dan 40 cm -Mv. Het plangebied beslaat ook meer dan 2.500 m2. Als gevolg is archeologisch onderzoek noodzakelijk, dit bureauonderzoek geeft daar invulling aan. Tabel 3: Beleid uit de dubbelbestemmingen.

Dubbelbestemming

Vrijstellingsgrenzen

Waarde – Archeologie 5

40 cm -Mv en 2.500 m2

Waarde – Archeologie 2

30 cm -Mv en 50 m2

16

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Figuur 6: Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' (Ruimtelijkeplannen.nl).

Figuur 7: Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' (Ruimtelijkeplannen.nl).

1.7.5

Conclusie beleid

De Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) fungeert vanuit de provincie als hulpmiddel bij het invullen van de beleidseisen. Het beleid dat van toepassing is op het plangebied wordt weergeven in Figuur 4 en Figuur 5 en toegelicht in Tabel 1. 17

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

De gemeente Ooststellingwerf beschikt over een archeologische beleids- en verwachtingskaart. Het beleid uit deze kaart is verankerd in de aanwezige dubbelbestemmingen. Op basis hiervan heeft een deel van het plangebied geen beperkingen. Het overige deel valt onder twee dubbelbestemmingen met de volgende vrijstellingsgrenzen: 40 cm -Mv en 2.500 m2 en 30 cm -Mv en 50 m2. Onderhavig bureauonderzoek geeft invulling aan de eis voor archeologisch vooronderzoek. Dit bureauonderzoek beantwoord de vraag of er archeologisch vervolgonderzoek nodig is, en indien nodig, uit welke onderzoeksmethode het vervolgonderzoek bestaat.

18

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

2

Landschap

Dit hoofdstuk is opgebouwd uit informatie van de gemeentelijke beleidsnota 2, de gebiedsbeschrijvingen in de structuurvisie3, Panorama Landschap4 en voorgaand archeologisch onderzoek5 in combinatie met aardkundig kaartmateriaal. Momenteel vindt veel onderzoek plaats in het natuurgebied Fochteloërveen in het kader van verbeteren van de waterhuishouding en het herstellen van kades, die voorkomen dat kostbaar regenwater weglekt. Informatie uit de LESA Fochteloërveen (in prep 2023) is ook gebruikt voor onderstaand hoofdstuk, voor de verdieping wordt dan ook naar deze publicatie verwezen 6. Het plangebied bevindt zich in en tussen het noordelijk keileem- en dekzandlandschap en het veenkoloniaal- en Hoogveenlandschap, nabij het dorp Fochteloo en de grens met de provincie Drenthe. Het Fochteloërveen (hoogveen) ligt voornamelijk in het noorden en oosten van het plangebied. Het plangebied volgt de Fochteloërveenweg. De voornaamste afzettingen in het plangebied zijn gevormd tijdens het Pleistoceen.

2.1

Ontstaansgeschiedenis

Het plangebied ligt in de Zuidelijke Friese Wouden, deel van de westelijke helling van het Fries-Drents Plateau. Dit landschap kan verder verdeeld worden in essenlandschappen, beekdallandschappen en hoogveenontginningslandschappen. Het plangebied maakt deel uit van deze laatste onderscheiding. De basis van het landschap in Noord-Nederland is voornamelijk gevormd tijdens de laatste twee ijstijden, het Saalien en het Weichselien. De daaraan voorafgaande ijstijd, het Elsterien, heeft echter ook een rol gespeeld. Hieronder wordt de ontstaansgeschiedenis van het gebied per periode beschreven.

Elsterien (circa 475.000 – 410.000 jaar BP)

2.1.1

Het Elsterien is de eerste ijstijd waarin het landijs Noord-Nederland bereikte. Door smeltwaterstromen werden grote geulen, de zogenoemde tunneldalen, uitgesleten. Door de overvloed aan smeltwater ontstonden er ook grote meren. Deze geulen en meren zijn langzaam opgevuld met grof en fijn zand en laagjes klei, waardoor een dikke laag potklei is gevormd. Deze klei is in sommige gebieden aan het oppervlak aanwezig. Ook zijn tijdens deze periode smeltwaterafzettingen bestaande uit zand en grind gevormd. De klei- en zandafzettingen behoren tot de Formatie van Peelo en komen rondom het plangebied in de diepere ondergrond voor (zie 2.2.5; Figuur 14 en Figuur 16). Omdat deze afzettingen dateren van vóór de grote landijsbedekking uit het Saalien, en daarom vaak onder de grondmorene (keileem) uit deze ijstijd liggen, worden ze in de geologische en bodemkundige literatuur ook wel ‘Premorenale afzettingen’ genoemd7. Op bodemkaarten wordt geen onderscheid gemaakt tussen potklei en keileem. Potklei komt minder vaak voor en is normaal veel zwaarder dan keileem, welke vooral uit kalkloze, zandige zavel bestaat, maar ze hebben dezelfde ondoorlatende eigenschappen. De premorenale zandgronden worden vooralsnog tot dezelfde paleogeografische landschapseenheid gerekend als de veel latere dekzandgronden (Weichselien, Formatie van Boxtel)8.

Saalien (circa 370.000 – 130.000 jaar BP)

2.1.2

Tijdens het Saalien was Noord-Nederland bedekt door een pakket landijs. In de eerste fase van het Saalien verplaatste het ijspakket zich langzaam, waarbij het land geëgaliseerd werd en er keileem of grondmorene werd afgezet. Keileem is een mengsel van keien, grind, zand, leem en klei dat door de druk van het ijs in elkaar is gekneed. Vooral aan het front van de ijskap werden onder het ijs dikke pakketten keileem gevormd. In latere fases werd het gebied (deels) overreden door het landijs. Het daardoor opgestuwde materiaal bestaat uit oudere afzettingen en een deel hiervan is later in het Saalien weer bedekt met een laag keileem, zo ook het huidige Fries-Drents Plateau. Het

2 Mennens 2014 3 Provincie Fryslân 2014 4 Raap 2022 5 Komen en Buitenhuis 2009 6 Franssen e.a. 2023. LESA Fochteloërveen, in prep. 7 Spek 2004, 183-4 8 Ze worden tot dezelfde eenheid gerekend omdat deze zanden qua bodemvorming onvoldoende van elkaar afwijken om ze met

behulp van bodemkundige criteria van elkaar te onderscheiden (Spek 2004: 187). 19

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

keileem behoort tot de Formatie van Drenthe (Laagpakket van Gieten) en is veelal aanwezig in het plangebied op veel plaatsen aan maaiveld of dicht onder het oppervlak (zie paragraaf 2.2.5; Figuur 14, Figuur 16 en Figuur 17). De dikte van het keileem kan sterk wisselen. Sporen van de stuwwalvorming zijn nog als reliëf in het huidige landschap zichtbaar als langgerekte ruggen. In de gemeente Ooststellingwerf zijn hierdoor ruggen en laagten aanwezig met een noordoost-zuidwest oriëntatie. Aan het einde van het Saalien stegen de temperaturen en volgde het Eemien (126.000-116 jaar BP), een interglaciale periode. De ijskappen smolten waardoor de zeespiegel steeg. Het smeltwater werd afgevoerd door de laagten in het landschap, maar omdat het water ook zand, grind en stenen meevoerde, vond er erosie plaats in deze laagten. Hierdoor werden metersdiepe smelwatergeulen uitgesleten in het keileem, o.a. de voorlopers van de dalen van de Tjonger en de Linde.

2.1.3

Weichselien (circa 115.000 – 10.000 jaar BP)

Tijdens het Weichselien bereikte het landijs Nederland niet, maar heerste er wel periglaciale klimaatomstandigheden. Het landschap betreft een toendra met wat boomgroei, zoals dwergberken en dwergwilgen. De lagere temperaturen zorgde ervoor dat vegetatie schaars was, waardoor de wind vrij spel had. Verstuiving vond op grote schaal plaats, waarbij een dikke laag dekzand over het landschap werd afgezet. Op veel plaatsen bedekte dit zand de oudere afzettingen. Tijdens deze periode vormden ook de dekzandruggen. Het dekzand behoort tot de Formatie van Boxtel en wordt in het plangebied aan maaiveld of dicht onder het oppervlak aangetroffen (zie ook paragraaf 2.2.5). Het grootste deel van het nog zichtbare reliëf van het Fries-Drents plateau is gevormd tijdens het Weichselien. Door water en wind vond veel erosie van het keileem plaats, met als gevolg een sterk versneden keileemplateau. In deze periode ontwikkelde zich een systeem van beekdalen naar de kust vanuit het centrale deel van het plateau. Dalen werden met zand opgevuld en hoge koppen werden door de wind afgevlakt, waardoor het bestaande reliëf van het landschap ook vervlakte. Dekzandkoppen en -ruggen vormden echter een nieuw reliëf. Ook de pingoruïnes dateren uit het Weichselien.

Deze zijn gevormd doordat grote hoeveelheden water ondergronds bevroren en een ijslens vormde, welke het bovenliggende grond opduwde tot een heuveltje. Toen het warmer werd smolt het ijs en gleed de bovengrond af naar de zijkanten, waar deze een wal vormde rondom het nu ontstane meer. Er zijn geen pingoruïnes bekend in het plangebied, maar deze komen wel in de gemeente Ooststellingwerf voor. Aan het einde van het Weichselien wordt het iets warmer en komen op de zandruggen en langs rivierdalen open dennenbossen of groepjes dennen voor.

2.1.4

Holoceen (circa 10.000 tot heden)

Tijdens het Holoceen werd het klimaat geleidelijk warmer en vochtiger. Het landschap dat tijdens de ijstijden was ontstaan, werd vastgelegd door toenemende vegetatie en de daardoor afnemende erosie. Omdat de temperatuur steeg smolten de ijskappen en begon de zeespiegel te stijgen, waardoor de grondwaterspiegel ook steeg. In de lage delen van het landschap vormden zich hierdoor een veenpakket. De toendra maakte plaats voor een parkachtig landschap met dennen, loofbomen en struiken. De landschappelijke ontwikkeling wordt weergegeven aan de hand van de paleogeografische kaartenreeks (Vos e.a. 2018). Deze wordt weergeven in Figuur 8 en Figuur 9.

20

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Figuur 8: Het plangebied op de paleogeografische kaartenreeks

21

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Figuur 9: Het plangebied op de paleogeografische kaartenreeks (Vos e.a., 2018).

22

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Rond 6000 v. Chr. was het parkachtig landschap veranderend in een dicht loofbos, ook wel het Atlantische climaxbos genoemd. Dit dichte bos bedekte de zand- en keileemgronden van het Fries-Drents Plateau tot circa 3000 v. Chr., maar verdween deels door ontbossing door landbouwers. Zoals benoemd vond op het dekzandlandschap van NoordNederland op grote schaal veenvorming plaats. Met de opwarming van het klimaat werd het steeds vochtiger en de stijging van de zeespiegel zorgde voor verslechterde afwatering vanaf het Fries-Drents Plateau. Het veen ontstond vanuit de lagere, natte plekken van het plateau en in de beekdalen, maar vanuit plekken waar de aanwezigheid van keileem de afwatering bemoeilijkte. Door de veengroei kwamen de keileem- en dekzandruggen als een soort eilanden in het veen te liggen. Het veen kroop steeds hoger tegen deze formaties op en in de loop van de eeuwen bedekte het veen ook de dekzandkoppen en -ruggen. Het water stagneerde op hogere gronden omdat het niet meer goed afgevoerd kon worden via het omringende veengebied. Op de paleogeografische kaarten (Figuur 8) is zichtbaar hoe het plangebied zich vanaf circa 2750 v. Chr. al volledig in een veengebied bevindt. Rond de jaartelling groeiden de lokale hoogveengebieden uit tot een aaneengesloten hoogveencomplex, waardoor het gebied lange tijd onbewoonbaar zal zijn geweest.

Het hoogveen wordt gerekend tot de Formatie van Nieuwkoop, Laagpakket van Griendtsveen. In gebieden met een slechte waterhuishouding en afwatering breidde het veen zich ook horizontaal uit. Hierdoor ontstond op het dekzand een licht golvend terrein van koppen (hogere delen) en slenken (lagere delen) en was het hoogveenpakket moeilijk toegankelijk. Het Fochteloërveen is een restant van zo een hoogveengebied. Bijna al het hoogveen in NoordNederland is door ontginningen vanaf de Late Middeleeuwen verdwenen. De menselijke invloed op het landschap wordt verder besproken in paragraaf 4.1.

2.2

Gegevens binnen het plangebied

2.2.1

Geologie

De geologische kaart van Nederland geeft inzicht in de verschillende aardlagen in de ondergrond. De aanwezigheid van specifieke afzettingen biedt inzicht in de ontstaansgeschiedenis van het landschap ter plaatse. Volgens de geologische kaart (Figuur 10) bevindt het plangebied zich bijna volledig binnen de geologische zone Dr2: Laagpakket van Gieten (Formatie van Drenthe) met een dek van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden (grondmorene met een zanddek). Dit betreffen Pleistocene afzettingen welke vaak aan maaiveld voorkomen. Waar de Fochteloërveenweg een bocht neemt ligt het plangebied in de geologische zone Ni5: Laagpakket van Griendtsveen (Formatie van Nieuwkoop; veen). Dit betreft een laat-Pleistoceen tot Holocene afzetting welke veelal aan maaiveld voorkomt.

23

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Figuur 10: Het plangebied op de geologische kaart van Nederland.

2.2.2

Geomorfologie en bodem

Op basis van de geomorfologische kaart (Figuur 11) bevinden zich meerdere landvormen binnen het plangebied. In het noorden ligt het plangebied voor een klein deel binnen een grondmorenewelving, een landvorm ontstaan door glaciale processen oftewel door de aanwezigheid van landijs tijdens het Saalien. Hieronder en aan de noordoostelijke kant van de Fochteloërveenweg ligt het plangebied in een plateau-achtige veenrest, een landvorm ontstaan door veenvorming. Aan de zuidwestelijke kant van de weg ligt het plangebied in een veenkoloniale ontginningsvlakte, hier is het veen reeds afgegraven en ontgonnen. Tot slot lopen er in het zuiden twee dekzandruggen door het plangebied. Dekzandruggen zijn gevormd door eolische processen (erosie of de afzetting van materiaal door de wind). De dekzandruggen in het hoogveengebied waren eerst bedekt met veen, maar door ontginning, inklinking van de bodem en oxidatie van het veen zijn sommigen weer zichtbaar aan maaiveld. Het is waarschijnlijk dat er nog meer dekzandruggen onder het veenpakket liggen welke momenteel niet zichtbaar zijn. Het plangebied is weergeven op de bodemkaart in Figuur 12. Binnen het plangebied komen de volgende bodemsoorten voor: -AVo: Veen in ontginning. Dit kunnen afgegraven en niet afgegraven delen zijn. Beiden hebben een sterk, in dikte, wisselend pakket veen.

De niet-afgegraven gedeelten zijn begroeid met heide, de afgegraven delen hebben vaak ca. 50 cm teruggestorte bolster. De zand ondergrond bevindt zich meestal binnen 120 cm. -Vp: Vlierveengronden op zand met humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm. Dit zijn rauwveengronden waarbij een moerige eerdlaag, een zavel- of kleidek, een zanddek en een veenkoloniaal dek ontbreken en waarbij niet-gerijpt materiaal dieper begint dan 20 cm. -zVp: Meerveengronden op zand met humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm. Dit zijn rauwveengronden met een zanddek al dan niet met minerale eerdlaag.

24

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

-zWp: Moerige podzolgronden met een humushoudend zanddek en een moerige tussenlaag. In het zanddek kan een minerale eerdlaag zijn ontwikkeld. Deze gronden liggen o.a. vaak in de oude veenkoloniën en in ondiepe depressies van podzolgebieden. -zWz: Moerige eerdgronden met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand. In het zanddek kan een minerale eerdlaag zijn ontwikkeld. -Hn21: Veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand. Dit zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een dunne humushoudende bovengrond. -Hn23: Veldpodzolgronden, lemig fijn zand. Dit zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een dunne humushoudende bovengrond.

Figuur 11: Het plangebied op de geomorfologische kaart.

25

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Figuur 12: Het plangebied op de bodemkaart.

2.2.3

Hoogtebestand AHN

Het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) geeft de precieze en gedetailleerde maaiveldhoogtes van Nederland in meters ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP). De maaiveldhoogtes worden in een kleurenschaal weergeven (Figuur 13). Op de kaart is te zien dat het plangebied in oostelijke en zuidelijke richting geleidelijk hoger komt te liggen. Deze hoogte kan gerelateerd worden aan de ligging op de rand van het Fries-Drents Plateau. De oostelijke dekzandrug, zoals weergeven op de geomorfologische kaart (Figuur 11), is ook goed zichtbaar op de hoogtekaart. De zuidelijke dekzandrug is duidelijk zichtbaar ten oosten van het plangebied maar is naar het westen minder goed waarneembaar.

26

Onze referentie: 30073445 - Datum: 14 november 2023 - Public

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE FOCHTELOËRVEENWEG TE FOCHTELOO

Figuur 13: Het plangebied op het AHN.

2.2.4

Grondwaterpeil

Het grondwaterpeil bepaalt voor een groot deel de mate van conservering van archeologische resten in de bodem. Met name organische resten die zich onder de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bevinden, worden door het water tegen degradatie beschermd. Resten die boven de GLG liggen raken in de loop van de tijd steeds ernstiger aangetast door verdroging en oxidatie. Wanneer de grondwaterstand permanent verlaagd wordt, kan dit leiden tot degradatie van het aanwezige bodemarchief. Diepte en dynamiek van de grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld wordt aangeduid met de term ‘grondwatertrappen’. Grondwatertrappen worden aangeduid met de Romeinse cijfers I-VIII en zijn gebaseerd op de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GHG en GLG, Tabel 4). De grondwatertrappen in het plangebied variëren van III tot VI (Figuur 12). Dit staat gelijk aan een gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80 en >120 cm -Mv en een gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen <40 en 80 cm -Mv. Voor de bodemtype AVo (veen in ontginning) is geen grondwatertrap bekend. Er dient te worden opgemerkt dat dit verschilt van de grondwatertrappen op Bodemdata.nl. Hier valt het plangebied in de grondwatertrappen Ib en IVu, wat overeenkomt met een gemiddeld laagste grondwaterstand tussen <50 en 80-120 cm -Mv en een gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen <25 en 40-80 m -Mv.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=04f981e3-2222-492c-87cb-d68d05cdb60e