Bijlage 3.1 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
4.6.3
Ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving)
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is sprake van het uitoefenen van de activiteit kleinschalige verblijfsrecreatie, aanvullend op het bestaande gebruik van de agrarische grond. Het gebruik van de grond verandert daarmee ten opzichte van het huidig gebruik. Er is echter geen sprake van het slopen van bestaande bebouwing of het vellen van bestaande houtopstanden zoals het kappen van bomen. De bestaande groenstructuur blijft daarmee overwegend behouden, met de toevoeging van enkele nieuwe boom- en struiksoorten. Om deze reden is het uitvoeren van een Quickscan natuurwaardenonderzoek niet noodzakelijk in het kader van voorliggende ruimtelijke ontwikkeling. 4.6.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen negatieve effecten op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en de NNN worden verwacht. Tevens worden er geen negatieve effect op beschermde soorten verwacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor kan het mogelijk zijn dat er een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hier rekening mee te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied Om te beoordelen of in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is, zijn zowel het provinciaal als het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie van belang. Provinciaal beleid De archeologische verwachtingskaart van de provincie Friesland – de FAMKE – bestaat uit twee advieskaarten; één voor de periode Steentijd – Bronstijd en één voor periode IJzertijd – Middeleeuwen. Voor het projectgebied kunnen op basis van deze advieskaarten de volgende conclusies worden getrokken: De advieskaart “Steentijd – Bronstijd” geeft het advies ‘Quickscan’. In deze gebieden wordt vermoed dat eventuele resten al ernstig verstoord zijn, maar dit is niet met zekerheid te zeggen.
De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 een quickscan te verrichten. Van een dusdanige bodemingreep is in voorliggende ontwikkeling geen sprake. Een archeologisch onderzoek kan daarom achterwege blijven. De advieskaart “IJzertijd – Middeleeuwen” geeft het advies ‘karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)’. In deze gebieden bestaat de kans dat er zich huisterptjes uit deze tijd in het projectgebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen. Van dergelijke bodemingrepen is in voorliggende ontwikkeling geen sprake. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Gemeentelijk beleid Eind 2014 heeft de gemeenteraad de Nota Archeologie Gemeente Ooststellingwerf vastgesteld. De archeologische waarden in de gemeente Ooststellingwerf worden weergegeven op de Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart.
De aanvrager van een omgevingsvergunning dient bij voorgenomen bodemingrepen in een terrein of gebied met bekende of te verwachten archeologische waarden eerst een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Gebieden met een lage archeologische waarde of gebieden waarvan bekend is dat de bodem verstoord is, zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart zijn tegelijkertijd met de Nota Archeologie vastgesteld. Een uitsnede van de Archeologische verwachtingskaart is weergegeven in afbeelding 4.4. Hierop is het projectgebied weergegeven met de rode contour. Ter plaatse van het projectgebied geldt een lage verwachting. Tevens is het projectgebied in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, 2016’ niet voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Op basis van het archeologisch beleid van zowel de provincie als de gemeente Ooststellingwerf en het geldende bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling kan worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Een archeologisch vooronderzoek voorafgaand aan de bouw van het bijgebouw is niet noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 4.4
4.7.2
Uitsnede Archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Ooststellingwerf)
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) bepaald dat in een bestemmingsplantoelichting een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop met cultuurhistorische waarden van het gebied rekening is gehouden. Deze bepaling is ook van belang voor de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wro. Artikel 5.20 Bor verwijst immers voor de inhoud van een ruimtelijke onderbouwing naar dit artikel. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Ter plaatse van het projectgebied geldt volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied, 2016’ een dubbelbestemming Cultuurhistorie 1, vanwege de ligging van het projectgebied in het landschapstype ‘woudontginningen’. In paragraaf 1.3.2 zijn de bestemmingsregels behorende bij deze bepaling opgenomen. Hierin is onder andere benoemd wat er binnen deze gronden onder strijdig gebruik wordt verstaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing Op deze gronden geldt dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van strijdig gebruik waarbij verhardingen worden aangelegd die een oppervlakte hebben van meer dan 100 m2. De enige verharding die in voorliggende ontwikkeling zal worden aangelegd is een bijgebouw waarin sanitaire voorzieningen worden ondergebracht. De oppervlakte van dit bijgebouw bedraagt 20 m2. De aanleg van dit bijgebouw is daarmee in overeenstemming met de gebruiksregels behorende bij de voor ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’ aangewezen gronden. Verder bevinden zich in of nabij het projectgebed geen Rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Naast het aanleggen van verhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m2, wordt het verharden van zandpaden en de verharding van klinkerwegen door een asfalt- of daarmee vergelijkbare verharding onder strijdig gebruik verstaan. In voorliggende ontwikkeling wordt op de grotere kampeerplekken en op het pad vanaf de entree naar de westzijde van de minicamping een halfverharding aangelegd. Gezien de aard van de ontwikkeling kan worden beargumenteerd dat deze halfverharding niet in strijd is met de gebruiksregels binnen de voor ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’ aangewezen gronden.
Ten eerste wordt binnen de gebruiksregels aangegeven dat het verharden van zandpaden niet onder strijdig gebruik wordt verstaan ter plaatse van de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’. Ondanks dat het in voorliggend initiatief niet gaat om een functiewijziging, wordt de halfverharding aangelegd ten behoeve van de activiteit ‘kleinschalige verblijfsrecreatie’ waarmee valt te beargumenteren dat de halfverharding past bij het oogmerk van de in de gebruiksregels opgenomen uitzondering. Op basis van artikel 41.3 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, 2016’ kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde ten behoeve van het verharden van zandpaden, mits: a. b.
de maatschappelijke noodzaak hiervoor is aangetoond; er geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met het type verharding dat wordt toegestaan.
De halfverharding binnen voorliggende ontwikkeling wordt aangelegd ten behoeve van de ontsluiting van de gasten van de camping en heeft daarmee een vorm van maatschappelijke noodzaak voor de werking van de camping. Tevens zal de halfverharding worden aangelegd met graskeien of grasbetonstenen om zo aan te sluiten bij de bestaande landschappelijke waarden van het gebied. Daarmee voldoet de halfverharding aan bovenstaande en is deze in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.8
Besluit Milieueffectrapportage
4.8.1
Algemeen
Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn alle toestemmingen waarmee een afwijking van een bestemmingsplan kan worden geregeld in de Wro vervallen. Deze zijn overgegaan naar de Wabo als een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (art. 2.1 lid 1 onder c Wabo). De omgevingsvergunning die in het kader van de milieueffectrapportage relevant is, is de omgevingsvergunning waarmee met toepassing van art. 2.12 lid 1 onder a onder 3o Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor bepaalde activiteiten kan bij plannen en/of besluiten op verschillende gronden ontstaan:
M.e.r.-plicht en artikel 7.2a Wm; M.e.r.-plicht en plannen kolom 3 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage; M.e.r.-(beoordelings)plicht en besluiten kolom 4 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing De eerste twee gronden kunnen voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan niet tot een m.e.r.- (beoordelings)plicht leiden. Ad 1. Op basis van art. 7.2a Wm geldt een m.e.r.-plicht voor wettelijke of bestuursrechtelijke plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is. De omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan is geen wettelijk of bestuursrechtelijk plan. Ad 2. Een m.e.r.-plicht kan ontstaan voor plannen in kolom 3 ter realisatie van activiteiten uit kolom 1 met de bijhorende gevallen in kolom 2 in de onderdelen C en D. Een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan wordt in het Besluit milieueffectrapportage niet gezien als een plan (dit wordt nergens genoemd in kolom 3 van de onderdelen C en D). Ook wordt in onderdeel A van de Bijlage de omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan voor wat betreft kolom 3 niet gelijk gesteld met een bestemmingsplan. Voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan kan alleen de laatste grond tot een m.e.r.(beoordelings)plicht leiden. 4.8.2
Situatie plangebied
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd is onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee is er geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 10 van de bijlage Besluit milieueffectrapportage wordt “de aanleg, wijziging of uitbreiding van (..) d. permanente kampeer- en caravanterreinen” genoemd. Hiervoor geldt dat een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3. 4.
250.000 bezoekers of meer per jaar; Een oppervlakte van 25 hectare of meer; 100 ligplaatsen of meer of; Een oppervlakte van 10 ha of meer in een gevoelig gebied;
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een minicamping van maximaal 15 kampeerplaatsen. De oppervlakte van de minicamping bedraagt circa 0,6 hectare. Hiermee valt de voorgenomen ontwikkeling niet onder één van de gevallen als genoemd in onderdeel D 10 van de bijlage Besluit milieueffectenrapportage. Verder is in paragraaf 4.5 al geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat uit het oogpunt van milieuzonering. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een m.e.r.-(beoordelings)plicht.
4.9
Wateraspecten
4.9.1
Vigerend beleid
4.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing 4.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 4.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Friesland ‘De Romte Diele’ wordt uitgebreid ingegaan op de wateraspecten. De ambities zijn gericht op het op peil houden van de kwaliteit en kwantiteit van het (grond)water. Hierin neemt de provincie vooral de verantwoordelijk voor belangen die de hele provincie raken. Taken in de leefomgeving worden in principe uitgevoerd door gemeenten en waterschappen. Gezamenlijk werken deze drie instanties zo aan de opgave om Friesland in 2050 water-robuust en klimaatbestendig te maken.
4.9.1.4 Beleid Wetterskip Fryslân In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen voor de komende jaren, de strategische keuzes en de financiële consequenties daarvan. Het bestuur wil in de planperiode richting geven aan goed, efficiënt en betaalbaar waterbeheer, nu en in de toekomst. Speerpunten uit het bestuursprogramma worden uitgewerkt in het Waterbeheerplan (WBP). Enkele speerpunten zijn: 4.9.2
Zeedijken, boezemkaden, duinen en andere waterkeringen onderhouden en ervoor zorgen dat ze aan de veiligheidsnormen voldoen; Grond- en oppervlaktewaterpeilen regelen en het watersysteem onderhouden; De inrichting van het watersysteem afstemmen op de functies en wensen van gebruikers; Initiëren van het project Wateractieve Stad. Hiermee onderzoeken we de effecten van klimaatverandering in het stedelijk gebied; De waterkwaliteit monitoren en indien nodig verbeteren; Lozingen en emissies van bedrijven en onze eigen zuiveringsinstallaties reguleren en hierop toezien. Waterparagraaf
4.9.2.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.9.2.2 Watertoetsproces BJZ.nu heeft het Wetterskip Fryslân geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets van toepassing is. 4.9.2.3 Wateraspecten en aandachtspunten Het Wetterskip Fryslân verstrekt voor de korte procedure standaard een wateradvies.
Hieronder staan de eventuele wateraspecten die van invloed zijn op het plan en aandachtspunten om mee rekening te houden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Zie de ‘Leidraad watertoets’ voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân.
Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Gebied Boezem Polder Vrij afstromend
Stedelijk ( > 200 m2) 5% 10% Maatwerk mogelijk
Landelijk ( > 1.500 m2) 5% 10% Maatwerk mogelijk
5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; de algemene regels Keur (beheerverordening van waterschappen) zijn in de bovenstaande tabel verwerkt; maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater.
Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. 4.9.2.4 Situatie projectgebied Het uitgangspunt van Wetterskip Fryslân is dat er in de basis moet worden uitgegaan dat de toename van het verhard oppervlak in het gebied voor 10% moet worden gecompenseerd in de vorm van waterberging. Deze 10%-norm is vooral bedoeld om het waterbelang in ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van een flinke toename van het percentage verharding voldoende te borgen. In voorliggend geval is er sprake van een zeer beperkte toename van verharding in een projectgebied welke overwegend bestaat uit groen en een vijver. De vijver zal hierin fungeren als waterberging. De inrichting van het projectgebied kan de gevolgen van de toename van verharding daarmee naar verwachting zonder problemen opvangen. 4.9.3
Conclusie
Er wordt geconcludeerd dat het wateraspect geen belemmering vormt voor voorliggende ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5 5.1
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de indiening van de omgevingsvergunning zullen de wettelijk vastgestelde procedures worden gevolgd. Het ontwerpbesluit en latere definitieve besluit op de aangevraagde omgevingsvergunning zullen gedurende de wettelijk vastgestelde termijnen ter inzage worden gelegd. Hierbij kan eenieder zijn of haar zienswijze kenbaar maken. De zienswijzen zullen worden betrokken in de uitwerking van de definitieve omgevingsvergunning. De directe belanghebbenden worden door de initiatiefnemer geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling. Dit participatietraject zal in medio juni uitgevoerd. Centraal staan de extra verkeersbewegingen die door de camping worden gegenereerd. Het extra verkeer zal gebruik maken van de al bestaande weg Frankrijk, waaraan nog vijf andere woonadressen zijn gevestigd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6
VOOROVERLEG
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
6.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom kan worden afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
6.2
Provincie Friesland
De ontwerp-omgevingsvergunning wordt voor advies naar de provincie Friesland gestuurd.
6.3
Wetterskip Fryslân
Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van toepassing is, waarmee er door het Wetterskip Fryslân een positief wateradvies is gegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 7
CONCLUSIE
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is onderzocht of de realisatie van een minicamping aan Frankrijk 4, Nijeberkoop in de gemeente Ooststellingwerf in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het initiatief is beoordeeld in relatie tot de relevante beleidsuitgangspunten uit zowel het Rijks- provinciaal als gemeentelijk beleid. De uitkomst van deze analyse is dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met deze uitgangspunten. Tevens is de ontwikkeling getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten waar een goede ruimtelijke onderbouwing aan dient te voldoen. Hierbij is ingegaan op hoe de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid en wetgeving ten aanzien van de betreffende milieu- en omgevingsaspecten. Hierin is in beeld gebracht welke effecten de ontwikkeling heeft op het projectgebied en de directe omgeving en omgekeerd: welke effecten de directe omgeving heeft op de voorgenomen ontwikkeling. De realisatie van de minicamping zorgt hierin niet voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Er wordt geconcludeerd dat de realisatie van de minicamping ter plaatse van het perceel Frankrijk 4, Nijeberkoop in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Omgevingsvergunning Frankrijk 4, Nijeberkoop Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1
AERIUS-berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32