Bijlage 2 - BP Bakkeveensterweg 13 Waskemeer
Tekst van het document
beoordelen, als de gewenste ontwikkeling ervan te identificeren. Op basis hiervan kunnen ook richtlijnen of criteria worden vastgesteld voor het welstandsbeleid dat wordt gevoerd.
4.3.1 Rijwoningen De rijwoningen staan haaks op de weg gesitueerd en gelegen achter de bestaande woningen op het erf net als de meeste schuren in het buitengebied. Bijgebouwen liggen achter het hoofdgebouw en zijn ondergeschikt. De panden bestaan uit 1 of 2 bouwlagen met kap. De rijwoning bestaat uit 4 wooneenheden. De gevels zijn van metselwerk, waarbij de topgevel soms van hout is. Het metselwerk is bleek en het schilderwerk is traditioneel. De nokrichting staat haaks op de weg en de daken bestaan uit antracieten pannen. Panden hebben een eenvoudige detaillering. Zonnepanelen worden geplaatst op de zuid gerichte daken net onder de nok.
hebben een symmetrische opzet. De woningen in de kern zijn gericht op de openbare ruimte. De compositie van de gevels zijn traditioneel. De gevels zijn van metselwerk, waarbij de topgevel soms van hout is. Het metselwerk is bleek en het schilderwerk is traditioneel. De nokrichting staat haaks op de weg en de daken bestaan uit antracieten pannen. Panden hebben een eenvoudige detaillering. Per blok is er niet veel variatie in kleur en materiaal. Accenten in metselwerk wel mogelijk. Bijgebouwen zijn van dezelfde materiaal als het pand, soms afwijkende houten bijgebouw. Zonnepanelen worden geplaatst op de zuid gerichte daken net onder de nok.
de openbare ruimte. De compositie van de gevels zijn traditioneel. Zonnepanelen worden geplaatst op de zuid gerichte daken net onder de nok.
4.3.2 Twee-onder-een-kap woningen De twee-onder-een-kap woningen staan recht op de weg gesitueerd. Bijgebouwen liggen achter het hoofdgebouw en zijn ondergeschikt. De panden
4.3.3 Vrijstaande woningen De vrijstaande woning staat recht op de weg gesitueerd. Bijgebouwen liggen achter het hoofdgebouw en zijn ondergeschikt. De woningen in de kern zijn gericht op
Het beeldkwaliteitsplan heeft betrekking op hoe de gebouwen eruitzien en hoe de tuinen en erven worden ingericht. De onderlinge samenhang tussen de gebouwen en de relatie tussen de gebouwen en de openbare ruimte zijn essentieel voor de beoogde kwaliteit van de locatie. Door van tevoren beeldkwaliteitseisen vast te stellen, krijgen initiatiefnemers en de omgeving duidelijkheid over de kwaliteitsnormen waaraan de bebouwing moet voldoen. De welstandscommissie vervult een deskundige rol door tijdens de ontwikkeling van het bouwproject toezicht te houden, te beoordelen en advies te geven op basis van het beeldkwaliteitsplan.
4.3
15
Het gemeentelijke grondgebied is verdeeld in verschillende ruimtelijke eenheden, en het plangebied valt onder nummer 7.1, genaamd “Waskemeer dorpskern”. Hier worden aspecten als plaatsing, hoofdvorm, aanzichten, opmaak en diversen beoordeeld op handhaven, respecteren en incidenteel veranderbaar.
Aspecten
27-11-2023 - 22AF250 - WONINGBOUW WASKEMEER
4.3.4 Overige De openbare ruimte is eenvoudig ingericht.
AD FONTEM - RUIMTELIJK ADVIES
REFERENTIEBEELDEN Twee-onder-een-kap en vrijstaande woningen
16
27-11-2023 - 22AF250 - WONINGBOUW WASKEMEER
AD FONTEM - RUIMTELIJK ADVIES
REFERENTIEBEELDEN Rijenwoning
17
27-11-2023 - 22AF250 - WONINGBOUW WASKEMEER
AD FONTEM - RUIMTELIJK ADVIES
ad fontem RUIMTELIJK ADVIES STEDENBOUW L A N D S C H A P
Wij maken plannen binnen uw ruimte! AD FONTEM RUIMTELIJK ADVIES | ‘HET SPANJAARD’ | STATIONSSTRAAT 37 | 7622 LW BORNE | T 074-2557020 | E INFO@AD-FONTEM.NL
ad fontem RUIMTELIJK ADVIES STEDENBOUW L A N D S C H A P
ad fontem RUIMTELIJK ADVIES STEDENBOUW L A N D S C H A P
Bijlage 2
Stedenbouwkundige schets
bestemmingsplan Bakkeveensterweg 13 Waskemeer NL.IMRO.0085.Bakkeveensterweg-VG01
23
8-D
DKB00-11482-B
6,21
5,82 5,37
5,39
24
6,09
6,36
DKB00-7566-B
6,45 6,24 6,26
6,28 5,82 5,51
6,07
6,24 5,56
Geluidbelasting t.g.v. Bakkeveensterweg, inclusief 5 dB aftrek
6,14 6,336,35
6,20
6,12
23.098
6,41
6,38
5,91 5,47
6,61 6,52
5,53 5,57 6,11 6,35
op 4,5 meter hoogte
5,42 5,46 5,94
6,13
6,53
6,50
6,43
6,52
6,50
6,21
6,52 6,49
5,47 5,95 6,54
6,49
6,52 6,57
6,07
6,41
6,48
5,47
6,58
6,08
6,21 6,15
6,19 6,32
6,52 5,50 200 105,50 els
6,29
6,07
6,49 6,56
6,41
6,59
6,35
6,43 6,53
6,53
6,45
6,46
200
6,40
6,61 6,61
6,53
6,31
500
500
20
20 6,31
6,34
6,29
600
600
20
20
berk
berk
6,15
5,63 5,49 5,57
6,336,35 5,98
6,42
Wegen Grids Gridpunten Bodemgebieden Gebouwen
6,28 6,13 6,13
6,22
6,12
uithaalpunt mest
6,52
els
6,526,59
6,630
6,56
6,49 6,51
6,34
6,50 6,44
5,39
els
6,42
6,41 6,49
6,62
15
5,42 5,95 200 15
6,50
6,49
6,45
5,98 6,52
6,51
6,47
6,12 6,13
6,19
6,63
PVC 160
6,54
6,27
6,18
6,11 6,20
6,51 6,57
6,14
6,00 5,48 5,56 5,53
6,32
6,336,36
6,48 5,43 5,85
5,38
6,27 6,46 6,56
6,23 6,37 600 25 eik 6,47
6,38 6,12
6,36 6,53
6,15
5,535,57 6,00
6,04 400 6,09
20
600
els
6,58
els
6,35 6,38
6,56
6,38
6,42 gras beton
5,53
6,29
5,54
6,26
47 m
11
564050
6,16 6,44 6,41
600
5,505,54 5,90
6,14
6,41
25
periode: groep:
Lden Bakkeveensterweg Inclusief groepsreducties
eik
6,33
6,34
6,52 6,41
5,89 5,55,57 6,20
6,521
6,49 6,49
6,60
6,59
6,26
6,35 6,37
6,40
35 6,31 els
5,435,49
6,42 6,19
6,635 6,46
600
5,90
0 - 48 dB 48 - 53 dB 53 - 56 dB 56 - 58 dB 58 - 60 dB 60 - 63 dB 63 - 99 dB
6,53 6,51
6,46 5,91
6,11
6,54
6,62
6,28
5,50 5,54 5,98 5,72
100 5
5,73
els
6,38
6,35
6,51
6,52 6,30
6,45 6,44
6,42 6,42
6,34
5,89 5,57 5,49 6,27
6,20 6,54
6,26
6,47
6,26
53
6,26
6,27 6,29
5,62 5,64
48
6,02
6,30 6,31 6,39 6,42 6,39 6,40 6,416,42
6,45
6,26
6,31
6,63
6,24
6,21
100 5 eik
6,54
6,51
6,36 6,30
5,50 5,546,02
6,51
6,51 6,39 6,32
6,30
5,87
6,51 6,64 6,50
6,27
6,49
6,07
6,41 6,316,33
6,51 6,57 6,52 6,53
pvc tbv uithalen mest uit kelder
6,22
5,655,66 5,99
6,40 6,30 6,15 6,17
6,21
6,22 6,46 6,39 6,40 6,38
6,26
6,47 6,54
6,26
6,47 6,44
6,46
6,29
6,56
6,22 6,12 5,82 5,79 6,01 6,13
6,46
6,47 6,45
6,31 6,30
5,41 5,50
6,09
6,36 6,35
6,47
6,03 6,48 6,47
6,26 6,21
700
6,35 6,45
20
600
berk
20
6,49
6,52 6,52 6,52
6,56 6,57
6,46
600
6,43
35
6,32
35
iep
6,33 6,34
6,25
6,42
600 6,50
7,467,46 6,307,477,48
600
iep
iep
6,39
6,51
6,19
6,70
6,65 6,20
6,66
5,98
6,47
6,70 6,774 6,72
6,71
6,62
13
6,04 6,07 6,13 6,10 600
6,701
6,724
6,45
6,42
6,26
58
6,27
6,63
6,56
6,42
mestsilo
6,316,26 6,27 6,24 6,37 ,31 6,36,35 6,27
6,60
6,33 6,33 6,36
6,27
6,41
els 6,46
6,62
6,63 6,57 6,55
6,30
6,44
6,50 6,49
6,46
6,45 6,46 6,48 6,45
6,65 6,65 6,66
6,65 6,44
13
6,46
6,55
6,57
48
6,64 6,66 6,62
6,59
600 15
6,62
6,59 6,56 6,55
6,36
6,68 6,61 6,696,70
6,60
6,57 6,59
6,40
6,405
6,37 6,39
6,47 6,40 6,40
6,60
6,30
6,60 6,73 6,62
6,98
60
6,63
6,66 waterput
6,60
6,98 6,69
6,47
6,23
6,66
6,64
kippenhok
6,56
6,52
500
500
15
20
6,34
6,39
6,40
6,44
6,36
6,00
6,43
6,40 6,41 6,39 6,42 6,36 6,37 6,35 6,37 6,35 6,37 6,35 6,37 6,37 6,35 6,39 6,35 6,36,37 6,37
6,43
6,27
6,29
6,23
6,43
6,18 6,43 6,466,49
6,41
5,61 5,61
6,44
6,29
6,97
6,49 6,49
6,45
6,40 6,42
6,24
6,51
6,48 6,49 6,47 6,47 6,47
6,73
6,68
6,62
6,38
6,42
6,67
6,61
6,59
6,54
6,45
6,38
6,24
56
6,50
6,38
schaal = 1 : 800
6,68
6,41
6,44
6,41
564000
30 m
6,16
6,50 6,52
6,46 6,39 6,31
0m
6,22 6,22
6,54 6,58
35
6,53
6,34
6,06
ca. 6.72 m
22
6,58
6,03
5,39 5,43
5,97
6,40
6,22 6,22
6,27
6,62
6,45 5,365,39
6,27
35
6,42
6,39
5,84
DKB00-8431-B
6,26
6,25 5,83
DKB00-8430-B
6,51
50
5,94
6,41
DKB00-8432-B
6,37
5,88 6,36
6,42
6,03
6,22
5,43 5,89 5,42
6,43 6,38
5,29
5,975,98
behouden ruim
6,22
6,47
6000
6,47 6,48 6,52
6,16
6,13
6,60
6,376,42
6,30
6,52
6,386,39 6,426,32
1100 6,17 6,16
6000
12000
9000
5500
45
6,14
6,16
eik
58
6,11
5000
500
6,46 6,356,38 6,41
20
6,12 6,09
3000
6,20
500
6,11
6,11
35
1000
6,17
6,12
6,10
7000
6,44 6,36 6,44 6,42 6,33 6,33 6,256,26
6,17 6,02
7500
6500
6,17
6,276,31 6,33 6,33 6,43 6,32 6,43 6,43 6,35
els
53
5,31 5,36 5,91
5500
08
6,35 6,30 6,42
6,09
9000
07
5500 8PP
5,335,34
6,42 6,35 6,34
6,30
6,08
5,90
6,14
6,25
200 15
6,33
wilg 6,41
3000
6,10
5,94 6,01
16
6,41
6,33 6,27
56
1000
6,41
6,41
6,29
6,29
6,17
2500
DKB00-19-K
18
6,29
6,05 6,00
6,20
6,49
6,30 6,34
6000
10000
6,15
6,04
6,15
6,11
6,30 6,30 6,28 6,39 6,40 6,32 6,32 6,42 6,42 6,33 6,33
6,12
6277
5,31
6,61
6,17
6,16
1200 5,39 5,44 45 eik
6,15
5,26
5,43 5,37
6,13 6,08
6,30
5,966,06 5,92
6,47 6,50 6,48 6,54 6,16
6,20
eik
48
6,19
6,18
5,24
6,16 6,20 6,05
6,19 6,18
6,11 6,18
12000
563950
5,52 5,43
appel
6000
6,016,05 5,25
30
6,15
09
10000
6,15
800
appel
5,34 5,39 5,91
watergang breedte
5,26
6,23
30
6,18
3000
6,16
800
boerenerf
3000
6,20
talud 2m 1 6,15
5,84
6,22
aan sloot tbv
6,13
10000
5,93 5,99
Oppervlakte grasland 5,85
6,21
6,15
insteek talud - insteek
5,24
doorzetten tot 788
912
10
6,21
2285 m2
6,22 6,09
5,92
6,24
6,27
6,27
6,20
6,10
6,15
20 6,30
Bakkeveensterweg
5,23
20
Bakkeveensterweg
5,91
bestaande haag
DKB00-11376-B
10000
6,22
6,52 6,20 6,24 6,25 6,24
6,05
600
6,28
2m
6,28
5,31
6,17
6,21 6,216,19
6,33
6,45
600
25
6,34 6,21
6,43
700
6,38
6,036,11
6,39
6,07 6,13
6,32 6,39 6,33 6,40 6,34 6,40
6,31
6,12 6,37 6,39
1000
6400
5,345,34 5,82
06
6,11
DKB00-11108-B
6,33
6,34
05 13000
9000
04
6,09
6,00
6,34 3 6,44
1000
6,33
6,41 5,86 5,91
6,14
6,28
3000
6,30
02
DKB00-1049-K
6,30
9000
6,38 6,38 6,32 6,34 6,40 6,32 6,37 6,27
3500
6,12
6,13
5,49
6,25
3950
6,12 6,22
5,88
2m
5,92 5,94
1000
5,92
5,33 5,34
3000
6,02
5,33 5,35
2 10 6,39 wilg 6,28
6,32 6,19
5,945,96
5,95
5,97
6,41 6,16 6,17
6,37
5,35
2 15
6,02 6,01 5,68
5,34 5,41
5,71
5,39
5,69
5,41
6000
6,22
6,17
6,22
wilg 6,36 6,43 6,32 6,42 6,40 6,31 6,31
5,33 5,30
5,39 5,32
5000 37500
DKB00-1050-K
6,34 6,12
5,26
6,29
14A
6,41
6,26
30 5,22 eik
5,87 5,85
26500
6,40 6,29 6,31
6,26
6,02
600
5,83 5,93
5,32 5,28
6,52
DKB00-1053-K
6,31
6,22 5,79
5,34
6,41
6,26 6,27 6,37 6,31 6,38 6,32 6,40
6,28 5,29 5,26 5,80 5,91
5,33
14B
6,28 6,26
6,13
5,92
6000
10000
01
DKB00-1384-K
6,32 6,42
01
6000
5,315,34 5,72 5,89 5,84
5,98
6,01
5,32
20 wilg 6,41
6,01 5,29
3
6,35
6,05
5,25
6,41 6,29
6,36
6,10
5,44
6,37
6,16
6,43
6,32 6,33
5,90
14000
563900
wilg
6,30
6,29
6,05
6,07
15
6,30
5,245,25 5,73 5,93
1000 10000
5,17
6,07
14C
6,34 6,36 6,43
6,01
6,04
5,99
6,31
6,34
6,39
6,07
5,25
6,38 6,42
els
5,94
5400
6,11
5,18
30
8PP
03
6400
5,94
6,43
6,30 6,31 6,31 6,38 6,41 6,31
600 6,01 5,92
DKB00-1110-K
300 6,37 6,41 6,34 20 6,41 6,32 6,41 6,33 wilg
6,25
6,16
6,05
5000
5400
5400
48
6,15 6,08
53
4500
6,43
6,29 5,225,28 5,79
6,08
5,44
DKB00-1109-K
6,36 6,36 6,43
6,32 5,99 5,93
5,98
5400
5400
5,976,02
6,42
6,04
5,99
5,23
5,23
200 6,42 wilg 6,41
6,32 6,32
6,13
5,85
6,35
10 6,63
6,28
5400
6,13
6,25
5,44
6,29 6,48
6,31
6,32 6,33 6,40
DKB00-1773-K 14 11C 214900 214950 RMG-2012, wegverkeer, [versie van Gebied - eerste model november-2023 ] , Geomilieu V2022.4 Licentiehouder: Munsterhuis Geluidsadvies B.V. DKB00-1941-K
215000
11B
DKB00-1940-K
Figuur 2 DKB00-1778-K
12
11A
11
DKB00-34-K
DWD00-117-D
De Kromten
9
Bakkeveensterweg
10
Kaveltekening Bakkeveensterweg 13
8
Stationstraat 37 7622 LW Borne T. 074-2659966
DKB00-1540-K DKB00-1186-K DKB00-44-K
DKB00-1754-K Stationstraat 37 7622 LW Borne T. 074-792 00 10
schaal:
1:250
Formaat:
A0
Projectleider:
-
Getekend:
JB.
Fase:
Voorontwerp
Opdrachtgever: Kroon-B.V. Stationsstraat 37 7622 LW Borne Tel. 074-792 00 10
Datum: 24-04-2023 a: 01-05-2023 b: 25-05-2023 c: 09-06-2023 d: 21-06-2023 e: 26-06-2023 Werknr.
23-003
Bijlage 3
Aanmeldnotitie m.e.r.
bestemmingsplan Bakkeveensterweg 13 Waskemeer NL.IMRO.0085.Bakkeveensterweg-VG01
25
Aanmeldnotitie m.e.r. BAKKEVEENSTERWEG 13 WASKEMEER
info@ad-fontem.nl
www.ad-fontem.nl
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
074 255 7020
Aan Gemeente Ooststellingwerf ’t Oost 11 8431 LE OOSTERWOLDE
Borne, 14 november 2023
Ons kenmerk
22AF250
Bijlagen
--
Betreft
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling woningbouwlocatie Bakkeveensterweg 13 Waskemeer
Geacht college,
Wij zijn bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor woningbouw aan de noordzijde van Waskemeer, aan de Bakkeveensterweg. Hierbij zal het aantal woningen per saldo toenemen. Sinds 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer er sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar onder de drempelwaarde blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij het ontwikkelen van klein ruimtelijk is een aanmeldnotitie nodig.
Kenmerken van het betreffende project In Waskemeer is voor de komende jaren behoefte aan nieuwbouwwoningen. Het huidige woningaanbod is zeer beperkt en kan voor de komende jaren niet de behoefte voor (nieuwbouw)woningen voorzien. Dit plan voorziet in een uitbreiding van de kern Waskemeer met 11 woningen, waarbij tevens voormalige agrarische bedrijfsbebouwing (perceel Bakkeveensterweg 13) wordt verwijderd. Op basis van het geldende bestemmingsplan is deze woningbouw niet mogelijk, daarvoor is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het planologisch – juridisch kader voor deze ontwikkeling. A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
In figuur 1 is de toekomstige situatie weergegeven.
Figuur 1: Toekomstige situatie (bron: Ad Fontem) De nieuwe woningen worden landschappelijk ingepast in combinatie met waterhuishoudkundige voorzieningen, infrastructuur en parkeervoorzieningen. Daarmee is de beoogde ontwikkeling op een kwalitatief goede wijze in te passen en voldoende rekening gehouden met de omgeving.
Plaats van project Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Waskemeer, langs de Bakkeveensterweg, aansluitend aan de bestaande bebouwing. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Donkerbroek, sectie B perceelnummer 11376 en 11377 (gedeeltelijk).
Kenmerken van de potentiële effecten Zoals is aangegeven maakt het plan de realisatie van extra woningen mogelijk. Voor wat betreft de
feit dat voor de nieuwe woningen flexibele bouwmogelijkheden zijn opgenomen, geldt dat in de onderstaande milieueffecten gerekend wordt met de meest kwetsbare/milieubelastende kenmerken. Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Voor het plangebied binnen de gemeente Ooststellingwerf gelden de volgende uitgangspunten: Verkeersgeneratie -
Stedelijkheidsgraad:
niet stedelijk
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
potentiële milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten relevant. Gelet op het
-
Zone:
rest bebouwde kom
De 7 woningen tussen het perceel Bakkeveensterweg 13 en de bestaande woningbouw worden ontsloten via drie aan te leggen inritten/ontsluitingen op de Bakkeveensterweg. De weg kent daar een maximumsnelheid van 30 km/uur. De andere rijwoning zijn gepland op het (voormalig) agrarische erf van Bakkeveensterweg 13 en zullen ontsluiten via een aan te leggen inrit, waar de weg een maximumsnelheid kent van 60 km/uur (en buiten de bebouwde kom valt). De nieuwe woningen zullen maximaal 89 extra verkeersbewegingen opleveren. Daarentegen zal er geen sprake meer zijn van verkeersbewegingen als gevolg van het agrarische bedrijf. De Bakkeveensterweg is een ontsluitingsweg voor het verkeer van de kern Waskemeer in noordelijke richting. Het verkeer zal zich op de Bakkeveensterweg in noordelijke en zuidelijke richting verspreiden. Deze weg kan deze extra verkeersbewegingen op veilige wijze kunnen verwerken.
In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
•
Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
•
woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
•
kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario, waarbij de verkeersgeneratie van de extra woningen én de verkeersgeneratie in het vigerende bestemmingsplan wordt betrokken, kan het aantal verkeersbewegingen op 89 per dag extra worden gesteld. Er zal in beperkte mate sprake zijn van
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
vrachtverkeer in het plangebied, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet is.
Figuur 2: worst-case berekening luchtkwaliteit vanwege extra verkeer (bron: Ad Fontem) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Water Het hemelwater van de woningen zal worden opgevangen op eigen terrein en geïnfiltreerd. In het plangebied bevinden zich watergangen die behouden blijven. Achter de woningen (westzijde) zal een nieuwe watergang worden gerealiseerd die ruimte biedt voor waterberging. Deze watergang dient als compensatie voor de toename aan bebouwing in het plangebied. Het woningbouwplan heeft geen negatieve milieugevolgen voor de omgeving.
Geluid Voor het aspect geluid wordt gekeken naar de externe werking en gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. De beoogde functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving.
Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die
a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
aan weerszijde een breedte heeft van:
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh. Het plangebied ligt aan de Bakkeveensterweg, waarvan (grenzend aan het plangebied) een klein gedeelte in het buitengebied ligt en een snelheid van maximaal 60 km/uur geldt. Het grootste gedeelte van het plangebied grenst aan het deel van de Bakkeveensterweg waarvoor een 30 km/uurzone geldt. Voor deze planontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd door Munsterhuis geluidsadvies (d.d. 3 mei 2023, projectnr. 23.098), zie bijlage 1. Het onderzoek is uitgevoerd door middel van de Standaard Rekenmethode II, zoals beschreven in het ‘Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012’. De wettelijke voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai, per weg, ligt op 48 dB voor geluidgevoelige bestemmingen. Het uitgangspunt van de Wet geluidhinder (Wgh) is dat in nieuwe situaties zo veel mogelijk dient te worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.
Uit het onderhavig onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken. •
Uit de resultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Bakkeveensterweg wordt overschreden op alle woningen. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden op meerdere gevels per woning. De maximale geluidbelasting bedraagt 54 dB;
•
Maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen tot aan de voorkeursgrenswaarde stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard;
•
Er kan een hogere waarde aangevraagd worden van 53 dB voor de woningen 1 en 2 (zuidelijke woningen) 52 dB voor de woningen 3 t/m 8 , 53 dB voor woning 9 en 10 en 54 dB voor woning 11;
•
Het blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van meerdere gevels de 53 dB overschrijdt, zie tabel 5 van het onderzoeksrapport. Daarmee wordt voor deze gevels niet voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Extra geluidwerende voorzieningen zijn voor deze gevels noodzakelijk. Dit zal in een gevelweringsonderzoek
van 53 dB. Met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor het realiseren van de voorgenomen plannen en is er sprake van een aanvaardbaar 'woon- en leefklimaat'.
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
moeten worden aangetoond. Voor de overige gevels wordt voldaan aan de maximale waarde
Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Woningbouw betreft geen functie als gevolg waarvan bodemverontreiniging verwacht wordt.
Kruse Milieu BV heefteen verkennend (asbest)bodemonderzoek (d.d. 10 januari 2023, projectcode 22074316) uitgevoerd voor het plangebied, om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen, zie bijlage 2. Dit onderzoek is uitgevoerd conform de NEN5740 en NEN5707. Naar aanleiding van het vooronderzoek (NEN5725) worden de locaties van een druppelzone en van een voormalige bovengrondse gasolietank als 'verdacht' beschouwd. De bovengrond wordt ter plekke van het erf beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De onderzoekslocatie is als onverdacht beschouwd voor chemische componenten.
Uit het onderzoek komt het volgende naar voren: In het grondwater (PB 1 en PB 2) zijn enkele licht tot matig verhoogde concentraties aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG I - Erf, BG II - Erf, BG III - Weiland, BG IV- Weiland), de ondergrond (OG I - Klei en OG II - Zand) en het grondwater (PB A1) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Gesteld wordt dat de matig verhoogde barium- en zinkgehalten zijn toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden, daarom is besloten af te zien van een nader onderzoek.
In de mengmonsters van fijne fractie MM FF - 01 en MM FF - 03 is geen asbest aangetoond. In het
asbestgehalte ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - B is asbest aangetoond in een gehalte hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Een nader asbestonderzoek ter plekke van de druppelzone B kan meer inzicht in de omvang van de verontreiniging geven.
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 is asbest aangetoond, maar is het gewogen
Het asbestgehalte is hoger dan de interventiewaarde. De druppelzone heeft een lengte van circa 45 meter. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op 45 m x 1 m x 0.5 = circa 25 m³. Sanering van de verontreiniging is noodzakelijk voor mogelijke herontwikkeling van het terrein. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Friesland). Voorafgaande aan de sanering dient een BUS-melding of saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.
Slotconclusie uit rapport De vastgestelde verontreiniging ter plekke van de druppelzone heeft invloed op de financiële waardering van het terrein. Bij verkoop van het terrein heeft de verkopende partij informatieplicht tegenover de koper over de verontreinigingssituatie. De asbestverontreiniging ter plekke van de druppelzone dient te worden gesaneerd wanneer het terrein wordt herontwikkeld en een andere (gevoeliger)bestemming krijgt. De verontreiniging ter plekke van de druppelzone mag niet zonder toestemming van het bevoegd gezag worden verminderd of verplaatst. De bodem wordt, na eventuele sanering, geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Met inachtneming van de genoemde maatregelen, vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor deze planontwikkeling.
Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).
Natuurbank Overijssel heeft een quicksan voor de Wet natuurbescherming voor het plangebied uitgevoerd (d.d. 2 mei 2023, projectnummer 5200), zie bijlage 3. Met deze toetsing moet duidelijk
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming; Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Friesland. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming.
gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wél uitgesloten
Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien beplanting wordt verwijderd en de stallen worden gesloopt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een vaste (winter)rust en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘doden’ en `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Initiatiefnemer dient in het kader van de zorgplicht echter alles in het werk te stellen om het onnodig doden van beschermde dieren te voorkomen. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dient gepoogd te worden de dieren weg te jagen of om ze te vangen (om elders los te laten). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor verschillende voorkomende
Slotconclusie •
Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels;
•
Geen beschermde zoogdieren en amfibieën onnodig doden (zorgplicht);
•
Stikstofberekening uitvoeren;
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
diersoorten tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Stikstofdepositie Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer drie resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van stikstofgevoelig natuur in beschermde Natura-2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningsvrij waren is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden.
De wet maakte een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling was van toepassing voor de bouw-, aanlegen sloopactiviteiten van projecten. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak Porthos echter de partiële vrijstelling van tafel geveegd. Dit betekent dat bij een stikstofberekening (AERIUS) zowel de aanleg- als gebruiksfase meegenomen moeten worden. In bijlage 4 is de stikstofberekening opgenomen.
De AERIUS-berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2023.0.1. Voor de berekening is gerekend voor het rekenjaar 2024, omdat het woningbouwplan naar verwachting pas in dit jaar kan worden uitgevoerd i.v.m. het doorlopen van de ruimtelijke procedure. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. In de bijlage van het onderzoek is een uitdraai van de resultaten van de AERIUS Calculator opgenomen. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming.
Aanleg- en gebruiksfase De totale NOx-emissie in de aanleg- en gebruiksfase bedraagt voor het rekenjaar 2024 in totaal 41,4 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,2 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit zowel in de aanlegfase van de ontwikkeling
dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase is er dan ook geen sprake van een meetbare depositie. Gelet op het vorenstaande wordt een nader onderzoek derhalve niet noodzakelijk geacht. De AERIUS Calculator 2023.0.1 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000- gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
als in de gebruiksfase niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied
uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator 2023.0.1 zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.
Externe veiligheid Binnen het plangebied worden geen risicobronnen opgericht aangezien er enkel sprake zal zijn van woningbouw. Woningen betreffen geen objecten die relevant zijn als risicobronnen inzake externe veiligheid. In de omgeving van het plangebied bevindt zich ten noordwesten van het gebied twee aardgasleidingen. In figuur 4 is een fragment van de risicokaart weergegeven waarop de aardgasleidingen zichtbaar is. Het plangebied is in rood omcirkeld.
Figuur 3: Uitsnede risicokaart (bron: Atlas voor leefomgeving)
meter van het plangebied. Rondom de tank geldt brand- en explosieaandachtsgebied (de cirkels). Deze gebieden liggen op ruim voldoende afstand van het plangebied. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 488 m van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied:
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
De dichtstbijzijnde risicobron is een opslagtank (propaan/propeen) op een afstand van minimaal 488
•
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
•
zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
•
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
•
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
Voor het overige zorgt de woningbouwontwikkeling op locatie niet voor significant negatieve milieueffecten. De milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn beperkt te noemen.
Hoogachtend, Namens onze opdrachtgever
Ad Fontem BV G. Minkjan
1.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
2.
Verkennend (asbest) bodemonderzoek
3.
Quickscan natuurwaarden
4.
Stikstofberekening
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Bijlage
Ad Fontem ruimtelijk advies
074 255 7020
Stationsstraat 337
info@ad-fontem.nl
01 7622 LW Borne
www.ad-fontem.nl
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
PLANSCHADERISICOANALYSE RIJKSWEG 127A, LIMMEN
Bijlage 4
Quickscan natuurwaarden
bestemmingsplan Bakkeveensterweg 13 Waskemeer NL.IMRO.0085.Bakkeveensterweg-VG01
40
Quickscan natuurwaardenonderzoek Bakkeveensterweg 13 - Waskemeer
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Bakkeveensterweg 13 te Waskemeer Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Opdrachtgever:
Ad Fontem Ruimtelijk Advies
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 5200 versie 1.0 Ligging plangebied: Bakkeveensterweg 13 te Waskemeer Auteur: B. Wagener
Status: definitief Rapportdatum: 02-05-2023 Veldwerk uitgevoerd door: J. tamminga
1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 2
Het plangebied ......................................................................................................................... 6
2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 8
3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 8 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 9 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 9 Hoofdstuk 4
Toetsingskaders ...................................................................................................................... 10
4.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 10 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................. 10 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ..................................................................................... 10 4.4
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................... 11
4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden ............................................................................................. 11 Hoofdstuk 5
Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 12
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 12 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................... 12 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 13 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 15 Hoofdstuk 6
Soortenbescherming .............................................................................................................. 16
6.1 Methode ................................................................................................................................................. 16 6.1.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 16 6.1.2 Bronnenonderzoek .......................................................................................................................... 16 6.1.3 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 16 6.1.4 Methode per soortgroep ................................................................................................................. 17 6.2 Resultaten .............................................................................................................................................. 18 6.3 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 20 6.4 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 23 6.5 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 23 Hoofdstuk 7
Conclusies ............................................................................................................................... 24
2
SAMENVATTING Er zijn concrete plannen voor een woningbouwontwikkeling aan de Bakkeveensterweg 13 te Waskemeer, gemeente Oostellingwerf. Om dit mogelijk te maken wordt agrarische bebouwing gesloopt, wordt beplanting gerooid en worden de bouwlocaties bouwrijp gemaakt. Nadien wordt het plangebied landschappelijk ingepast met diverse beplanting. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 1 mei 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Friesland. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wél uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien beplanting wordt verwijderd en de stallen worden gesloopt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een vaste (winter)rust en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘doden’ en `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Initiatiefnemer dient in het kader van de zorgplicht echter alles in het werk te stellen om het onnodig doden van beschermde dieren te voorkomen. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dient gepoogd te worden de dieren weg te jagen of om ze te vangen (om elders los te laten).
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor verschillende voorkomende diersoorten tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 3
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde zoogdieren en amfibieën onnodig doden (zorgplicht); • Stikstofberekening uitvoeren;
4
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Er zijn concrete plannen voor een woningbouwontwikkeling aan de Bakkeveensterweg 13 te Waskemeer, gemeente Oostellingwerf. Om dit mogelijk te maken wordt agrarische bebouwing gesloopt, wordt beplanting gerooid en worden de bouwlocaties bouwrijp gemaakt. Nadien wordt het plangebied landschappelijk ingepast met diverse beplanting. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Friesland (Natuurnetwerk Nederland).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
5
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Bakkeveensterweg 13 te Waskemeer, gemeente Ooststellingwerf. Het ligt aan de rand van de woonkern Joure op de overgang van stedelijk naar landelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit bebouwing, erfverharding, beplanting, mestopslag, kavelgrenssloot en grasland. De te slopen bebouwing in het plangebied bestaat uit twee stallen. Beide stallen zijn gebouwd van damwandplaten en bedekt met golfplaten. Ze beschikken niet over een (holle) spouwmuur. Het grasland bestaat uit een intensief beheerde raaigrasvegetatie. Er is geen open water aanwezig in het plangebied. Het plangebied wordt omgeven door verharde openbare ruimte (Bakkeveensterweg) , bebouwd erf en agrarisch grasland. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.
6
Ligging van het plangebied op de luchtfoto. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn gemarkeerd (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl)
7
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om woningen te realiseren. Om dit mogelijk te maken worden twee stallen gesloopt, wordt beplanting gerooid, wordt mestopslag verwijderd en wordt de bouwlocatie bouwrijp gemaakt. De bestaande woning en een enkele schuur blijven behouden. Er worden twee inritten over de sloot langs de oostzijde van het plangebied aangelegd. Nadien wordt het plangebied landschappelijk ingepast met diverse beplanting. Op onderstaande afbeelding wordt een plattegrond van het wenselijke eindbeeld weergegeven.
Plattegrond van het wenselijke eindbeeld (bron: projectontwikkelaar).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Verwijderen erfverharding, mestopslag en beplanting; • Bouwrijp maken bouwlocatie; • Bouwen woningen; • Aanleggen erfverharding, inritten en beplanting;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; 8
•
Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden, het rooien van beplanting en naar de nieuwe gebruiksfase. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan verharde openbare ruimte (Bakkeveensterweg), bebouwd erf en agrarisch grasland. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
9
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
10
•
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming1. Er is dan geen ontheffing nodig.
4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Friesland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Friesland.
4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermd het areaal bos in ons land. Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. De opstand moet buiten het erf liggen. - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000m2); - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
1
Voor voorliggende ontwikkeling is geen gedragscode toepasbaar. 11
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Friesland. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 290 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.