CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Bestemmingsplan 'Landgoed Boschhoeve’

Raadsvergadering 3 maart 2026, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Landgoed Boschhoeve'24.335 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De nesten genieten dan ook alleen tijdens het broedseizoen bescherming. Negatieve effecten van de werkzaamheden op broedvogels waarvan de nesten alleen tijdens het broedseizoen bescherming genieten, kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. •

Het kan niet op voorhand worden uitgesloten dat zich binnen het plangebied/ de invloedssfeer van de werkzaamheden nestplaatsen bevinden van vogelsoorten waarvan de nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn.

2.3 2.3.1

Zoogdieren Vleermuizen

Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op waarden voor vleermuizen. Hierbij is de nadruk gelegd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Ook is gekeken of door of langs het plangebied essentiële vliegroutes van vleermuizen kunnen lopen, of dat er sprake kan zijn van een essentieel foerageergebied. Vleermuizen verblijven voornamelijk in boomholten en gebouwen. Geschikte boomholten zijn niet aangetroffen en/of vallen buiten de beoogde werkzaamheden. Geschikte gebouwen zijn wel binnen het plangebied aangetroffen. De varkensstal, bergingen, loods en open stal (nr. 1-3, 6 en 7) zijn door de open structuur, de afwezigheid van spouwmuren en daklagen, en/of door (licht doorlatende) golfplaten daken minder geschikt voor vleermuizen om te verblijven, door het gebrek aan warmtebuffering en de mate van lichtinval. In het geval van deze gebouwen achten we de kans op de aanwezigheid van verblijfplaatsen zo klein, dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. De stallen en hooischuur naast de gelede woonboerderij zijn wel geschikt voor vleermuizen om te verblijven (nr. 4/5, 8 en 9), bijvoorbeeld door aanwezige ruimtes onder de dakpannen (figuur 2.2).

Gezien het planvoornemen de sloop dan wel interne verbouwing van gebouwen betreft waar vleermuizen kunnen verblijven, kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuisverblijfplaatsen van in de omgeving voorkomende soorten baardvleermuis, gewone en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis (bron: NDFF) niet op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.2. Impressie mogelijkheden voor vleermuizen om binnen het plangebied te verblijven.

Naast verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. Als vliegroute worden, afhankelijk van de soort, waterlichamen, bosranden, bomenlanen of gebouwen gebruikt.

7

Als foerageergebied worden gebieden met groot aanbod aan voedsel gebruikt, zoals waterlichamen, bospercelen en bosschages. De begroeiing in het plangebied en omliggende houtwal en bospercelen kunnen dan ook onderdeel van een foerageergebied en vliegroute vormen voor diverse soorten vleermuizen. Omdat in de omgeving veel vergelijkbare elementen voorkomen, kan op voorhand worden uitgesloten dat het plangebied een essentieel foerageergebied en/of vliegroute voor vleermuizen betreft. Tevens zullen uitgaande van het planvoornemen de houtwal en bospercelen behouden blijven, waardoor negatieve effecten van de werkzaamheden op foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen op voorhand kunnen worden uitgesloten. • •

Negatieve effecten van de werkzaamheden op verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de bebouwing kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van essentiële vliegroutes en/of foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.

2.3.2 Overige zoogdiersoorten Het plangebied is eveneens gecontroleerd op waarden voor overige zoogdiersoorten, naast vleermuizen. De beschermde zoogdiersoorten die in de ruime omgeving van het plangebied voorkomen zijn boommarter, damhert, das, eekhoorn, grote bosmuis en otter (bron: NDFF). Binnen het bosperceel ten noorden van perceel 804 zijn tijdens het veldwerk indicaties van verblijfplaatsen en wroetsporen aangetroffen, waarschijnlijk van das (figuur 2.3-4).

Figuur 2.3. Impressie holen, sporen en ecotunnel bij het bosperceel bij het graslandperceel.

8

Figuur 2.4. Verspreidingsgegevens das 2017 – 2022 in de omgeving van het plangebied, rood kader (bron: NDFF).

In of nabij het plangebied zijn geen grote wateren aanwezig, waardoor het voorkomen van leefgebied van otter binnen het plangebied op basis van habitatgeschiktheid op voorhand kan worden uitgesloten. Voor de overige soorten geldt dat in de bospercelen ten noorden van perceel 804 en zuidelijk binnen het plangebied verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. Van deze soorten (boommarter, damhert, das, eekhoorn en grote bosmuis) mag worden aangenomen dat eventuele verblijflijfplaatsen zich specifiek in deze beboste delen bevinden. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten, aangezien de werkzaamheden zicht beperken tot intensief beheerd weiland en bebouwing. Hierbij gaat hoogstens foerageergebied van das en damhert verloren, dan wel in kwaliteit achteruit. Naar ons inzien zijn er echter genoeg alternatieven aanwezig in de omgeving. Het is wel aannemelijk dat lichter beschermde (vrijgestelde) zoogdieren voor kunnen komen binnen het plangebied, zoals mol en haas (bron: NDFF). Hoewel deze soorten voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld binnen de provincie Fryslân, dient men zich wel te houden aan de voor deze soorten geldende zorgplicht (zie Bijlage I). • •

Negatieve effecten op verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdiersoorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens en/of habitatgeschiktheid op voorhand worden uitgesloten. Voor voorkomende vrijgestelde soorten zoals mol en haas geldt de zorgplicht.

2.4 Reptielen en amfibieën Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen en amfibieën. Uit de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang bekend (bron: NDFF). De waarnemingen van alle soorten concentreren zich voornamelijk in de nabijgelegen natuurgebieden Dellebuursterheide en Schaepedobbe. Van soortgelijk habitat is er binnen het plangebied geen sprake. Het voorkomen van adder, gladde slang, hazelworm en levendbarende hagedis kan op basis hiervan op voorhand worden uitgesloten.

9

De enige soort die een aanzienlijk bredere habitatvoorkeur heeft is de ringslang. In dit geval concentreren waarnemingen zich specifiek op de Dellebuursterheide. De soort wordt in de omgeving van de Bovenweg maar zeer zelden en zeer plaatselijk waargenomen omdat hier weinig geschikt foerageergebied aanwezig is en mogelijkheden tot overwintering en ei-afzet zich vooral beperken tot (randen van) beboste delen en kleine heiderestanten. Uit het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn dan ook geen waarnemingen van de soort bekend. Omdat de werkzaamheden zich hiernaast beperken tot bebouwing en een intensief beheerd weiland, kunnen ook negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soort op voorhand worden uitgesloten. De waarnemingen van uit de omgeving voorkomende beschermde amfibieënsoorten heikikker en poelkikker concentreren eveneens in de bovengenoemde natuurgebieden (bron: NDFF). Er zijn echter ook plaatselijke waarnemingen bekend uit vennen uit de omgeving van de Bovenweg. Zo is de heikikker waargenomen ten zuidoosten van het plangebied, vlak hier buiten. We achten de kans echter uitermate klein dat de heikikker zich voortplant in sloten die grenzen aan de delen van het plangebied waar gewerkt zal worden. Deze sloten ogen namelijk te voedselrijk. Daarnaast heeft het planvoornemen alleen betrekking op bebouwing en op een intensief beheerd weiland.

Deze delen van het plangebied hebben niet de kenmerken van geschikt landhabitat voor deze soorten. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het leefgebied van heikikker, poelkikker en andere beschermde amfibieën kunnen dan ook op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied kunnen overigens wel andere lichter beschermde amfibieënsoorten voorkomen welke zijn vrijgesteld in het geval van ruimtelijke ingrepen. Dit zijn soorten zoals bruine kikker of gewone pad. Voor vrijgestelde soorten geldt de zorgplicht (zie Bijlage I). • •

Negatieve effecten op verblijfplaatsen van beschermde reptielen en amfibieën kunnen op basis van verspreidingsgegevens en/of habitatgeschiktheid op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen naar alle waarschijnlijkheid licht beschermde soorten voor, zoals bruine kikker. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).

2.5

Vissen

Het plangebied is beoordeeld op waarden voor beschermde vissen. De enige soort die redelijkerwijs binnen het plangebied voor kan komen is de grote modderkruiper (bron: NDFF). De beoogde werkzaamheden laten de watergangen ongemoeid, waardoor negatieve effecten op het leefgebied van beschermde zoetwatervissen op voorhand kunnen worden uitgesloten. •

Negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde zoetwatervissen kunnen op voorhand worden uitgesloten.

2.6 Ongewervelden Het plangebied bevat geen waardplanten of watervegetatie die essentieel zijn bij de voortplanting van beschermde insecten of andere ongewervelden. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde ongewervelden binnen het plangebied worden uitgesloten. •

10

Op basis van habitateigenschappen en verspreidingsgegevens kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben op beschermde ongewervelden.

2.7

Gebiedsbescherming

Tijdens de bureaustudie zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het planvoornemen. Het plangebied grenst aan beheergebied en natuur buiten de EHS (Ecologische Hoofd Structuur, nu NatuurNetwerk Nederland NNN), en het bosperceel ten zuiden van het landgoed is aangewezen als EHS overige natuur en de sloot bij de bebouwing is aangewezen als beheergebied en natuur buiten de EHS (figuur 2.5). Echter met het beoogde planvoornemen zullen er geen werkzaamheden plaatsvinden in deze gebieden. Daarnaast valt het plangebied niet onder Natura 2000 en is het niet aangewezen als ganzenfoerageergebied (bron: Natuur overzichtskaart provincie Fryslân). Een toetsing van een conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is derhalve niet van toepassing.

Figuur 2.5. Gebiedsbescherming in en nabij het plangebied, rood kader (bron: Natuur Overzichtskaart provincie Fryslân).

•

Het plangebied valt niet onder Natura 2000, weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebieden aangesteld door de provincie Fryslân. Daarnaast blijven de gebieden die wel onder NNN/EHS vallen buiten de beoogde werkzaamheden. Een toetsing naar een mogelijk conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is niet van toepassing.

2.7.1

Stikstofgevoeligheid

In de omgeving van het plangebied is het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld (4,0 km) te vinden, zie figuur 2.6. Voor dit gebied zijn stikstofgevoelige habitattypen aangewezen, zoals stuifzandheiden met struikhei. Door de voorwaarden waaraan nieuwbouw moeten voldoen, zal de stikstofemissie tijdens de gebruiksfase van de nieuwe situatie echter evenveel of niet veel hoger zijn dan in de huidige situatie. Daarnaast zal gezien de kleine schaal van het planvoornemen en de relatief grote afstand tot het Natura 2000gebied de minimale stikstofemissie niet direct bijdragen aan het verder overschrijden van de kritische depositiewaarden (KDW’s) binnen de stikstofgevoelige habitattypen (bron: AERIUS calculator). Een AERIUS-berekening uitvoeren is naar ons inzicht dan ook niet van toepassing. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van een AERIUS-berekening benodigd is voor de voortgang van dit project.

11

Figuur 2.6. Natura 2000-gebieden (paars) in de omgeving van het plangebied (rood) (bron: Natuur overzichtskaart Fryslân).

•

Een Aerius-berekening in het kader van Natura 2000 is naar onze mening niet nodig.

2.8 Houtopstanden Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Binnen het beoogde planvoornemen worden er voor zover ons bekend is geen bomen gekapt. Er is daarom geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht. •

12

Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.

3. SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1

Overzicht beschermde soorten

In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn dan ook alleen de soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1. Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied.

Soortgroep Vogels

Soort Algemene broedvogels

Art. Art. Art. Aanwezigheid 3.1 3.5 3.10 Vrijgesteld

Advies

Mogelijk

X

Werken buiten broedtijd

Vogels (jaarrond beschermde nesten) Vogels (jaarrond beschermde nesten) Vogels (jaarrond beschermde nesten)

Huismus

Waarschijnlijk

X

Nader onderzoek

Gierzwaluw

Mogelijk

X

Nader onderzoek

Kerkuil

Zeker

X

Ontheffingsaanvraag Wnb

Vleermuizen (verblijfplaatsen)

Diverse soorten

Mogelijk

Zoogdieren Amfibieën

Algemeen voorkomende soorten

Mogelijk

3.2

X

Nader onderzoek

X

X

Zorgplicht

Effectbespreking en aanbevelingen

Het project kan naar ons inzien doorgang vinden binnen het kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.

3.2.1

Algemeen voorkomende broedvogels

Het plangebied biedt mogelijkheden voor vogels om te broeden; in de bomen, bosschages, bebouwing en oevers binnen of grenzend aan het plangebied. Het gaat hier om soorten waarvan nesten alleen beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedtijd uit te voeren. De broedtijd loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli. Al dan niet afhankelijk van klimatologische omstandigheden kunnen sommige soorten eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat van belang is, is dat een broedgeval altijd beschermd is. Indien de werkzaamheden niet buiten het broedseizoen uitgevoerd kunnen worden, wordt geadviseerd de werkzaamheden onder begeleiding van een ecoloog uit te voeren.

3.2.2 Jaarrond beschermde nesten (huismus) De bebouwing binnen het plangebied biedt broedmogelijkheden voor huismus en de omgeving biedt daarnaast voldoende foerageerplekken om het plangebied als geschikt functioneel leefgebied voor de huismus te beoordelen. Alleen bij de werktuigenberging zijn indicaties van huismus nestplaatsen aangetroffen, maar alle bebouwing aan de gelede boerderij (figuur 1.2/1.4, nr. 4-5, 8 en 9) biedt broedmogelijkheden voor de soort, onder de dakpannen. Huismusverblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd en gaan door de sloopwerkzaamheden mogelijk verloren.

13

Wij adviseren nader onderzoek uit te laten voeren om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen binnen het plangebied vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit dient uitgevoerd te worden door middel van twee ochtendbezoeken (conform datumgrenzen SOVON, 1 april – 15 mei). Wanneer er jaarrond beschermde nesten van huismussen binnen het plangebied worden vastgesteld, dient er een ontheffing te worden aangevraagd voor deze soort. Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.3 Jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw) De bebouwing grenzend aan de gelede boerderij (figuur 1.2/1.4, nr. 4-5, 8 en 9) binnen het plangebied biedt broedmogelijkheden voor gierzwaluw. Eventuele nestplaatsen genieten jaarronde beschermingen en kunnen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden verloren gaan. Dit heeft met name betrekking op de te slopen stal (nr. 8). We adviseren daarom nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid hiervan vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit dient uitgevoerd te worden door middel van drie avondbezoeken in de periode 1 juni – 15 juli. Wanneer er jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen binnen het plangebied worden vastgesteld, dient er voor deze soort een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Fryslân. Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.4 Jaarrond beschermde nesten (kerkuil) In één van de stallen (figuur 1.2/1.4, nr. 8) is een vaste rust-, verblijf- en nestplaats aangetroffen van een paartje kerkuilen die jaarronde bescherming geniet. Met de beoogde werkzaamheden zal deze nestplaats verloren gaan. Er dient in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor wat betreft de voortgang van het project omtrent kerkuil een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Fryslân. Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.5 Vleermuizen (verblijfplaatsen) De bebouwing grenzend aan de gelede boerderij (figuur 1.2/1.4, nr. 4-5, 8 en 9) binnen het plangebied is geschikt voor vleermuizen om in te verblijven, vanwege ruimtes bij de dakpannen en toegankelijkheid van de hooischuur. Gezien de werkzaamheden onder andere sloop en interne verbouwing betreffen, kunnen mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Wij adviseren daarom nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen van gebouw bewonende soorten: baardvleermuis, gewone en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. De onderzoeksmethodiek is vastgelegd in het Vleermuisprotocol, opgesteld door het ministerie van EZ, Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Op basis van dit protocol dient te worden bepaald hoeveel bezoeken er in het kader van het nader onderzoek dienen te worden uitgevoerd en in welke periodes van het jaar. Indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld binnen de het plangebied, dient er voor de desbetreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er compenserende en mitigerende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.6 Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht Er komen in het plangebied naar alle waarschijnlijkheid niet beschermde of vrijgestelde soorten voor, zoals verschillende soorten zoogdieren en amfibieën. Voor schade aan deze soorten geldt in principe een vrijstelling. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen.

14

3.3

Overzicht vervolgstappen

De werkzaamheden kunnen binnen de kaders van de Wet natuurbescherming worden uitgevoerd, mits aan de hieronder genoemde vervolgstappen wordt voldaan. Voor meer detaillering en uitleg, zie de paragraaf hiervoor. • • • • • •

Algemeen voorkomende broedvogels: Werken buiten de broedtijd (grofweg 15 maart15 juli). Jaarrond beschermde nesten (huismus): Nader onderzoek. Jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw): Nader onderzoek. Jaarrond beschermde nesten (kerkuil): Ontheffingsaanvraag Wnb. Vleermuizen (verblijfplaatsen): Nader onderzoek. Vrijgestelde soorten: Het naleven van de zorgplicht.

Meer doen voor de biodiversiteit?

15

4. BRONNEN EN LITERATUUR AERIUS Calculator https://calculator.aerius.nl/calculator/ Alterra (2015). Synbiosis kaartenmachine Natura 2000 | Beschermde gebieden. Via: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland.Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey- Nederland, Leiden FLORON (2015) Verspreidingsatlas planten. Via http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Korsten, E. en Regelink, J.R. (2010). Cursus herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en ander ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen Melis, J. & M.Koopmans, 2015. Fiskatlas Fryslân, verspreiding en ecologie van zoetwatervissen in Fryslân. Bornmeer, Gorredijk.

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) www.ndff-ecogrid.nl Natura 2000-gebieden Nederland https://www.natura2000.nl/gebieden/ Natuur overzichtskaart provincie Fryslân https://fryslan.maps.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=eb4e12aa6eea4591af7c0f 48ef6def54&extent=120990,533762,221778,617075,28992 Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur. Vleermuisprotocol 2021, 1 januari 2021. www.gegevensautoriteitnatuur.nl en www.netwerkgroenebureaus.nl RAVON http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie SOVON https://www.sovon.nl/nl Verspreidingsatlas Zoogdieren http://www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl

16

BIJLAGE I FOTO’S BEBOUWING

Figuur I.1. Te slopen varkensstal (nr. 1).

Figuur I.2. Te slopen open koeienstal (nr. 2).

Figuur I.3. Te slopen berging/kippenhok (nr. 7).

-1-

Figuur I.4. Te slopen werktuigenberging (nr. 3).

Figuur I.5. Intern te verbouwen hooischuur (nr. 4/5).

-2-

Figuur I.6. Te slopen loods (nr. 6).

Figuur I.7. Intern te verbouwen stal origineel gelede boerderij (nr. 9).

-3-

Figuur I.8. Te slopen staluitbreiding (nr. 8).

-4-

BIJLAGE II WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.

Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.

Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).

Vrijgestelde soorten provincie Fryslân Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6515.html.

-5-

Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Fryslân.

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden.

Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.

-6-

Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.

Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden.

Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.

Wnb Houtopstanden De Boswet is in 2015 gewijzigd en per 1 januari 2017 opgenomen in de nieuwe Wet Natuurbescherming. Die wet zal op den duur weer (beleidsneutraal) in de Omgevingswet opgenomen worden. De, voor gemeenten, belangrijkste wijziging van de wet is de beperking in het stellen van regels ten aanzien van houtopstanden buiten de begrenzing zoals aangegeven op de kaart Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Dit heeft effect op o.a. gemeentelijk kapbeleid. De provincie heeft, als bevoegd gezag, een provinciale verordening opgesteld voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. Dat is in overleg met de Friese gemeenten gedaan. De APV, afd. 3 Het bewaren van houtopstanden, oftewel de kapverordening, vormt de basis voor het nader uitgewerkte kapbeleid. Tevens zijn in de APV regels opgenomen ten aanzien van de Bomenlijst. De bescherming van arealen bos en houtopstanden valt dus onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd.

Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.

-7-

NatuurNetwerk Nederland/ Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.

-8-

84/390

Bijlage 2

85/390

Nader onderzoek Wnb

2022 Nader Onderzoek Wet natuurbescherming Ontwikkeling Landgoed Boschhoeve te Nijeberkoop

COLOFON BUREAU FAUNAX B.V. Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden +316 83 77 25 48 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Nader Onderzoek Wet natuurbescherming Ontwikkeling Landgoed Boschhoeve te Nijeberkoop Leeuwarden, augustus 2022

In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX B.V. Rapportage: Mevr. A. Wieringa Foto’s: Bureau FaunaX B.V. Autorisatie: Dhr. J. Groen. Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied. © Bureau FaunaX B.V. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX B.V. (2022). Nader Onderzoek Wet natuurbescherming/ Rho Adviseurs/ Ontwikkeling Landgoed Boschhoeve te Nijeberkoop. Rapport 22095, Bureau FaunaX B.V., Leeuwarden. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX B.V. heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................... 1

2.

RESULTATEN NADER ONDERZOEK ............................................................................ 2 2.1 Inleiding ........................................................................................................................2 2.2

2.3

3.

4. 5.

Methodieken & Werkwijze ...........................................................................................2 2.2.1

Huismus..........................................................................................................2

2.2.2

Gierzwaluw .....................................................................................................2

2.2.3

Vleermuizen ................................................................................................... 3

Resultaten..................................................................................................................... 4 2.3.1

Huismus......................................................................................................... 4

2.3.2

Gierzwaluw .....................................................................................................5

2.3.3

Overige vogelsoorten .....................................................................................5

2.3.4

Vleermuizen ...................................................................................................5

CONCLUSIES NADER ONDERZOEK .............................................................................6 3.1 Huismus ....................................................................................................................... 6 3.2

Gierzwaluw ................................................................................................................... 6

3.3

Overige vogelsoorten ................................................................................................... 6

3.4

Vleermuizen ..................................................................................................................7

SAMENVATTING VERVOLGSTAPPEN .......................................................................... 7 BRONNEN EN LITERATUUR .........................................................................................8

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Men is voornemens op landgoed Boschhoeve te Nijeberkoop enkele gebouwen te slopen dan wel intern te verbouwen (figuur 1.1).

Figuur 1.1. Planvoornemen landgoed Boschhoeve te Nijeberkoop.

Op dinsdag 15 februari 2022 is voor dit project een ecologische quickscan uitgevoerd (Bureau FaunaX, 2022). In tabel 1.1 wordt een overzicht gegeven van de resultaten uit deze quickscan. Tabel 1.1. Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied.

Soortgroep Vogels Vogels (jaarrond beschermde nesten) Vogels (jaarrond beschermde nesten) Vogels (jaarrond beschermde nesten) Vleermuizen (verblijfplaatsen) Zoogdieren Amfibieën

Soort Algemene broedvogels

Art. Art. Art. Aanwezigheid 3.1 3.5 3.10 Vrijgesteld

Advies

Mogelijk

X

Werken buiten broedtijd

Huismus

Waarschijnlijk

X

Nader onderzoek

Gierzwaluw

Mogelijk

X

Nader onderzoek

Kerkuil

Zeker

X

Ontheffingsaanvraag Wnb

Diverse soorten Algemeen voorkomende soorten

Mogelijk Mogelijk

X

Nader onderzoek X

X

Zorgplicht

In onderhavige rapportage worden de resultaten van het nader onderzoek samengevat. 1

2. RESULTATEN NADER ONDERZOEK 2.1

Inleiding

In deze rapportage vindt men de resultaten van het nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van huismus, gierzwaluw en verblijfplaatsen van vleermuizen, uitgevoerd in 2022. Bij de planning van het veldwerk is rekening gehouden met de optimale periode waarin verschillende soortgroepen geïnventariseerd kunnen worden. Deze optimale periode hangt bijvoorbeeld samen met vliegtijd, broedtijd en balts. Bureau FaunaX B.V. is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB) en werkt zoveel mogelijk conform deze protocollen om de kwaliteit van het uitgevoerde onderzoek te waarborgen.

2.2

Methodieken & Werkwijze

2.2.1

Huismus

Het onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de huismus is uitgevoerd conform de onderzoeksmethoden van het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2022). Dit onderzoek heeft plaatsgevonden aan de hand van twee veldbezoeken (tabel 2.1) in de periode 1 april – 15 mei met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen. De onderzoeksperiode is met enkele dagen overschreden zodat de veldbezoeken afgelegd konden worden onder goede weersomstandigheden, zonder regen, harde wind en/of te koude temperaturen. De volgende waarnemingen van territoriale of nest-indicerende huismussen hebben gediend als criteria voor het vaststellen van de aanwezigheid van verblijfplaatsen: •

•

De aanwezigheid van een territoriaal (zingend) mannetje op een goed zichtbare locatie als bijvoorbeeld een dakgoot of schoorsteen, dan wel de aanwezigheid van een paartje met balts, paring of ander gedrag dat wijst op de aanwezigheid van een nestplaats. Aan de hand van dergelijke waarnemingen kan worden aangetoond dat er in de directe nabijheid een nest aanwezig is, maar zal de exacte locatie hiervan vaak niet bekend zijn. Een nest-indicatieve waarneming: het nest zelf is vaak niet zichtbaar, wel kan een nestlocatie worden afgeleid aan de hand van een bezoek van een oudervogel aan de waarschijnlijke nestlocatie, de aanwezigheid van vogels met nestmateriaal, in- of uitvliegende vogels met voedsel of ontlastingspakketjes, hoorbaar bedelende jongen vanuit de nestlocatie.

Tabel 2.1. Details veldbezoeken huismus.

Ronde 1 2

Datum 5-5-2022 17-5-2022

Begin- en eindtijd 11:15 - 12:15 uur 10:30 - 11:50 uur

Weersomstandigheden 14°C, 2 BFT ZW, licht bewolkt 18°C, 2 BFT W, zonnig

2.2.2 Gierzwaluw Het onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gierzwaluwen is uitgevoerd conform het inventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (BIJ12, 2017). Het onderzoek heeft bestaan uit een territoriumkartering in de periode tussen 1 juni (voor deze datum zijn nog niet alle broedvogels aanwezig) en 15 juli.

2

In deze periode zijn in het plangebied drie onderzoekrondes (tabel 2.2) uitgevoerd, met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen. Minimaal één van de onderzoek rondes is uitgevoerd tussen 20 juni en 7 juli, wanneer de kans op de aanwezigheid van jongen het grootst is. De veldbezoeken vonden steeds tegen zonsondergang plaats (over het algemeen tussen circa 21:00 en 22:30 uur), wanneer de kans op het invliegen van vogels het grootst is en zoveel mogelijk onder gunstige weersomstandigheden, bij droog weer en met weinig wind. Een telling bij langdurig koud en nat weer is zinloos: de broedvogels zijn dan elders of zitten stil op het nest. Bij de onderzoeksronden is gelet op gedrag dat indicerend is voor broedende vogels, zoals door het plangebied vliegende groepjes gierende dieren met vluchten op dakgoot-, nok- en huishoogte en (vooral) bezoeken aan de waarschijnlijke nestplaats door invliegende dieren. Bij het observeren van deze laatste groep is rekening gehouden met de aanwezigheid van bouncers, niet-broedende vogels die roepend op een potentiële nestplaats aanvliegen en even hiervoor blijven hangen of deze kort aantikken zonder naar binnen te vliegen. In het geval van de aanwezigheid van een bezette nestlocatie roept dit vaak een reactie op van de aanwezige broedvogel(s), derhalve vormt dit gedrag van bouncers een goede manier om verblijfplaatsen op te sporen.

Tabel 2.2. Details veldbezoeken gierzwaluw.

Ronde 1 2 3

Datum 22-6-2022 2-7-2022 12-7-2022

Begin- en eindtijd 21:00 – 22:30 uur 21:00 – 22:30 uur 21:00 – 22:30 uur

Weersomstandigheden 17°C, 2 BFT, Helder 18°C, 1 BFT, Helder 23 °C, 2 BFT, Bewolkt

2.2.3 Vleermuizen Het onderzoek naar vleermuizen heeft bestaan uit een onderzoek naar de aanwezigheid van paar- en kraamverblijfplaatsen en is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021). Het plangebied is voor het vleermuizenonderzoek opgedeeld in twee deelgebieden om het onderzoek overzichtelijk en zorgvuldig uit te kunnen voeren. Deelgebied 1 betrof de oostkant van de te onderzoeken gebouwen; oostkant nr. 4 en nr. 7 (figuur 1.1), deelgebied 2 betrof de westkant van de te onderzoeken gebouwen; westkant nr. 4 en nr. 8 (figuur 1.1). De onderzoeksronden van beide deelgebieden zijn tegelijkertijd uitgevoerd met inzet van twee ter zake kundige personen. In totaal heeft dit onderzoek per deelgebied bestaan uit drie onderzoeksronden tijdens de kraamperiode (15 mei – 15 juli, met minimaal 10 dagen tussen de bezoeken, waarvan minimaal één een ochtendbezoek) (tabel 2.3). Bevoegd gezag (mail d.d. 18 mei 2022 K. Mulder) heeft het planvoornemen bestempeld als een klein initiatief waardoor de werkwijze en de onderzoeksmethodiek aangepast mag worden en de onderzoeksperiode van de paartijd overgeslagen mag worden.

Afhankelijk van de soort verblijven vleermuizen in bomen (zoals rosse vleermuis, watervleermuis, bosvleermuis en franjestaart), in gebouwen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis) of zowel in bomen en gebouwen (ruige dwergvleermuis, grootoorvleermuis en baardvleermuis). De meeste soorten maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen.

3

Het onderzoek heeft zich specifiek gericht op die soorten waarvan mag worden aangenomen dat ze in gebouwen (kunnen) verblijven. Alle ronden zijn onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Voor de determinatie van vleermuizen is gebruik gemaakt van een batdetector van het type D240X Petterson met opnameapparatuur met zowel heterodyne als vertraagde opnamemogelijkheden. De sonargeluiden zijn geanalyseerd met gespecialiseerde software (programma ‘Batsound’). Daarnaast is er gebruik gemaakt van een verrekijker en een lichtsterke zaklamp. Tabel 2.3. Details veldbezoeken vleermuizen deelgebied 1 & 2.

Ronde Kraam 1 Kraam 2 Kraam 3

Datum 22-6-2022 2-7-2022 12-7-2022

2.3

Resultaten

2.3.1

Huismus

Begin- en eindtijd 22:00 – 0:00 uur 03:00 – 05:05 uur 22:00 – 0:00 uur

Zon op/onder 22:08 uur 5:14 uur 21:57 uur

Weersomstandigheden 17°C, 3 BFT N, Helder 13°C, 3 BFT ZW, Helder 23°C, 1 BFT W, Bewolkt

Bij het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van huismussen zijn er zes nestplaatsen van huismus binnen het plangebied aangetroffen (figuur 2.1). Het gaat om drie nestplaatsen bij de hooischuur (nr. 4, figuur 1.1) bij de westzijde (2) en oostzijde (1) van de nok van het dak en drie nestplaatsen bij de nok (1) en oostzijde nok (2) van het dak van de werktuigenberging (nr. 3, figuur 1.1). In de omgeving is er tevens veel activiteit van huismussen waargenomen in de omliggende heggen. In de overige gebouwen binnen het plangebied is geen activiteit van huismus of nest indicerend gedrag waargenomen.

Figuur 2.1. Locaties nestplaatsen huismus op kaart.

4

2.3.2 Gierzwaluw Bij het nader onderzoek naar gierzwaluw verblijfplaatsen zijn er geen verblijfplaatsen aangetroffen binnen het plangebied. Tijdens de veldbezoeken zijn geen gierzwaluwen in de omgeving waargenomen.

2.3.3 Overige vogelsoorten Tijdens de onderzoeken is gelet op andere vogelsoorten. Tijdens de onderzoeken zijn naast huismussen ook spreeuwen, waarschijnlijk pimpelmees, winterkoning en huis- en boerenzwaluwen waargenomen. Het plangebied wordt als nestplaats gebruikt door spreeuwen (zeker twee nesten), huiszwaluw (zeker één nest), pimpelmees (mogelijk één nest) en boerenzwaluwen (meerdere nesten). Tevens is een territoriaal zingende winterkoning waargenomen binnen het plangebied, indicerend voor een nestplaats. Binnen het plangebied is een kerkuil paartje gevestigd. De kerkuilenkast is van de zolder van de te slopen stal (nr. 7, figuur 1.1) verplaatst door de kerkuilenwerkgroep naar de hooischuur. Tijdens de eerste twee vleermuisronden is een in- en uitvliegende kerkuil waargenomen bij de hooischuur.

2.3.4 Vleermuizen Verblijfplaatsen van vleermuizen verschillen over het jaar in functie en zijn daarbij te onderscheiden in zomerverblijven (één of enkele individu(en) bij elkaar tijdens de kraamperiode), kraamverblijven (grote aantallen vrouwtjes en hun jongen bij elkaar), paarverblijven (één of enkele individuen tijdens de paarperiode) en winterverblijven (al dan niet grote aantallen bij elkaar rond de winter). Bij het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen zijn er geen verblijfplaatsen aangetroffen binnen het plangebied. Er zijn wel langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen, voornamelijk gewone dwergvleermuizen en af en toe laatvliegers. Deze vleermuizen hadden geen binding met het plangebied, behalve dan als foerageergebied (hooischuur).

5

3. CONCLUSIES NADER ONDERZOEK 3.1

Huismus

Bij het nader onderzoek naar huismus zijn zes nestplaatsen van huismus binnen het plangebied aangetroffen. De werkzaamheden zullen negatieve gevolgen door middel van verstoring en vernieling van de verblijfplaatsen van huismus teweeg brengen, waardoor er in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor wat betreft de voortgang van het project een ontheffing betreffende huismus dient te worden aangevraagd bij de provincie Fryslân. •

3.2

Tijdens het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van huismus zijn zes huismus nestlocaties aangetroffen die door de werkzaamheden verstoord worden/verloren gaan. Voor de voortgang van het project omtrent huismus zal er een ontheffing Wnb soorten moeten worden aangevraagd bij de provincie Fryslân.

Gierzwaluw

Bij het nader onderzoek naar gierzwaluw zijn geen nestplaatsen binnen het plangebied aangetroffen. Voor deze soort hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. •

3.3

Tijdens het nader onderzoek naar gierzwaluwen zijn geen gierzwaluw nestlocaties aangetroffen die door de werkzaamheden verstoord worden/verloren gaan. Er is geen ontheffing nodig voor de gierzwaluw.

Overige vogelsoorten

Tijdens het nader onderzoek zijn naast jaarrond beschermde vogelsoorten ook indicaties van nesten van andere vogelsoorten waargenomen: meerdere spreeuwennesten, mogelijk één (pimpel)mees nest en één winterkoning nest en meerdere boeren- en huiszwaluwnesten. Voor boeren- en huiszwaluw, spreeuw en (pimpel)mees geldt dat nesten jaarronde bescherming genieten als daar zwaarwegende ecologische redenen voor zijn. Aangezien er in de omgeving voldoende alternatieven voor nestgelegenheid aanwezig zijn, gaan de zwaarwegende redenen in deze situatie niet op. Zowel deze nesten als de nesten van de andere bovengenoemde soorten genieten dan ook alleen tijdens het broedseizoen bescherming. De werkzaamheden zullen negatieve gevolgen door middel van verstoring en vernieling van de verblijfplaatsen van deze vogelsoorten teweeg brengen. De werkzaamheden dienen daarom buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Tijdens de quickscan en het nader onderzoek is een nestplaats van kerkuil vastgesteld. De werkzaamheden zullen negatieve gevolgen door middel van verstoring van de nestplaats van kerkuil brengen, waardoor er in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor wat betreft de voortgang van het project een ontheffing betreffende kerkuil dient te worden aangevraagd bij de provincie Fryslân. •

•

6

Tijdens het nader onderzoek zijn nesten van spreeuw, boerenzwaluw, huiszwaluw, (pimpel)mees en winterkoning aangetroffen die door de werkzaamheden verstoord worden/verloren gaan. De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Tijdens de quickscan en het nader onderzoek is één nestplaats van kerkuil vastgesteld. Voor de voortgang van het project omtrent kerkuil zal er een ontheffing Wnb soorten moeten worden aangevraagd bij de provincie Fryslân.

3.4

Vleermuizen

Bij het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen zijn geen verblijfplaatsen binnen het plangebied aangetroffen. Voor vleermuizen hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Door de werkwijze kleine initiatieven is de paarperiode van het onderzoek overgeslagen. Daarvoor dienen er wel mitigerende en compenserende maatregelen voor vleermuizen te worden toegepast. Treedt voor meer informatie over de invulling hiervan in contact met bevoegd gezag, provincie Fryslân. •

Tijdens het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Om te voldoen aan de werkwijze kleine initiatieven zijn er nog wel mitigerende en compenserende maatregelen benodigd. Ga hiervoor in contact met de provincie Fryslân.

4. SAMENVATTING VERVOLGSTAPPEN Om de werkzaamheden binnen de kaders van Wet natuurbescherming uit te voeren, bevelen wij de volgende vervolgstappen aan. Deze vervolgstappen hebben betrekking op de resultaten van het nader onderzoek en de resterende aanbevelingen uit de ecologische quickscan.

Vervolgstappen • • • •

Ontheffing Wnb soorten aanvragen bij de provincie Fryslân voor: o Huismus: zes nestplaatsen; o Kerkuil: één nestplaats. Voor vleermuizen zijn mitigerende en compenserende maatregelen benodigd om te voldoen aan de werkwijze kleine initiatieven. Treedt hiervoor in contact met de provincie Fryslân. Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart – 15 juli). Houd rekening met de zorgplicht (zie quickscan, rapport nummer 22031).

7

5. BRONNEN EN LITERATUUR BIJ12, 2022/2017. Kennisdocumenten huismus Passer domesticus en kerkuil Tyto Alba. Versie 2022/2017. https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumentensoorten-ontheffingen-wet-natuurbescherming/ Bureau FaunaX (2022). Ecologische quickscan Wet natuurbescherming. Rho Adviseurs/ Ontwikkeling Landgoed Boschhoeve en graslandperceel (804) te Nijeberkoop. Rapport 22031. Bureau FaunaX, Leeuwarden. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2009. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Biologie, kenmerken, bedreigingen. Tirion Natuur. Lange R., R. Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek (2003). Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij van de KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV), Utrecht. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.

8

98/390

Bijlage 3

99/390

Onderzoek stikstofdepositie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=6dda746f-a28e-48de-8cf1-6e178ab3d976