Agendabundel
Tekst van het document
14 5.1.2 Beoordeling ........................................................................................................................ 14 5.1.3 Conclusie ........................................................................................................................... 15 5.2 Ecologie ..................................................................................................................................... 15 5.2.1 Wettelijk kader ................................................................................................................... 15 5.2.2 Beoordeling ........................................................................................................................ 16 5.2.3 Conclusie ........................................................................................................................... 18 5.3 Bodem........................................................................................................................................ 18 5.3.1 Wettelijk kader ................................................................................................................... 18 5.3.2 Beoordeling ........................................................................................................................
19 5.3.3 Conclusie ........................................................................................................................... 19 5.3 Lucht .......................................................................................................................................... 20 5.3.1 Wettelijk kader ................................................................................................................... 20 5.3.2 Beoordeling ........................................................................................................................ 20 5.3.3 Conclusie ........................................................................................................................... 20 5.4 Geluid ......................................................................................................................................... 20 5.4.1 Wettelijk kader ................................................................................................................... 20
5.4.2 Beoordeling ........................................................................................................................ 20 5.4.3 Conclusie ........................................................................................................................... 21 5.5 Milieuzonering........................................................................................................................... 21 5.5.1 Wettelijk kader ................................................................................................................... 21 5.5.2 Beoordeling ........................................................................................................................ 21 5.5.3 Conclusie ........................................................................................................................... 21 5.6 Besluit Milieueffectrapportage ................................................................................................ 21 5.6.1 Wettelijk kader ................................................................................................................... 21 5.6.2 Beoordeling ........................................................................................................................
22 5.6.3 Conclusie ........................................................................................................................... 22 5.7 Externe veiligheid ..................................................................................................................... 22 5.7.1 Wettelijk kader ................................................................................................................... 22 5.7.2 Beoordeling ........................................................................................................................ 23 5.7.3 Conclusie ........................................................................................................................... 23 5.8 Water.......................................................................................................................................... 23 5.8.1 Wettelijk kader ................................................................................................................... 23 5.8.2 Beoordeling ........................................................................................................................ 25 5.9.3 Conclusie ...........................................................................................................................
25 6 Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................... 26 6.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................ 26 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 26
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Natuurmonumenten is voornemens de panden in eigendom aan Fochteloërveenweg 8 en 10 grotendeels te slopen en de percelen in te richten alszijnde natuur. Aanleiding van dit project ‘hydrologische optimalisatie Fochteloërveenweg’ is een unieke kans die zich heeft aangediend. Het is nu mogelijk om een cruciale enclave in te richten en daarmee een zeer belangrijk knelpunt in het herstel van het Fochteloërveen op te heffen. Dit project heeft als doel om met de sanering van het bebouwde perceel, omvorming van percelen naar natuur en het nemen van hydrologische maatregelen. Het project draagt bij aan hydrologische optimalisatie, reductie van stikstof, verhoging biodiversiteit en een betere beleving van het veen. Uiteindelijk kan habitattypen herstellend hoogveen (H7120) verbeteren en verder ontwikkelen naar het prioritaire habitattype actief hoogveen (H7110), Daarnaast is het doel om de stikstofemissie van landbouw en verkeer te verminderen om de effecten van de maatregelen zo duurzaam mogelijk te maken en om de veiligheid voor tal van diersoorten en recreanten te verbeteren.
1.2 Ligging plangebied De percelen zijn gelegen aan de Fochteoloërveenweg 8 en 10 in Fochteloo en hebben de kadastrale aanduiding Oosterwolde, G 264, 265, 266, 368, 369, 434. Figuur 1.1 geeft de ligging weer van de percelen gelegen aan de Fochteloërveenweg.
Figuur 1.1 Ligging projectgebied Fochteloërveenweg 8 en 10
1.3 Bestemmingen en aanduidingen Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied geconsolideerde versie 2020 ' vastgesteld op 27 maart 2019. Het plangebied is deels gelegen binnen de bestemming Agrarisch, Wonen, Bedrijf Natuurbeheer en binnen de bestemming Natuur 2. De voorgenomen functiewijziging van het bestemmingsplan heeft betrekking op het perceel met de bestemming Agrarisch, Wonen, BedrijfNatuurbeheer. Daarnaast worden hydrologische maatregelen ter plaatse van de bestemming Natuur 2 met dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie 1 genomen. Figuur 1.2 betreft een uitsnede uit het bestemmingsplan weer.
Figuur 1.2 Uitsnede plangebied
1.4. Strijdigheid Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied geconsolideerde versie 2020' vastgesteld op 27 maart 2019. Het projectgebied ligt binnen de enkelbestemming 'Agrarisch', Bedrijf – Natuurbeheer, Wonen en Natuur 2. Het inrichten van natuur ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch, Wonen en Bedrijf Natuurbeheer' en het uitvoeren van hydrologische maatregelen ter plaatse van de bestemming Natuur 2 met dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie 1 is in strijd met het bestemmingsplan. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid middels een projectbesluit.
1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de Provincie Friesland en de gemeente Ooststellingwerf beschreven. In hoofdstuk 5 komen alle relevante milieuthema's aan bod. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke haalbaarheid.
Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1 Huidige situatie plangebied Het plangebied ligt grotendeels in de omgeving van de Fochteloërveenweg, welke grotendeels in de jaren ’50 is aangelegd. Hiervoor betrof het gebied voornamelijk (hoog)veen, en ook hierna behoort het grootste deel ten oosten van de weg bij het natuurgebied Fochteloërveen. Het Fochteloërveen is nooit volledig ontgonnen. Delen ten (zuid)westen van het plangebied zijn wel ontgonnen en omgezet tot agrarisch en natuur land. Dit gebeurde vanuit Fochteloo. De gebouwen in het plan- en onderzoeksgebied dateren uit de jaren ’50, verder is er geen bebouwing aanwezig. Tussen 1967 en 1980 hebben ruilverkavelingen plaatsgevonden in de gemeente Ooststellingwerf, waardoor de kavels grootschaliger werden. Het plangebied is historisch gezien echter niet veel veranderd. Het Natura 2000 gebied Fochtelooerveen is een van Nederlands grootste en best bewaarde hoogveenrestanten. Het is een kwetsbaar en stikstof gevoelig gebied dat alleen kan floreren onder goede hydrologische omstandigheden en een laag nutriënten niveau. Al vele decennia is er gewerkt aan de verbetering van de waterhuishouding. De titel van het Natura 2000 beheerplan uit 2016 is veelzeggend. “Op weg naar een levend hoogveen”. Ondanks de veel te hoge stikstofdepositie zijn er in delen van het gebied positieve ontwikkelingen ten aanzien van hoogveenherstel.
Echter de omgeving van de Fochteloërveenweg, die het hoogveen gebied doorkruist, blijft achter in de ze positieve ontwikkeling. Op historische topografische kaarten van Topotijdreis (Het Kadaster) is te zien dat het plangebied rond het jaar 1900 uit veen bestaat. Rond het jaar 1954 is te zien dat op de locatie een aantal watergangen door het veen worden gegraven, en in 1960 staat her erf voor het eerst op de kaart. In de decennia daarna ontstaan er diverse nieuwe schuren op de locatie, die verder tot 2021 niet zijn veranderd. Huidig gebruik van de percelen aan de Fochteloërveenweg 8 en 10 in eigendom van Natuurmonumenten is Wonen, bedrijf, werkschuur, parkeerplaatsen, natuur, beheer van gronden. De werkschuur is inmiddels verplaatst naar een locatie elders binnen de gemeente buiten Natura 2000.
Figuur 2.1 Luchtfoto huidige situatie plangebied
Figuur 2.2 Huidige situatie plangebied
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving Dit project heeft als primair doel om hydrologische omstandigheden in het Fochteloërveen te verbeteren langs de Fochteloërveenweg. Daarmee draagt dit project bij aan verbetering van de habitattypen herstellend hoogveen (H7120) en bijbehorende doelsoorten zodat dit uiteindelijk zich kan ontwikkelen naar het prioritaire habitattype actief hoogveen (H7110*). Het gaat om secundaire doelen, zaken waar het project effect op zal hebben op lange termijn. Het verminderen van de CO2 uitstoot die nu vrijkomt door verdroging van het veen. Het verminderen van de stikstof uitstoot van landbouw en verkeer. Het verbeteren van de veiligheid voor tal van diersoorten Toekomstig gebruik van de percelen is ten behoeve van natuur. Een deel van het bestaande pand zal blijven staan en in gebruik genomen als zijnde ruïne bedoeld als leefgebied voor de aanwezige soorten binnen het plangebied. Uiteindelijk kan habitattype herstellend hoogveen (H7120) verbeteren en verder ontwikkelen naar het prioritaire habitattype actief hoogveen (H7110), Uiteindelijk doel van de maatregelen in het Fochteloërveen is om de stikstofemissie van landbouw en verkeer te verminderen om de effecten van de maatregelen zo duurzaam mogelijk te maken en om de veiligheid voor tal van diersoorten en recreanten te verbeteren.
Hydrologische maatregelen Diverse zaken in het veld worden gesaneerd zoals een wandelpad, een parkeerplaats, een vlonderbrug en een stuw met pomp. Er worden hydrologische maatregelen genomen zoals het dempen van sloten, verwijderen van kades, aanleggen van nieuwe kades en het plaatsen van een verdeelstuw. Er zullen werkzaamheden gedaan worden om de percelen om te vormen naar natuur zoals grondwerkzaamheden, de bebouwing slopen (een deel van de boerderij blijft staan alszijnde ruine voor leefgebied voor aanwezige soorten in het plangebied) en percelen worden geschikt gemaakt voor natuurontwikkeling.
Figuur 3.2 Maatregelen plangebied
4. Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt: • • •
vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; verbeteren van de bereikbaarheid; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.
Met de hiervoor genoemde rijksdoelen zijn dertien nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de ladder van duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening heeft het Rijk voorts enkele nationale belangen voorzien van bindende regels. Deze dienen bij ruimtelijke plannen in acht te worden gehouden. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor bindende regels zijn opgenomen. Conclusie toetsing aan het Rijks beleid Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het rijksbeleid. Structuurvisie Infrastructuur en Milieu Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden.
In de SVIR schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. De SVIR vervangt verschillende nota’s, zoals de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk richt zich met de SVIR op het versterken van de internationale concurrentiepositie. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat, de bereikbaarheid verbeteren en zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Het plangebied is gelegen in de MIRT-regio (Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport) OostNederland. In het SVIR zijn geen relevante opgaven benoemd die betrekking hebben op de ontwikkelingen. Water Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Deze watertoets vormt een waarborg voor de inbreng van water in de ruimtelijke ordening. Sinds 2011 wordt de watertoets toegepast op plannen die gevolgen voor de waterhuishouding kunnen hebben. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging.
Op basis van informatie en randvoorwaarden van uit de waterbeheerders, het waterbeleid en relevante bodemgegevens zijn de verschillende wateraspecten uitgewerkt in de waterparagraaf.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Fryslân In de Omgevingsvisie “De romte diele” staat wat de provincie doet om de basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Ook staat er in waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de komende 25 jaar. Dat geeft richting aan waar de provincie met partijen naar toe wil werken. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels. Vier opgaven De provincie wil extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven: • • • •
Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden; Energietransitie met kracht voortzetten; Fryslân klimaat adaptief inrichten; Versterken van de biodiversiteit.
Figuur 4.1 Opgaven Omgevingsvisie Fryslân
Kernkwaliteiten Voor het plangebied is de kernkwaliteit Natuur van toepassing. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangende structuur van gebieden met een speciale natuurkwaliteit, deze zijn nader beschreven in het robuust natuursysteem. Het NNN vormt de ruggengraat van het Friese natuurnetwerk en waarborgt biodiversiteit en duurzame natuur. Voor de ruimtelijke identiteit van Friesland is de belevingswaarde en de mogelijkheid tot benutten van de natuur van groot belang. De provincie is direct verantwoordelijk voor de kwaliteit en kwantiteit van de natuur binnen het Natuurnetwerk Nederland. Gemeenten en waterschappen zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor natuur buiten het Natuurnetwerk Nederland. Robuust systeem Duurzame levensgemeenschappen (ecosystemen) zijn bestand tegen het wegvallen of het wijzigen van een enkele factor. Voor dergelijke systemen wordt ook wel de term ‘robuust’ gebruikt. Biodiversiteit betreft de verscheidenheid aan soorten en genen en is een indicatie voor de gezondheid van een ecosysteem. Hoe groter de diversiteit binnen een systeem, hoe beter het systeem zich kan aanpassen aan klimaatverandering. Een weinig complex systeem kan relatief eenvoudig hersteld worden. Een complex systeem als levend hoogveen, vraagt om een geschikte waterhuishouding rondom maar ook in de wijde omgeving van het soort.
De beoogde ontwikkeling ter plaatse draagt indirect bij aan een robuust en vitaal systeem en past binnen de doelstelling van de provincie Friesland.
Het plan houdt rekening met de voor de locatie relevante kernkwaliteiten en de bestaande situatie. Aan de combinatie van opgaven en robuuste systemen wordt op passende wijze invulling gegeven. Het plan is ten behoeve van de instandhouding van het Natura 2000 gebied Fochteloërveen en in overeenstemming met het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten op de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de provinciale omgevingsvisie.
4.2.2 Erfgoed en archeologie Het provinciaal beleid omtrent erfgoed en archeologie is vastgelegd in meerdere beleidsstukken, hieronder beschreven. Voor de provincie Friesland geldt dat algemene uitgangspunten in relatie tot de leefomgeving zijn beschreven in de omgevingsvisie. Er wordt specifieker ingegaan op landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van de provincie in de structuurvisie, welke meegenomen kunnen worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Gerichte beleidspunten voor erfgoed en archeologie worden benoemd en beschreven in de Nota Nij Poadium Cultuur, Taal en Erfgoed. De Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) fungeert als hulpmiddel bij het invullen van de beleidseisen.
Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte (2014) In deze structuurvisie wordt specifiek in beeld gebracht welke landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, structuren en elementen van provinciaal belang zijn. De provinciale belangen worden gewaardeerd en van richtinggevend advies voorzien, met als doel het behoud en verder ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Tien gebiedsoverschrijdende landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang worden toegelicht en elf regio’s in de provincie worden beschreven. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘Zuidelijke Wouden’, waarvoor zeven kenmerken van provinciaal belang zijn benoemd en voorzien van advies.
Omgevingsvisie De Romte Diele (2020) In de omgevingsvisie worden de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze met betrekking tot de leefomgeving uitgewerkt. De provincie herkent vier ambities: vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond. Hierbinnen vallen negen inhoudelijke principes die richting geven bij het maken van keuzes. Daarnaast heeft de provincie acht doelstellingen geformuleerd voor de bestaande kwaliteiten van de omgeving, waaronder het behoud van het Friese erfgoed, o.a. door middel van het beheer van het depot en de FAMKE. Concrete acties voor de toekomst worden ook toegelicht. Erfgoed en archeologie komen verder terug als onderdeel van een ‘karakteristieke en gezonde fysieke leefomgeving’.
Nota Nij Poadium Cultuur, Taal en Erfgoed (2021-2024) Deze nota kijkt naar de bijdrage van kunst, taal en erfgoed aan de brede welvaart van mensen en licht concrete doelen toe voor de periode 2021-2024. Voor erfgoed, inclusief archeologie, zijn de belangrijkste beleidspunten als volgt: • Vergroten zichtbaarheid en internationalisering; • Ferhaal van Fryslân borgen en vertellen en het maken van een toetsingskader voor musea; • Erfgoed inzetten als fundament, meerwaarde en inspiratie voor nieuwe opgaven; • Meer rijksmonumenten restaureren; • Inzetten op de Fryske Pleats; • Samenwerking met gemeenten, instellingen en vrijwilligersorganisaties. Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) De Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) is gebaseerd op de AMK en de IKAW, maar houdt ook rekening met eventuele verstoringen van archeologische resten en met de omvang van de geplande ingreep. Deze informatie wordt vertaald tot beleid. De FAMKE betreft twee advieskaarten, één voor de Steentijd-Bronstijd (300.000 – 800 v. Chr.) en één voor de periode IJzertijd – Middeleeuwen (800 v Chr. – 1500 n. Chr.). De adviezen geven aan welke vervolgstappen nodig zijn voor een bepaald gebied om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief. Dit kan ook betekenen dat er geen vervolgonderzoek nodig is. De FAMKE wordt voortdurend aangepast om de laatste archeologische
ontdekkingen mee te nemen. Voor de periode Steentijd-Bronstijd ligt het plangebied in meerdere beleidszones, dezelfde zones gelden voor het bredere onderzoeksgebied. Voor de periode IJzertijdMiddeleeuwen liggen het plan- en onderzoeksgebied in één zone. Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid De ontwikkeling is in overeenstemming met de provinciaal beleid zoals verwoord in de Omgevingsvisie Fryslân en verankerd in de Provinciale Omgevingsverordening Fryslân.
4.3 Gemeentelijk beleid Op 23 november 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Ooststellingwerf vastgesteld. De Omgevingsvisie is de visie van de gemeente op de leefomgeving en vervangt de gemeentelijke structuurvisie. De visie laat zien wat het toekomstbeeld is voor de openbare ruimte in de gemeente. In het toekomstbeeld kijkt de gemeente Ooststellingwerf vooruit, een jaar of 15. De visie geeft aan welke ambities ze hebben en met welke opgaven ze de komende jaren aan de slag gaan. Maar het gaat niet alleen over nieuwe ontwikkelingen. De gemeente kijkt ook juist naar de kwaliteiten die Ooststellingwerf al heeft en hoe ze die kunnen behouden. In de Omgevingsvisie maakt de gemeente verschil tussen gebieden in de gemeente. Want, zoals u ook weet, het ene gebied is het andere niet. Het gebied ten noorden van de Tjonger is anders dan het oostelijk deel bij het Fochteloërveen. En Oosterwolde heeft als groter dorp andere opgaven dan bijvoorbeeld Makkinga. In de Omgevingsvisie zijn deze verschillen uitgewerkt in gebiedskompassen: voor ieder gebied een eigen koers voor de komende 5 tot 10 jaar. Het plangebied ligt in het gebied Drentse Ooststellingwerf. • • • • • •
De twee grote natuurgebieden: Fochteloërveen op het veen en Drents-Friese Wold op het zand; Appelscha als belangrijke recreatieve trekpleister; Relatief donker; Ravenswoud als uniek beschermd dorpsgezicht waar de inrichting van het dorp en de omgeving nauw met elkaar samenhangen; De voormalige werkkampen Ybenheer en Oranje als sporen van het verleden; Grote recreatieve aantrekkingskracht en veel toeristisch-recreatieve mogelijkheden (routes, natuur, dagrecreatie, uitkijktorens).
Het Drentse Ooststellingwerf is het zuidelijk deel van de gemeente. Het is het gebied rond Appelscha en twee unieke Natura2000-gebieden, die we delen met onze Drentse buren: het Fochteloërveen en het Drents-Friese Wold. De twee natuurgebieden zijn, behalve voor de natuur, ook belangrijk voor de toeristisch-recreatieve aantrekkingskracht van het gebied. Zeker in Appelscha speelt het toerisme een belangrijke (economische) rol. Het Drents-Friese Wold en het Fochteloërveen zijn de dragers van het gebied. Stuifzanden en levend hoogveen op steenworp afstand van elkaar. De natuurwaarden zijn er hoog. In de nacht zijn de gebieden een van de donkerste plekken van Fryslân. Het landelijk gebied heeft een multifunctioneel karakter. Ecologische verbindingszones koppelen de verschillende natuurgebieden. Landbouw waar aandacht is voor de biodiversiteit vergroot de belevingswaarde van het gebied. De landschappelijke kwaliteiten zijn en blijven hoog. Ambitie 1 - Uniek Ooststellingwerf • • • • • •
Beschermen natuurwaarden; Benutten en ontwikkelen van de beekdalen voor de waterhuishouding, natuur en landbouw; Ontwikkelingen passen in het landschap en versterken de kwaliteiten van het landschap; Blauwe Bos als belangrijk recreatie- en natuurgebied in dit gebied behouden; Verder bouwen aan de bestaande lintstructuren; Goede wandel- en fietsverbindingen tussen de dorpen;
•
Sterke (recreatieve) koppelingen met Veenhuizen.
De ontwikkelingsgeschiedenis van het noordelijk deel van onze gemeente zien we nog steeds terug in het landschap en de dorpen. Deze geschiedenis is de basis van de kwaliteiten van het gebied. En op deze basis bouwen we verder. Landschap We vergroten de landschappelijke kenmerken van het gebied en beschermen de natuurwaarden in het gebied. Dat doen we door ontwikkelingen in het landelijk gebied bijvoorbeeld te verbinden met het versterken van de (structuur van) houtsingels. Of we maken vaarten en wijken beter zichtbaar. Ook vragen we van alle ontwikkelingen dat ze worden ingepast in de landschappelijke opzet van het gebied. De beekdalen vragen extra aandacht. Door de klimaatverandering staat hun waterhuishoudkundige functie voorop. Die moet op orde zijn. Bij de inrichting van de beekdalen combineren we waterberging en het tegengaan van veenoxidatie waar dat kan met natuurontwikkeling en passende landbouw. Toegankelijkheid We gaan door met het recreatief toegankelijk maken van het landelijk gebied. Zo stimuleren we sport en beweging en verbinden we het noordelijk deel nog beter met het recreatieve netwerk in de rest van de gemeente en onze buurgemeenten. Daarbij richten we ons in het bijzonder op het nog beter verbinden van dit gebied met Veenhuizen, dat is voorgedragen als UNESCO Werelderfgoed.
We maken goede wandel- en fietsverbindingen tussen de dorpen en rond de dorpen mogelijk. Omdat de dorpen in dit gebied lange linten zijn, is er juist hier veel behoefte aan een dorpsommetje. We dagen onze inwoners uit om missende verbindingen met ons te delen en samen te kijken wat we kunnen realiseren. Linten De bebouwing in het gebied concentreert zich van oudsher in de dorpslinten. De meeste erven liggen aan de weg. Dat beeld houden we vast. Voor nieuwe (gebouwde) ontwikkelingen kiezen we daarom bij voorkeur voor locaties in de linten van de dorpen. Nieuwbouw kan zo ook een bijdrage leveren aan de versterking van het landschaps- of straatbeeld ter plekke.
Ambitie 5 - Toekomstbestendig Ooststellingwerf •
Vergroten van de biodiversiteit door meer natuur en bos te ontwikkelen.
Een van onze doelen is het vergroten van de biodiversiteit. Dit sluit ook bij de wens van de dorpen die zich inzetten voor een gebied waar extra aandacht is voor gezond ouder worden. Biodiversiteit helpt daarbij. In dit gebied doen we dat door meer natuurlijke verbindingszones te maken en zo meer bos en natuur te realiseren.
Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid De ontwikkeling is passend binnen de uitgangspunten van de hiervoor behandelde gemeentelijke beleidsdocumenten.
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting bij ruimtelijke plannen een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's archeologie, ecologie, bodem, lucht, geluid, milieuzonering, Besluit milieueffectrapportage, externe veiligheid en water.
5.1 Archeologie 5.1.1 Wettelijk kader De archeologische waarden in de gemeente Ooststellingwerf worden weergegeven op de Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart. In nieuwe bestemmingsplannen worden omgevingsvergunningen gekoppeld aan vereisten voor archeologisch onderzoek. De aanvrager van een omgevingsvergunning dient bij voorgenomen bodemingrepen in een terrein of gebied met bekende of te verwachten archeologische waarden eerst een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Gebieden met een lage archeologische waarde of gebieden waarvan bekend is dat de bodem verstoord is, zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart wordt tegelijkertijd met de Nota Archeologie vastgesteld.
5.1.2 Beoordeling Op basis van de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Ooststellingwerf is ter plaatse van het plangebied waar de functie gewijzigd wordt sprake van lage archeologische verwachtingen. Bij de uitvoering van de maatregelen vinden werkzaamheden in de bodem plaats waarbij geen aantasting van eventuele archeologische resten wordt verwacht.
Figuur 5.1 Advieskaart FAMKE plangebied Steentijd - Bronstijd
In geval diep gegraven of in de grond geroerd wordt, treden geen effecten op aangezien geen archeologische waarden worden verwacht. Er is geen sprake van een vergunningplicht of het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Door Antea is een archeologisch bureauonderzoek en cultuurhistorische analyse uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlage 1. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is om de archeologische waarden of verwachtingen binnen het plangebied in beeld te brengen. Het doel van het cultuurhistorisch onderzoek is het in beeld brengen van de cultuurhistorische waarden van het gebied. Uit het onderzoek blijkt dat op de projectlocatie geen archeologische of cultuurhistorische waarden worden verwacht en vervolg onderzoek niet noodzakelijk is. Door Arcadis is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Voor het plangebied geldt een lage verwachtingswaarde. Werkzaamheden binnen het plangebied zijn niet vergunning plichtig ten aanzien van archeologie. Indien de bodemingrepen ter plaatste van het erf aan Fochteloërveenweg 8 en 10 beperkt blijven tot het uitgraven van de bestaande fundering, dan is er geen risico op het verstoren van archeologische resten omdat de werkzaamheden plaatsvinden in het reeds geroerde pakket.
Indien de bodemingrepen echter dieper reiken, tot in het dekzandniveau, dan is er een hoog risico op het aantasten van bovengenoemde archeologische resten uit de periode Paleolithicum - IJzertijd. Dit risico is ook groter indien de oppervlakte van de werkzaamheden meer dan 500 m² beslaat. De kans op het aantreffen van archeologische resten in het veenpakket is lager, daardoor is het risico op aantasting ook lager. In eerste instantie wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat bodemverstoring wordt voorkomen. Dit kan door het plaatsen van rijplaten of een grindverharding, waardoor er geen bodemwerkzaamheden nodig zijn. Daarnaast is het ophogen van het terrein ook een optie om te zorgen dat er niet in de bestaande bodem wordt gewerkt. Indien de bodemingrepen ter plaatse van het erf aan Fochteloërveenweg 8 en 10 zoals beschreven beperkt blijven tot het uitgraven van de bestaande fundering, wordt er geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Indien het ontwerp wijzigt en de bodemingrepen dieper reiken, tot in het dekzandniveau, en een groter oppervlak dan 500 m² beslaan, wordt een karterend booronderzoek bestaand uit minstens 12 boringen geadviseerd. Indien bodemingrepen zich beperken tot het veenpakket, dan kan gebruik worden gemaakt van het Protocol Toevalsvondsten dat reeds is opgesteld in het kader van de kadeherstelwerkzaamheden in het Fochteloërveen.
5.1.3 Conclusie Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het thema Archeologie. Ter plaatse zijn geen archeologische of cultuurhistorische waarden aanwezig.
5.2 Ecologie 5.2.1 Wettelijk kader Op voorgenomen ontwikkelingen is wetgeving met betrekking tot de bescherming van de natuur van toepassing. Deze wetgeving richt zich op twee hoofdthema's. Het gaat hierbij om de bescherming van plant- en diersoorten (soortbescherming) en de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming). Beide thema's zijn vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Soortenbescherming In de wet is een aantal planten en dieren aangewezen als beschermd. Deze beschermde organismen mogen niet zonder reden in hun bestaan worden aangetast. Belangrijk is het feit dat beschermde organismen ook buiten natuurgebieden voorkomen. De wet maakt een onderscheid tussen licht en zwaar beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik dan wel van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting, gelden voor sommige, licht beschermde soorten, de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming niet. Voor (zwaar) beschermde soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Gebiedsbescherming en stikstofdepositie Ruimtelijke projecten kunnen niet zonder meer worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden, zijnde Natura 2000 gebieden en gebieden onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben en of zij verstoring zullen veroorzaken (externe werking). Als sprake is van externe werking kan het noodzakelijk zijn dat bij de provincie (bevoegd gezag) een vergunning in het kader van de gebiedsbescherming aangevraagd moet worden.
5.2.2 Beoordeling Door Faunax is een natuurtoets opgesteld. De natuurtoets is opgenomen in bijlage 2. In 2022 heeft Bureau FaunaX B.V. een Quickscan uitgevoerd met betrekking tot de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel Fochteloërveenweg 8-10 te Fochteloo (Bureau FaunaX B.V., 2022). In deze Quickscan wordt geconcludeerd dat nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van huismussen, huiszwaluwen (omgevingscheck), gierzwaluwen en verblijfplaatsen van vleermuizen benodigd is voor de voortgang van de voorgenomen werkzaamheden. Tijdens de Quickscan werd binnen het plangebied een verblijfplaats van kerkuil vastgesteld. Daarnaast kan de aanwezigheid van hibernacula van ringslang, adder, gladde slang, hazelworm en levendbarende hagedis, evenals landhabitat van heikikker, poelkikker en boomkikker binnen het plangebied niet op voorhand worden uitgesloten. Faunax heeft aanvullend onderzoek uitgevoerd, daaruit kan het volgende worden geconcludeerd. Huismussen Tijdens het nader onderzoek zijn geen jaarrond beschermde nesten van huismussen vastgesteld binnen het plangebied. De aanwezigheid hiervan kan derhalve worden uitgesloten. Op het gebied van huismus zijn geen vervolgstappen benodigd voor de voortgang van het project. Voor de soort hoeft geen ontheffing aan de Wnb aan te worden gevraagd.
Jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw) Tijdens het nader onderzoek zijn geen jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen vastgesteld binnen het plangebied. De aanwezigheid hiervan kan derhalve worden uitgesloten. Op het gebied van gierzwaluwen zijn geen vervolgstappen benodigd voor de voortgang van het project. Voor de soort hoeft geen ontheffing aan de Wnb aan te worden gevraagd. Vleermuizen (verblijfplaatsen) Tijdens het nader onderzoek is een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld, welke als gevolg van het planvoornemen verloren kan gaan. Conform de verbodsbepaling onder artikel 3.5 van de Wnb is het verboden om verblijfplaatsen van vleermuizen te verstoren of te vernielen, waardoor voor de voortgang van dit project een ontheffing aan de Wet natuurbescherming dient te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag de provincie Fryslân. Deze ontheffing wordt aangevraagd op basis van een activiteitenplan, waarin de voorgenomen werkzaamheden, de effecten op de verblijfplaatsen van vleermuizen en de te nemen mitigerende en compenserende maatregelen worden besproken. Huiszwaluw Tijdens een omgevingscheck werden binnen een straal van 2,5 km rond het plangebied geen huiszwaluwnesten aangetroffen, met uitzondering van huiszwaluwnesten op een naastgelegen perceel aan de Fochteloërveenweg 4.
Om deze reden genieten de in het plangebied aanwezige nesten jaarronde bescherming. Conform de verbodsbepalingen onder Artikel 3.1 van de Wnb is het verboden in het wild levende huiszwaluwen te doden, vangen of storen, dan wel hun nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen. Voor de boerenzwaluw geldt daarentegen dat in de omgeving dusdanig veel nesten of territoria (en alternatieve nestgelegenheid) zijn vastgesteld dat onzes inziens van jaarronde bescherming van de nesten geen sprake is. Overige soorten In de Quickscan wordt geadviseerd om voor wat betreft een reeds vastgestelde verblijfplaats van de kerkuil en voor hibernacula van ringslang, adder, gladde slang, hazelworm en levendbarende hagedis, evenals landhabitat van heikikker, poelkikker en boomkikker direct over te gaan tot een ontheffingsaanvraag. Tijdens vooroverleg met Kim Mulder van de Provincie Friesland is echter afgesproken dat voor reptielen en amfibieën geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Wel zullen deze soorten onder het mom van ‘zorgvuldig handelen’ in de ontheffing worden opgenomen.
Overige adviezen Naast de bovengenoemde soorten dient rekening te worden gehouden met overige adviezen uit de Quickscan, zoals het werken buiten de broedperiode van vogels waarvan nesten in dit geval geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces.Voor de broedperiode wordt grofweg de periode tussen 15 maart en 15 juli aangehouden. Deze periode kan echter eerder beginnen of later eindigen per soort en als gevolg van klimatologische omstandigheden. Zo kunnen bijvoorbeeld huiszwaluwen in september nog jongen hebben. Hiernaast dient men tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met de zorgplicht.
De planlocatie grenst aan Natura 2000-gebied Fochteloërveen. Figuur 5.1.
Afbeelding 5.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied Fochteloërveen.
Het NNN, Natuurnetwerk Nederland, is een beleidsmatige, planologische bescherming van bestaande en nieuw te ontwikkelen natuur. Het plangebied maakt onderdeel uit van het NNN. Figuur 5.2 toont de ligging van de voorgenomen maatregelen ten opzichte van het NNN.
Afbeelding 5.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN.
Het plangebied ligt in een als door de provincie Friesland begrensd deel van het NNN. Het toekomstig gebruik van het perceel leidt niet tot een aantasting van het NNN. Om die reden vormt het NNN geen belemmering voor het project. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. Wanneer het een project betreft dat direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied geldt deze vergunningplicht niet. (art 2.7 lid 2). Een dergelijke vergunning wordt alleen verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (art 2.8 lid 3). Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast niet is verkregen, mag de vergunning alleen worden verleend wanneer er geen alternatieve oplossing is, er een dwingende reden van groot openbaar belang wordt gediend en er compenserende maatregelen worden getroffen (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4).
Uitzondering van de vergunningplicht Op grond van Wnb artikel 2.7 lid 2 is een vergunning Wnb nodig voor een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Het onderhavige project, het inrichten van de percelen alszijnde natuur en het uitvoeren van hydrologische maatregelen, is een project dat wel direct verband houdt met en nodig is voor het beheer en instandhouding van een Natura 2000-gebied, namelijk het Fochteloërveen. Dat betekent dat voor dit project geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming benodigd is. Omdat de zorgplicht (Wnb 1.11) onverkort van toepassing is, zijn in de natuurtoets de effecten op Natura 2000-waarden wel beschreven en is in het ecologisch werkprotocol een aantal maatregelen opgenomen waarmee effecten op Natura 2000 zo veel mogelijk beperkt worden.
5.2.3 Conclusie Gezien de vrijstelling die is vastgelegd in artikel 3.3 lid 7 en artikel 3.8 lid 7 van de Wet natuurbescherming is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig, omdat het project onderdeel is van de uitvoering maatregelen voor het Natura 2000-gebied. Met oog op de zorgplicht worden echter adequate maatregelen getroffen waarmee overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb wordt voorkomen. Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het thema natuur.
5.3 Bodem 5.3.1 Wettelijk kader Alvorens de ontwikkeling kan worden gerealiseerd, zal mogelijk vooraf een onderzoek (historisch onderzoek, locatieonderzoek, verkennend onderzoek en eventueel een nader onderzoek en saneringsonderzoek) worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740 ter plaatse van alle geconstateerde potentiële bodemverontreinigende activiteiten. In een beperkt aantal gevallen is reeds onderzoek voorhanden. In het vervolgonderzoek zal de beschikbare informatie worden mee gewogen of eventuele verontreinigingen voldoende in beeld zijn gebracht en of een sanering (na het volgen van de juiste procedures) dient te worden uitgevoerd. Grond afkomstig van wbb-locaties (locaties waarop de Wet bodembescherming van toepassing is) moet op verantwoorde wijze worden afgevoerd. Grond afkomstig van overige locaties moet zoveel mogelijk ter plaatse worden hergebruikt (gesloten grondbalans). In die situaties, waar grond gaat vrijkomen, wordt sterk aanbevolen om de kwaliteit van de vrijkomende bodem, conform het Besluit bodemkwaliteit, analytisch vast te stellen. Uiteraard dient het onderzoek representatief te zijn voor de hele vrijkomende partij. Aanbevolen wordt om, indien grond vrijkomt van diverse locaties, conform de hiernavolgende punten te handelen: • Indien grond vrijkomt, dient deze bij voorkeur binnen het betreffende perceel te worden verwerkt.
• Grond waarvan zintuiglijk (op basis van geur en visuele waarneming) wordt geconstateerd dat deze mogelijk is verontreinigd, wordt uitgesloten van direct hergebruik als bodem. De toepasser dient de grond te laten onderzoeken middels een aanvullend onderzoek. Op basis daarvan kan de gemeente beoordelen of hergebruik mogelijk is. Om deze reden moet het uitvoerende personeel bij grondverzet goed zijn geïnstrueerd voor het herkennen van afwijkende bodemomstandigheden, die te maken kunnen hebben met verontreinigingen. Bij een herkenning van een verontreiniging dient een gecertificeerd milieukundig begeleider te worden ingeschakeld, die zorgt voor het laten uitvoeren van nader onderzoek.
In de volgende voorkomende gevallen dient contact te worden opgenomen met de gemeente Ooststellingwerf: • indien graafwerkzaamheden worden gestart op en/of nabij locaties met een potentiële bodemverontreiniging; • indien verontreinigde grond en/of verontreinigd grondwater vrijkomt; • indien een partij grond in een hoeveelheid groter dan 50 m3, wat niet op de percelen zelf kan worden verwerkt, vrijkomt; • indien tijdens graafwerkzaamheden een brandstofgeur, verfgeur, andere bodemvreemde geuren of bijzonderheden (bijzonderheden die mogelijk duiden op de aanwezigheid van een mogelijke bodemverontreiniging zoals ondergrondse tanks of leidingen) worden waargenomen; • indien tijdens graafwerkzaamheden asbest wordt waargenomen.
5.3.2 Beoordeling Door Greenhouse Advies bv is ter plaatse van Fochteloërveen 8 en 10 in Fochteloo, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 (strategie voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek), wat tevens geldt als een eindsituatie-bodemonderzoek. Daarnaast is voor een deel van het terrein een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 (Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond) uitgevoerd. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Oosterwolde, sectie G, perceelnummer 369. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 5.000 m². Vooronderzoek Uit het historisch onderzoek blijkt dat op de locatie een aantal bodembedreigende situaties/activiteiten plaatsvinden, waarvan een deel in de Wm-vergunning zijn opgenomen: A. Wasplaats, dieseltank en obas, B. Septictank, C. Opslag olie, D. Opslag motorzagen, bosmaaiers etc. E. Machinestalling, F. Slootdemping, G.Druppelzone westelijke schuur. Deellocaties A t/m E zijn in 1995 onderzocht middels een nulsituatiebodemonderzoek. Veldonderzoek Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem over het algemeen bestaat uit een laag humeus zand tot op een diepte van circa 1,0 meter onder het maaiveld. Daaronder ligt een laag veen van circa 50 centimeter dikte, waaronder een laag niet-humeus zand ligt.
In boring 206, geplaatst in de slootdemping, is geen gebiedsvreemde bodem aangetroffen en geen bijmenging. De dikte van de demping is vanaf het maaiveld tot 1,0 meter diepte. Onder het beton op het erf is een verhardingslaag aangetroffen van vuursteen. Tijdens de monsterneming is de grondwaterstand aangetroffen op een diepte van circa 1,0 m-mv. Chemisch onderzoek ● In de bovengrond op de locatie is lokaal het gehalte van zink licht verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. Alle overige parameters zijn niet verhoogd aangetoond. ● In de ondergrond op de locatie is geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. ● In de druppelzone van het asbestverdachte dak van de westelijke schuur zijn geen asbestvezels aangetoond. ● In het grondwater op de locatie is lokaal het gehalte van zink licht verhoogd aangetoond ten opzichte van de streefwaarde. Alle overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond. Op basis van het aantreffen van lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater dient de hypothese ‘locatie is onverdacht’ formeel verworpen te worden. Eindsituatie bodemonderzoek Samenvattend kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit van de grond en het grondwater onder de bodembedreigende situaties en activiteiten tussen 1995 en 2023 niet significant is veranderd.
Het terrein is op basis van de milieu hygiënische kwaliteit (Achtergrondwaarde) geschikt voor het voorgenomen gebruik als natuurgebied.
5.3.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de nul situatie van het plangebied is vastgesteld. Er zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat sprake is bodemverontreiniging. Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het thema bodem.
5.3 Lucht 5.3.1 Wettelijk kader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
5.3.2 Beoordeling Op de planlocatie vinden tijdelijke werkzaamheden plaats om de voorgenomen maatregelen uit te voeren. Er is geen sprake van het oprichten van functies met permanente of blijvende luchtemissie. Vandaar dat de voorgenomen ontwikkeling niet getoetst wordt aan het vigerende beleid middels berekeningen.
5.3.3 Conclusie Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het thema Lucht.
5.4 Geluid 5.4.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
5.4.2 Beoordeling Het plan maakt geen oprichting van geluidgevoelige objecten mogelijk. De werkzaamheden binnen de inrichting vinden plaatsen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur. Calamiteiten voorbehouden. Gezien de afstand ten opzichte van de gevoelige objecten en tijdelijke aard van het project, is geen sprake van negatieve effecten op het woon- en leefklimaat ter plaatse. Verwacht wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen directe geluidhinder veroorzaakt ten aanzien van de nabijgelegen woningen. De activiteiten vinden op aanzienlijk grotere afstand plaats binnen de inrichting ten opzichte van de omliggende gevoelige objecten.
5.4.3 Conclusie Het plan is uitvoerbaar wat betreft het thema geluid. Ter plaatse worden geen geluidgevoelige objecten opgericht en de werkzaamheden die uitgevoerd worden zijn van tijdelijke aard.
5.5 Milieuzonering 5.5.1 Wettelijk kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (2009) gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende milieucategorieën van bedrijven. Deze afstemming beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Met Milieuzonering Nieuwe stijl (publicatie Mei 2019) wordt specifiek dit onderdeel van de goede ruimtelijke ordening anders ingevuld. In plaats van een milieuzonering aan de hand van zones met oplopende milieucategorieën en een Staat van bedrijfsactiviteiten, krijgt de milieuzonering nieuwe stijl vorm door zones die bij grotere afstand tot de woonomgeving voorzien in een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, zonder een Staat van bedrijfsactiviteiten. De regelingen in de publicatie richten zich niet op het buitengebied met zijn focus op de agrarische sector.
Wel kan de in deze publicatie opgenomen methodiek als eerste aanzet worden gebruikt voor de planregels voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten in het buitengebied. Onlangs heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State in een uitspraak (17-062020, 201909275/1/R3) aangegeven dat een gemeente gebruik kan blijven maken van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 2009 en niet verplicht is de Handreiking Milieuzonering nieuwe stijl van mei 2019 toe te passen. Voor verschillende milieucategorieën zijn conform de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 2009 richtafstanden weergegeven. De milieucategorieën zijn ingedeeld in een range van 1 tot en met 6. Bedrijven met categorie 1 hebben een kleine hindercirkel. Categorie 6 bedrijven zijn in het algemeen zware industriële bedrijven met relatief grote hindercirkels. De hindercirkels zijn weergegeven in richtlijnen. Door het treffen van maatregelen kan het zijn dat de werkelijke hinderafstand kleiner is dan de afstanden uit de richtlijnen. Er kan dan ook gemotiveerd worden waarom wordt afgeweken van de richtlijnen.
5.5.2 Beoordeling In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen gevoelige objecten gelegen die hinder ondervinden van de functiewijziging van Agrarisch, Bedrijf – Natuurbeheer en Wonen naar Natuur. De voorgenomen ontwikkeling zorgt hierdoor niet voor negatieve effecten op het woon- en leefklimaat ter plaatse.
5.5.3 Conclusie Gezien de tijdelijke aard van het project en de afstand tot de gevoelige objecten kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse. Op basis van deze conclusie wordt gesteld dat het plan uitvoerbaar is.
5.6 Besluit Milieueffectrapportage 5.6.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten die m.e.r.plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten). M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor de beslissing of de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen, niet bij wet vastligt, maar door het bevoegd gezag moet worden genomen. Bevoegd gezag moet bepalen of er sprake is van "belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu", die het doorlopen van de m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
5.6.2 Beoordeling Voor deze categorie D9 (landinrichtingsprojecten) uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een ondergrens voor een m.e.r.-beoordelingsplicht. De activiteit die middels een functiewijziging mogelijk wordt gemaakt blijft ruim onder deze drempelwaarde van D9 zie kolom 'gevallen'). De activiteit beperkt zich tot een functiewijziging met een oppervlakte van minder dan 125 hectare. Dit betekent dat er in dit geval geen m.e.r.-beoordeling, maar een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden. In deze beoordeling is geconstateerd dat door de maatregelen er geen sprake is van nadelige milieugevolgen die verder onderzoek moeten worden.
5.6.3 Conclusie Voor de voorgenomen ontwikkeling, geldt dat er geen belangrijk nadelige milieugevolgen worden verwacht. Er is dan ook geen aanleiding om een m.e.r.-procedure te voeren voor deze ontwikkeling.
5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Wettelijk kader Landelijk beleid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015; het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Gemeentelijk beleid De gemeente hanteert de veiligheidsafstanden die moeten worden aangehouden tussen een buisleiding en bijvoorbeeld woningen, scholen en ziekenhuizen conform de huidige circulaires. Momenteel is het Rijk bezig met het opstellen van een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Buisleidingen. Deze AMvB zal nieuwe regels gaan stellen aan risiconormering en zonering langs buisleidingen, het opnemen van regels in bestemmingsplannen et cetera. Een en ander zal worden vastgelegd in een nieuwe circulaire en vervolgens in een wettelijke regeling. De gemeente is voornemens aan te sluiten bij de nieuwe wetgeving waarbij de aandacht voor het groepsrisico meer nadruk zal krijgen. De gemeente hanteert de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet als harde norm, dan wel dat een overschrijding van de oriënterende waarde pas acceptabel wordt bevonden als optimaal aan alle aspecten, zoals zelfredzaamheid, beheersbaarheid en hulpverlening wordt voldaan.
Deze insteek wil de gemeente ook toepassen bij toenames van het groepsrisico die onder de oriënterende waarde blijven. Dit betekent dat de toename van het groepsrisico altijd goed zal worden gemotiveerd, waarbij de gemaakte keuzes worden
verantwoord en vastgelegd in het bijbehorende document, bijvoorbeeld het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning.
5.7.2 Beoordeling Binnen het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig, dit wordt weergegeven op figuur 5.3. Daarnaast worden geen risicobronnen opgericht middels de voorgenomen ontwikkelingen.