Agendabundel
Tekst van het document
De emissie van fijnstof en ammoniak op het bedrijf wordt verder verlaagd. Ook zal de geursituatie in de omgeving gunstiger worden en voldoen aan geldende geurnormen door het verplaatsen van emissiepunten. Door de bedrijfsvoering kunnen de milieueffecten welke beschreven zijn in de vormvrije m.e.r.- beoordelingsnotitie optreden. Deze effecten zijn nauwkeurig te beschrijven omdat er vastgestelde normen zijn waarvan uit gegaan dient
21
te worden. Bij het toetsen aan deze normen is gebruik gemaakt van verschillende rekenprogramma’s. De m.e.r-beoordelingsnotitie is als bijlage bijgevoegd.
4.1.3
Conclusie
Uit de m.e.r-beoordelingsnotitie valt te concluderen dat de voorgenomen activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Uit de m.e.r-beoordelingsnotitie blijkt niet dat er sprake is van belemmeringen voor het initiatief.
ARCHEOLOGIE 4.2.1
Inleiding
Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta (Malta). Daarna heeft de rijksoverheid beleid ontwikkeld voor een zorgvuldige omgang met het archeologisch erfgoed. Het uitgangspunt is het behoud van archeologische waarden 'in situ' (ter plekke; in de bodem). In 2007 heeft het verdrag zijn neerslag gekregen in de Nederlandse wetgeving. Op 1 september van dat jaar trad de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking. In samenhang daarmee werden ook de Monumentenwet 1988 en drie andere wetten aangepast. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze op 1 januari 2024 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De gemeenteraad van de gemeente Ooststellingwerf heeft de Nota Archeologie gemeente Ooststellingwerf vastgesteld. De nota is verwerkt in het bestemmingsplan “Buitengebied 2016” en herzieningen daarvan.
In het bestemmingsplan heeft een deel van het plangebied buiten het bouwvlak de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ gekregen en een deel de dubbelbestemming ‘ waarde – archeologie 5’. 4.2.2
Toetsing
In de Nota Archeologie Gemeente Ooststellingwerf is een archeologische waarden- en beleidsadvieskaart opgenomen. Deze kaart is onder andere gebaseerd op de Archeologische Monumenten Kaart van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en op de FAMKE van de provincie Fryslân. Onderstaande figuur geeft een uitsnede hiervan weer ter plaatse van het plangebied. Op onderstaande figuur 4-1 is te zien dat er roze, gele en groene zones liggen in het plangebied. Aan de gronden in de roze zones is een hoge archeologische verwachtingswaarde toegekend. Aan de gronden in de gele zones is een middelhoge archeologische verwachtingswaarde toegekend. Binnen de groene zones verwacht men geen archeologische waarden omdat deze gronden reeds bebouwd zijn en de grond is geroerd. Alle drie de zones zijn relevant voor het initiatief.
22
Figuur 4-1 Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: gemeente Ooststellingwerf)
Aan de gronden binnen het huidige bouwvlak is aan een klein deel een dubbelbestemming toegekend waarmee beoogd wordt archeologische waarden te beschermen. Een groot deel van deze gronden is reeds bebouwd. Een deel van de gronden binnen het bouwvlak en gronden buiten het bouwvlak die bebouwd worden hebben de dubbelbestemmingen ‘waarde – archeologie 4’ en ‘waarde – archeologie 5’. Ter plaatse van de gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde (geel) is het op grond van de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 5’ niet toegestaan om bouwwerken te bouwen waarbij de bodem dieper dan 40cm onder het maaiveld wordt geroerd. Dit verbod geldt niet voor het vervangen van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet meer dan 2.500m 2 wordt uitgebreid. Ook is dit verbod niet van toepassing op de bouw van bouwwerken ten behoeve van andere op deze gronden geldende bestemmingen met een oppervlakte die maximaal 2.500m2 is. Het initiatief betreft de sloop van bestaande bebouwing waarvoor in de plaats de nieuwe stal C gebouwd wordt. Binnen de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 5’ betreft de uitbreiding ca. 680m2. Op basis van deze uitbreiding is op grond van de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 5’ geen archeologisch onderzoek vereist. De maximale oppervlakte van 2.500m 2 wordt niet overschreden.
Ter plaatse van de gronden met een hoge archeologische verwachtuingswaarde (roze) is het op grond van de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ niet toegestaan om bouwwerken te
23
bouwen waarbij de bodem dieper dan 40cm onder het maaiveld geroerd wordt. Dit verbod geldt niet voor het vervangen van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet meer dan 500m 2 wordt uitgebreid. Ook is dit verbod niet van toepassing op de bouw van bouwwerken ten behoeve van andere op deze gronden geldende bestemmingen met een oppervlakte die maximaal 500m 2 is. Het initiatief betreft de sloop van bestaande bebouwing waarvoor in de plaats de nieuwe stal C gebouwd wordt. Binnen de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ komt ca. 1.210m2 van stal C te staan. Daarnaast wordt binnen deze bestemming tevens stal A uitgebreid met ca. 400m2. Daaruit volgt dat het bebouwde opervlak binnen de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ met 1.610m2 toeneemt. Daarmee wordt de grens van 500m2 overschreden. Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van het verbod om meer dan 500m2 te bouwen. Daartoe moet een rapport worden overlegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. En in voldoende mate moet zijn aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
Ook kan de aanvrager op een vergelijkbare wijze overtuigend aantonen, voor zover het agrarische bouwvlakken betreft, dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Als aangetoond kan worden dat binnen het bouwvlak geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, is voor dit deel van het initaitief geen archeologisch onderzoek meer nodig. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ betreft de uitbreiding buiten het bouwvlak ca. 385m2. Dat is minder dan 500m2. In dat geval kan een archeologisch onderzoek achterwege blijven. In de loop der jaren is de grond binnen het bouwvlak geroerd als gevolg van bouwwerkzaamheden en andere roeringen van de bodem. Omdat de bodem binnen het bouwvlak geroerd is enkel de uitbreiding buiten het bouwvlak bepalend of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien buiten het bouwvlak de uitbreiding minder dan 500m2 betreft kan een archeologisch onderzoek achterwege blijven. 4.2.3
Conclusie
Het gebied waar de nieuwe stal en de uitbreiding van de bestaande stal zijn voorzien stekt zich uit over gronden met verschillende archeologische verwachtingswaarden. De omvang van de uitbreiding en de bouw van de nieuwe stal blijft binnen de norm waarboven een archeologisch onderzoek vereist is. Er is dan ook geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit aspect staat niet in de weg voor het realiseren van het voornemen. Uiteraard geldt wel de zogenaamde wettelijke meldingsplicht.
24
BODEM De milieuhygiënische bodemkwaliteit mag geen belemmering zijn voor de economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Verder behoort de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidig of toekomstig gebruik van de bodem. De bodemkwaliteit mag immers geen onaanvaardbare risico's opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag door menselijk handelen de bodemkwaliteit niet verslechteren (zorgplicht). Voor de toepassing van grond, baggerspecie en bouwstoffen gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. De gemeente heeft beleid opgesteld voor hergebruik van grond. Deze staan beschreven in de nota Bodembeheer 2021. Bij graafwerkzaamheden, bouwactiviteiten, uitbreiding of verandering van bedrijfsactiviteiten dient de initiatiefnemer na te gaan of de bodemkwaliteit voldoende in beeld is gebracht of dat er een actueel bodemonderzoek ingediend moet worden, de zogenaamde bodemtoets. In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd. Zo worden bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opslag van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke meststoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aangemerkt.
In de omgevingsvergunning van het bedrijf worden gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn. Voor de gewenste nieuwbouw is dit niet het geval. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is voor het uitbreiden van een stal en het oprichting van een stal niet relevant. Het plan voorziet in de uitbreiding van huisvesting van een pluimveehouderij. De grond waarop de nieuwbouw van de uitloop plaatsvindt heeft reeds een agrarische bestemming en is in het verleden landbouwkundig gebruikt. Verwacht mag worden dat deze grond niet verontreinigd is. Uit het bodemloket van de provincie Fryslân blijkt ook niet dat er sprake is van verontreinigde bodem binnen het besluitgebied. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering is voor de gewenste nieuwbouw. De bodem ter plaatse van het bedrijf is opgebouwd uit zand. Ten behoeve van de nieuwbouw vinden graafwerkzaamheden plaats. De grond die hierbij vrijkomt, wordt elders op het perceel gebruikt om hoogteverschillen te vereffenen. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden zullen sonderingen plaatsvinden.
Voor de omgevingsvergunning wordt het plan nader constructief onderbouwd.
25
CULTUURHISTORIE 4.4.1
Inleiding
Ieder ruimtelijk plan moet een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.4.2
Toetsing
Het bedrijf aan de Abbendijk 2 in Nijeberkoop ligt in het woudontginningen landschap. De volgende afbeelding geeft de cultuurhistorische waarden in de omgeving weer.
Figuur 4-2 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart (bron: provincie Fryslân)
Binnen het besluitgebied zijn met uitzondering van de verkaveling geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De verkaveling in het gebied kenmerkt zich door een opstrekkende verkaveling en grootschalige regelmaat. Met het initiatief worden geen wijzigingen aangebracht in de verkaveling binnen het besluitgebied. Met het initiatief worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. Het initiatief is wat betreft het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar.
26
VERKEER EN PARKEREN 4.5.1
Inleiding
Het beperken van de nadelige milieugevolgen van het verkeer van personen of goederen naar een inrichting is een te beschermen milieubelang. In deze paragraaf beschouwen wij wat het effect is van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op dit aspect. De te behandelen ruimtelijk relevante onderdelen zijn de ontsluiting, verkeer aantrekkende werking en de parkeerbehoefte. 4.5.2
Toetsing
Ontsluiting Het besluitgebied is met twee uitwegen ontsloten op de Abbendijk. Deze sluit in zuidelijke richting aan op de provinciale weg N351. Ook in noordelijke richting is een provinciale weg bereikbaar. Via de Twijtel en de Prikkedeam is de N380 bereikbaar. De N351 is echter veel dichterbij. Het ligt meer voor de hand dat verkeer deze route kiest. Via de N351 kan in zuidwestelijke richting na ca. 15 km de A32 bereikt worden. Daarbij worden de kernen Oldeberkoop, Nijeholtpade en Oldeholtpade gepasseerd. In noordoostelijke richting is Oosterwolde bereikbaar via de N351. Het besluitgebied is goed ontsloten. Verkeersaantrekkende werking Het bedrijf heeft een vergunning voor het houden 130.900 vleeskuikens. In de beoogde situatie wordt hetzelfde aantal dieren gehouden. Daarnaast wordt in de nieuwe situatie een langzaam groeiend ras gehouden. Gevolg hiervan is dat per jaar een ronde minder dieren wordt gehouden. Er zijn daardoor minder vrachtwagens nodig voor het afvoeren van de kuikens en mest. Voor de aanvoer van voer zal het aantal verkeersbewegingen (vrijwel) gelijk blijven. Consequentie is dat het aantal verkeersbewegingen per jaar af zal nemen ten opzichte van de huidige situatie. Parkeren Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein.
Hiervoor is meer dan voldoende verharding aanwezig om te voorzien in parkeervoorzieningen voor parkeren van bezoekers zoals bedrijfsvertegenwoordigers of de dierenarts. 4.5.3
Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect verkeer en parkeren uitvoerbaar. ECOLOGIE 4.6.1
Inleiding
Ter bescherming van ecologische waarden moet bij ruimtelijke ingrepen een afweging worden gemaakt in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden (Natura 2000).
27
4.6.2
Toetsing
In het kader van de m.e.r.- en ruimtelijke procedures moet beoordeeld worden wat de gevolgen zijn voor de flora en fauna in het besluitgebied. Het besluit gebied is op dit moment agrarisch in gebruik. De stal die gesloopt wordt is niet toegankelijk voor vogels of vleermuizen, mede ivm het overbrengen van ziektes. Door de huidige inrichting en het huidige beheer van het besluitgebied is het niet aannemelijk dat zich beschermde soorten in het besluitgebied hebben gevestigd. Gebiedsbescherming - Natuur netwerk Nederland Binnen de provincie Friesland zijn veel natuurgebieden. Die vormen samen een netwerk: het Natuur Netwerk Nederland. Dat netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, maar er worden ook nieuwe natuurgebieden ontwikkeld. Het Natuur Netwerk Nederland is beschermd, je mag er bijvoorbeeld niet zomaar bouwen. Een deel van het Natuur Netwerk heeft zelfs Europese bescherming: de Natura 2000-gebieden. Maar ook buiten de Natura 2000-gebieden zijn stukken natuur die het beschermen waard zijn. Zoals uit onderstaande figuur blijkt ligt het plangebied niet binnen het NNN. Effecten op het NNN zijn uitgesloten.
Figuur 4-2 Ligging besluitgebied t.o.v. natuur ( Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Drents-Friese Wold & Leggelderveld. Dit Natura 2000gebied ligt op circa 3,7 km vanaf het besluitgebied. Rond het besluitgebied is natuur buiten de RHS aangewezen. Het besluitgebied ligt niet in één van deze gebieden. Het initiatief heeft geen invloed op de oppervlakte aan aangewezen natuur in de omgeving. Er wordt niet op gronden gebouwd die zijn aangemerkt als natuur.
28
Gebiedsbescherming - Wet ammoniak en veehouderij Zoals uit figuur 4-3 blijkt, zijn er in de omgeving van het besluitgebied kwetsbare gebieden in het kader van de Wet Ammoniak en Veehouderij gelegen, die bescherming nodig hebben. Voor de kwetsbare gebieden geldt een beschermingszone van 250 meter. Het besluitgebied ligt buiten een dergelijke beschermingszone en op 1,1 kilometer van het dichtstbijzijnde voor ammoniak gevoelige gebied. Dit betekent dat er geen sprake is van een nadelige invloed door het bedrijf op de ecologische situatie van een kwetsbaar gebied. In de MER-beoordelingsnotitie is een analyse gemaakt van de ammoniakemissie. Daaruit blijkt dat de ammoniakemissie als gevolg van de bedrijfsaanpassing afneemt met 235kg per jaar. De belasting op omliggende gevoelige gebieden zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee is de uitvoerbaarheid ten aanzien van de Wet ammoniak en veehouderij verzekerd.
Figuur 4-3 Zeer kwetsbare gebieden Wav (bron:www.fryslan.frl)
Gebiedsbescherming - Natuurparken, kustgebieden en bosgebieden Nationale Parken (natuurparken) zijn de meest waardevolle natuurgebieden van Nederland. In Nederland is een nationaal park een natuurgebied van ten minste duizend hectare, met een karakteristiek landschap en bijzondere planten en dieren. Het beheer van een nationaal park is gericht op natuurbehoud en -ontwikkeling, natuurgerichte recreatie, educatie en voorlichting, en op onderzoek. Naast natuurparken vormen ook kustgebieden en bosgebieden een belangrijk onderdeel van de Nederlandse natuur. De genoemde gebieden worden alleen beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving. Eventuele natuurparken, kustgebieden en/of bosgebieden in de omgeving van het bedrijf die tevens zijn aangewezen onder andere natuurbeschermende regelgeving worden in desbetreffende paragraaf genoemd. Het besluitgebied is niet gelegen binnen een Nationaal park en heeft hier dan ook geen invloed op.
29
Gebiedsbescherming – Natura 2000 In het kader van Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn heeft Nederland in de Wet natuurbescherming natuurgebieden aangewezen, de zogenaamde Natura-2000 gebieden. Deze gebieden zijn aangewezen ter instandhouding van waardevolle flora en fauna. Waarbij Vogelrichtlijngebieden zich richten op soortenbescherming van met name vogels. Habitatgebieden richten zich op de bescherming van de habitats die kwetsbare soorten herbergen. Veel van de Habitatgebieden zijn overbelast op het gebied van stikstofdepositie. Een toename van stikstofdepositie op omliggende gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn is niet toegestaan. Dit zal worden getoetst in het kader van de aanvraag van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor de uitvoerbaarheidstoets en in het kader van een goede ruimtelijke ordening zal in deze paragraaf ook beschouwd worden of het planvoornemen leidt tot een aantasting van de omliggende Natura-2000 gebieden. Rondom het plangebied liggen op grote tot zeer grote afstand drie Natura-2000 gebieden, zie onderstaande figuur. Op 3,7 kilometer afstand ligt het Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied ‘DrentsFriese Wold & Leggelderveld’. Dit gebied is aangewezen ter bescherming van enkele habitattypen, de kamsalamander, de drijvende weegbree en vogelsoorten.
Het gebied is gevoelig voor stikstofdepositie.
Figuur 4-4 ligging bedrijf ten opzichte van Natura 2000 gebied ‘Drents-Friese Wold en Leggelderveld’ (Bron: www.natura2000.nl)
Voor het bedrijf is op 9 november 2012 een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend. Daarbij is een ammoniakemissie toegestaan van 2.983,9 kg. Met dit plan is sprake van
30
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Voor alle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan deze wet noodzakelijk. Beschermde soorten kunnen overal voorkomen. Bij de totstandkoming van een nieuw ruimtelijk plan, moet worden voorkomen dat conflicten met de soortenbescherming ontstaan. De locatie van de beoogde uitbreiding van stal A en de nieuwbouw van stal C en E zijn op dit moment agrarisch in gebruik. De gronden zijn nu deels bebouwd, deels ingericht als groene landschappelijke inpassing en deels in gebruik als grasland. Dit gebruik en het beheer van de grond maken het onwaarschijnlijk dat beschermde diersoorten hier een vaste rust- of verblijfplaats hebben. In de bestaande bebouwing zijn voorzieningen getroffen om te voorkomen dat vogels of vleermuizen zich hier vestigen in verband met de verspreiding van ziekten. Mogelijk dat het gebied wel gebruikt wordt als foeragegebied.
Gelet op de omvang van de uitbreiding zal het effect op het gehele foeragegebied beperkt zijn. Op basis van het huidige gebruik en beheer is het onwaarschijnlijk dat beschermde plantensoorten zich in het gebied hebben gevestigd. In verband met het verwijderen van de huidige landschappelijke inpassing moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.6.3
Conclusie
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander gebied beschermd middels de Wet natuurbescherming. Het plangebied ligt ook niet binnen 500 meter vanaf een Natura-2000 gebied. Er is geen sprake van externe werking van de bouw- of gebruiksfase behalve op het aspect stikstofdepositie. De stikstofdepositie is vergeleken met de beoogde twee fases van het planvoornemen. Hieruit is gebleken dat in beide fases de stikstofdepositie afneemt op omliggende Natura-2000 gebieden. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op het functioneren van Natuurnetwerk Nederland, ook is het plangebied niet gelegen in nabijheid van gebieden aangewezen in de Wet ammoniak en veehouderij. Daarnaast zijn geen beschermde soorten in het besluitgebied te verwachten. Bij de bouwwerkzaamheden dient wel rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het planvoornemen is wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.
31
WATERPARAGRAAF Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Om de problemen van wateroverlast en verdroging het hoofd te bieden is een ingrijpende herinrichting van het watersysteem nodig. De Commissie Waterbeheer voor de 21e eeuw pleit voor de toepassing van een drietrapsstrategie voor het waterbeheer: eerst vasthouden van het regenwater in het gebied waar het valt; vervolgens het bergen van wateroverschotten in speciaal daarvoor aangelegde voorzieningen of aangewezen gebieden; pas dan het water afvoeren via waterlopen en gemalen De plannen worden voorgelegd aan het Wetterskip Fryslân voor de uitvoering van een watertoets. Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met ruimte voor water en watervoorzieningen. Dit verkleint de kans op problemen zoals overstroming door onvoldoende veilige dijken, wateroverlast door onvoldoende bergingsmogelijkheden voor hemelwater of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkomen van problemen. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefomgeving van mens en dier verbeteren.
Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van het Wetterskip Fryslân. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het wetterskip een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer invulling te geven aan de hiernavolgende punten. 4.7.1
Waterrelevant beleid
DELTEPROGRAMMA RIJK De overheid wil Nederland nu en in de toekomst beschermen tegen hoogwater en zorgen voor voldoende zoetwater. Ook wil de overheid ons land zo inrichten dat het klimaatbestendig en waterrobuust wordt. Het doel van het deltaprogramma is dat de waterveiligheid, de zoetwatervoorziening en de ruimtelijke inrichting in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust zijn, zodat ons land de grotere extremen van het klimaat veerkrachtig kan blijven opvangen. Het kabinet heeft besloten alle maatregelen en projecten van het Deltaprogramma te bundelen in deltaplannen: het Deltaplan Waterveiligheid, het Deltaplan Zoetwater en (sinds Deltaprogramma 2018) het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. De maatregelen kunnen aanpassingen van het fysieke systeem betreffen, zoals dijkversterkingen of pompen, maar ook ruimtelijke reserveringen voor toekomstige maatregelen of instrumenten om gewenst gedrag te stimuleren. Ook regionale maatregelen kunnen een plaats krijgen in de deltaplannen. Deltaplan ruimtelijke adaptatie Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie omvat de maatregelen om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. In het plan staat hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk het proces van ruimtelijke adaptatie willen versnellen en intensiveren. Daarvoor zijn 7 ambities in dit deltaplan opgenomen.
Het deltaplan geeft aan welke doelen de partijen nastreven, hoe ze daaraan
32
gaan werken en hoe ze de resultaten in beeld brengen. Bij het Deltaplan hoort een actieplan met concrete acties en maatregelen.
WATERBEHEERPROGRAMMA 2022-2027 Het beleid van het Wetterskip Fryslân staat beschreven in het “Waterbeheerprogramma 2022-2027”. In dit plan wordt aangegeven met welke ambities het waterschap de ontwikkelingen en opgaven op het gebied van veiligheid, voldoende water en schoon en ecologisch gezond water in hoofdlijnen wil oppakken.
WATERSCHAPSVERORDENING WETTERSKIP FRYSLÂN 2023 Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de “Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2023” van toepassing. De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de waterschapsverordening is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Onderstaande figuur geeft een beeld van de ligging van het besluitgebied op de Legger. Hieruit blijkt dat nabij het besluitgebied (met rood weergegeven) secundaire watergangen aanwezig zijn in de vorm van schouwsloten. Deze liggen ten noorden, oosten en westen van het besluitgebied. Als gevolg van het initiatief worden geen werkzaamheden in of nabij deze wateren uitgevoerd. De bestemming van het besluitgebied wijzigt met dit initiatief niet. Dat betekent dat dit initiatief niet tot gevolg heeft dat de functie water ter plaatse wordt uitgesloten. Het bouwvlak dat aan de locatie is toegekend wijzigt ook niet. Deze komt niet dichter bij de secundaire watergangen te liggen waardoor bebouwing nabij de watergangen mogelijk zou worden. Het initiatief is niet van invloed op het functioneren en beheer van deze secundaire watergangen.
Met dit initiatief neemt het verharde oppervlak binnen het besluitgebied toe. Een deel van de bestaande bebouwing wordt gesloopt. Als gevolg van dit initiatief zal het verharde oppervlak met circa 2.390m2 toenemen. Op grond van de waterschapsverordening is het onder andere verboden om, zonder watervergunning van het bestuur, neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan `1.500 m2 onverharde grond wordt bebouwd of verhard in landelijk gebied. Een watervergunning is voor dit initiatief vereist. Uit de beoordeling van de ingediende digitale watertoets blijkt in hoeverre en in welke vorm compenserende maatregelen genomen moeten worden (4.7.6).
33
Figuur 4-5 Uitsnede Legger (Bron: Wetterskip Fryslân)
4.7.2
Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater
Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het besluitgebied verwerken van het schone hemelwater. Op de locatie is sprake van een drukriolering waar geen regenwater op geloosd mag worden, enkel het afvalwater van de bedrijfswoning wordt hierop geloosd. In de gewenste situatie zal de beoogde nieuwe kantine en hygiënesluis worden aangesloten op het drukriool. Het spoelwater van het schoonspuiten van de stallen wordt opgevangen in het binnen de inrichting aanwezige spoelwaterbassin. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt. Het hemelwater wordt in de bestaande situatie geloosd op het oppervlaktewater. Het hemelwater dat op het extra verharde oppervlak valt wordt geloosd op de infiltratiesloot die parallel aan de nieuwe stal wordt gegraven aan de zuidoostzijde. Bij hevige regenval (meer dan 50mm) kan het hemelwater vanuit de infiltratiesloot via een verhoogde afvoer afstromen naar de schouwsloot aan de westzijde van het besluitgebied.
34
4.7.3
Water veiligheid
Waterveiligheid betreft het voorkomen, zo mogelijk uitsluiten, van levensbedreigende overstromingsrisico's voor mens en dier en het voorkomen van schade aan have en goed. Risico's die met name zullen optreden bij het doorbreken van een zeekering (primaire kering) of boezemkade (secundaire kering). Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, alle belangen beschreven die vanwege de waterveiligheid extra bescherming genieten of anderzijds van belang zijn voor de waterveiligheid. Onderhavig bedrijf is niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied. 4.7.4
Water kwantiteit
Het waterschap heeft als taak te zorgen voor voldoende water in droge perioden en voor voldoende afvoer in perioden van overvloed. Een vergrote kans op wateroverlast of watertekort dient dus voorkomen te worden. Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, de voor dit plan gerelateerde belangen beschreven die in meer of mindere mate de waterkwantiteit beïnvloeden. Wateroverlast vanuit het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Overtollig grond- en hemelwater, dat tot afvoer komt, volgt de trits ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Nabij het besluitgebied zijn secundaire watergangen aanwezig. Het initiatief heeft hier echter geen invloed op. De nieuwe bebouwing komt op voldoende afstand van deze watergangen. De werking van deze watergangen wordt niet belemmerd. Het hemelwater wordt in de bestaande situatie geloosd op het oppervlaktewater. Het hemelwater wat valt op het nieuwe extra verharde oppervlak (in de vorm van de uitbreiding en nieuwbouw van een stal) wordt geloosd op de secundaire watergang aan de westzijde van het besluitgebied. Deze sloot kan (indien nodig) verbreed of verdiept worden.
4.7.5
Water kwaliteit
Via de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is het waterschap verantwoordelijk voor de chemische en ecologische waterkwaliteit. Voor een aantal waterlichamen, de zogenaamde KRWWaterlichamen, zijn doelen vastgesteld voor de waterkwaliteit en zijn maatregelen opgesteld om deze te bereiken. Ruimtelijke ingrepen en activiteiten die de waterkwaliteit in de KRW-waterlichamen (kunnen) verslechteren of ingezette verbetering kunnen laten stagneren, zijn niet toegestaan. Binnen en/of langs het plangebied ligt geen aangewezen KRW-waterlichaam. Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Het initiatief heeft geen effect op de waterkwaliteit. 4.7.6
Watertoets
Er is vooroverleg gevoerd met het wetterskip over het planvoornemen. Hiervoor is op 15 mei 2023 een digitale watertoets gedaan. De uitkomst van de digitale watertoets is dat de normale procedure van toepassing is. Het wetterskip heeft een advies uitgebracht over de toename van het verharde oppervlak. Door de ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in het gebied in stand te houden.
35
Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in het wateradvies. Het compenseren kan door het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater wordt de volgende compensatienorm gehanteerd: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen. Ook kunnen alternatieve maatregelen in het plan worden toegepast. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Deze normen zijn vastgelegd in de ‘Leidraad watertoets’. Als er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak wordt langs de nieuwe stal CE een infiltratiesloot gegraven. Er wordt gecompenseerd door het hemelwater vast te houden in het gebied en te laten infiltreren in de ondergrond.
Dit is één van de benoemde mogelijkheden voor compensatie in de Leidraad Watertoets (art. 4.3.6.2). Bij hevige regenval (meer dan 50mm) kan het hemelwater vanuit de infiltratiesloot via een verhoogde afvoer afstromen naar de schouwsloot ten westen van het besluitgebied. Hiermee wordt wateroverlast binnen of nabij het besluitgebied voorkomen bij hevige regenval.
Figuur 4-6 Locatie infiltratiesloot (Bron: Guido Paumen Tuin & Landschapsarchitect)
Doordat compenserende maatregelen worden genomen vormt de toename van verhard oppervlak geen belemmering voor het initiatief en hoeft geen watervergunning aangevraagd te worden.
36
LUCHTKWALITEIT 4.8.1
Inleiding
In de Wet Luchtkwaliteit 2007 worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht ter plaatse waar mensen verblijven. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid fijnstof, uitgedrukt in PM10 en PM2,5, dat zich in de lucht bevindt. De overige stoffen die in de Wet Luchtkwaliteit genoemd worden, namelijk stikstofdioxiden (NO2 en NOx), koolmonoxide (CO), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2) en lood (Pb), spelen in de landbouw een dermate kleine rol dat deze verwaarloosbaar zijn. De norm voor de maximale fijnstof Pm10 belasting in de omgeving van een veehouderij bedraagt 40 μg/m3. Daarnaast is er een maximaal aantal overschrijdingsdagen van 35 keer per jaar van een concentratie van 50 μg/m3. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat blootstelling aan PM2,5 schadelijker is dan blootstelling aan PM10. De kleinere deeltjes van PM2,5 dringen dieper in de longen door (WHO, 2006; Brunekreef en Forsberg, 2005). In de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit zijn daarom sinds 2008 grens- en richtwaarden voor PM2,5 opgenomen. Voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie geldt een grenswaarde van 25 µg/m3.
4.8.2
Bijdrage dieren aan luchtkwaliteit
De fijnstof emissies in PM10 en PM2,5 zijn afhankelijk van het aantal gehouden dieren en het toegepaste huisvestingssysteem. In de mer-beoordelingsnotitie is uitgebreid ingegaan op de fijnstof emissies vanuit de stallen in de nieuwe situatie. Uit de berekeningen blijkt dat de emissie van fijnstof in de nieuwe situatie lager is dan in de huidige situatie. De grenswaarde voor PM10 van 40 μg/m3 (jaargemiddelde) zal voldoen. De hoogste PM10 concentratie van 16,88 μg/m 3 bevindt zich ter hoogte van Abbendijk 3 daarvan wordt 3,22 μg/m3 veroorzaakt door het bedrijf, de overige 13,66 μg/m3 is afkomstig van andere bronnen in de omgeving, zoals verkeer, wonen en industrie. Het aantal overschrijdingsdagen van 6,5 is lager dan de maximale 35 dagen die zijn toegestaan. Er wordt tevens ter hoogte van negen woningen al voldaan aan de WHO-advieswaarde voor PM10 van 15 μg/m3 . De berekende PM2,5 belasting bedraagt maximaal 6,360 μg/m3, waardoor ook ruimschoots aan de norm voor PM2,5 wordt voldaan. Dat betekent dat onderhavig plan met de daling van de fijnstofemissie aan de regelgeving omtrent luchtkwaliteit voldoet 4.8.3
Bijdrage verkeer aan luchtkwaliteit
De vervoersbewegingen binnen de inrichting bestaan voornamelijk uit vrachtwagens (voor het laden/lossen van dieren en mengvoer). Als gevolg van het initiatief worden niet meer dieren gehouden op de locatie. De dieren die gehouden worden blijven langer op het bedrijf omdat langzaam groeiende rassen gehouden worden. Als gevolg daarvan zal het aantal vervoersbewegingen, voor de aan- en afvoer van dieren afnemen. Bij een worst-case benadering gaan we ervan uit dat de fijnstofemissie van de trekker en loader gelijk gesteld worden aan die van een vrachtwagen, namelijk 0,396 gram/km bij een snelheid van 10 km/uur (zie Emissiefactoren verkeer niet-snelwegen op www.rijksoverheid.nl). Dit betekent dat voor 1 kg fijnstof per jaar ruim 2.525 km/jaar binnen de inrichting afgelegd moet worden. Dit wordt niet realistisch geacht. Eén kilogram fijnstof door interne vervoersbewegingen is ongeveer 0,002% van de emissie van de dieren. Dit is ruim minder dan 1% en draagt daarmee Niet in Betekende Mate bij
37
aan de luchtkwaliteit in de omgeving. Wel is deze emissie van verkeer meegenomen in berekeningen van de fijnstofconcentratie in de omgeving.
4.8.4
Conclusie onderzoeken luchtkwaliteit
Uit de verspreidingsberekeningen blijkt dat er door de toepassing van fijnstof reducerende maatregelen op alle onderzochte woningen sprake zal zijn van een afname van de fijnstof concentratie in de lucht. Ook wordt ten aanzien van de verspreiding van fijnstof en zeer fijnstof ruim binnen de wettelijke normen gebleven. Het woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit wordt door de beoogde bedrijfsontwikkeling beter. GEUR Het dichtbij zijnde voor geur gevoelige object ligt aan de Abbendijk 3, op een afstand van circa 50 meter van nieuwbouw C. De minimaal vereiste afstand tussen de gevel van deze woning en de pluimveestal is 25 meter, waardoor aan de gestelde afstandseis in de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan. Voor pluimvee is een geuremissiefactor per dier vastgesteld, waarmee de geurbelasting naar de omgeving dient te worden berekend. De berekende geurbelasting dient te worden getoetst aan de geurnormen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen als maximum.
Voor een niet concentratiegebied, waarin Abbendijk 2 is gelegen geldt een maximale geurbelasting van 2,0 odour units per kubieke meter lucht (OU/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 8,0 OU/m³ buiten de bebouwde kom. Voor gemeenten is het, door middel van het vaststellen van een geurverordening, mogelijk om af te wijken van wettelijke normen uit de Wgv. De gemeente Ooststellingwerf heeft een eigen geurverordening vastgesteld. In de verordening is een afwijkende geurnorm opgenomen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (8,0 OU/m 3) en buiten de bebouwde kom (20,0 OU/m3) De geuremissie van het bedrijf aan de Abbendijk 2, neemt af ten opzichte van de vergunde situatie. Met het rekenprogramma V-Stacks Vergunningen kan de verspreiding van geur vanuit een veehouderijbedrijf worden berekend. Het rekenresultaat is de geurbelasting op in de omgeving gelegen geurgevoelige objecten. Vervolgens toetst het programma of de berekende geurbelasting voldoet aan de norm die van toepassing is. Om de geurbelasting te berekenen worden gegevens ingevoerd over het bedrijf (bronnen) en de omliggende geurgevoelige objecten (receptoren). Het programma houdt rekening met de meteorologische gegevens van een heel jaar en met de ruwheid van de omgeving. In de mer-beoordelingsnotitie is één en ander nader uitgewerkt.
De volgende tabel geeft de uitkomsten weer van de geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving.
38
Door de herverdeling van dieren binnen de inrichting en de wijziging van emissiepunten zal voor de omgeving een verbetering optreden voor wat betreft het aspect geur. De overbelaste situatie aan de Abbendijk 3 verbeterd met onderhavig plan sterk en zal ruimschoots gaan voldoen aan de gestelde geurnorm. De geurbelasting aan de Ceresstraat 9 blijft met 0,3 OU/m 3 gelijk aan de vergunde situatie. Voor alle andere geurgevoelige objecten in de omgeving zal de geursituatie verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan de gestelde eisen.
GELUID In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het besluitgebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Het onderhavige plan betreft echter het uitbreiden van een bestaande stal met overdekte uitloop en het realiseren van een nieuwe stal. Dergelijke bouwwerken worden niet aangemerkt als geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Bovendien wijzigt met het plan de bestemming van de al bestaande bedrijfswoning niet en worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen / functies mogelijk gemaakt. Derhalve vormt het aspect geluidhinder geen belemmering voor de realisering van het onderhavige plan. De geluidbelasting van de inrichting naar de omgeving zal nauwelijks veranderen. Het aantal verkeersbewegingen zal nauwelijks wijzigen aangezien er geen veranderingen in het vee bestand plaatsvinden. Het effect van onderhavig plan op de geluidbelasting in de omgeving zal klein zijn en derhalve is geen akoestisch onderzoek opgesteld. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het initiatief.
5 SEPTEMBER 2025
39
EXTERNE VEILIGHEID 4.11.1
Inleiding
Met de invoering van de Omgevingswet is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ingetrokken, omdat de inhoud van dit besluit is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is gebaseerd op artikel 5.1 van de Wet milieubeheer, welke onder de Omgevingswet ook is vervallen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen waren milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid opgenomen die moeten worden opgenomen in een bestemmingsplan en moeten worden meegenomen bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. In het stelsel van de Omgevingswet komen deze milieukwaliteitseisen terug als instructieregels over externe veiligheid. Deze instructieregels zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de regels voor externe veiligheid. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet aangetoond worden op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Voor het plaatsgebonden risico van een activiteit geldt een grenswaarde van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 Bkl).
Hier wordt, conform artikel 5.8 eerste lid Bkl, aan voldaan door het in acht nemen van de afstanden voor de activiteiten, aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van bijlage VII van het Bkl. Met dit initiatief worden geen nieuwe kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties toegevoegd aan het projectgebied. 4.11.2
Toetsing
Zoals blijkt uit de volgende figuur zijn er vanuit de omgeving een aantal risico’s, waar eventueel rekening mee gehouden dient te worden.
Figuur 4-5 Uitsnede Atlas leefomgeving (bron:www.atlasleefomgeving.nl)
40
Op een afstand van circa 950 meter ten zuidwesten van het besluitgebied staat een propaantank. Dit is het dichtstbij zijnde potentiële risico. Op circa 4,3 km afstand ten noorden van het besluitgebied is een bovengrondse hoogspanningskabel aanwezig. En op circa 4,9 km ten noorden van het besluitgebied is een buisleiding aanwezig. Het besluitgebied ligt buiten het invloedsgebied van deze potentiële risico bronnen in het kader van externe veiligheid. Verder is in de Atlas Leefomgeving een windturbine aangeven binnen het besluitgebied. Hiervoor is op 15 november 2023 een omgevingsvergunning verleend. De windturbines zijn niet gerealiseerd en worden ook niet gerealiseerd. De nieuwe stal C komt op de beoogde locatie van de windturbines. Deze kunnen niet meer op de vergunde plek gerealiseerd worden en vormen geen risico in het kader van externe veiligheid.
Figuur 4-6 Uitsnede Atlas leefomgeving (bron:www.atlasleefomgeving.nl)
Met dit initiatief wordt niet beoogd om een nieuwe gevoelige functie aan het besluitgebied toe te voegen. Het besluitgebied ligt buiten het invloedsgebied van eventuele risicobronnen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief. DIER- EN VOLKSGEZONDHEID Naar de risico’s van veehouderijen voor de gezondheid van mensen die in de omgeving van veehouderijen verblijven is recent veel onderzoek gedaan. In een uitgebreid onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) in plattelandsgemeenten met veel veehouderijen wordt een verhoogd aantal luchtwegklachten en gevallen van longontsteking gerapporteerd, vooral op locaties waar meerdere veehouderijen in de directe omgeving aanwezig zijn. Naar de oorzaak hiervan wordt nader onderzoek gedaan. Er wordt geen relatie gevonden met bepaalde diercategorieën, met uitzondering van geitenhouderijen. In de VGO-onderzoeken wordt aangegeven dat er sinds 2014 geen verhoogde kans op longontsteking gevonden wordt bij omwonenden van pluimveebedrijven. Naast eventuele negatieve effecten zijn er positieve effecten gevonden: wonen in de buurt van een veehouderij blijkt een beschermend effect te hebben op het ontwikkelen van atopie, vooral op heel korte afstand van een veehouderij. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een
41
chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in de omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van kunnen hebben. Het bedrijf aan de Abbendijk 2 ligt niet in een veedicht gebied. Het aantal intensieve veehouderijen in de omgeving is beperkt. De afstand van het bedrijf tot omwonenden is niet groot. In de VGOonderzoeken wordt bij deze dichtheid geen verhoogd risico gevonden. Door de grote afstand tot andere (intensieve) veehouderijen is er ook geen risico op onderlinge beïnvloeding wat betreft ziektedruk. De risico’s voor de gezondheid van omwonenden worden op grond van de resultaten uit de VGO-onderzoeken als zeer gering beoordeeld. De “GGD-richtlijn medische milieukunde: Veehouderij en gezondheid” beschrijft de huidige kennis over dit onderwerp. De richtlijn is door de GGD’en ontwikkeld, zodat ze op basis van dezelfde kennis over veehouderij en gezondheid kunnen adviseren. Deze informatie kan een gemeente gebruiken om de gezondheid van omwonenden mee te wegen bij beleidskeuzes voor de ontwikkeling van veehouderijen. De coördinatie van de richtlijn ligt bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De GGD heeft twee uitgangspunten bij haar adviezen.
De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. Binnen een straal van 250 meter van het besluitgebied zijn gevoelige objecten aanwezig. In paragraaf 4.8 is in het kader van een goede ruimtelijke ordening reeds onderbouwd dat er ter plaatse van omliggende gevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot fijnstof (PM10 en PM2,5). Het initiatief omvat de uitbreiding van een bestaande stal en het oprichten van een nieuwe stal. Het aantal dieren op het bedrijf blijft gelijk. Met de uitbreiding krijgen de dieren meer ruimte tot hun beschikking. Dit betekent dat de emissies van fijnstof, ammoniak en geur niet toenemen. De dieren hebben geen buitenuitloop, zodat contact met in het wild levende dieren wordt voorkomen. Binnen het bedrijf worden de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om de insleep van dierziekten te voorkomen. Toegang tot de dierenverblijven is uitsluitend toegestaan met bedrijfskleding. Op het bedrijf is een kleedruimte met douches voor mensen die in de stallen moeten werken.
Toegang tot de stallen is alleen toegestaan, nadat de hygiënesluis is doorlopen. Het gebruik van antibiotica in de veehouderij is de laatste jaren belangrijk verminderd. In de vleeskuikenhouderij is het gebruik in de periode 2009-2019 met 73% gedaald. Antibioticaresistentie heeft geen directe invloed op omwonenden, maar wel mogelijk invloed op consumenten. Doordat er op het bedrijf door het houden van dieren volgens Beter Leven geen antibiotica zal worden gebruikt is een verdergaand positief effect te verwachten in antibioticaresistentie bij mensen. Het aspect dier- en volksgezondheid is betrokken in de ruimtelijke afweging van dit planvoornemen. Door de gelijkblijvende dieraantallen, managementmaatregelen en het feit dat er slechts weinig (intensieve) veehouderijen in de omgeving zijn gelegen, is de inschatting dat er geen effecten op de
42
volksgezondheid zijn te verwachten. Deze inschatting is gemaakt op basis van meest recente wetenschappelijke inzichten omtrent de effecten van veehouderij op de omliggende omgeving. DUURZAAMHEID Duurzaamheid is een zeer breed begrip. Een duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar te brengen. In deze paragraaf wordt ingegaan op drie aspecten waaruit blijkt dat met de uitbreiding van het agrarisch bedrijf verbeteringen worden ingezet ten aanzien van duurzaamheid: op het terrein van dierenwelzijn. In de bestaande situatie worden gemiddeld 20,6 vleeskuikens per vierkante meter gehouden. Door vergroting van het stalvloeroppervlak wordt de leefruimte van de dieren groter. Met een gelijkblijvend aantal vleeskuikens (130.900) worden 12 kuikens per vierkante meter gehouden. Naast het vergroten van de leefoppervlakte worden de volgende maatregelen getroffen voor verbetering van het dierwelzijn: • Langzaam groeiende pluimveerassen; • Regelmatig graan strooien ter bevordering van scharrelgedrag; • Verrijkingsmateriaal in de stal (strooisel, strobalen); • Daglicht in de stal en daarmee een natuurlijk dag- en nachtritme.
Hiermee draagt dit ruimtelijke plan bij aan een vergroting van het dierenwelzijn ten opzichte van de vergunde en feitelijk aanwezige situatie. Hiermee wordt een toekomstbestendige duurzame bedrijfsvoering gerealiseerd.
43
UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De betreffende grond voor de nieuwbouw is in eigendom van de aanvrager. Omdat de uitbreiding een particuliere ontwikkeling betreft, zijn hier voor de gemeente geen financiële consequenties aan verbonden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. De kosten welke door de gemeente worden gemaakt voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele planschadekosten zijn eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De omgevingsvergunning wordt middels de uitgebreide procedure in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) doorlopen. In dit geval is het college van de gemeente Ooststellingwerf bevoegd gezag. De gemeenteraad van de gemeente Ooststellingwerf moet een instemming verlenen aan de omgevingsvergunning middels een verklaring van geen bedenkingen (Vvgb). Op 28 december 2022 is een omgevingsdialoog georganiseerd door de initiatiefnemers. De omgevingsdialoog is bewust laagdrempelig opgezet met de mogelijkheid tot inloop, kennis nemen van de plannen aan de hand van een presentatie en het stellen van vragen of maken van opmerkingen. Voor de dialoog zijn de directe omwonenden uitgenodigd die direct zicht hebben op de nieuw te bouwen stal (C). Daarnaast waren twee adviseurs van Agra-Matic aanwezig.
Op 14 februari 2023 heeft een tweede bijeenkomst plaatsgevonden met omwonenden die eerder verhinderd waren. De initiatiefnemer heeft het plan toegelicht. Omwonenden hebben kennisgenomen van het plan en vragen kunnen stellen. Voor omwonenden is het aspect geluid belangrijk. Aangegeven is dat bekeken wordt hoe de geluidsoverlast tot een minimum beperkt kan worden. Omwonenden gaven aan er waardering voor te hebben dat zij in dit stadium reeds betrokken zijn bij het plan. Tijdens de dialoog op 14 februari 2023 is meer weerstand geuit tegen het plan. Van beide dialogen is een verslag gemaakt. Deze zijn geanonimiseerd als bijlage toegevoegd. Op 24 juli 2023 is door een aantal omwonenden een brief gestuurd aan de wethouder die destijds portefeuillehouder was van dit onderwerp. In deze brief zijn zorgen geuit over dit plan en het voornemen om twee windmolens te plaatsen. De windmolens zijn geen onderdeel van deze aanvraag. De bezwaren tegen het plan komen met name voort uit het idee dat er meer dieren gehouden zullen gaan worden wat kan leiden tot de uitstoot van meer geur en fijnstof. Ook vreest men voor meer geluidsoverlast door de ventilatoren die geplaatst worden. Daarnaast zal de bouw van de nieuwe stal het uitzicht van omwonenden ingrijpend veranderen. Met dit initiatief wordt niet beoogd meer dieren te gaan houden. Dat betekent dat die zorg onterecht is.
Daarnaast zal door het gekozen stalsysteem en een herschikking van emissiepunten de uitstoot van fijnstof en geur afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Met het landschappelijk inpassingsplan is zoveel mogelijk rekening gehouden met de omgeving waardoor het uitzicht op het bedrijf niet significant slechter wordt. In de nadere uitwerking van het plan is zo veel mogelijk rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Het landschappelijk inpassingsplan bevat aanvullende maatregelen die bovenop de
44
landschappelijke inpassing van het initiatief genomen kunnen worden. Dit is aanvullend op een goede landschappelijke inpassing. Aan een aantal wensen vanuit de omgeving is reeds tegemoetgekomen: De goot- en nokhoogte zijn verlaagd; Het houden van rundvee is uit het plan gehaald; Er komt een betonnen wand om de ventilatoren heen om zoveel mogelijk geluid te dempen; De landschappelijk inpassing wordt gerealiseerd. Hiermee is tegemoet gekomen aan de omwonenden. De omwonenden zijn hierover met de e-mail van 27 december 2023 geïnformeerd. Het is aannemelijk dat het initiatief maatschappelijk uitvoerbaar is. Omwonenden zijn uitgenodigd om langs te komen wanneer zij vragen of zorgen hebben over het initiatief. De initiatiefnemer gaat dan opnieuw graag het gesprek met hen aan. Mochten er omwonenden van oordeel zijn dat zij desondanks toch onevenredig in hun belangen geschaad worden, dan is er voor hen de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen naar aanleiding van de inzage van de ontwerp beschikking en verklaring van geen bedenkingen. Als zij van oordeel zijn dat met de uiteindelijke omgevingsvergunning onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen dan kunnen zij, als zij een zienswijze hebben ingediend, beroep aantekenen tegen de beslissing op de aanvraag bij de Rechtbank Noord-Nederland.
Na een eventuele uitspraak van de rechtbank staat er een mogelijkheid open om hoger beroep aan te tekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
45
CONCLUSIE In deze ruimtelijke onderbouwing is beoordeeld of de uitbreiding van een stal en de nieuwbouw van een stal niet in strijd is met het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Onze conclusie is dat de aanvraag niet in strijd is met het provinciale beleid en past binnen de omgevingsvisie voor dit gebied van de gemeente Ooststellingwerf en provincie Friesland. De omgeving is betrokken middels een omgevingsdialoog. Het planvoornemen voorziet in een duurzamere bedrijfsvoering, met meer aandacht voor dierenwelzijn en milieusituatie. Het planvoornemen maakt een verbetering van het woon- en leefklimaat mogelijk op het gebied van geur, fijnstof, geluidshinder en ammoniak. Het bevoegd gezag wil deze gewenste bedrijfsontwikkeling stimuleren en hierdoor bijdragen aan de verbetering van het woon- en leefklimaat van de omwonenden. De initiatiefnemer wenst duurzamer te gaan produceren, door de vleeskuikens op het bedrijf meer leefruimte te geven; een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. Daartoe wil het bedrijf – in het kader van dierenwelzijn – de bestaande stal (A) uitbreiden en voorzien van een overdekte uitloop. Ook wil de initiatiefnemer een nieuwe stal (C/E) bouwen die is voorzien van een overdekte uitloop. Met dit plan is rekening gehouden met het aanwezige bebouwingspatroon en de landschappelijke kenmerken. Hierdoor blijft de ruimtelijke impact beperkt.
Onderdeel van de verduurzaming is ook dat er overdekte uitlopen aan het bestaande deel van stal (A) wordt gebouwd en ook aan de stallen B en D komen overdekte uitlopen. Deze overdekte uitlopen mogen zonder omgevingsvergunning gebouwd worden en zijn daarom geen onderdeel van dit initiatief. De beoogde ontwikkeling is niet geheel mogelijk binnen het huidige bouwvlak. In artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit is aangetoond in onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Naast de stedenbouwkundige en landschappelijke toets en het ruimtelijk-planologische beleid zijn alle ruimtelijke en milieuhygiënische deelaspecten onderzocht. In deze ruimtelijke onderbouwing is nadrukkelijk gemotiveerd dat de gewenste uitbreiding zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden binnen het besluitgebied en in de directe omgeving ervan. Dit leidt tot de conclusie dat het initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is.
46
BIJLAGENBUNDEL
47
BIJLAGE 1 MILIEUTEKENING GEWENSTE SITUATIE
48
RENVOOI ALGEMEEN Staldoorsneden zijn genomen op de plaats en in de richting van de stalletter
GEVELOPENINGEN
6250+ steunventilator
7000+ ep
7309+ windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open
C
A
2500+
isolatie
4000 ep oplierbare wand, 1 meter hoog
doorloop openingen
34.600 VLEESKUIKENS
B
3500+
3500+
3500+ ep
D
isolatie isolatie
overdekte uitloop
verwarmingsbuizen
doorloop openingen
34.700 VLEESKUIKENS RAV E 5.11
RAV E 5.11 + RAV E 7.18
4770+
isolatie
overdekte uitloop
2000
2750+
3500+ ep
2000
E
3150+
isolatie
4000 ep
3500+ ep
4990+
4000 ep
verwarmingsbuizen
metselwerk buitenwand
2500+
verwarmingsbuizen
doorloop openingen
31.100 VLEESKUIKENS RAV E 5.11
MATERIALEN metselwerk spouwmuur
2500+ windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open
1200
isolatie
raamopening
1000
6212+
windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open
5000 ep
1200
4974+
windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open
windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open 3600
6250+
7000+ ep
3600
7708+
deuropening
900
verwarmingsbuizen
stal
overdekte uitloop
30.500 VLEESKUIKENS RAV E 5.11
metselwerk binnenwand prefab gevelelement (200 mm) prefab gevelelement (140 mm) stalen profielplaat gewapend beton prefab beton
doorloop openingen
sandwichpaneel
principe detail uitloop stal C 1:100
kunststof
LEIDINGEN 34.700 VLEESKUIKENS RAV E 5.11 spoelwaterafvoer met schrobputje
VLOERARCERINGEN onderkelderd
VENTILATOREN
1300
100400
ventilator verticale luchtstroom
28
30,35 kW
ventilator horizontale luchtstroom
24
23,92 kW
1
5 kW
4200
ELEKTROMOTOREN verwarmingsbuizen 1
1
waterlijn
hogedrukreiniger waarin aangegeven het vermogen
HD
4400
80 kW
hygiënesluis voerlijn
waterpomp waarin aangegeven het vermogen
3
6 kW
aandrijving voerlijn
22
22 kW
vijzel
14
10,5 kW
handgereedschap waarin aangegeven het vermogen
1
5 kW
noodaggregaat (nsa) waarin aangegeven vermogen
2
95 kW
loader waarin aangegeven het vermogen
1
60 kW
c.v. ketel waarin aangegeven het vermogen
3
720 kW
heteluchtkanon/gasheater
8
560 kW
AG 30 kW ø940 0,75
voerlijn
VERBRANDINGSMOTOREN
voerlijn
D
ø940 0,75
AG
20400
ø940 0,75
ø1300 1,12 ø1300 1,12
afdak