Ruimtelijke_onderb_WPEnergiepark_A59_15_dec_2020_16_04_16.pdf
Tekst van het document
Hierin is naast algemene regels over onderhoud, inspectie en veiligheid in artikel 3.15a opgenomen dat het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, niet hoger is dan 10-06 per jaar en dat het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, niet hoger is dan 10-05 per jaar.
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
72
Figuur 5.4 Weergave windturbineposities en identificatieafstand
Bron: Figuur 1.1 uit bijlage 3 Externe Veiligheid
De plaatsgebonden risicocontouren liggen conform de vuistregels uit het Handboek Risicozonering nooit verder dan de volgende afstanden: •
De PR10-05 contour ligt maximaal op een afstand van een halve rotordiameter (hier: 85 meter) en;
•
de PR10-06 contour ligt maximaal op de grootste afstand van of de tiphoogte (235 meter) of de werpafstand bij nominaal toerental (186 meter).
Voor windturbines binnen de bandbreedte is de PR10 -06 volgens de vuistregel nooit verder gelegen dan 235 meter. Voor specifieke windturbines kan de werkelijke specifieke PR10 -06 contour kleiner zijn. Er zijn geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten aanwezig binnen de maximale PR10-05 contour van 75 meter. Er zijn geen kwetsbare objecten aanwezig binnen de maximale PR 10-06 contour van 235 meter. Het eerste gebouw (object) van derden is gelegen op een minimale afstand van circa 280 meter. Er kan met zekerheid worden voldaan aan artikel 3.15a lid 1 en lid 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
73
Figuur 5.5 Weergave maximale ligging PR-contouren uit vuistregels HRW
Bron: Figuur 1.2 uit bijlage 3 Externe veiligheid
Bestemmingsplanmogelijkheden Naast invloed op bestaande objecten kunnen windturbines een invloed hebben op de mogelijkheden van bestemmingen in het geldende bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2016” in de nabije omgeving. Voor de dubbelbestemmingen of relevante aanduidingen in het bestemmingsplan geldt dat er geen aanduidingen of dubbelbestemmingen zijn geïdentificeerd die de bouw van beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten mogelijk maakt. De windturbines veroorzaken door hun komst geen additionele belemmering voor geprojecteerde objecten. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet48 dient ook rekening te worden gehouden met de definities voor beperkt kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare locaties, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen uit bijlage VI het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)49. De huidige bestemmingen geven geen aanleiding om een verandering van de analyse te verwachten. Wel dienen er binnen de maximale maat van de PR10-05 contour naast beperkt kwetsbare objecten ook geen beperkt kwetsbare gebouwen en geen beperkt kwetsbare locaties mogelijk te zijn. De plaatsing van kwetsbare gebouwen, zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is niet mogelijk in de huidige bestemmingsplanmogelijkheden.
Volgens planning op 1 januari 2022 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een ministeriële regeling bij de nieuwe Omgevingswet, die volgens planning op 1 januari 2022 in werking treedt. Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. . 48 49
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
74
Wegen (Rijks)wegen Het Handboek risicozonering stelt dat Rijkswaterstaat een vergunning afgeeft indien windturbines worden geplaatst op, in of over rijkswaterstaatwerken. Voor het verlenen van de vergunning hanteert Rijkswaterstaat een afstandseis van ten minste 30 meter of een halve rotordiameter. Ook dient bij plaatsing binnen een afstand van de werpafstand bij nominaal toerental (186 meter) het individueel passanten risico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR) te worden berekend. Windturbine 1 is gelegen op een afstand van 81 meter vanaf de grens van percelen (perceel 1055) die worden geacht te behoren bij de snelweg A59, echter is dit perceel in eigendom van de gemeente Oosterhout en voldoet daarmee aan de gestelde afstandseisen waardoor geen vergunning benodigd lijkt te zijn. De afstand tot de rand van de verharding van de snelweg is 95 meter waardoor een IPR en MR berekening benodigd is. Windturbines 2 en 3 bevinden zich op grotere afstanden, voor deze windturbines is geen analyse benodigd. De trefkans voor een passerend voertuig bedraagt 2,8 x 10-11 per passage. Dit leidt tot een IPR van 1,4 x 10-08. Dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal IPR van 1 x 10-06 per jaar. Het Maatschappelijk Risico (MR) is bepaald op 8,4 x 10-05 per jaar. Ook dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal MR van 2 x 10 -03.
De jaarlijkse verkeersintensiteit op de snelweg zou moeten toenemen van 1,9 miljoen voertuigen tot 44,5 miljoen voertuigen voordat het MR overschreden zou worden. Van deze groei is met zekerheid geen sprake op dit tracé. Voor overige lokale wegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. De eerste openbaar toegankelijke lokale wegen zijn gelegen buiten de eigen inrichting zijn de Domeinweg en de Kromgatweg. Dit zijn lokale wegen waar geen significante hoeveelheden verkeer wordt verwacht. Er zijn geen logische stopmomenten aanwezig langs deze wegen waarmee er geen langdurige verblijfstijd op deze wegen wordt verwacht. Gezien de zeer beperkte hoeveelheid verkeersbewegingen en de korte verblijfstijd nabij de windturbines zullen de risico’s voor passanten minimaal zijn en is nadere analyse van deze lokale wegen niet benodigd. Ter informatie is het IPR en het MR uitgerekend voor een fietsende passant op de minimale afstand van 26 meter (Domeinweg bijvoorbeeld). Het IPR bedraagt 2,9x10-08 bij 500 passages van een individu per jaar en zelfs bij 1.000 fietsers per dag is het MR nog 2,1 x10-05. Ook voor lokale wegen kan er ruim worden voldaan aan de eisen die Rijkswaterstaat stelt voor passanten. Gevaarlijke transporten De snelweg A59 kan ook gebruikt worden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
De risico’s die dit vervoer met zich meebrengt zouden kunnen worden verhoogd door de aanwezigheid van een windturbine. Om te analyseren of hier sprake van is wordt het huidige risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen vergeleken met het additionele risico wat de windturbine veroorzaakt. Het risico van de windturbine voor een vrachtwagen per passage circa 2,8 x 10 -11 bedraagt over een weglengte van 306 meter (binnen tiphoogteafstand). Conform de Handleiding risicoanalyse transport (HART) v1-2 is de huidige ongevalsfrequentie van een tankwagen onder druk op een snelweg gelijk aan 4,3 x 10-09. Dit betekent dat het extra risico van de windturbine +0,7% bedraagt. Een dergelijke risicotoevoeging ruim onder de 10% kan als verwaarloosbaar worden
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
75
gezien ten opzichte van het aanwezige risico. Dit toegevoegde risico is zodanig klein dat er geen nieuwe risicoanalyse van de transporten op de snelweg hoeft plaats te vinden. Waterwegen Voor waterwegen geldt dat er enkel algemene beleidsregels beschikbaar zijn voor rijkswaterwegen. Voor overige waterwegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. Het hart van de waterweg Wilhelminakanaal ligt op circa 260 meter van de westelijke windturbinepositie, de kade op 235 meter. Schepen in het Wilhelminakanaal zouden dus enkel geraakt kunnen worden in het faalscenario bladworp bij overtoeren. Gezien het feit dat enkel bladworp bij overtoeren voor een effect kan zorgen, wordt de risicotoevoeging verwaarloosbaar geacht. Spoorwegen Op het industrieterrein Weststad is een spoorlijn gesitueerd waar circa 250 goederentreinen per jaar rijden50. Het tracé is niet bestemd voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Figuur 5.6 Ligging spoorlijn ten opzichte van risico-afstanden
Bron: Figuur 3.1 uit bijlage 3 Externe veiligheid
De minimale afstand vanaf de dichtstbij gelegen windturbine tot aan de spoorlijn bedraagt 320 meter en kan dus alleen worden geraakt door bladgewicht in het faalscenario bladworp bij overtoeren (zie Figuur 5.6). 50
Prorail, Ontwikkeling spoorgoederenverkeer in Nederland, https://www.prorail.nl/sites/default/files/pr_jaarrapport_ontwikkeling_spoorgoederenverkeer_in_nederland_2 018_lr_0.pdf, geraadpleegd op 12 juni 2020
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
76
Gezien de geringe hoeveelheid treinen en personen per jaar die gebruik maken van de spoorlijn en het feit dat enkel bladworp bij overtoeren voor een effect kan zorgen, wordt de risicotoevoeging verwaarloosbaar geacht. Risicovolle inrichtingen en installatie Er is volgens de risicokaart51 één risicovolle installatie aanwezig binnen de maximale identificatieafstand van 463 meter. Het betreft een opslag voor biogas van 600 m 3. Trefkans biogasopslag Om de trefkans van de biogasopslag inzichtelijk te maken wordt de kans op het landen van gewichten van windturbineonderdelen berekend. Gezien de grote afstand tot de biogasopslag (ruim 430 meter) kan de opslag alleen worden geraakt door het bladgewicht in het faalscenario bladworp bij overtoeren. Figuur 5.7 Weergave maximale effectafstand ten aanzien van risicovolle installatie op terrein RWZI
Bron: Figuur 4.1 uit bijlage 3 Externe veiligheid
Voor bladworp bij overtoeren wordt gekeken naar de kans op het landen van het zwaartepunt van het bladgewicht binnen de zone van 1/3e bladlengte rondom de biogasopslag. Door de kans op de werphoek te vermenigvuldigen met de kans op het werpen van het zwaartepunt tussen de minimale tot de maximale afstand van deze zone kan de trefkans van bladworp bij overtoeren worden berekend. De trefzone ligt tussen een afstand van 408 meter en 463 meter (maximale werpafstand bij overtoeren). De kans op bladworp binnen deze zone bedraagt 21,7%. Dit scenario kan optreden bij een werphoek van 9 graden. 51
risicokaart.nl, geraadpleegd op 29 april 2020
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
77
De trefkans wordt daardoor 21,7% x 9 / 360 x 5,0 x 10 -06 = 2,7 x 10-08 per jaar. Dit is een dergelijke kleine trefkans (2,7% van 1x10 -06) dat de risicotoevoeging van de windturbine als verwaarloosbaar klein kan worden gezien. Er hoeft geen aanvullende risicoanalyse van de biogasopslag te worden uitgevoerd. Ondergrondse buisleidingen en bovengronds gasnetwerk Er is volgens de risicokaart geen gasnetwerk behorende onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) aanwezig in de nabijheid van het beoogde windpark. De afstand is meer dan 770 meter tot het eerste gasnetwerk. Hoogspanningsinfrastructuren Er is een netwerk behorende bij de hoogspanningsinfrastructuur aanwezig in de nabijheid van het plangebied van het beoogde windpark. Naast het bestaande netwerk is er tevens een extra tracé in ontwikkeling. Bestaande hoogspanningsinfrastructuur Het bestaande netwerk bevindt zich binnen de identificatieafstand van de meest oostelijk geplande windturbine. De afstand vanaf het hart van de windturbine tot het hart van het tracé bedraagt minstens 318 meter. Deze afstand is ruimschoots groter dan de tiphoogte-afstand en de werpafstand bij nominaal toerental. Figuur 5.8 Ligging windturbines ten opzichte van bestaande hoogspanningsinfrastructuur (roze lijnen in zuidoostelijke richting)
Bron: Figuur 6.1 uit bijlage 3 Externe veiligheid
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
78
De afstand tot aan de dichtstbij gesitueerde kabels van het tracé bedraagt minimaal 305 meter. Ook deze afstand is ruimschoots groter dan tiphoogte-afstand en de werpafstand bij nominaal toerental. Toekomstige uitbreiding hoogspanningsinfrastructuur In het voorbereidingsbesluit Zuid-West 380 kV Oost (Rilland-Tilburg) is een zone aangegeven waarin de nieuwe 380 kV hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg zal worden gerealiseerd. Er zijn delen van deze zone die binnen tiphoogte afstand van de oostelijke windturbine is gelegen. Door TenneT is de voorlopige ligging van de hartlijn van het tracé aangeleverd. De hartlijn ligt op minimaal 275 meter afstand van de oostelijke windturbine. In Figuur 5.9 is de ligging van de hartlijn (blauw), een zone van 32,5 meter aan weerszijden van de hartlijn (rood) en de maximale tiphoogteafstand (oranje) weergegeven. Omdat de hoogspanningsverbinding buiten tiphoogteafstand ligt en buiten de maximale werpafstand bij nominaal toerental, kan de hoogspanningsverbinding alleen worden geraakt in het faalscenario bladworp bij overtoeren. Dit betekent dat er ook bij uitvoering van de uitbreiding zoals is voorzien door TenneT er nog steeds kan worden voldaan aan de aangegeven toetsafstanden. De situatie is daarmee volgens het beleid van TenneT acceptabel. Figuur 5.9 Ligging Zuid-West 380kV Oost ten opzichte van de oostelijke windturbine (tiphoogte)
Bron: Figuur 6.2 uit bijlage 3 Externe veiligheid
Waterkeringen Dijkbeheerders in Nederland moeten ervoor zorgen dat primaire waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen die hieraan worden gesteld. Dit betekent dat elke waterkering in Nederland dient te voldoen aan een bepaalde norm waarmee de kans op economische schade zo klein mogelijk wordt gehouden. In het Nationaal Basisbestand Primaire Waterkeringen zijn de normen te vinden waaraan elk dijktraject dient te voldoen. Dit bestaat uit een signaleringswaarde en een maximaal toelaatbare faalkans voor een waterkering. Door de
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
79
trefkans van een windturbine te vergelijken met deze waarden kan inzicht worden verleend in wat de additionele faalkans is van een dijklichaam in relatie tot het risico wat de aanwezigheid van de windturbines hieraan toevoegt. De signaleringswaarde voor een dijktraject is, samen met de ondergrens, als norm in de wet opgenomen. De waarde betreft een overstromingskans. Alle primaire waterkeringen in Nederland hebben een signaleringsnorm gekregen tussen de 1:300 en de 1:1.000.000. Binnen de identificatieafstand van windpark Energiepark A59 liggen twee dijktrajecten, zie Figuur 5.10. Voor het dijktrajecten 35-2 is de signaleringswaarde gelijk aan 1:3.000 jaar en de ondergrens is 1:1.000 jaar. Voor dijktraject 34-1 is de signaleringswaarde gelijk aan 1:1.000 jaar en de ondergrens is 1:300 jaar. Figuur 5.10 Dijktrajecten primaire waterkering binnen identificatieafstand
Bron: Figuur 7.1 uit bijlage 3 Externe veiligheid
Naast de voorgenoemde dijktrajecten zijn er tevens in het Bestemmingsplan buitengebied 52 stroken langs het Kromgat (waterloop nabij de oostelijke windturbine), de Donge en het Wilhelminakanaal die de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering hebben, zie onderstaand Figuur 5.11. Er is onderzocht of de primaire waterkeringen (dijktrajecten in Figuur 5.11) kunnen worden geraakt en of er sprake is van rotoroverdraai met de gebieden die de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ hebben (zie ook Figuur 5.11).
52
NL.IMRO.0826.BSPbuitengeb2013-VA01
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
80
Een windturbine kan op verschillende manieren een effect veroorzaken aan de functionele werking van een waterkering welke grofweg is onder te verdelen in twee categorieën: •
Bovengrondse effecten;
Effecten afkomstig van de kans op schade doordat windturbineonderdelen tijdens het falen van een windturbine op of tegen een waterkering aan vallen en daarmee een gat slaan in de waterkering. Dit zijn effecten die tijdens exploitatie optreden.
•
Ondergrondse effecten.
Effecten afkomstig van ondergrondse effecten zoals trillingen, lokale en interne erosie, zetting, afschuiven of zettingsvloeiing. Dit zijn effecten die zowel deels tijdens exploitatie of voornamelijk tijdens de bouw (trillingen) kunnen optreden.
Figuur 5.11 Dijktrajecten en Dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering rondom plangebied
Bron: Figuur 7.2 uit bijlage 3 Externe veiligheid
De nadere analyse beschouwt enkel de mogelijke bovengrondse effecten volgens het Handboek risicozonering. Rijkswaterstaat dient een vergunning af te geven voor de bouw van windturbines indien de windturbines op of boven gronden van Rijkswaterstaat wordt geplaatst. Dit betekent dat indien de rotor draait over een dijk of waterkering in eigendom van Rijkswaterstaat dat er een vergunning benodigd is. De betrokken terreinen van de dijktrajecten 34-1 en 35-2 zijn in eigendom van het Waterschap Brabantse Delta. Ook de overige gebieden bestemd als waterkering zijn in het eigendom van het Waterschap Brabantse Delta. Er is daarmee geen vergunning benodigd voor de bouw van de windturbines van Rijkswaterstaat.
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
81
Er kan wel sprake zijn van rotoroverdraai van de oostelijke windturbine met een gebied met de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Volgens de legger van het waterschap is er langs het Kromgat geen waterkerende functie, maar sprake van een A-watergang waardoor er in het kader van waterveiligheid niet nader naar gekeken hoeft te worden. Figuur 5.12 Rotoroverdraai van de oostelijke windturbine
Bron: Figuur 7.3 uit bijlage 3 Externe veiligheid
Trefkans dijklichaam Wilhelminakanaal Om de trefkans van het dijklichaam inzichtelijk te maken wordt de kans op het landen van gewichten van windturbineonderdelen op de primaire waterkering inzichtelijk gemaakt. Hiervoor wordt gekeken naar de zone uit het bestemmingsplan met de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ rondom dijktraject 35-2, omdat deze waterkering het dichtst bij een windturbinelocatie van windpark Energiepark A59 is gelegen. De voorgenoemde zone geeft een goede weergave van de trefkans van zowel de kruin van de dijk als een beperkte zone eromheen waar nog significante schade aan de functionele werking van de dijk zou kunnen plaatsvinden als daar een gat in wordt geslagen. Er worden twee faalscenario’s van de windturbine onderzocht: •
Mastfalen;
•
De windturbine faalt vanaf de voet van het fundament en valt in zijn geheel om.
Bladworp bij nominaal toerental.
Een enkel blad wordt tijdens nominaal toerental in zijn geheel weggeworpen.
De maximale afstand waarop in het scenario mastfalen het gondelgewicht kan vallen is 170 meter. De afstand waarop het zwaartepunt van het blad terecht kan komen bedraagt maximaal (170 + 130 / 6 = 192 meter), wanneer er windturbines met een ashoogte van 170 meter en de
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
82
daarbij behorende maximale rotordiameter van 130 meter worden gerealiseerd53. De maximale afstand waarop het zwaartepunt van een blad kan terechtkomen als gevolg van bladworp bij nominaal toerental bedraagt 186 meter. Deze afstanden zijn hieronder weergegeven in Figuur 5.13. In Figuur 5.13 is daarbij de hoogtekaart (AHN3) als ondergrond gebruikt, om inzicht te krijgen in waar de kruin van de waterkering zich bevindt. Figuur 5.13 Ligging waterkering ten opzichte van westelijke windturbine windpark Energiepark A59
Bron: Figuur 7.4 uit bijlage 3 Externe veiligheid
Volgens de hoogtekaart lijkt de dijk uit twee delen te bestaan; het primaire deel langs het water, waar ook het fietspad is gelegen, en het secundaire deel, waar de Statendamweg is gesitueerd. De grootste afstand, waarbij het zwaartepunt van het blad terechtkomt bij het scenario mastfalen, bedraagt 192 meter. De binnenteen van het primaire deel van de dijk (kruinhoogte 3,9m +NAP) is op minimaal 214 meter gelegen van de westelijke windturbine en kan dus niet worden geraakt door mast-, gondel- of bladgewicht in de faalscenario’s mastfalen, gondelfalen of bladworp bij nominaal toerental. De binnenteen van het secundaire deel van de dijk (kruinhoogte 3,3 meter +NAP) is op minimaal 163 meter gelegen en kan dus wel worden geraakt door diverse gewichten en in diverse faalscenario’s. Mocht dit deel van de dijk onderdeel zijn van de primaire waterkering, dan kan een vervolganalyse inzicht geven in de trefkansen en gevolgschade door treffen.
53
Bij windturbines met een grotere rotordiameter en lagere ashoogte wordt deze afstand kleiner, 192m is worst case
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
83
Trefkans dijklichaam Donge Dezelfde analyse is gebruikt voor de oostelijke windturbine (dijktraject 35-2) en de afstanden zijn weergegeven in Figuur 5.14. Figuur 5.14 Primaire waterkering nabij de oostelijke windturbine
Bron: Figuur 7.5 uit bijlage 3 Externe veiligheid
De primaire waterkering nabij de oostelijke windturbine kan enkel worden geraakt in het faalscenario bladworp bij overtoeren (vol bladgewicht). Voor de overige scenario’s zijn de afstanden te groot. Voor dijktraject 35-2 zal de oostelijke windturbine geen kans op schade veroorzaken. Afstemming waterschap In overleg met het waterschap is vastgesteld wat het beoordelingskader is voor de beoordeling van de veiligheid van de waterkering en de effecten van de windturbines op de functionele werking van de waterkering. De verdere beoordeling is vooral relevant in het kader van de benodigde watervergunning maar brengt de ruimtelijke uitvoerbaar van het plan niet in gevaar. De analyse in deze paragraaf geeft een eerste inschatting van de mogelijke effecten en risicoinschattingsmethodiek voor bovengrondse effecten. De windturbines liggen op zodanige afstand vanaf de dijklichamen (>170 meter) van de primaire waterkeringen dat de ondergrondse effecten op de functionaliteit van de primaire waterkeringen verwaarloosbaar klein worden geacht. Er vindt nadere afstemming plaats of de ondergrondse effecten ook geanalyseerd dienen te worden en een rol spelen in het kader van het analyseren dijkveiligheid. Verdere afstemming met het waterschap vindt plaats in het kader van de benodigde watervergunning en heeft geen ruimtelijke relevantie.
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
84
Conclusie De veiligheidsrisico's zijn onderzocht. Er zijn vanuit externe veiligheid geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het windpark. De windturbines brengen weliswaar een beperkt (extra) risico met zich mee, maar dat voldoet aan de richtlijnen. De risico’s worden mede gelet op de ligging van het windpark aanvaardbaar. Er is voor het aspect externe veiligheid sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 201754. De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden en de bescherming van flora en faunasoorten. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Natura 2000-gebieden Gebiedsbescherming is in de Wnb beschreven in ‘Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden’. Het plangebied ligt in de omgeving van meerdere Natura 2000-gebieden, waaronder Biesbosch en Hollands Diep. Als de bouw of het gebruik van de windturbines negatieve effecten heeft op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen (kortweg: IHD’s) van deze gebieden, is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (kortweg: Wnb) vereist. Ook kunnen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen nodig zijn. Kader 5.2 Gunstige staat van instandhouding en 1%-mortaliteitsnorm In het kader van de Wnb moet beoordeeld worden of de realisatie van Windpark Energiepark A59, op zichzelf of in samenhang met andere plannen en projecten in de omgeving, (significant) negatieve effecten kan hebben op het behalen van de IHD’s van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (in het kader van Wnb gebiedenbescherming) en/of sprake kan zijn van een effect op de gunstige staat van instandhouding (GSI) (in het kader van de Wnb soortenbescherming).
De basis hiervoor wordt gevormd door het 1%-criterium (verder 1%-mortaliteitsnorm) van het Ornis Comité. Volgens dit criterium kan iedere tol van minder dan 1% van de totale jaarlijkse sterfte van de betrokken populatie (gemiddelde waarde) als kleine hoeveelheid worden beschouwd (zie kader hieronder). Wanneer de voorspelde sterfte onder deze 1%-mortaliteitsnorm blijft kan een effect op het behalen van de IHD’s in Natura 2000-gebieden of de GSI van de betrokken populatie met zekerheid uitgesloten worden. Bij de beoordeling is tevens rekening gehouden met de huidige staat van instandhouding van deze populaties.
Het plangebied van windpark Energiepark A59 maakt geen deel uit van een Natura 2000gebied. Wel liggen er enkele Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving van het plangebied (zie Figuur 3.3). Een tweetal van deze gebieden zijn zowel Habitat- als Vogelrichtlijngebied, namelijk Natura 2000-gebieden Biesbosch en Hollands Diep. Deze gebieden liggen op respectievelijk ca. 3,5 kilometer en 15 kilometer van het plangebied. Daarnaast liggen er nog Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), BWBR0037552. 54
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
85
enkele Habitatrichtlijngebieden in de ruime omgeving van het plangebied, namelijk het Natura 2000-gebied Langstraat (op circa 8 kilometer afstand) en Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem (op circa 10 kilometer). Alle vier de Natura 2000-gebieden kwalificeren vanwege beschermde habitattypen. Omdat de windturbines buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden worden gebouwd, is met zekerheid geen sprake van verlies aan areaal van de beschermde habitattypen door ruimtebeslag. Wel kan sprake zijn van emissie van stikstof gedurende de aanlegfase van het windpark. Verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats in voornoemde Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg en het gebruik van Windpark Energiepark A59 zijn daarom niet op voorhand met zekerheid uit te sluiten. Alle vier de Natura 2000-gebieden kwalificeren vanwege soorten van bijlage II van de Habitatrichtlijn. Het plangebied ligt (ruim) buiten de begrenzing van deze vier Natura 2000-gebieden. Het Natura 2000-gebied Biesbosch kwalificeert vanwege de meervleermuis. De meervleermuis is een gebouwbewonende soort die met name boven water, maar ook boven land foerageert. Hierbij worden afstanden tot 10 kilometer overbrugd, waarbij gebruik wordt gemaakt van houtwallen, waterwegen en andere structuren. Binnen het plangebied bevinden zich geen gebouwen of andere bouwwerken.
Wel zijn kraamkolonies bekend in de omgeving van het plangebied. Meervleermuizen kunnen vanuit de Biesbosch tot in het plangebied komen en de soort wordt in de Natuurtoets meer in detail beschreven. Voor de overige gekwalificeerde soorten geldt dat en effect van de bouw en het gebruik van de twee windturbines is op voorhand uit te sluiten. Deze soorten worden verder buiten beschouwing gelaten. Alle Natura 2000-gebieden kwalificeren vanwege een aantal broedvogelsoorten. Voor al deze gekwalificeerde soorten geldt dat (significant) verstorende effecten (inclusief sterfte) van de aanleg en het gebruik van Windpark Energiepark A59 op het behalen van de IHD van de broedvogelsoort de kluut in het Natura 2000-gebied Hollands Diep op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten. Deze soorten worden verder buiten beschouwing gelaten. Alleen de Natura 2000-gebieden Biesbosch en Hollands Diep kwalificeren vanwege een aantal niet-broedvogelsoorten.
Voor de Biesbosch geldt voor niet-broedvogelsoorten aalscholver, grote zilverreiger, lepelaar, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wintertaling, wilde eend, tafeleend, kuifeend, nonnetje, grote zaagbek, zeearend, visarend en grutto allen een actieradius hebben die groter is dan de afstand tussen Natura 2000-gebied Biesbosch en het plangebied, waardoor deze soorten vanuit het Natura 2000-gebied Biesbosch in theorie tot in het plangebied kunnen komen (Van der Vliet et al. 2011). Voor Hollands Diep geldt voor de niet-broedvogelsoorten kolgans, grauwe gans, brandgans en wilde eend, dat allen een actieradius hebben die groter is dan de afstand tussen Natura 2000-gebied Hollands Diep en het plangebied, waardoor deze soorten vanuit het Natura 2000-gebied Hollands Diep in theorie tot in het plangebied kunnen komen (Van der Vliet et al. 2011). Het gebiedsgebruik en vliegbewegingen van deze soorten in het Natura 2000-gebieden Biesbosch en Hollandse Diep en de potentiële relatie met het plangebied worden in de Natuurtoets nader beschreven en effecten van het windpark hierop worden beoordeeld. In paragraaf 5.5.2 wordt op de resultaten in gegaan.
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
86
Soortenbescherming De bescherming van soorten is in de Wnb beschreven in ‘Hoofdstuk 3. soorten’. Bij de realisatie van Windpark Energiepark A59 moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van beschermde soorten planten en dieren in het plangebied. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, zal moeten worden nagegaan of een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden verkregen. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •
Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken;
•
Gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd;
•
Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
•
Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee.
•
Alle Natura 2000-gebieden.
Voor gebieden die zijn begrensd binnen het Natuurnetwerk Nederland, ecologische verbindingszones en gebieden met agrarisch natuurbeheer, geldt een planologisch beschermingsregime. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland, dan geldt het ‘nee, tenzij-regime’. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. Als een ingreep wordt toegestaan moet de schade zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen en moet de resterende schade door de initiatiefnemen worden gecompenseerd. De Provincie Noord-Brabant kent een externe werking ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), wat inhoudt dat de effecten van ruimtelijke plannen die buiten het NNB vallen wel aan het doelstellingen van het NNB getoetst moeten worden. Uit kaartmateriaal van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Brabant (NNB) ligt, hierdoor is geen sprake van areaalverlies. Wel kan sprake zijn van aantasting van natuurwaarden door verstoring.
In de Natuurtoets (zie bijlage 4) worden beknopt de natuurwaarden beschreven aan de hand van de aanwezige beheertypen. In paragraaf 5.5.2 wordt op de resultaten in gegaan. Provinciaal natuurbeleid In de provincie Noord-Brabant wordt gemaakt van een overgangszone tussen stedelijk en landelijk gebied en omliggende natuurgebieden. Deze zone wordt de groenblauwe mantel genoemd. De zone bestaat uit gebieden die behoren tot het NNB, inclusief ecologische verbindingszones, en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud van vooral de ontwikkeling van natuur, watersystemen en landschappen. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
87
kwelstromen in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei (Interim omgevingsverordening). In Noord-Brabant zijn door de provincie, naast het NNB en groenblauwe mantel, geen specifieke gebieden aangewezen waarvoor een collectieve vorm van natuurbeheer geldt (zoals gebieden voor weidevogels of ganzen). Als overig provinciaal natuurbeleid worden in onderhavige rapportage voor Windpark Energiepark A59 daarom alleen de effecten voor NNB en de groenblauwe mantel bepaald en beoordeeld.
Onderzoek Voor realisatie van het windpark is een natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage 4). Een samenvatting van de effecten is hieronder opgenomen. Natura 2000-gebieden (Wnb hoofdstuk 2) In de Natuurtoets is beargumenteerd welke broed- en niet-broedvogelsoorten uit de nabijgelegen Natura 2000-gebieden Biesbosch en Hollands Diep een binding hebben met het plangebied of het plangebied regelmatig passeren. De effecten (verstoring en/of verslechtering) op deze vogelsoorten zijn ook beschreven in de Natuurtoets. Habitattypen Het plangebied ligt ruim buiten de Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van ruimtebeslag en derhalve geen effect op de omvang van beschermde habitattypen. Bij de realisatie van Windpark Energiepark A59 kan sprake zijn van tijdelijke en beperkte stikstofemissies als gevolg van bouwwerkzaamheden en bijbehorende transportbewegingen. Om de mogelijke gevolgen van deze (tijdelijke) stikstofemissies op beschermde Natura 2000gebieden in kaart te brengen is een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 7 bij bijlage 4). Met het AERIUS-model is berekend of er sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de aanlegfase van Windpark Energiepark A59 sprake is van een emissie van circa 180 kg NOx per jaar. Dit resulteert niet in een stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats.
Dit betekent dat de stikstofemissie door toedoen van de bouw van Windpark Energiepark A59 niet leidt tot significant negatieve effecten op de stikstofgevoelige habitats van de omliggende Natura 2000-gebieden. Effecten op het behalen van de IHD’s van de betrokken habitattypen zijn voor deze Natura 2000-gebieden met zekerheid uit te sluiten. Soorten van bijlage II van de Habitatrichtlijn Er is, met uitzondering van de meervleermuis, geen sprake van effecten op soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn waarvoor de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Langstraat, Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem en Hollands Diep kwalificeren. Alleen de meervleermuis kan theoretisch op dagelijkse basis uitwisselen tussen het Natura 2000-gebied Biesbosch (foerageergebied) en omliggende gebieden (verblijfplaatsen). Doordat de soort niet of nauwelijks op rotorhoogte vliegt, vooral watergangen volgt en überhaupt zelden als aanvaringsslachtoffer in Noordwest-Europa wordt gevonden (Limpens et al. 2013, Dürr 2020), kan additionele sterfte en verstoringseffecten van het windpark worden uitgesloten.
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
88
Effecten op het behalen van de IHD’s van de betrokken soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn voor alle Natura 2000-gebieden met zekerheid uit te sluiten. Broedvogels Uit de Natuurtoets blijkt dat voor alle broedvogelsoorten, waarvoor de omliggende Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, geen sprake is van een relatie met het plangebied. Significante effecten op het behalen van de IHD’s voor broedvogelsoorten in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn met zekerheid uit te sluiten. Niet-broedvogels Van de niet-broedvogelsoorten waarvoor de Natura 2000-gebieden Biesbosch en Hollands Diep kwalificeren hebben de meeste soorten geen binding met het plangebied. De enkele soorten, die vanuit voornoemde Natura 2000-gebieden wel een relatie hebben met het plangebied, waaronder de wilde eend en grauwe gans, passeren het plangebied slechts af en toe en in kleine aantallen. Zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase van Windpark Energiepark A59 is geen sprake van meer dan incidentele sterfte of maatgevende verstoring van de niet-broedvogelsoorten waarvoor de bovengenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Significant verstorende effecten (inclusief sterfte) van de aanleg en het gebruik van Windpark Energiepark A59 op het behalen van de IHD’s van niet-broedvogels in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn met zekerheid uit te sluiten.
Cumulatieve effecten Omdat het windpark met zekerheid geen effecten heeft op het behalen van IHD’s van Natura 2000-gebieden, is een cumulatiestudie niet aan de orde. Samenvatting gebiedsbescherming Natura 2000 Er is geen sprake van significante effecten op Natura 200 0 gebieden door realisatie van het windpark. Er hoeft derhalve ook geen vergunning in het kader van de Wnb te worden aangevraagd. Beschermde soorten (Wnb hoofdstuk 3) Vogels Effecten in de aanlegfase Het plangebied van Windpark Energiepark A59 kan potentieel broedgebied bieden voor soorten zoals kievit of roodborsttapuit. Dit betekent dat bij werkzaamheden in het broedseizoen niet met zekerheid uitgesloten kan worden dat nesten van bijvoorbeeld grondbroedende vogels vernietigd of beschadigd zullen worden. Hiermee kunnen verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 lid 2 van de Wnb overtreden worden. Tijdens de werkzaamheden en de voorbereiding daarvan dient vernietiging van nesten van vogels voorkomen te worden. Overtreding van verbodsbepalingen kan voorkomen worden door buiten het broedseizoen te werken. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt moet worden is dit mogelijk indien door een ter zake kundig ecoloog is vastgesteld dat met deze werkzaamheden geen in gebruik zijnde nesten van vogels worden vernietigd of beschadigd.
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
89
Ook is het mogelijk om voor aanvang van het broedseizoen te voorkomen dat vogels in het plangebied gaan broeden door het habitat rondom de twee windturbines, de toegangswegen en kraanopstelplaatsen ongeschikt te maken als broedlocatie. Voor het broedseizoen kan geen standaardperiode worden aangegeven. Het broedseizoen verschilt immers per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode maart tot en met half augustus. In de ruime omgeving van het plangebied komen enkele jaarrond beschermde nesten van Onder andere buizerd en sperwer voor. De geplande windturbines staan op ruime afstand van deze nesten. Nesten van soorten met jaarrond beschermde nesten komen in de omgeving van het plangebied alleen in bomen voor. Ten behoeve van de realisatie van de windturbines worden in beginsel geen bomen gekapt. Als er ten behoeve van de uitvoering bomen gekapt dienen te worden dan is een inventarisatie van jaarrond beschermde nesten in die specifieke bomen noodzakelijk en een eventuele melding op basis van de Wnb. Vernietiging of verstoring van jaarrond beschermde nesten en de functionele leefomgeving van deze soorten is in het kader van deze ruimtelijke onderbouwing niet aan de orde. Effecten in de gebruiksfase Op jaarbasis vallen maximaal 30 aanvaringsslachtoffers onder vogels (alle soorten tezamen).
Voor de broedvogels in en nabij het plangebied worden jaarlijks alleen incidentele slachtoffers voorzien. Met uitzondering van kokmeeuw, geldt dit ook voor alle niet-broedvogelsoorten in en nabij het plangebied. Een dergelijk lage additionele sterfte heeft per definitie geen effect op de GSI van betrokken soorten. Voor de niet-broedvogelsoort kokmeeuw zijn op jaarbasis in totaal maximaal 15 aanvaringsslachtoffers in Windpark Energiepark A59 berekend. De Nederlandse populatie kokmeeuwen bestaat in de wintermaanden gemiddeld uit 92.000-118.000 individuen (sovon.nl). Het aantal aanvaringsslachtoffers (met een jaarlijkse sterfte van 0,1) ligt ruim onder de 1%mortaliteitsnorm. De additionele sterfte is derhalve te beschouwen als ‘een verwaarloosbaar kleine kans op sterfte als gevolg van het project’. Daarmee is uitgesloten dat de sterfte zal leiden tot een aantasting van de GSI. Tenslotte worden onder 13 vogelsoorten die in zeer grote aantallen passeren tijdens de seizoenstrek (o.a. lijsters, roodborst en spreeuw) per soort 1-2 of maximaal 3-6 slachtoffers voorzien. Voor schaarsere soorten op seizoenstrek zal jaarlijks <1 individu slachtoffer worden van een aanvaring met de windturbines in het gehele windpark. Voor iedere soort ligt de geschatte of berekende sterfte in Windpark Energiepark A59 ruim beneden de 1%mortaliteitsnorm.
Dit betekent dat voor alle soorten geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door het windpark gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de GSI van de desbetreffende populatie. Verstoring Er is geen sprake van maatgevende verstoring, dit effect wordt derhalve niet nader behandeld. Barrièrewerking In de Natuurtoets wordt verondersteld dat maatgevende verstoringseffecten, waarbij vogels hun foerageergebieden niet meer kunnen bereiken, niet aan de orde zijn. Wel wordt verondersteld
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
90
dat een hoger aandeel van de betreffende vogels door het windpark zullen vliegen. Dit kan resulteren in aanvaringsslachtoffers voor bijvoorbeeld kokmeeuw. Dit effect is verdisconteerd in het onderdeel sterfte. Vleermuizen In het toekomstige Windpark Energiepark A59 kan sprake zijn van overtreding van verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.5 lid 1 Wnb vanwege mogelijke aanvaringsslachtoffers onder de soorten gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis, waarvoor mogelijk een ontheffing nodig is. De effectbepaling van het aantal aanvaringsslachtoffers op de populatie is per soort ingeschat door te toetsen aan de 1%-mortaliteitsnorm. Gewone dwergvleermuis De additionele maximale sterfte voor de gewone dwergvleermuis blijft met maximaal twee exemplaren voor het gehele Windpark Energiepark A59 ruimschoots onder de 1%mortaliteitsnorm. Een effect van het windpark op de GSI van de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis is dan ook uitgesloten. Effecten op de regionale en landelijke populatie zijn daarmee ook uitgesloten. Ruige dwergvleermuis De additionele maximale sterfte voor de ruige dwergvleermuis van maximaal één exemplaar per jaar voor het gehele Windpark Energiepark A59 blijft ruimschoots onder de 1%-mortaliteitsnorm blijft. Een effect van het windpark op de GSI van de lokale populatie van de ruige dwergvleermuis is dan ook uitgesloten.
Effecten op de regionale en landelijke populatie zijn daarmee ook uitgesloten. Overige beschermde soorten Amfibieën en vissen In het plangebied komt de alpenwatersalamander voor. Het plangebied beschikt over sloten met geschikt habitat voor deze soort. Indien voor de aanleg van het windpark en (tijdelijke) toegangswegen worden er geen sloten gedempt of vergraven worden, zodat het leefgebied van de soort onaangetast blijft zijn effecten van Windpark Energiepark A59 op beschermde soorten amfibieën zijn met zekerheid uitgesloten. In het plangebied komen ook algemene soorten amfibieën voor, zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling in de provincie Noord-Brabant bij een ruimtelijke ingreep. Het plangebied is ook geschikt voor grote modderkruiper en deze soort komt in de directe omgeving van het plangebied ook voor. Indien voor de aanleg van het windpark en (tijdelijke) toegangswegen er geen sloten worden gedempt of vergraven, zodat het leefgebied van de soort onaangetast blijft zijn effecten van Windpark Energiepark A59 op beschermde soorten vissen zijn met zekerheid uitgesloten. Het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.10 lid 1 van de Wnb voor de grote modderkruiper, alpenwatersalamander en kleine marterachtigen kan worden voorkomen door: •
het niet dempen of vergraven van de sloten in het plangebied;
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
91
•
het niet kappen van bomen of verwijderen van bosschages.
Indien voornoemde werkzaamheden wel nodig zijn in de aanlegfase van het windpark, dient nader veldonderzoek naar de aanwezigheid van voornoemde soorten uit te wijzen of deze soorten door de ingreep geraakt worden en hoe overtreding van verbodsbepalingen kan worden voorkomen. Grondgebonden zoogdieren In en in de directe omgeving het plangebied komt de bever voor. Deze komt alleen voor in de wateren rondom het plangebied en niet tot in het plangebied. Het plangebied kent ook geen geschikt habitat van de bever. Effecten van Windpark Energiepark A59 op de beschermde soort bever is met zekerheid uitgesloten. Het plangebied en de directe omgeving is geschikt voor kleine marterachtigen zoals de bunzing, hermelijn en wezel. Vooral de waterzuivering en het houthakbosje in het noorden van het plangebied beschikken over geschikt habitat voor de kleine marterachtigen. Voor de aanleg van Windpark Energiepark A59 en de (tijdelijke) toegangswegen worden geen bomen gekapt, bosschages verwijderd of sloten vergraven. Het habitat van de kleine marterachtigen blijft onaangetast. Effecten van Windpark Energiepark A59 op de beschermde soort hermelijn zijn met zekerheid uitgesloten. Voor de overige vastgestelde grondgebonden zoogdieren (egel, haas, konijn, ree en vos) geldt een vrijstelling in de provincie Noord-Brabant bij een ruimtelijke ingreep.
Samenvatting soortenbescherming Ook is er voor geen enkele soort sprake van een aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Voor enkele vogel- en vleermuissoorten is er is in het kader van de soortenbescherming op 11 december 2020 een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant. Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Op voorhand is er geen aantasting van dergelijke houtopstanden te verwachten. Mocht dit bij detailuitwerking wel het geval zijn dan wordt hiervoor zo nodig onderzoek uitgevoerd en een vergunning aangevraagd. Natuurnetwerk Brabant De twee windturbines van Energiepark A59 worden niet geplaatst binnen de grenzen van het NNB. Ruimtebeslag door de bouw van Energiepark A59 is uitgesloten. Ook is geen sprake van overdraai boven het NNB, omdat de windturbines voldoende ver van het NNB afliggen. Voor het NNB geldt externe werking en dient onderzocht te worden of de bouw en het gebruik van het windpark effecten heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB in de directe omgeving van de betreffende turbines. Windturbines kunnen leiden tot verstoring, waarbij zowel visuele als auditieve verstoring van belang kan zijn.
Verstoring van planten, libellen, dagvlinders en vissen is op voorhand uitgesloten, maar windturbines kunnen wel een verstorend effect hebben op broedvogels
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
92
Een klein bosgebied nabij het plangebied kent beheertype N16.04 (Vochtig bos met productie). Voor broedvogels van bos en halfopen gebied zijn geen of nauwelijks effecten van windturbines vastgesteld, waarbij de verstoringsafstanden tijdens het broedseizoen ook zeer beperkt zijn. De windturbines liggen op meer dan 150 meter van het dichtstbijzijnde NNB af. Verstoring van broedvogels door de bouw en het gebruik van het windpark is daarom uitgesloten. Overige beschermde gebieden Er liggen geen weidevogelgebieden, akkervogelgebieden of ganzenopvanggebieden in de omgeving van het plangebied. Wel maakt het plangebied onderdeel uit van de groenblauwe mantel. Volgens provinciaal beleid is het echter toegestaan om binnen de groenblauwe mantel een windpark van drie windturbines te realiseren. Onderliggende windpark vormt een cluster met de bestaande windturbines Weststad III waardoor er sprake is van een cluster met minimaal die windturbines (zie ook paragraaf 4.2).
Conclusie Samenvattend is voor geen enkele kwalificerende soort sprake van een significant negatief effect op het instandhoudingsdoelen van Natura 2000. Er is derhalve geen vergunning nodig in het kader van de gebiedsbescherming Wnb. Ook is er voor geen enkele soort sprake van een aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Er is in het kader van de soortenbescherming op 11 december 2020 een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant. Er is derhalve sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Cultuurhistorie Toetsingskader Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. De Erfgoedwet55, die de Monumentenwet 1988 heeft vervangen, vormt in Nederland het wettelijk kader voor de bescherming van al het cultureel erfgoed, waaronder ook de afspraken uit het Verdrag van Malta. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Archeologie houdt zich bezig met de niet zichtbare delen van onze cultuurgeschiedenis. Zij zijn verborgen in de bodem.
Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet) 55
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
93
Onderzoek Archeologie Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oosterhout heeft een Erfgoedkaart Oosterhout56 (vastgesteld door de gemeenteraad op 25 januari 2012). Deze kaart geeft de archeologische verwachtingen en archeologische en cultuurhistorische waarden in Oosterhout weer waardoor deze als volwaardig belang in ruimtelijke planvorming mee kunnen worden gewogen. Tevens worden op deze kaart de voorschriften vastgesteld voor de omgang met archeologische bodemschatten in de ruimtelijke inrichting en in bouwprojecten. Figuur 5.15 Uitsnede plangebied Archeologische beleidskaart met posities windturbines
Het plangebied heeft over het algemeen een lage verwachtingswaarde. Voor die gebieden geldt dat bodemingrepen in principe zijn toegestaan. Archeologische onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en/of MER-plichtige projecten en/of projecten met een planoppervlak van 5 hectare of meer. Het te verstoren oppervlak door de windturbines is veel minder dan 5 hectare waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk is. Langs de Statendamweg ligt een zone met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Er is één windturbine gepland in de directe omgeving van die zone. Voor zones met een middelhoge verwachting geldt dat indien een ingreep dieper gaat dan 0,5 meter onder maaiveld of een planoppervlakte van 100 m 2 of meer er een aanlegvergunning verplicht is en dus onderzoek nodig is. Figuur 5.15 laat zien dat de fundering van windturbine 1 buiten het gebied met de middelhoge verwachtingswaarde is gepositioneerd waardoor nader onderzoek niet nodig is. Ook de bij de windturbine behorende opstelplaats wordt buiten het gebied gepositioneerd.
“Erfgoedkaart Oosterhout; Een verleden achter gevels en onder akkers”, Archeologische Rapporten Oranjewoud 2010/121 (29 september 2011) 56
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | 719109 15 december 2020 | Definitief v1.0
Pondera Consult
94
Ten behoeve van het zonnepark in Energiepark A59 is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd57 en een inventariserend veldonderzoek58. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van eventuele sporen van bewoning of activiteiten uit de Late Middeleeuwen binnen een strook aan het oude havenkanaal van Oosterhout. Het voormalige landoppervlak uit die periode ligt op tenminste 130 centimeter diepte. Archeologische resten die mogelijk wel binnen de verstoringsdiepte liggen dateren waarschijnlijk van na 1700. Het archeologisch belang hiervan is laag. Er hoeft geen vervolgonderzoek te worden uitgevoerd en de gemeente Oosterhout wordt het plangebied vrij te geven. Op basis van het archeologische onderzoek dat is uitgevoerd voor het zonnepark kan geconcludeerd worden dat er voor het windpark geen belemmeringen gelden vanuit het aspect archeologie. De eventueel toch nog aanwezige archeologische waarden worden beschermd door een rechtstreekse werking van de Erfgoedwet. Overige cultuurhistorische waarden De Erfgoedkaart Oosterhout geeft ook inzicht in overige cultuurhistorische waarden in de gemeente. In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen monumenten of beschermde stad- en dorpsgezichten aanwezig.
Het plangebied is wel aangewezen als een gebied met een hoge CHW-waarde op de waardenkaart historische geografie. Dit is vertaald in de Interim omgevingsverordening dat bij ontwikkeling rekening gehouden moet worden met (cultuurhistorische) landschappelijke waarden en kenmerken. De Domeinweg is een zichtlijn in de historische groenstructuur. Deze structuur wordt verder niet verstoord door het plan.
Conclusie Het windpark doet geen afbreuk aan archeologie en overige cultuurhistorische waarden in het plangebied en de omgeving ervan. Voor het aspect cultuurhistorie is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Waterhuishouding Toetsingskader Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordenende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc. te voorkomen. De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1 en 3.16 van het Besluit ruimtelijke ordening. Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen gemeente, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar Archeologisch bureauonderzoek Zonnepark Oosterhout, Oosterhout gemeente Oosterhout (NB), Laagland Archeologie Rapport 281, december 2019, Versie 3.2 (concept) 58 Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase, Zonnepark Oosterhout te Oosterhout, gemeente Oosterhout (NB), Laagland Archeologie Rapport 310, december 2019, Versie 2.2 (concept) 57
719109 | Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout 15 december 2020 | Definitief v1.0