ROB Windpark Energiepark A59 Ruimtelijke onderbouwing definitief incl. bijlagen v3.0 (1)
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout Eneco 719109 | Definitief v3.0 07/12/2022
Colofon Pondera Soort document Hoofdvestiging Nederland Amsterdamseweg 13 6814 CM Arnhem 088 – pondera (088-7663372) info@ponderaconsult.com
Ruimtelijke onderbouwing
Projectnaam Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout
Postadres
Versienummer
Postbus 919 6800 AX Arnhem
Definitief v3.0
Vestiging South East Asia Jl. Mampang Prapatan XV no 18 Mampang Jakarta Selatan 12790 Indonesia
Vestiging North East Asia Suite 1718, Officia Building 92 Saemunan-ro, Jongno-gu Seoul Province Republic of Korea
Datum 7-12-2022
Project nummer 719109
Opdrachtgever Eneco
Auteur Joeri de Bekker (Oog voor Schoonheid Landschapsarchitectuur), Marjolein Pigge
Nagekeken door Marjolein Pigge
Disclaimer In het onderzoek is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde uitgangspunten, modellen en informatie die ten tijde van het opstellen van dit rapport ter beschikking stonden. Aanpassingen in de uitgangspunten, modellen of gebruikte gegevens kunnen leiden tot andere uitkomsten. De aard en de nauwkeurigheid van de gebruikte gegevens voor het onderzoek bepalen in belangrijke mate de nauwkeurigheid en de onzekerheden van de berekende uitkomsten. Pondera is niet aansprakelijk voor gederfde inkomsten of schade die wordt geleden door opdrachtgever(s) en/of derden uit conclusies die gebaseerd zijn op gegevens die niet van Pondera afkomstig zijn. Deze rapportage is opgesteld met de intentie dat deze alleen gebruikt wordt door de opdrachtgever en slechts voor het doel waarvoor de rapportage is opgesteld. Er mag geen beroep worden gedaan op de informatie uit deze rapportage voor andere doeleinden zonder schriftelijke toestemming van Pondera. Pondera is niet verantwoordelijk voor de consequenties die kunnen voortvloeien uit het oneigenlijk gebruik van de rapportage. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van (de analyse, resultaten en bevindingen in) de rapportage blijft bij de opdrachtgever. De Rechtsverhouding opdrachtgevers – architect, ingenieur en adviseur conform DNR 2011 is te allen tijde van toepassing.
Inhoudsopgave 1 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
2 Beleid 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
56
Uitgangspunten________________________________________________________________ 56 Geluid _______________________________________________________________________ 57 Slagschaduw _________________________________________________________________ 65 Veiligheid ____________________________________________________________________ 71 Natuur _______________________________________________________________________ 85 Cultuurhistorie ________________________________________________________________ 93 Waterhuishouding ______________________________________________________________ 95 Overige aspecten _____________________________________________________________ 102
6 Uitvoerbaarheid 6.1 6.2
34
Keuze locatie plangebied en opstelling windpark ______________________________________ 34 Beschrijving van het plan ________________________________________________________ 37 Samenhang met het zonnepark ___________________________________________________ 42 Landschappelijk beeld van het windpark ____________________________________________ 44 Kwaliteitsverbetering landschap ___________________________________________________ 50
5 Onderzoek 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
27
Functionele structuur ___________________________________________________________ 27 Landschappelijke structuur _______________________________________________________ 29
4 Planbeschrijving 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
8
Mondiaal en Europees beleid ______________________________________________________ 8 Rijksbeleid ____________________________________________________________________ 9 Provinciaal beleid ______________________________________________________________ 17 Gemeentelijk beleid ____________________________________________________________ 22 Conclusie ____________________________________________________________________ 25
3 Huidige situatie 3.1 3.2
1
Aanleiding en doel ______________________________________________________________ 1 Ligging plangebied ______________________________________________________________ 2 Geldend bestemmingsplan ________________________________________________________ 3 Juridisch kader _________________________________________________________________ 4 Leeswijzer _____________________________________________________________________ 7
117
Economische uitvoerbaarheid ___________________________________________________ 117 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ________________________________________________ 117
Bijlagen Bijlage 1 Inrichtingsplan Energiepark A59 Bijlage 2 Akoestisch- en slagschaduwonderzoek Bijlage 3 Externe veiligheidsanalyse Bijlage 4 Natuurtoets Bijlage 5 Radarverstoringsonderzoek TNO en VVGB Defensie Bijlage 6 Toetsing LVNL en ILenT Bijlage 7 Verslag omgevingsdialoog Bijlage 8 Inspraakverslag Bijlage 9 AERIUS-berekening
Versiebeheer Wijzigingen definitief v3.0 (december 2022) ten opzichte van definitief v2.0 (d.d.18 februari 2021, zoals in ontwerp ter inzage gelegen): •
aanpassingen overname zonnepark door Eneco Solar van Shell;
•
actualisatie verleende vergunningen (omgevingsvergunning zonnepark, Wet beheer rijkswaterstaatwerken, Wetnatuurbescherming en watervergunning);
•
actualisatie hoofdstuk 2 beleid (Mondiaal/Europees beleid, RES 1.0, bestuursakkoord);
•
actualisatie paragraaf 4.2 onderdeel ‘Obstakelverlichting’ met o.a. goedgekeurd verlichtingsplan;
•
toevoeging paragraaf 5.1.2. over uitspraak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding en nog mogen toepassen Activiteitenbesluit en -regeling voor windpark Energiepark A59;
•
verduidelijking paragraaf 5.2.1. en paragraaf 5.3.1 over toetsing Activiteitenbesluit en regeling;
•
toevoeging alinea laagvliegroute VO bij cumulatief geluid in paragraaf 5.2.2;
•
aanpassing status woning Centraleweg 13 in tabellen paragraaf 5.2.2 van woning gelegen op geluidgezoneerd bedrijventerrein naar binnen de geluidzone van geluidgezoneerd terrein gelegen;
•
toevoeging aan paragraaf 5.3.2 van alinea over opname projectspecifieke norm voor slagschaduw van maximaal 30 minuten per jaar als voorschrift in omgevingsvergunning;
•
aanpassing paragraaf 5.3.2 onder ‘cumulatieve slagschaduw’ naar projectspecifieke slagschaduwnorm 30 minuten per jaar, plus aanpassing paragraaf 5.3.3 in samenhang daarmee;
•
aanpassing paragraaf 5.5.2 onder ‘stikstofdepositie’ naar aanleiding van aangepaste berekening juni 2021, update over vervallen bouwvrijstelling en aangepaste motivatie goede ruimtelijke ordening;
•
toevoeging bijlage 9 ‘AERIUS-berekening’;
•
aanpassing paragraaf 6.2 onder ‘Tervisielegging’ naar aanleiding van terinzagelegging ontwerp.
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Eneco Wind B.V. (hierna: Eneco) heeft het voornemen een windpark van twee windturbines te realiseren in het noordwestelijke deel van de Oranjepolder te Oosterhout. Deze windturbines maken onderdeel uit van het te ontwikkelen Energiepark A59. In dit energiepark wordt in samenwerking met diverse partijen en conform de gemeentelijke wens ingezet op een combinatie van zonne- en windenergie. In het zelfde gebied bestaat dan ook het concrete voornemen tot het realiseren van een zonnepark van circa 37 hectare. Het initiatief van Eneco omvat twee windturbines (zie ook Kader 1.1). De windturbines zijn landschappelijk/visueel een uitbreiding van het cluster van bestaande windturbines op bedrijventerrein Weststad III, maar vormen verder wel een zelfstandig windpark (zie ook paragraaf 1.4 onder ‘samenhang met bestaande windturbines’). Het windpark krijgt een opgesteld vermogen van circa 10 megawatt (MW), uitgaande van een opgesteld vermogen van circa 5 MW per windturbine en levert (afhankelijk van het type turbine) naar verwachting een jaarlijkse productie van circa 30 miljoen kilowattuur (kWh). Dit is genoeg windenergie om circa 10.000 huishoudens te voorzien van elektriciteit uit wind, dit is iets minder dan de helft van het aantal huishoudens in de gemeente Oosterhout1. Kader 1.1 Plan voor windpark van drie naar twee windturbines
Oorspronkelijk bestond het plan van het windpark uit drie windturbines, zoals dat door Eneco met een principeverzoek in december 2019 is ingediend. Over het principeverzoek van het windpark, in samenhang met het zonnepark, heeft een zogenoemde Omgevingsdialoog plaatsgevonden (zie ook paragraaf 6.2). Het signaal dat Eneco tijdens het eerste helft van de Omgevingsdialoog als grootste zorgenpunt en bezwaar heeft ontvangen is de weerstand tegen de meest zuidelijke windturbine (de ‘derde’ windturbine). Na het verzoek van de gemeente Oosterhout aan Eneco om een plan in te dienen met 2 windturbines in plaats van 3, leek bij het merendeel van de stakeholders de angel eruit te zijn. De aanvraag omgevingsvergunning voor het windpark, en derhalve ook deze ruimtelijke onderbouwing, heeft gezien het voorgaande betrekking op twee windturbines in Energiepark A59, alhoewel ook drie windturbines vanuit milieuaspecten ruimschoots is in te passen. De ‘derde windturbine’ stuitte met name op weerstand uit de Oosterhoutse woonwijk Dommelbergen vanwege geluid en slagschaduw. Dit alhoewel in het principeverzoek en nadere onderzoeken aangetoond was dat de derde windturbine vanuit milieuaspecten zoals geluid en slagschaduw ruimschoots in te passen is.
Zo is er ten zuiden van het windpark in de woonwijk nooit sprake van slagschaduw, ook niet met drie windturbines (immers: de zon staat nooit in het noorden en zorgt dus ook niet voor schaduw ten zuiden van een windpark). Ook voor geluid wordt met drie windturbines worst case ruimschoots aan de geldende geluidnormen voldaan. De onderbouwing in deze ruimtelijke onderbouwing gaat dus verder uit van twee windturbines in windpark Energiepark A59.
1
Er zijn 22.947 huishoudens in Oosterhout volgens cijfers van het CBS (1 januari 2018)
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 1
Energiepark A59 Met het Energiepark A59 zet de gemeente Oosterhout in op een gezamenlijk energiepark voor windturbines en zonnepanelen op een locatie langs de A59, samen met Eneco Wind en Eneco Solar (voorheen: Shell2). Het Energiepark A59 is aangewezen voor de ontwikkeling van duurzame energie door de gemeente Oosterhout met haar ambities voor energietransitie en de gemeentelijke Routekaart Energietransitie 2019-2022. Deze ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op de windturbines van Eneco. Het zonnepark van Eneco Solar heeft volledig zelfstandig een eigen procedure doorlopen. De omgevingsvergunning voor het zonnepark in afwijking van het geldende bestemmingsplan is op 20 juli 2022 verleend. Waar nodig wordt wel de samenhang met het zonneproject beschouwd. Het windpark kan als zelfstandig project gerealiseerd worden, ook als onverhoopt het zonnepark niet gerealiseerd wordt.
Afwijking bestemmingsplan Voor de realisatie van de windturbines is in ieder geval een omgevingsvergunning noodzakelijk. Het windpark wordt planologisch ingepast door middel van een afwijking als bedoeld in artikel 2.12.1.a.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op basis van artikel 3.37 lid 2 interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (zie ook paragraaf 2.3.4). De voorliggende rapportage dient als ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ (de wetgever gebruikt deze term) in de omgevingsvergunning voor de afwijking van het vigerende bestemmingsplan.
1.2 Ligging plangebied Het beoogde plangebied3 van het windpark ligt ten noorden van de kern Oosterhout, ten oosten van de kern Made en ten zuiden en zuidwesten van de kernen Geertruidenberg en Raamsdonksveer. Het plangebied ligt ook ten oosten van het grootschalige bedrijventerrein Weststad-Statendam in Oosterhout. Het plangebied wordt globaal begrenst door de rijksweg A59 aan de noordzijde, de Statendamweg langs het Wilhelminakanaal aan de westzijde, het Kromgat aan de oostzijde en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Dongemond en Domeinweg aan de zuidzijde.
2
Het zonnepark is begin 2022 door Eneco Solar van Shell overgenomen. Daar waar in (onderliggende stukken) Shell wordt genoemd wordt nu Eneco Solar bedoeld. Het windpark wordt apart ontwikkeld door Eneco Wind. 3 De begrenzing van het plangebied wordt hier voor het gemak aangegeven als het gebied waarbinnen het Energiepark A59 (dus ook het zonnepark) wordt gerealiseerd en waarbinnen het windpark wordt gesitueerd. De exacte begrenzing van het plangebied voor het windpark wordt uiteindelijk bepaald door de situering van de windturbines met bijbehorende voorzieningen (door de inrichtingsgrenzen dus).
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 2
Figuur 1.1 Globale ligging plangebied windpark en energiepark [bron: Google maps]
1.3 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Bestemmingsplan buitengebied” van de gemeente Oosterhout (vastgesteld 28 augustus 2018). Figuur 1.2 Uitsnede geldend bestemmingsplan “Bestemmingsplan buitengebied”
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl Het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ (lichtgroen) met enkele watergangen in oostwest-richting met de bestemming ’Water’ (blauw). Het plangebied is daarnaast voorzien van een gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’ (oranje kartellijn) ter plaatse van globaal de
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 3
westelijke helft van het plangebied. Langs de A59 ligt een gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone weg’ (groene kartellijn). De zuidoostpunt van het plangebied heeft de gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – omgevingsvergunning historische verkaveling’ (rode kartellijn). Langs het Wilhelminakanaal ligt een dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’. Wegen in en aan de rand van het plangebied hebben de bestemming ‘Verkeer’ (grijs) en naastgelegen watergangen ook de bestemming ‘Water’. Door het plangebied van oost naar west loopt naar de RWZI een dubbelbestemming ‘Leiding-Riool’. De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ bestemde gronden zijn hoofzakelijk bestemd voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden en agrarisch gebruik, zowel bedrijfsmatig als hobbymatig. Daarnaast zijn de gronden ook bestemd voor met de bestemming samenhangende nevenactiviteiten en bij de bestemming behorende voorzieningen. De bestemming ‘Verkeer’ is bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf en bijbehorende voorzieningen, de bestemming ‘Water’ is bestemd water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen. De bestemmingen laten realisatie van een windpark niet toe.
De voor ‘Waterstaat – Waterkering’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, onder meer mede bestemd voor hoofdwaterkering en de daarbij behorende voorzieningen voor de kering van het water en aanleg, instandhouding en/of bescherming van de hoofdwaterkering. De voor ‘Leiding – Riool’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van ondergrondse leidingen voor afvalwater, ter plaatse van de aanduiding ‘hartlijn leiding – riool’ met de bijbehorende belemmeringenstrook. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone – industrie’ is het niet toegestaan nieuwe geluidsgevoelige objecten te bouwen en/of in gebruik te nemen. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg' is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone omgevingsvergunning historische verkaveling' is het beleid gericht op behoud en versterken van de historische en landschappelijke waarden van de karakteristieke historische verkavelingsstructuur. Het geldende bestemmingsplan, en met name de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschap’, laat de realisatie van een windpark met bijbehorende voorzieningen niet toe.
1.4 Juridisch kader Hieronder wordt ingegaan op de procedurele context voor dit plan en samenhang met de procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.).
Planvorm afwijkingsbesluit Omdat het planvoornemen niet past in het geldende bestemmingsplan is een planologische procedure benodigd om het plan mogelijk te maken. De initiatiefnemer is voornemens om voor het bouwplan een aanvraag in te dienen voor ‘afwijking van het bestemmingsplan in de omgevingsvergunning’ (omgevingsvergunning voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, artikel 2.1 lid 1 aanhef en onder c Wabo). Via deze procedure (ex artikel 2.12 lid 1 sub
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 4
a onder 3 Wabo) is het mogelijk om af te wijken van het geldende planologisch regime. Voorwaarde voor verlening van de vergunning is dat de activiteit niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening.
Relatie met de milieueffectrapportage De bouw van een nieuw windturbinepark (zie ook onder kopje ‘Samenhang met bestaande windturbines Weststad III’) is aangewezen in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) dat een AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) is bij de Wet milieubeheer (Wm) als categorie D22.2. Voor windparken met drie of meer, en minder dan tien, windturbines en met een gezamenlijk vermogen van minder dan 15 MW dient door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldingsnotitie) onderbouwd te worden of er al dan niet een formele m.e.r.-(beoordeling) doorlopen dient te worden voor de omgevingsvergunning en het ruimtelijk plan. Het bevoegd gezag dient hier vervolgens een besluit over te nemen. Voor dit project is er sprake van twee windturbines, en dus niet van een 'windpark' volgens het Besluit m.e.r. Het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling (nemen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit) is niet noodzakelijk. In het kader van de Elektriciteitswet 1998 is er overigens wel sprake van een 'windpark' omdat deze wet een andere begripsbepaling gebruikt.
Bevoegd gezag en coördinatieregeling Primair is de gemeenteraad op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevoegd gezag voor het vaststellen van een bestemmingsplan en burgemeester en wethouders voor het afwijken van het bestemmingsplan, hiervoor is wel een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad benodigd. Voor een windpark met een omvang tussen de 5 en 100 MW zijn Provinciale Staten op basis van artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 (Ew 1998) bevoegd gezag voor het vaststellen van een inpassingsplan en het verlenen van de omgevingsvergunning. Artikel 9e lid van de Elektriciteitswet bepaalt: “Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen.” Artikel 9f, Lid 6, sub a bepaalt vervolgens dat Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat het eerste niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, indien: “in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing
van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden”. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben hun bevoegdheid om te beslissen over de windturbines Oranjepolder neergelegd bij de gemeente Oosterhout per brief van 17 maart 2020, vanwege de ambitie om vaart te maken met de ontwikkeling van het windpark Energiepark A59. De gemeente Oosterhout is dus bevoegd gezag voor het afwijken van het bestemmingsplan en verlenen omgevingsvergunning. De gemeenteraad is daarmee ook bevoegd de gemeentelijke coördinatieregeling (GCR) van toepassing te verklaren op grond van artikel 3.30 Wro. De gemeenteraad van de gemeente Oosterhout heeft op 7 januari 2021 een wijziging van de ‘Coördinatieverordening ruimtelijke plannen’ vastgesteld. De verordening is van toepassing op “het coördineren van de voorbereiding en bekendmaking van een besluit om een bestemmingsplan, een uitwerkingsplan of een wijzigingsplan of een omgevingsvergunning waarin met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3°, van de Wabo wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan, vast te stellen
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 5
met het besluit over een of meer daarmee samenhangende omgevingsvergunningen, al dan niet met aan de omgevingsvergunning en/of aan het bestemmingsplan gerelateerde vergunningen, besluiten, afwijkingen en ontheffingen, ter verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid.” De gemeentelijke coördinatieregeling kan dus op basis van de Coördinatieverordening worden toegepast voor windpark Energiepark A59. Door het van toepassing zijn van de coördinatieregeling behoudt elk bestuursorgaan zijn eigen beslissingsbevoegdheid. Ontwerpbesluiten worden gezamenlijk ter inzage gelegd en beroep tegen alle besluiten worden direct ingediend bij de Raad van State (beroep in één instantie). Hiermee kan ook invulling gegeven worden aan de ambitie van de gemeente Oosterhout ‘om vaart te maken met de ontwikkeling van het windpark Energiepark A59’, op basis waarvan de provincie haar bevoegdheid te beslissen over het windpark bij de gemeente heeft gelegd.
Crisis- en herstelwet Hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) gaat het over het stroomlijnen en versnellen van procedures voor besluiten van ruimtelijke en infrastructurele projecten, zoals omgevingsvergunningen op basis van de Wabo. Het stroomlijnen van procedures houdt onder meer in dat er een versnelde afhandeling door de Raad van State geldt en het vereiste om direct inhoudelijke beroepsgronden in te dienen. Op basis van artikel 1.1. lid 1 Chw geldt de stroomlijning van procedures voor besluiten ter verwezenlijking van drie type projecten: •
projecten die vallen onder de categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd in Bijlage I;
•
projecten van Bijlage II;
•
projecten op basis van de bijzondere voorzieningen uit Hoofdstuk 2 Chw, te weten ontwikkelingsgebieden (afdeling 1, hoofdstuk 2 Chw) en "Lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis" (afdeling 7, hoofdstuk 2 Chw) (zie Bijzondere voorzieningen).
De realisatie van het windpark valt onder projecten, zoals bedoeld in Bijlage I van de Chw, onder 1.2: ‘aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998’ waardoor hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. Omdat er tijdsdruk zit achter de energietransitie het zeer wenselijk de procedure te stroomlijnen met gebruikmaking van de Chw. Dit betekent dat het van toepassing zijn van de Chw vermeld dient te worden in bekendmaking, publicatie en besluitvorming.
Geen één inrichting Wet milieubeheer (samenhang met windturbines Weststad III) Nabij de geplande windturbines staan zes bestaande windturbines op bedrijventerrein Weststad III aan de westzijde van het Wilhelminakanaal. Al hoewel Eneco ook eigenaar is van het windpark Weststad III, en er sprake is van een visuele samenhang in een cluster van windturbines (zie ook paragraaf 4.4), is er op inrichtingsniveau volgens de Wet milieubeheer geen sprake van één windpark (zie ook Kader 1.2). Windpark Energiepark A59 dient dan ook, onder andere in relatie tot de m.e.r.-regelgeving en de omgevingsvergunning, beschouwd te worden als nieuw te realiseren windpark en derhalve als een nieuwe aparte inrichting.
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 6
Kader 1.2 Géén technische, organisatorische en functionele samenhang met bestaand windpark
Om te beoordelen of er sprake is van één inrichting moet gekeken worden naar de technische-, organisatorische- en functionele samenhang tussen beide inrichtingen (het bestaande en het nieuwe windpark) op basis van de Wet milieubeheer: •
Er zijn geen gemeenschappelijke voorzieningen voor de twee inrichtingen. Beide sluiten separaat aan op het elektriciteitsnet, en daarnaast is er geen sprake van andere gezamenlijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld hadden kunnen zijn de elektriciteitsvoorzieningen, de opslag van afvalstoffen of riolering. Er wordt ook geen gebruik gemaakt van dezelfde toegangsweg. Er is daarom geen sprake van een technische binding tussen beide inrichtingen.
•
De bedrijfsvoering van beide windparken zal verschillend zijn gezien het verschil in leeftijd van het windpark, type windturbines en de daarbij bijhorende beheers-, onderhouds-, en administratieve organisatie. Er is derhalve geen sprake van een organisatorische binding tussen beide windparken.
•
Er is geen sprake van enige uitwisseling van goederen, diensten, personeel of bedrijfsmiddelen tussen beide inrichtingen. Er is derhalve geen sprake van een functionele binding tussen beide inrichtingen.
Er is geen sprake van een technische, organisatorische en functionele samenhang tussen windpark Energiepark A59 en het bestaande windpark Weststad III waardoor er sprake is van twee aparte 1.5 Leeswijzer inrichtingen. Dit hoofdstuk geeft de inleiding tot het project. In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader geschetst. In hoofdstuk 3 komt een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied en omgeving aan de orde, hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het voorlopige plan voor de windturbines. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten beschreven. Hoofdstuk 6 geeft ten slotte de conclusies weer over uitvoerbaarheid van dit plan en het vervolg.
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 7
2 Beleid 2.1 Mondiaal en Europees beleid 2.1.1 Mondiaal klimaatakkoord Klimaatverandering is een mondiale uitdaging en vereist dan ook een mondiale respons. Deze respons kwam in december 2015 toen op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21)4 195 landen, waaronder Nederland, instemden met een klimaatakkoord. Hieronder de belangrijkste punten uit het akkoord: •
de gemiddelde temperatuur op de aarde mag niet meer dan 2 graden Celsius stijgen. Landen streven er naar de temperatuurstijging zelfs te limiteren tot maximaal 1,5 graden Celsius;
•
de partijen zullen zo snel mogelijk hun best doen om de uitstoot van broeikasgassen en schadelijke stoffen te verminderen in combinatie met de beschikbare techniek van dat moment. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen landen;
•
er is extra inzet nodig om negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te pakken en de hoeveelheid broeikasgassen terug te brengen zonder dat dit de voedselproductie in gevaar brengt;
•
alle partijen moeten financieel bijdragen aan het verlagen van de hoeveelheid broeikasgassen en onderzoek doen naar klimaatbestendige ontwikkelingen;
•
voor de klimaatconferentie van 2025 moeten de partijen van de klimaatovereenkomst van Parijs zich samen ten doel stellen elk jaar minstens 100 miljard dollar (91 miljard euro) ter beschikking te stellen aan armere landen die economisch moeite hebben de klimaatdoelstellingen te halen. Het geld zou vanaf 2020 beschikbaar moeten zijn;
•
het verdrag is bindend en de landen verplichten zich het na te leven.
Zes jaar na het Akkoord van Parijs is tijdens de zesentwintigste klimaatconferentie van Glasgow (COP26) de balans opgemaakt en zijn nieuwe afspraken vastgelegd. Hieronder de belangrijkste punten: •
In lijn met de temperatuurdoelstelling van Parijs (beneden +2 graden en indien mogelijk +1,5 graden) moeten de deelnemende landen uiterlijk eind 2022 met aangescherpte klimaatdoelen voor 2030 komen;
•
Er wordt een oproep gedaan om de inspanningen op te voeren in het geleidelijk verminderen van het steenkool gebruik en een einde te maken aan subsidies voor fossiele brandstoffen;
•
Er gaat meet geld naar de ontwikkelingslanden om klimaatverandering tegen te gaan, vanuit de EU alleen al €100 miljoen;
•
Er wordt afgesproken de ontbossing tegen 2030 te stoppen en om te keren;
•
Er wordt afgesproken methaanuitstoot te verminderen;
•
Er zijn regels afgesproken die voortvloeien uit het Akkoord van Parijs, waaronder het opzetten van een mondiaal handelssysteem voor CO2-emissierechten.
In november 2022 heeft de zevenentwintigste klimaatconferentie van Sharm-el-Sheikh (COP27) plaatsgevonden. Het belangrijkste resultaat is dat de landen zijn het eens geworden over de oprichting van een wereldwijd fonds voor landen die kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering. De in 2015 4
De klimaatconferentie van Parijs 2015 (officieel: 2015 United Nations Climate Change Conference), die van 30 november tot 12 december 2015 plaatsvond in Parijs leidde tot het afsluiten van het "Akkoord van Parijs", dat op 22 april 2016 in New York is ondertekend. Het klimaatverdrag is 4 november 2016 in werking getreden.
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 8
in Parijs vastgestelde doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graad is overeind gebleven, maar nadere afspraken om hem binnen bereik te brengen zijn niet gemaakt.
2.1.2 Europese klimaatwet Ook op Europees niveau zijn doelstellingen geformuleerd en vastgelegd om klimaatverandering tegen te gaan. Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (EU) hebben op 28 juni 2021 de Europese Klimaatwet vastgesteld. Met de vaststelling is de doelstelling om in 2030 40% minder CO2 uit te stoten dan in 1990 verhoogd naar 55%. Ook is vastgelegd dat de EU in 2050 klimaatneutraal moet zijn. Voor de productie en bevordering van duurzame energie uit hernieuwbare bronnen is algemeen beleid vastgelegd in de richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG). Het vereist dat de EU tegen 2030 ten minste 32% van haar totale energiebehoeften met hernieuwbare energie vervult en bouwt voort op de reeds geboekte vooruitgang, waaronder de verwezenlijking van de EU-doelstelling van 20% hernieuwbare energie in 2020. Het tussendoel voor 2020 lijkt te zijn behaald met een aandeel van 21,3%.
2.2 Rijksbeleid Het rijksbeleid voor duurzame energie, en specifiek voor wind, heeft zich in eerste instantie altijd gericht op doelen in 2020. Nu 2020 bereikt is, overigens zonder het halen van bijbehorend doel, komt vooral het doel voor 2030 in beeld. In deze paragraaf worden zowel de doelstellingen voor 2020, als die voor 2030 en daarna behandeld zoals deze chronologisch in tijd zijn gesteld. Want alhoewel 2020 al bereikt is zijn de doelen voor 2020 en onderliggende beleidsstukken nog steeds van belang voor de horizon waar nu op gericht wordt.
2.2.1 Energieakkoord voor duurzame groei (2013) De energiesector in Nederland is verantwoordelijk voor meer dan twintig procent van de uitstoot van broeikasgassen. De uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de energiebehoefte kan worden beperkt door energiebesparing en door grootschalige inzet van duurzame energiebronnen. Een dergelijke omschakeling in de Nederlandse energievoorziening betekent een forse inspanning. Deze ambities sluiten aan bij in Europees verband geformuleerde doelstellingen waaraan de lidstaten zich gecommitteerd hebben. In 2013 hebben ruim veertig organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging, natuur- en milieuorganisaties, andere maatschappelijke organisaties en financiële instellingen zich verbonden aan het Energieakkoord voor duurzame groei (hierna: Energieakkoord, 2013)5. Met het Energieakkoord komt een duurzame energievoorziening een stap dichterbij. In het Energieakkoord is vastgelegd dat in 2020 14% van alle energie duurzaam moet zijn opgewekt met een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023. Het doel van het akkoord is bovendien dat het nieuwe banen oplevert en een positief effect heeft op de energierekening van consumenten. In het akkoord zijn tien pijlers opgenomen die moeten leiden tot een duurzame energieopwekking. Het opschalen van hernieuwbare energieopwekking vormt één van deze pijlers.
Dit vraagt een intensieve inzet op verschillende bronnen van hernieuwbare opwekking, zoals wind op land. Bij wind op land wordt binnen de kaders die met provincies zijn afgesproken, geïnvesteerd om te
5
"Energieakkoord voor duurzame groei", Sociaal-Economische Raad (SER), september 2013. Geraadpleegd van: http://www.energieakkoordser.nl/energieakkoord.aspx
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 9
komen tot 6.000 MW operationeel windenergievermogen in 2020. Voor de periode na 2020 wordt op termijn gezocht naar aanvullend potentieel voor wind op land. Windpark Energiepark A59 draagt bij aan realisatie van het energieakkoord voor duurzame groei.
2.2.2 Energierapport 2016 Het Energierapport 2016 (2016)6 geeft aan dat Nederland voor de uitdaging staat om de uitstoot van broeikasgassen drastisch terug te brengen, waarbij in de 2e helft van de 21e eeuw, zoals afgesproken in het klimaatakkoord van Parijs (2015) er mondiaal een balans moet zijn tussen de uitstoot en vastlegging van broeikasgassen (ofwel klimaatneutraliteit). Het kabinet houdt dus onverkort vast aan de Europese afspraken voor 2020, 2030 en 2050 en aan de afspraken uit het Energieakkoord die samen met milieuorganisaties, bedrijfsleven en overheden zijn gemaakt. Het Energierapport geeft daarom een integrale visie op de toekomstige energievoorziening van Nederland. Het kabinet stelt, voor de transitie naar duurzame energie, drie uitgangspunten centraal: •
sturen op CO2-reductie;
•
verzilveren van de economische kansen die de energietransitie biedt;
•
integreren van energie in het ruimtelijk beleid.
De Nederlandse energiehuishouding moet duurzamer en minder afhankelijk worden van eindige fossiele brandstoffen. Het kabinet wil onder meer de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 80-95% terugdringen op Europees niveau. Op dit moment zijn we voor onze energievoorziening nog voor bijna 95% afhankelijk van fossiele brandstoffen. De energietransitie biedt bovendien kansen voor behoud en ontwikkeling van het Nederlandse verdienvermogen. Ten slotte heeft de energietransitie alleen kans van slagen als vroegtijdig en zorgvuldig het gesprek wordt aangegaan met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties over de ruimtelijke inpassing van productie, opslag en transport van energie. Zoveel als mogelijk moet gezamenlijk de afweging plaatsvinden tussen de bijdrage van een initiatief aan de energievoorziening en de overlast of risico's die dit voor omwonenden met zich meebrengt. Dit wordt de ‘energiedialoog’ genoemd. Voor Windpark Energiepark A59 is deze energiedialoog gevoerd door het houden van de omgevingsdialoog (zie ook paragraaf 6.2).
2.2.3 Nationaal Klimaatakkoord (2019) Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord, onder regie van het kabinet, maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO 2uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Verschillende sectoren denken mee over concrete plannen. De vijf sectortafels zijn: gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en elektriciteit. Op 10 juli 2018 is het 'voorstellen voor hoofdlijnen' document gepresenteerd. In december 2018 is het ontwerp van het Klimaatakkoord gepresenteerd. De eerste maanden van 2019 rekende het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de afspraken door. De doorrekeningen van het ontwerp-Klimaatakkoord door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) toonden aan dat de
6
"Energierapport 2016 - Transitie naar duurzaam", Ministerie van Economische Zaken, januari 2016. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/01/18/energierapport-transitie-naar-duurzaam
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 10
reductieopgave van 49% gehaald kan worden. Op 28 juni 2019 is het definitieve Klimaatakkoord door het Kabinet gepresenteerd aan de Tweede Kamer. Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken. Aan de sectortafel 'elektriciteit' zijn afspraken geformuleerd die ertoe moeten leiden dat in 2030 meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen komt. Een belangrijk doel is derhalve het vergroten van de productie van hernieuwbare energie. De omschakeling heeft impact op onze leefomgeving. Gemeenten en provincies hebben hierin met de aanpak van de Regionale Energie Strategieën (RES) een belangrijke rol. Daarbij steunt het kabinet de mogelijkheid voor bewoners om te kunnen participeren in lokale energieprojecten. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land.
In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd. Tevens wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar gebracht te worden. Ten slotte is gesteld dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied. Windpark Energiepark A59 draagt bij aan de toename van de productie van duurzame energie in een functiecombinatie van blijvend agrarisch grondegebruik en duurzame elektriciteitsopwekking.
2.2.4 Klimaat en Energieverkenning (2019) De eerste Klimaat en Energieverkenning7 heeft twee boodschappen. De eerste boodschap is dat er nog veel moet gebeuren om het kabinetsdoel van 49 procent reductie van broeikasgasemissies in 2030 te halen. In 2018 had Nederland een reductie van iets minder dan 15 procent ten opzichte van 1990. In ruim 10 jaar moet er dus nog meer dan twee keer zoveel worden bereikt als in de afgelopen kleine 30 jaar. De tweede hoofdboodschap is dat het daadwerkelijk uitvoeren van beleid in de praktijk moeilijk is; de 2020doelen voor broeikasgasreductie, besparing en hernieuwbare energie worden daardoor naar verwachting niet of waarschijnlijk niet gehaald. Hernieuwbare energie Het energieverbruik uit hernieuwbare bronnen in Nederland is gestegen van 140 petajoule in 2017 naar 157 petajoule in 2018. De relatieve stijging van 12,5 procent in één jaar zal volgens de raming na 2018 versnellen. In 2020 ligt het verbruik naar verwachting op 239 petajoule en in 2023 op 331 petajoule. Dat correspondeert met een gemiddelde relatieve stijging van 16 procent per jaar voor de jaren 2019 tot en met 2023. In 2020 zal het aandeel naar verwachting zijn gestegen naar 11,4 procent (tussen 10,4 procent - 12,1 procent), waarmee het Europese doel van 14 procent niet gehaald wordt. Het doel uit het
7
Dit rapport is tot stand gekomen door samenwerking tussen het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), ECN part of TNO, het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 11
Energieakkoord van 16 procent in 2023 wordt net gehaald. De projectie ligt in deze verkenning op 16,1 procent (14,4 procent -17,0 procent)8. Windpark Energiepark A59 draagt bij aan (een versnelling van) de groei van het aandeel hernieuwbare energie.
2.2.5 Klimaatwet (2019) In de Klimaatwet zijn de Nederlandse klimaatdoelstellingen wettelijk vastgelegd. De Klimaatwet is op 1 september 2019 in werking getreden. In de Klimaatwet staan drie doelen: •
een vermindering van 49% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2030;
•
een vermindering van 95% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2050;
•
100% broeikasgas-neutrale elektriciteit in 2050.
• Elke vijf jaar komt er een klimaatplan waarin het klimaatbeleid wordt vastgesteld. Dit klimaatplan past in de systematiek van de Integrale Nationale Energie-en Klimaatplannen die voor de EU moeten worden opgesteld en het klimaatakkoord van Parijs. Het eerste klimaatplan (Klimaatplan 2021-2030) is in april 2020 gepubliceerd9. Artikel 7 van de Klimaatwet schrijft voor dat jaarlijks op de vierde donderdag van oktober de Minister van Economische Zaken en Klimaat een klimaatnota aan de beide kamers der Staten-Generaal stuurt. De klimaatnota reflecteert op de voortgang van het klimaatbeleid ten opzichte van het klimaatplan. De eerste Klimaatnota is in oktober 2020 uitgebracht10.
2.2.6 Regionale energiestrategieën (2020/2021) De nationale doelen en afspraken vragen om regionaal maatwerk. Hoe passen hernieuwbare opwek, opslag en de infrastructuur voor warmte en elektriciteit in de leefomgeving van mensen en dieren? Zowel boven als onder de grond? Ruimte is schaars. De doelen zijn alleen te halen door samen te werken. Afspraken over bijvoorbeeld grote zonprojecten in de ene gemeente, hebben invloed op een buurgemeente. Ook op regionaal niveau hebben overheden, inwoners, bedrijfsleven, netbeheerders en maatschappelijke organisaties elkaars vakkennis, kunde of wettelijke bevoegdheden nodig. Daarom spraken de overheden in het Interbestuurlijke Programma (februari 2018) af een meerjarige programmatische nationale aanpak uit te werken met landsdekkende regionale energiestrategieën. Daarvoor is Nederland verdeeld in 30 ‘energieregio’s’. De gemeente Oosterhout valt in de energieregio West-Brabant. Afgesproken is dat deze strategieën uiteindelijk ruimtelijk geborgd worden via het omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk en via het beleid van de waterschappen. Elke energieregio geeft invulling aan de afspraken uit het Klimaatakkoord die zijn gemaakt aan de sectortafels voor Elektriciteit en Gebouwde omgeving. Samen met maatschappelijke partners,
8
Klimaat- en Energieverkenning 2019 geraadpleegd van: https://www.pbl.nl/publicaties/klimaat-en-energieverkenning2019 9 “Klimaatplan 2021-2010”, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, april 2020. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2020/04/24/klimaatplan-2021-2030 10 “Klimaatnota 2020”, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, oktober 2020. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2020/10/30/klimaatnota-2020
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 12
bedrijfsleven, overheden en inwoners wordt gekomen tot een regionaal gedragen RES. Deze geeft inzicht in: •
mogelijkheden voor regionale opwek en besparing
•
die mogelijkheden vertaald naar keuzes in concrete plekken, projecten en planning
•
de afstemming omtrent warmtebronnen
•
de gevolgen voor de energie-infrastructuur
•
al gerealiseerde projecten en plannen.
De RES is daarmee een instrument om de ruimtelijke inpassing van de energietransitie met maatschappelijke betrokkenheid te organiseren. De RES is ook een manier om langjarige samenwerking tussen alle regionale partijen te organiseren, onder andere bij de voorbereiding en de realisatie van projecten. Deze samenwerking tussen provincie, waterschappen, gemeenten, de netbeheerders, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven, kan gezamenlijk gedragen keuzes bevorderen. Maar ook helpen bij het formuleren en vaststellen van omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk, waarvoor de RES een bouwsteen is. In dat omgevingsbeleid vindt integrale besluitvorming over de fysieke leefomgeving plaats, op grond waarvan vergunningen kunnen worden verleend. Daarmee krijgen bedrijven en burgers meer zekerheid voor het doen van investeringen. Tenslotte is de RES een product. Het is een document waarin elke regio beschrijft welke energiedoelstellingen zij zal halen en op welke termijn. En welke aanpak/strategie de regio hanteert om deze energiedoelstellingen te bepalen en te halen. Definitieve vaststelling van de RES 1.0 door individuele gemeenteraden heeft voor rond de zomer van 2021 plaatsgevonden Elke twee jaar wordt de RES aangepast aan de meest recente ontwikkelingen en de ambities herijkt.
2.2.7 Windenergie ten opzichte van andere duurzame energiebronnen Volgens het rijksbeleid11 zijn de belangrijkste vormen van hernieuwbare energie in Nederland: windenergie, zonne-energie, bio-energie en aardwarmte. Een kleinere rol spelen waterkracht, omgevingswarmte (warmtepompen in woningen) en energie uit potentieel verschil zoet-zout (osmoseenergie of ‘blue energy’). Hoewel grijze energie uit fossiele energiebronnen in de komende decennia nodig blijft, zal hernieuwbare energie een steeds groter onderdeel gaan uitmaken van de energiemix. Drie duurzame energiebronnen leveren daarbij de belangrijkste bijdrage voor Nederland: bio-energie, wind op land en wind op zee. Grote windparken dragen significant bij aan het behalen van de doelstellingen. Geconcludeerd kan worden dat windenergie op land een belangrijk aandeel heeft in het behalen van de Europese taakstelling op het gebied van duurzame energie en CO2-reductie, maar dat deze taakstelling niet gehaald kan worden met windenergie alleen. Er is een energiemix nodig waarbij duurzame energie, en windenergie in het bijzonder, een steeds belangrijker aandeel krijgt. De realisatie van windenergie is interessant vanuit het oogpunt: •
van ruimtebeslag per vierkante meter: relatief weinig ruimtegebruik per geproduceerde eenheid energie;
11
zie onder andere: "Energieakkoord voor duurzame groei", Sociaal-Economische Raad (SER), september 2013, "Energierapport 2016 - Transitie naar duurzaam", Ministerie van Economische Zaken, januari 2016 en "Energieagenda Naar een CO2-arme energievoorziening", Ministerie van Economische Zaken, december 2016
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 13
•
van het multifunctionele gebruik van de ruimte: het gebied kan bijvoorbeeld tevens gebruikt (blijven) worden als landbouw en/of industriegebied. De combinatie van wind met andere duurzame bronnen zoals zon is ook een multifunctioneel ruimtegebruik;
•
vanuit het oogpunt van kostprijs.1213
Windenergie op land heeft een belangrijk aandeel in het behalen van de Europese taakstelling op het gebied van duurzame energie, naast bijvoorbeeld ook zonne-energie. Windpark Energiepark A59 draagt ook bij aan de Europese taakstelling.
2.2.8 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op nationaal niveau is nieuw omgevingsbeleid geformuleerd in de vorm van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI is als een structuurvisie onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland op basis van de nieuwe Omgevingswet die er aan komt. Het gaat daarbij om het uitzetten van een koers om opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, in goede banen te leiden. Het streven is daarbij de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken.
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn ‘nationale belangen’. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De Nationale omgevingsvisie (NOVI) richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De NOVI noemt duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit als een van de belangrijkste keuzes. Gesteld wordt dat er meer windturbines en meer zonnepanelen nodig zijn. Voor windturbines op land stelt de NOVI “De molens op land clusteren we zoveel mogelijk en passen we zo goed mogelijk in het landschap in. Bijvoorbeeld langs snelwegen. Hierbij zorgen we dat bewoners goed betrokken zijn en waar het kan meeprofiteren in de opbrengsten”.
Bron: Lensink, S. (2020), “Eindadvies Basisbedragen SDE++ 2020”, Den Haag: PBL. Wind op land kost volgens het PBL circa 4,5 tot 6,3 ct./kWh, terwijl bijvoorbeeld PV zonne-energie 6,9 ct./kWh kost. Deze 'kosten' zijn gebaseerd op het advies voor de basisbedragen en geven een indicatie van de benodigde financiën per energie opwekmethode. 13 In opdracht van het ministerie van Economische Zaken hebben CE Delft en ECN onderzoek gedaan naar de kosten en maatschappelijke effecten van zon-PV en windenergie op land. Het onderzoek wijst uit dat windenergie op land niet alleen goedkoper is van nu tot 2023, maar ook naar verwachting tot 2030. Bron: Geert Warringa et al, MKEA zon-PV en wind op land – vergelijking kosten en maatschappelijke effecten, publicatienummer: 16.7J46.125, Delft, december 2016 12
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 14
Hernieuwbare energie op land In het Klimaatakkoord is afgesproken dat decentrale overheden via Regionale Energie Strategieën (RES’en) aan de lat staan om samen met partijen gebieden voor grootschalige elektriciteitsopwekking aan te wijzen. De RES’en dienen voor 35 TWh hernieuwbare elektriciteitsopwekking op land te voorzien in 2030. In de Regionale Energie Strategieën (RES’en) zullen de volgende vier ruimtelijke principes in de regionale afweging worden meegenomen (Klimaatakkoord): Streef naar zuinig en (zoveel mogelijk) meervoudig ruimtegebruik; Breng vraag naar en aanbod van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit zoveel mogelijk dicht bij elkaar; Combineer opgaven en ga als dat nodig is over tot uitruilen en herbestemmen; Sluit zo goed mogelijk aan bij gebiedspecifieke ruimtelijke kwaliteit. Bij de keuze voor de locatie voor duurzame opwekking worden tevens de beschikbaarheid, bouwtijd en kosten van netcapaciteit meegewogen (Klimaatakkoord). De Structuurvisie Wind op Land (SWOL) uit 2014 had de doelstelling om zodanige voorwaarden te scheppen dat in 2020 een opwekkingsvermogen van ten minste 6000 megawatt (MW) aan windturbines operationeel is. Met provincies zijn er prestatieafspraken gemaakt over het behalen van de doelstelling van 6000 MW wind op land in 2020. Daarvoor zijn grootschalige windparken en ook kleinere windparken nodig.
In zoverre de doelstelling niet tijdig wordt gerealiseerd, zal het restant van de opgave verdubbeld worden en meelopen in de Regionale Energie Strategieën (RES’en). Deze verdubbeling zal dan gerealiseerd worden in de periode 2021-2023. De verdubbeling boven de 6000 MW kan bestaan uit de opwekking van windenergie op land, maar mag ook deels met andere vormen van hernieuwbare energie gerealiseerd worden, mits deze additioneel zijn aan het beeld van de Nationale Energieverkenning. Het Programma Energiehoofdstructuur zal de SWOL uiteindelijk opvolgen. De definitieve NOVI met uitvoeringsagenda is op 11 september 2020 vastgesteld door de Ministerraad en naar de Tweede Kamer gestuurd. Uitvoeringsagenda Samen met de NOVI is een Uitvoeringsagenda uitgebracht. Daarin staat hoe uitwerking wordt gegeven aan de NOVI, welke inzet Rijk en regio nu al plegen en welke (gezamenlijke) acties de NOVI daaraan toevoegt. Naast de instrumenten van de Omgevingswet wordt daarbij ook een aantal nieuwe instrumenten ingezet. Ook starten er een aantal nieuwe (nationale) programma’s. Voorbeelden hiervan zijn het Programma Energiehoofdstructuur (PES), Programma Gezonde Leefomgeving en Nationaal Programma Landelijk Gebied. Ook staat beschreven hoe instrumenten zoals de Omgevingsagenda’s, NOVI-gebieden en regionale verstedelijkingsstrategieën zorgen voor een doorvertaling van de NOVI naar een regionale aanpak.
NOVI-gebied Er zijn gebieden waar grote en urgente ruimtelijk-fysieke opgaven uit de NOVI samenkomen en waarvoor een meerjarige en vernieuwende aanpak nodig is. Het Rijk zet voor deze gebieden extra capaciteit en middelen in om samen met andere overheden te komen tot een integrale aanpak. De voorlopige NOVIgebieden zijn: Havengebieden van Rotterdam en Amsterdam, Landelijke gebieden De Peel en het Groene Hart, Regio’s Groningen en Zwolle en grensoverschrijdende gebieden Zuid-Limburg, de Zeeuwse havens en de Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone.
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 15
2.2.9 Structuurvisie Windenergie op Land De Structuurvisie Wind op Land (SWOL, maart 2014)14 is een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met vaststelling van het NOVI is komen te vervallen. Voor het nationaal belang in het NOVI is onder meer het SWOL relevant. De doelstelling van de SWOL is zodanig ruimtelijke voorwaarden te scheppen dat begin 2020 een opwekkingsvermogen van ten minste 6.000 MW aan windturbines op land operationeel is. Daarvoor worden drie soorten beleid gepresenteerd: •
Visie: bundeling in gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windenergie (windparken met een vermogen groter dan 100 MW) en daarmee andere gebieden vrijhouden van grootschalige windenergie. Bij het ruimtelijk ontwerp van windturbineprojecten aansluiten bij de hoofdkenmerken van het landschap.
•
Aanwijzen van concrete gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windturbineparken. Het kabinet zal initiatieven voor windturbineparken met een omvang van ten minste 100 MW toetsen aan deze gebieden.
•
Taakverdeling tussen Rijk en provincies bij het ruimtelijk mogelijk maken van windenergie, en de prestatieafspraken die daarover met het IPO zijn gemaakt. Verder wordt ingegaan op beleidsonderwerpen die van groot belang zijn voor het slagen van de doelen voor windenergie, zoals de stimuleringsregeling SDE+ en het landelijke elektriciteitsnet.
Het kabinet heeft in de SWOL elf gebieden aangewezen waar grootschalige windturbineparken op land mogen komen. Om de doelstelling van 6.000 MW te halen is het noodzakelijk dat ook buiten deze gebieden ruimte wordt geboden voor kleinere windturbineparken. Provincies kunnen daarvoor locaties aanwijzen of hebben dit reeds gedaan. De kleinere windturbineparken, waaronder Windpark Energiepark A59, moeten samen zorg dragen voor nog eens de helft van de doelstelling aan opgesteld vermogen windenergie op land.
Programma Energiehoofdstructuur Het Programma Energiehoofdstructuur zal de SWOL uiteindelijk opvolgen. Het Programma Energiehoofdstructuur is de juridisch-beleidsmatige opvolger van onder meer de structuurvisies Wind op Land. De term ‘programma’ komt voort uit de Omgevingswet. De ambitie van het Programma Energiehoofdstructuur is tijdig te zorgen voor voldoende ruimte voor de nationale energiehoofdstructuur, op basis van een integrale afweging met andere opgaven en belangen, binnen een (inter)nationale context en waarbij een goede leefomgevingskwaliteit randvoorwaarde is. Het programma heeft betrekking op ruimtelijk beleid op land en de grote wateren en hanteert als tijdshorizon 2030–2050. Het gaat dus over het gehele Nederlandse grondoppervlak, uitgezonderd de Noordzee. Het programma is nog in ontwikkeling.
2.2.10 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)15 voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.
14
"Structuurvisie Windenergie op land" (SWOL), Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 28 maart 2014. Besluit van 22 augustus 2011, houdende algemene regels ter bescherming van nationale ruimtelijke belangen (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) 15
Ruimtelijke onderbouwingWindpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente OosterhoutRuimtelijke onderbouwing 719109 719109| Windpark Energiepark A59 (Oranjepolder), gemeente Oosterhout | Definitief v3.0 | 7-12-2022 Pagina 16
Bij de vaststelling van een ruimtelijke plan voor de ontwikkeling van een windpark dient rekening gehouden te worden met de regels die het Barro stelt in Titel 2.6 Defensie ten aanzien van militaire radarstations, en over beperkingen rondom een radarstation en de beoordeling van gevolgen van bouwwerken, als ook beperkingen in verband met militaire laagvliegroutes jacht- en transportvliegtuigen. In paragraaf 5.8.1 wordt daar op ingegaan. Specifiek voor het project zijn er, behalve defensieradar, geen andere nationale belangen waar mee rekening te houden dient te worden.
2.3 Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant heeft als doelstelling om in 2020 ten minste 470,5 MW aan windvermogen te hebben opgesteld. Deze taakstelling is vooral opgenomen in de Energieagenda Noord-Brabant en de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Hierin zijn de kaders voor windenergie helder vastgesteld. De Omgevingsvisie Brabant is vastgesteld om voorbereid te zijn op de komst van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen staan nog steeds onder andere in de Structuurvisie ruimtelijke ordening.