ON01 210603 12419019 toelichting en regels
Tekst van het document
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
43
worden. Doordat de vrijgekomen stallen zijn gesloopt wordt leegstand voorkomen. De invulling met ruimte-voor-ruimtewoningen wordt als passend gezien.
Identiteit & ruimtelijke kwaliteit De omgevingsvisie zet in op het behoud en de versterking van waardevolle (beschermde) natuur en cultuurhistorisch bijzondere elementen. Zo is het plangebied onderdeel van Landschapspark De Open Linie: een robuuste groen-buffer tussen Breda en Oosterhout met voldoende ruimte voor landbouw en recreatie. In dit gebied zijn alleen ontwikkelingen afweegbaar die voorzien in een verbetering en versterking van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten. Het plan omvat het beëindigen van een varkenshouderij, dat inmiddels heeft geleid tot het slopen van een flinke oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen, maar ook geurbelasting en stikstofemissie wegneemt. Dit komt ten goede aan het landschap en de nabijgelegen natuur.
Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig De gemeente Oosterhout is voornemens een programma Klimaatadaptatie op te stellen, waarin de strategie is opgenomen om te komen tot een klimaatadaptief gebied. Daarnaast werkt de gemeente aan de Transitievisie Warmte, met daarin de werkwijze om te komen tot het gebruik van duurzame energiebronnen. In paragraaf 3.3 van deze toelichting is aangegeven op welke wijze onderhavig plan bijdraagt aan deze thema's.
Bereikbaarheid, mobiliteit en toegankelijkheid Voor Dorst en het omliggende buitengebied liggen de opgaven met name op het stimuleren van het fietsgebruik en het verbeteren van de verkeersveiligheid. Onderhavig plan draagt gezien zijn aard en omvang op zichzelf niet bij aan de genoemde opgaven, maar vormen ook geen belemmering voor de uitvoering daarvan.
Conclusie Het plan past binnen het beleid van de Ontwerp Omgevingsvisie Oosterhout.
44
HOOFDSTUK 5 UITVOERINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde: 1. milieu; 2. waarden; 3. waterhuishouding.
5.1
Milieu
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.
5.1.1
Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
5.1.1.2 Analyse Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 Om de bodemkwaliteit te bepalen heeft Tritium Advies een bodemonderzoek uitgevoerd: "Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Steenovensebaan 28 te Dorst" (16 november 2020, 2006/132/KB-01, versie 0). Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd. Het bodemonderzoek is uitgevoerd nadat de voormalige agrarische opstallen waren gesloopt. Op basis van het historische gebruik is het onderzoeksgebied - dat overeenkomt met het plangebied van voorliggend bestemmingsplan met uitzondering van het perceel Steenovensebaan 26A - in deellocaties opgedeeld, met elk een eigen onderzoekshypothese: A. voormalige varkenshouderij (hypothese: verdacht); B. agrarisch woonerf Steenovensebaan 28 (hypothese: verdacht);
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
45
C. geasfalteerde toegangsweg (hypothese: verdacht); D. voormalige openbare weg deels gelegen ter plaatse van het huidige perceel Steenovensebaan 28 (hypothese: verdacht); E. overig terrein (hypothese: onverdacht). Tritium concludeert dat er geen vervolgonderzoek nodig is en dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik voor de functie wonen. Ook het aspect PFAS levert geen beperkingen op aan het gebruik van de bodem. Asbestonderzoek In voornoemd rapport Tritium heeft ook onderzoek verricht naar de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem binnen de deellocaties A, B en C. Bovendien heeft beoordeling plaatsgevonden van mogelijke asbest in de geasfalteerde toegangsweg. Uit het onderzoek volgt dat er geen asbest is aangetroffen binnen de deellocaties A en C. Ter plaatse van deellocatie B is nader onderzoek nodig. Ook in de geasfalteerde toegangsweg is geen asbest aangetroffen. In aanvulling op het vermelde asbestonderzoek heeft Tritium een nader asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van locatie B: "Nader asbestonderzoek Steenovensebaan 28 te Dorst" (12 november 2020, 2010/100/KB-01, versie 0). Het onderzoeksrapport is als bijlage 4 bijgevoegd. Tritium concludeert dat de onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen opleveren ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie.
5.1.1.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.2
Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
46
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
5.1.2.2 Analyse Gebiedstypering De genoemde VNG-handreiking onderscheidt twee gebiedstypen: 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Ter plaatse is sprake van rustig buitengebied, omdat afgezonderd van buitengebied gebonden functies (zoals wonen en agrarische bedrijfsvoering) vrijwel geen andere functies (zoals niet-agrarische bedrijvigheid) voorkomen en er weinig verstoring is als gevolg van verkeer. De in de handreiking opgenomen richtafstanden zijn daardoor rechtstreeks bruikbaar. Invloed plan op de omgeving Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving. Invloed omliggende inrichtingen op plan Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde nieuwe milieugevoelige object binnen het plangebied.
bedrijf Steenovensebaan 26:
SBI-code
categorie
richt- werkelijke afstand
afstand
016.2
2
30 m
70 m
011.2/012.2
2
30 m
16 m
2
30 m
±135 m
3.1
50 m
±135 m
loonbedrijf <500 m² (aan huis verbonden) Steenovensebaan 28A: kwekerij (kas zonder verwarming) Steenovensebaan 37-37A:
/013.2 011.2/012.2
kwekerij (kas zonder verwarming)
/013.2
Steenovensebaan 39-41:
0143.1
paardenpension De nieuwe milieugevoelige objecten van het plan liggen buiten de richtafstanden van de omliggende inrichtingen, behoudens die van de kwekerij op adres Steenovensebaan 28A. Een nadere beoordeling van de kwekerij is daarom nodig.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
47
Ter plaatse van Steenovensebaan 28A is een agrarisch bouwvlak met een oppervlakte van circa 7.500 m² opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Binnen dit bouwvlak was voorheen een kleine kwekerij gevestigd. Binnen het bouwvlak staan een bedrijfswoning en circa 1.250 m² vervallen kassen zonder verwarming. De overige delen van het bouwvlak zijn in gebruik als weide/grasland. De agrarische activiteiten op dit perceel zijn geheel verdwenen. Op dit moment is er geen milieu-uitstraling op de omgeving. Het geldende bestemmingsplan staat de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf toe, maar er zijn geen concrete plannen bekend die duiden op het starten van nieuwe agrarische activiteiten op korte termijn, waarvoor de nieuwe woningen een belemmering zouden kunnen vormen. Hoewel er op dit moment geen milieu-uitstraling op de omgeving is en er geen concrete plannen zijn, is het in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan noodzakelijk inzicht te geven in de mogelijkheden die het agrarisch bouwvlak biedt en welke milieutechnische uitstraling die mogelijkheden hebben. Gebruiksmogelijkheden op basis van geldend bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan sluit de vestiging van intensieve veehouderij en glastuinbouw uit. Er wordt daarom niet verder ingegaan op de beoordeling van die categorieën van bedrijven.
De nieuwvestiging van een grondgebonden veehouderij is toegestaan. Gezien de beperkte omvang van het bouwvlak (7.500 m²) en het ontbreken van een huiskavel voor de beweiding van dieren, wordt de vestiging van een moderne, volwaardige veehouderij echter niet reëel geacht. Indien sprake zou zijn van een grondgebouwen veehouderij, moet rekening gehouden worden met een geurafstand van 50 meter op basis van artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De geurafstand wordt in beginsel gemeten vanaf de stal c.q. het geuremissiepunt van de stal. Omdat de stal in theorie op iedere plek in het bouwvlak kan worden gebouwd, wordt de geurafstand daarom vanuit het bouwvlak gemeten.
Een andere vorm van het houden van dieren is een paardenhouderij. Van een paardenhouderij is al sprake van in het geval vijf of meer paarden worden gehouden. Het houden van minder paarden wordt als hobbymatig gezien en vraagt niet om een nadere beoordeling. Voor het houden van paarden gelden dezelfde geurafstand en meetwijze als van een grondgebonden veehouderij.
48
De nieuwvestiging van een vollegronds tuinbouwbedrijf is eveneens voorstelbaar. De richtafstand van 30 meter wordt dan gemeten vanaf het bedrijfsgebouw, volgend uit de genoemde VNG-handreiking. De genoemde 30 meter volgt uit het aspect geluid. Voor de aspecten geur, gevaar en stof betreft de afstand 10 meter. Het bedrijfsgebouw kan wederom in principe ter plaatse van het gehele bouwvlak gerealiseerd worden, hoewel het reëel is om aan te nemen dat een bedrijfsgebouw aan de zijde van de Steenovensebaan (nabij de bedrijfswoning) wordt gerealiseerd en niet achterop het perceel (in de buurt van de nieuwe woningen).
Geconcludeerd kan worden dat het agrarisch bouwvlak Steenovensebaan 28A niet tot een belemmering zal leiden voor het plan.
5.1.2.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.3
Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit. De bedrijfswoning en plattelandswoning binnen het plangebied betreffen bestaande kwetsbare objecten, die niet nader beoordeeld hoeven te worden. De ruimte-voorruimtewoningen binnen het plangebied zijn nieuwe kwetsbare objecten. Een beoordeling van het aspect externe veiligheid is noodzakelijk.
5.1.3.2 Beoordelingskader Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
49
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening. Voorts is een beoordeling gedaan van overige aspecten die de veiligheid van personen binnen het plangebied negatief kunnen beïnvloeden. Kernbegrippen In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal:
Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde.
Grenswaarde: Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
50
Bron
Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico
Inrichtingen (Bevi)
Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Transportroutes (Bevt) Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
5.1.3.3 Analyse De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten ten opzichte van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
51
UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND
Inrichtingen De voormalige varkenshouderij binnen het plangebied is aangegeven als inrichting die valt onder het Bevi, vanwege de aanwezige propaantank. Met het beëindigen van het bedrijf zal ook de invloed op de omgeving verdwijnen. Op ruim 400 meter ten westen van het plangebied ligt Camping 't Haasje. Op het terrein liggen twee propaantanks van elk 13 m³. Voor deze tanks is volgens de gevarenkaart geen plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) beschikbaar. Daarom wordt de veiligheidsafstand van 15 meter op basis van het Activiteitenbesluit gehanteerd. Het invloedsgebied groepsrisico reikt tot 150 meter van de tank. Het plangebied ligt buiten de veiligheidsafstand en tevens buiten het invloedsgebied. Er is geen nadere afweging nodig. Buisleidingen Er liggen geen buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied, die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Er is geen nadere beoordeling nodig. Transportroutes Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren en plasbrandaandachtsgebieden van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is in de omgeving van het plangebied uitsluitend de spoorlijn Breda-Tilburg (niet afgebeeld) van belang. Onderstaande tabel bevat de invloedsgebieden per stofcategorie die over het spoor vervoerd worden.
52
stofcategorie
afstand
stofcategorie
afstand
A
460 m
C3
35 m
B2
995 m
D3
375 m
B3
> 4.000 m
D4
> 4.000 m
Het plangebied ligt op circa 2 kilometer van deze transportroute. Het plangebied ligt daardoor binnen het invloedsgebied behorende bij de categorieën van toxische stoffen (B3 en D4) dat tot meer dan 4 kilometer van de spoorlijn reikt. Omdat de afstand meer dan 200 meter bedraagt, kan worden volstaan met een algemene beoordeling waarbij op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevt) moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en
de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.
Overeenkomstig het gestelde in artikel 9 Bevt wordt de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om hierover een advies uit te brengen. Hieronder is ingegaan op de genoemde aspecten. Het plan omvat geen "bijzonder kwetsbare objecten", specifiek bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied van de transportroute(s). Het plangebied ligt voorts geheel buiten de invloedsgebieden (1%-letaliteitsgebieden) vanwege een calamiteit met brandbare gassen, gemeten 355 meter vanaf de spoorlijn. Er is daarmee sprake van een 'standaard situatie', waarvoor een eenvoudige verantwoording volstaat:
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwingsen alarmeringspalen (WAS-palen) en/of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Middels het Bouwbesluit is geborgd dat de nieuwe woningen
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
53
voldoen aan deze voorwaarden. In geval overgegaan moet worden op evacuatie, dan is het normale verkeersnet hiervoor toereikend. De Regionale Brandweer heeft overeenkomstig het gestelde in artikel 9 van het Bevt eerder een standaard advies uitgebracht voor situatie die aan bepaalde kenmerken voldoen. Dit advies is opgenomen als bijlage 5. De transportroute heeft beperkt invloed op de externe veiligheid in het plangebied. Deze invloed neemt echter beperkt toe als gevolg van onderhavig plan. Overige aspecten Het plangebied ligt op circa 230 meter en daarmee op relatief korte afstand van het bosgebied Boswachterij Dorst, dat als zeer brandbaar is aangemerkt. Bestrijding van een bosbrand vindt plaats bij de brandhaard(en). In het geval evacuatie van personen binnen onderhavig plangebied noodzakelijk is, kan dit plaatsvinden via de openbare wegenstructuur, die van het bosgebied afleiden.
5.1.3.4 Conclusie De veiligheidssituatie is gelet op het voorgaande aanvaardbaar. Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.4
Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
5.1.4.2 Beoordelingskader Het kader voor het beoordelen van geurhinder van veehouderijen bestaat met name uit:
Wet geurhinder en veehouderij (Wgv);
Activiteitenbesluit;
Geurhinderverordening.
54
5.1.4.3 Analyse Bestaande woningen De bestaande bedrijfswoning en plattelandswoning hoeven niet in de beoordeling te worden meegenomen, onder meer omdat de planregels voorschrijven dat eventuele herbouw van de woningen moet plaatsvinden op de fundamenten van de bestaande woningen. De statusverandering van bedrijfswoning/plattelandswoning naar burgerwoning leidt niet tot een belemmering van veehouderijen. Nieuwe woningen De nieuwe woningen binnen onderhavig plangebied zijn nieuwe geurgevoelige objecten. In de wijdere omgeving van het plangebied ligt een aantal veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in intensieve veehouderijen met geurnormen en overige veehouderijen met vaste afstanden. Vanwege de grote afstand zijn er geen intensieve veehouderijen van invloed op het plan. De veehouderijen in de omgeving betreffen voornamelijk melkvee- en paardenhouderijen. Voor deze bedrijven geldt conform artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij een vaste geurafstand van 50 meter tot ruimte-voor-ruimtewoningen. De afstand van de nieuwe woningen is tot deze veehouderijen is (ruim) groter dan 50 meter. De nieuwe woningen vormen geen belemmering voor bestaande veehouderijen. Woon- en leefklimaat Het plan voldoet ruimschoots aan de geldende geurafstanden.
Het plan heeft bovendien een flinke, positieve invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van alle objecten in de omgeving, als gevolg van het saneren van een varkenshouderij. De geurbelasting bij de bestaande woningen bedroeg 8 ou/m³ en die wordt teruggebracht naar 1 ou/m³. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
5.1.4.4 Conclusie Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
55
5.1.5
Geluid
5.1.5.1 Inleiding Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd. In paragraaf 5.1.2 is reeds ingegaan op de milieubelasting van omliggende bedrijven.
5.1.5.2 Analyse Ter plaatse van het plangebied is het onderdeel industrielawaai niet aan de orde. Er wordt daarom uitsluitend ingegaan op verkeerslawaai. Bestaande woningen Voor bestaande woningen waarvan de projectie niet verandert is geen toetsing aan de Wgh nodig. De planregels van voorliggend bestemmingsplan schrijven voor dat eventuele herbouw van de woningen op de bestaande fundamenten moet plaatsvinden. Nieuwe woningen De nieuwe woningen betreffen nieuwe geluidgevoelige objecten. Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Steenovensebaan. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft Cauberg Huygen uit Son een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Vijf nieuwbouwwoningen Steenovensebaan 28 in Dorst; akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai" (5 maart 2020, nummer 05487-51317-01). Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 bijgevoegd. [Aanpassing uitgezet bij Antwan Timmers van Cauberg Huygen.] Cauberg Huygen concludeert dat, ten gevolge van wegverkeer op de Steenovensebaan, overal wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er zijn voor het nieuwbouwplan geen hogere waarden nodig. Doordat het project voldoet aan de voorkeursgrenswaarde, is tevens sprake van een goed woon- en leefklimaat.
56
5.1.5.3 Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen planologische belemmering voor het plan, hetgeen betekent dat:
er wordt voldaan aan de Wet geluidhinder;
het college geen hogere waarde hoeft vast te stellen;
er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.1.6
Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
5.1.6.2 Analyse Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat vijf nieuwe woningen in combinatie met de beëindiging van een varkenshouderij en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke wegen. Er kan zonder nadere beoordeling geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
5.1.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
57
5.1.7
Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
5.1.7.2 Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn geen veehouderijen met pluimvee of varkens actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woonen leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.
58
Geitenhouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.
5.1.7.3 Boom- en fruitteelt Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Analyse De gronden rondom het plangebied zijn niet in gebruik voor boom- en fruitteelt en ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.
5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen waar kinderen gedurende langere tijd kunnen verblijven. Er is echter sprake van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 4,5 kilometer. Het schadelijke magneetveld strekt zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uit. Er is geen nader onderzoek nodig.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
59
5.1.7.5 Conclusie Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.8
Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding In de wetgeving is bepaald dat voor activiteiten die in samenhang met de bestaande activiteiten in de omgeving mogelijk grote nadelige gevolgen hebben voor de leefomgeving nader onderzoek is vereist. Het wettelijk kader voor die onderdeel is de:
Wet natuurbescherming;
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant;
Wet milieubeheer in samenhang met Besluit milieueffectrapportage.
5.1.8.2 Analyse De Wet natuurbescherming bepaalt dat een m.e.r is vereist indien er een passende beoordeling moet worden opgesteld. Dat is hier niet het geval. In de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is voor dit plan geen verplichting tot een m.e.r. opgenomen. De Wet milieubeheer in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage bepaalt dat er een m.e.r.-plicht geldt voor de daarin genoemde activiteiten en gevallen in onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage of onderdeel D van die bijlage voor zover het een kaderstellend plan betreft. Er is geen activiteit uit onderdeel C en D van toepassing op dit plan Er kan in beginsel weliswaar een activiteit uit onderdeel D van toepassing zijn: stedelijk ontwikkelingsproject. Maar uit jurisprudentie kan worden afgeleid dat een ontwikkeling van 5 woningen in het buitengebied niet als zodanig zal worden aangemerkt. Daarmee is ook een milieueffectbeoordeling op basis van art. 2, vijfde lid niet meer aan de orde.
5.1.8.3 Conclusie Er hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld of een milieueffectbeoordeling te worden uitgevoerd.
60
5.2
Waarden
5.2.1
Archeologie
5.2.1.1 Inleiding Het omgaan met archeologisch erfgoed is in Europees verband vastgelegd in het Verdrag van Malta. Hierin is het uitgangspunt dat dit erfgoed zoveel mogelijk ter plaatse (in situ) te conserveren. Het Europees beleid is overgenomen in de Erfgoedwet. Daarin is mede bepaald dat gemeenten belast zijn met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. De gemeente Oosterhout heeft een Erfgoedkaart opgesteld, waarop de archeologische verwachtingen per gebied inzichtelijk zijn gemaakt.
5.2.1.2 Analyse Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de Erfgoedkaart Oosterhout.
UITSNEDE ARCHEOLOGISCHE BELEIDSKAART
Het plangebied ligt in een zone met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een vrijstelling voor onderzoek bij bodemingrepen tot 50 cm onder maaiveld over een oppervlakte van minder dan 100 m². Het initiatief overschrijdt deze grenzen. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is derhalve noodzakelijk.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
61
Vestigia uit Amersfoort heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Archeologisch vooronderzoek in het kader van de voorgenomen woningbouw aan de Steenovensebaan 28 te Dorst, gemeente Oosterhout (NB)" (1 april 2020, nr. V1915). Het onderzoeksrapport is als bijlage 7 bijgevoegd. Vestigia heeft onderzoek verricht op die delen van het plangebied waar ingrepen in de bodem als gevolg van onderhavig plan aan de orde zijn. Vestigia concludeert het volgende:
Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats ter plaatse van nagenoeg het gehele plangebied klein is en de archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar 'laag'.
Ter plaatse van de bestaande woning Steenovensebaan 28 wordt vervolgonderzoek geadviseerd indien deze worden wordt gesloopt of tot nieuwbouw wordt overgegaan.
De resultaten van het onderzoek zijn als volgt verwerkt in voorliggende bestemmingsplan:
Ter plaatse van het woonperceel Steenovensebaan 28 en de niet onderzochte delen van het plangebied wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' gelegd, overeenkomstig de dubbelbestemming uit het thans geldende bestemmingsplan.
Op de overige delen van het plangebied wordt geen archeologische dubbelbestemming gelegd.
Ondanks een zorgvuldig onderzoek kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.
5.2.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.2.2
Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding Met het doel het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken, is een verantwoorde verankering van dit belang in onder meer het bestemmingsplan van belang. Een en ander is vastgelegd in de Erfgoedwet en artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening.
62
Cultuurhistorische waarden zijn zowel op provinciaal niveau (Cultuurhistorische Waardenkaart) als gemeentelijk niveau (Erfgoedkaart) vastgelegd.
5.2.2.2 Analyse Cultuurhistorische Waardenkaart Op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart zijn ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving geen waarden van provinciaal belang opgenomen. Een toetsing van het plan aan de Cultuurhistorische Waardenkaart is daarom niet nodig. Erfgoedkaart Op de gemeentelijke Erfgoedkaart wordt onderscheid gemaakt in de categorieën:
historisch-geografische elementen en structuren;
historische groenstructuren en zichtlijnen;
historische stedenbouwkunde.
Historisch-geografische elementen en structuren Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Waardenkaart historische geografie.
UITSNEDE WAARDENKAART HISTORISCHE GEOGRAFIE
Het bebouwingslint Steenovensebaan (6) is hierop met een redelijk hoge stedenbouwkundige waarde aangeduid. Het bebouwingslint, ook bekend als de nederzetting Steenoven, is ontstaan op een dekzandrandrug als onderdeel van de ontginning van de woeste gronden. De Akker Steenoven (17) strekt zich uit aan weerszijden van de nederzetting. Kenmerkend aan deze akker is de grootschalige verkaveling en de duidelijke randen gevormd door bos.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
63
De bestaande woningen binnen het plangebied zijn onderdeel van het historisch bebouwingslint, zoals begrensd op de waardenkaart. Onderhavig plan voorziet niet in een aanpassing van de structuur en heeft daarmee geen invloed op de historisch-geografische waarde van het lint. Het plandeel met de nieuwe woning ligt op de Akker Steenoven. Doordat de nieuwe woningen worden gerealiseerd ter plaatse van de bebouwing van een voormalige veehouderij is er geen sprake van negatieve impact op het karakter van de akker. Door de flinke afname van de bebouwingsmassa's kan mogelijk zelfs gesproken worden van een positieve invloed. Historische groenstructuren en zichtlijnen Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Waardenkaart historisch groen.
UITSNEDE WAARDENKAART HISTORISCH GROEN
Ter plaatse van het plangebied en zijn directe omgeving zijn geen historische groenstructuren aanwezig, die als waardevol zijn aangemerkt. Het plan heeft daarom geen invloed op historische groenstructuren. Historische stedenbouwkunde Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Waardenkaart monumenten en stedenbouwkundige functies.
64
UITSNEDE WAARDENKAART MONUMENTEN EN STEDENBOUWKUNDIGE FUNCTIES
Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van historisch-stedenbouwkundige objecten en structuren. Er staan geen monumenten binnen het plangebied. Het plan heeft geen invloed op de historische stedenbouwkunde.
5.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.2.3
Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
gebiedsbescherming;
soortenbescherming;
bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
65
Verstorende effecten Staro Natuur en Buitengebied uit Gemert heeft een onderzoek uitgevoerd naar de in voorliggend plan opgenomen ontwikkelingen in relatie tot de Wet natuurbescherming: rapport "Quickscan flora en fauna Steenovensebaan 26A en 28 te Dorst" (januari 2020, nr. P19-0445). Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bijgevoegd. Staro concludeert Staro dat, gezien de afstand tot beschermde natuurgebieden, er redelijkerwijs is uit te sluiten dat er als gevolg van het plan negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden. Als gevolg van de beëindiging van de varkenshouderij is er zelfs sprake van een positief effect op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland. Stikstofdepositie Bijlage 9 bevat het stikstofdepositie-onderzoek waarin zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn beoordeeld. Daaruit volgt dat het plan geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft. Soortenbescherming In het hiervoor genoemde onderzoek heeft Staro tevens een het plan beoordeeld aan de regels behorende bij de soortenbescherming. De beoordeling heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de sloop van de agrarische opstallen. Staro concludeert in zijn onderzoek dat het plan niet leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits: 1.
nader onderzoek naar verblijfplaatsen en nestplaatsen van vleermuizen, kerkuil, steenuil, huismus en marters wordt uitgevoerd voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden; 2. het kappen en snoeien van bomen en struiken wordt uitgevoerd buiten het broedseizoen en wanneer geen broedgeval aanwezig is; 3. bij graafwerkzaamheden en slopen op locaties waar Alpenwatersalamander verborgen kan zitten wordt gewerkt buiten de overwinteringsperiode. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd tussen 15 april en 15 oktober. ad 1.
De voormalige eigenaar heeft de sloop van de agrarische opstallen inmiddels uitgevoerd op basis van een verleende sloopvergunning. Het aanbevolen nadere onderzoek vond plaats ter voorbereiding van de aanvraag om sloopvergunning.
ad 2. en 3. Deze aanbevelingen zullen gedeeld worden met de uitvoerders van de betreffende werkzaamheden.
66
In acht nemende dat de sloopwerkzaamheden inmiddels hebben plaatsgevonden, is er naar aanleiding van de uitvoerde quickscan geen nader onderzoek nodig voor dit plan. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is. Bescherming van houtopstanden Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Voor het plan geldt derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Mocht het kappen van bomen alsnog aan de orde komen, dan wordt te zijner tijd getoetst aan dat artikel.
5.2.3.3 Conclusie Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan:
Het plan heeft geen significante effecten op natuurgebieden.
Met inachtname van de gedane aanbevelingen zijn er geen effecten op beschermde soorten te verwachten.
De herplantplicht is niet aan de orde.
5.3
Waterparagraaf
5.3.1
Inleiding
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Brabantse Delta. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
5.3.2
Beleid
In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
67
5.3.2.1 Nationaal niveau
Het Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap Brabantse Delta Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:
Het Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterbeheerplan 'Grenzeloos verbindend' is een strategisch document. Hierin wordt aangegeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe het waterschap dit wil bereiken.
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2000 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid. 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 2000 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel:
68
benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
Beleidsregel hydraulische randvoorwaarden 2009. In de Beleidsregel 'hydraulische randvoorwaarden 2009' worden de kaders en normen voor de watertoets gegeven. De uitgangspunten ten aanzien van het hemelwaterbeleid worden beschreven. Met behulp van de afvoernormen kan de benodigde waterberging en/of retentievoorziening worden berekend. De voorkeursvolgorde voor de te treffen compenserende maatregel betreft:
1. infiltreren; 2. retentie aanleggen binnen plangebied; 3. retentie aanleggen buiten plangebied; 4. berging zoeken in bestaand plangebied.
5.3.2.4 Gemeentelijk niveau Binnen de gemeente Oosterhout geldt het 'Water- en Rioleringsplan 2017 - 2021' uit 2016. Omtrent omgang met hemelwater sluit gemeente Oosterhout aan bij de landelijk voorkeursvolgorde: infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan afvoeren. Hierbij dient voor de te kiezen oplossingen het aspect duurzaamheid leidend te zijn. Voor de hemelwaterafvoer gelden de onderstaande (voor onderhavig plan relevant zijnde) uitgangspunten:
Bij nieuwbouw geldt: gescheiden afvoer van regenwater van alle verhard oppervlakken waar dit mogelijk is.
Voorkeursvolgorde aanhouden: infiltratie - berging - afvoer.
Infiltratie mogelijk als K-waarde (doorlatendheid bodem) 0,5 m per dag of groter is.
Zoveel als mogelijk bovengrondse afvoer (ook daken), water blijft zichtbaar. Voordeel: minder vervuilingsrisico en waterbeleving van burger.
Bij bui 10 (circa 40 mm in één uur) geen water op straat berekend vanuit een leidingstelsel.
Bij bui 100 (circa 70 mm in één uur) geen inundatie vanuit open waterberging (o.a. wadi) of watergang.
Voor infiltratie van het regenwater in de bodem of lozing op oppervlaktewater gelden onderstaande normen:
Bij nieuwbouw moet het af te voeren verhard oppervlak¹, mits meer dan 1000 m², in de bodem infiltreren of lozen op oppervlaktewater² binnen een afstand van 300 meter.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
69
¹ Onder verhard oppervlak wordt verstaan alle vlakken waarop schoon regenwater opgevangen en afgevoerd wordt. ² Onder oppervlaktewater wordt verstaan alle voorzieningen in het watersysteem, dus ook bijvoorbeeld duikers en wadi’s.
5.3.3
Watersysteem
5.3.3.1 Bodem Ter plaatse is sprake van een zandbodem (leemarm en zwak lemig fijn zand). De waterdoorlatendheid is onbekend.
5.3.3.2 Oppervlaktewater Binnen het plangebied en in de directe omgeving is beperkt oppervlaktewater aanwezig. Langs het Hertenpad ligt een B-watergang. Haaks op die watergang ligt een C-watergang die het plangebied in reikt. Deze C-watergang werd voorheen gebruikt voor de afvoer van het hemelwater vanaf de agrarische bedrijfsgebouwen. Hieronder is een uitsnede van de legger van waterschap Brabantse Delta.
UITSNEDE LEGGER BRABANTSE DELTA
70
5.3.3.3 Grondwater De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 0,8 tot 1,2 m -mv (bron: bodematlas).
5.3.3.4 Waterschapsbelangen Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.
5.3.4
Hemelwater
Vertrekpunt voor de berging van het hemelwater is dat de situatie van de voormalige bedrijfswoningen onveranderd blijft. De waterparagraaf richt zich daarom alleen op de ontwikkeling van de vijf ruimte-voor-ruimtewoningen.
5.3.4.1 Verhard oppervlak In de huidige situatie is nagenoeg het hele terrein verhard. In de nieuwe situatie zal dit fors afnemen. Vanuit het waterschap (de Keur) gelden derhalve geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Er dient daarom te worden aangesloten bij het gemeentelijke beleid. Om te berekenen welke bergingscapaciteit er benodigd is, wordt eerst het verhard oppervlak in de nieuwe situatie bekeken. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de nieuwe situatie. omschrijving
bestaand
nieuw
afname
600 m²
600 m²
0 m²
erfverharding
6.000 m²
750 m²
5.250 m²
bebouwing
7.100 m²
1.500 m²
5.600 m²
-
750 m²
-750 m²
13.700 m²
3.600 m²
10.100 m²
(oprij)laan
(circa 300 m² per rvr-woning) eigen terrein rvr-woningen (circa 150 m² per woning) totaal
De totale afname van de verharding bedraagt 10.100 m². De verharding in de nieuwe situatie betreft 3.600 m2.
5.3.4.2 Berekening bergingscapaciteit Voor de berekening van de bergingscapaciteit wordt uit gegaan van de Keur en het 'Water- en Rioleringsplan 2017 - 2021'.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
71
Conform artikel 15.4.2 van de Algemene regels van de Keur moet de rekenregel worden toegepast: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m).
GEVOELIGHEIDSFACTOR CONFORM KEURKAART WATERSCHAP BRABANTSE DELTA
Voor het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1/4. In gebieden waar deze factoren gelden is sprake van infiltratiegebieden en is de afvoercapaciteit van waterlopen relatief groot in verhouding tot de specifieke afvoer voor landelijk gebied. Voor de berekening van de bergingscapaciteit betekent dat: 3.600 x 1/4 x 0,06 = 54 m³. De gemeente Oosterhout hanteert voor de berekening van de bergingscapaciteit echter een bui waarbij 70 mm neerslag valt. De bergingscapaciteit moet dan ten minste 3.600 x 0,07 = 252 m³ bedragen. Als voldaan wordt aan de gemeentelijke bergingsopgave, wordt ook aan de opgave van het waterschap voldaan.
5.3.4.3 Ontwerp bergingsvoorziening Bij het ontwerp van de retentievoorziening worden conform het 'Water- en Rioleringsplan 2017 - 2021' uit 2016 de voorkeursvolgorde aanhouden: infiltratie – berging – afvoer. Voor het te bergen hemelwater wordt een onderscheid per onderdeel gemaakt om zodoende zo veel mogelijk water op locatie te infiltreren.
72
Laan De oppervlakte van de (oprij)laan is circa 600 m² en behoeft daarom (600 x 0,07 =) 42 m³ berging. De (oprij)laan ligt echter verhoogd en tussen twee weides. Het hemelwater dat op de laan valt zal derhalve direct afwateren op, en infiltreren in deze weides. Erf De oppervlakte van het erf en de bezoekersparkeerplaatsen is circa 750 m² en behoeft daarom (750 x 0,07 =) 53 m³ berging. De parkeerplaatsen liggen net als de (oprij)laan aan een groene weide en het hemelwater kan daarom goed direct infiltreren. Daarnaast kunnen deze parkeerplaatsen ook als grasbeton worden uitgevoerd omdat deze geen hoge bezettingsgraad hebben. Voor het hemelwater dat op het erf valt kan een groot deel direct het gazon inlopen en infiltreren. Daarnaast is de C-watergang aan de noordzijde ook beschikbaar om naar af te voeren. Verdere uitwerking moet aantonen hoeveel capaciteit er nodig is. Uit de inmeting is gebleken dat de inhoud van de watergang circa 110 m³ bedraagt. De watergang is circa 3 meter breed en heeft een diepte van circa 1 meter. Met een GHG van circa 1 meter onder maaiveld kan de volledige inhoud als bergingsvoorziening worden gebruikt. Middels een overstortvoorziening kan er worden aangesloten op de bestaande B-watergang. Ruimte-voor-ruimtewoningen De ruime percelen bieden voldoende gelegenheid om op perceelsniveau infiltratie- en bergingsvoorzieningen te treffen.
Per perceel betreft het circa 450 m² verharding en derhalve (450 x 0,07 =) 32 m³ berging. Eventueel kan ook nog gebruik worden gemaakt van een noodoverstort richting de C-watergang.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
73
BETREFFENDE C-WATERGANG TEN BEHOEVE VAN DE BERGINGSVOORZIENING
5.3.5
Afvalwater
Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het schone hemelwater mag daarom niet op de riolering worden aangesloten. Het vuile afvalwater zal op de bestaande drukriolering in de Steenovensebaan geloosd worden. Indien noodzakelijk worden hiervoor aanvullende voorzieningen aangebracht.
5.3.6
Waterkwaliteit
Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.
74
HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE UITVOERBAARHEID 6.1
Het juridische plan
Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden en gebouwen binnen het bestaand stedelijk gebied. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke 'Handboek (digitale) bestemmingsplannen'. Voor voorliggend bestemmingsplan is de versie van mei 2020 gehanteerd. Het handboek bevat een set regels die voor alle nieuwe bestemmingsplannen binnen de gemeente Oosterhout wordt gehanteerd, waardoor sprake is van uniforme regelingen in de diverse plannen. In het Handboek is gestreefd naar standaardisering van bestemmingen en regels zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Voorliggend bestemmingsplan wijkt echter op de volgende punten af van het handboek:
afwijking 1 - de planregels van de bestemmingen 'Wonen' en 'Wonen - RVR' zijn gevolgd uit de bestemming 'Wonen' van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Reparatie-herziening 2016".
De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Voorliggend bestemmingsplan beschrijft meer dan alleen de hoofdlijnen van het beleid, doch treedt niet al te zeer in details. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad. De planopzet is gericht op beheer en instandhouding van de bestaande situatie. Behoud van de bestaande functies is het primaire doel van het bestemmingsplan. Eén en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. In de volgende paragraaf wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan. De terminologie van voorliggend bestemmingsplan is voorts afgestemd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
75
6.2
Bestemmingen
6.2.1
Opzet regels
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt:
betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels);
de gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels);
algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels);
overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd:
bestemmingsomschrijving;
bouwregels;
nadere eisen;
afwijken van de bouwregels;
specifieke gebruiksregels;
afwijken van de gebruiksregels;
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
wijzigingsbevoegdheid.
De specifieke nadere eisenregelingen, afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan.
6.2.2
Flexibiliteitsregels
Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door regels op te nemen over de bevoegdheid tot het verlenen van een (binnenplanse) omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid.
76
Voor het opnemen van flexibiliteitsregels geldt als uitgangspunt dat flexibiliteitregels alleen worden gebruikt als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn. Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure.
6.2.3
Bepalen goothoogte
Er is wel eens sprake van misverstanden over de wijze waarop de goothoogte of bouwc.q. nokhoogte van een gebouw moet worden geïnterpreteerd. De goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, lichtkoepels, dakkapellen, lucht- en liftkokers, zonnepanelen, andere technische ruimten en/of technische constructies, hekwerken en antennes. Voor de meest voorkomende gevallen is hieronder aangegeven hoe de goothoogte wordt bepaald:
DAKVORMEN MET BIJBEHORENDE MAATGEVENDE HOOGTE
BP BGB 2013 (INCL. LINT OOSTEIND), HERZ 28 (STEENOVENSEBAAN 26A-28) | ONTWERP
77
TOELAATBARE UITBREIDINGEN VAN HET DAKVLAK
6.2.4
Toelichting bestemmingen
Hier worden de opgenomen bestemmingen kort toegelicht Agrarisch De tot 'Agrarisch' bestemd gronden zijn bedoeld voor agrarisch grondgebruik (bedrijfs- en hobbymatig), groenvoorzieningen, erfbeplanting, extensief recreatief medegebruik, en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Via een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan het bevoegd gezag het gebruik van de gronden voor een paardenbak toestaan. Het betreft hier een uitgeklede versie van deze bestemming omdat het hier enkel gaat om het gebruik van de gronden ten behoeve van een agrarische bedrijf of hobbymatige activiteiten. Groen De tot 'Groen' bestemde gronden zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, bermen en beplantingen, voorzieningen voor langzaam verkeer, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, straatmeubilair. Het plaatsen van lichtmasten is uitgesloten. Ter plaatse van de aanduiding 'langzaam verkeer' zijn de gronden mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van een langzaam verkeersverbinding. Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden zijn voorwaarden opgenomen, waarbij het beplantings- en beheerplan dat als bijlage bij de regels is gevoegd toetsingskader vormt.
78
Verkeer De tot 'Verkeer' bestemde gronden zijn bedoeld voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groen-, nuts- en speelvoorzieningen, kunstwerken en objecten, straatmeubilair, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkapping zijnde. Wonen De tot 'Wonen' bestemde gronden zijn bedoeld voor wonen, aan huis verbonden beroepen of aan huis verbonden bedrijven en gastouderschap, tuinen, erven en verhardingen, behoud, herstel en ontwikkeling van landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden, water en huishoudkundige doeleinden, extensief recreatief medegebruik en erfbeplanting Per bouwperceel is ter plaatse slechts één woning toegestaan. Verder zijn er nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van een aantal bouw- en gebruiksregels. Er zijn gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf. Er is een bijzondere regeling opgenomen voor het in gebruik zijnde maximum oppervlakte bebouwd voor het nu aanwezige aan huis verbonden bedrijf (grondverzet).
Wonen - RvR De tot 'Wonen - RvR' bestemde gronden zijn bedoeld voor wonen, aan huis verbonden beroepen of aan huis verbonden bedrijven en gastouderschap, tuinen, erven en verhardingen, behoud, herstel en ontwikkeling van landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden, water en huishoudkundige doeleinden, extensief recreatief medegebruik en erfbeplanting Per bestemmingsvlak is ter plaatse slechts één woning toegestaan. Op de verbeelding zijn onder andere bouwvlakken opgenomen en is de richting van de kap van het hoofdgebouw aangegeven. Verder zijn er nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van een aantal bouw- en gebruiksregels. Er zijn gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf.