geredigeerd Bijlage 5 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 23
De precieze invulling van deze groenzones is samen met lokale partijen en bewoners uitgewerkt, in de vorm van de eerder besproken Werkgroep Biodiversiteit. Binnen de zone langs het Kromgat wordt in ieder geval het weg te nemen boselement centraal in het plangebied versterkt en gecompenseerd. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit. In het landschappelijk inpassingplan zijn kaders opgesteld om de natuurwaarden in het zonnepark te versterken. Wanneer kaders gerealiseerd worden om de natuurwaarden te versterken valt te verwachten dat de biodiversiteit toeneemt ten opzichte van de huidige graslanden en akkerbouwgronden. Graslanden kruidenrijker en diverser van samenstelling en structuur laten worden, zal het voedselaanbod voor diverse diersoorten vergroten (en de biodiversiteit vergroten). Tevens zal de bestaande houtwal aan de noordoostkant van het plangebied versterkt en uitgebreid worden. Wanneer deze houtwal tussen de bomenrij langs het water ‘Kromgat’ (net buiten het plangebied) en het viaduct onder de rijksweg A59 wordt gerealiseerd versterkt dit mogelijk de functie als onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. De maatregelen zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan dienen daarbij wel in acht genomen te worden.
Aangezien het landschappelijk inpassingsplan de kaders biedt voor de inpassing en het project conform het landschappelijk inpassingsplan dient te worden uitgevoerd (onder meer te borgen via voorschriften aan de omgevingsvergunning en in de anterieure overeenkomst, is sprake van het versterken van de natuurlijke basis aldaar.
2.7
Samenhang met windpark
Op twee locaties binnen de plangrenzen van het Energiepark A59 worden windturbines gerealiseerd. Deze locaties zijn gelegen binnen de grenzen van het zonnepark. In het ontwerp van het zonnepark is ruimte gereserveerd voor de realisatie van de windturbines, door onder andere rekening te houden met kraanopstelplaatsen, benodigde ruimte voor bochten van uitzonderlijk vervoer en de situering van hekwerken, om zo de mogelijkheid te creëren voor de constructie en exploitatie van zowel de windturbines als het zonnepark.
In het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met het Energiepark inclusief de windturbines, door een scenario uit te werken waarin onder andere de benodigde ruimte vrij gehouden wordt van panelen. Met de situering van de panelen in oost-westopstelling worden de bestaande percelen en watergangen gerespecteerd en wordt de richting van het landschap gehandhaafd en benadrukt. De positionering van de windturbines past in deze structuur en is daarmee ook passend in het ontwerp.
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 24
Figuur 10: Ontwerp inclusief ruimte voor twee windturbines ENERGIEPARK A59 OOSTERHOUT ONTWLAP EN INPASSINGSPLAN
7
ése De landschappelijke inpassing, het nader uit te werken biodiversiteitsplan en de daaruit volgende kwaliteitsverbetering van het landschap is inherent aan de ontwikkeling van het zonnepark op het Energiepark A59. De voorgestelde maatregelen zijn ontworpen rondom het zonnepark, een windpark laat zich immers moeilijk inpassen in het landschap. Het landschappelijk ontwerp voor het Energiepark A59 wordt daarom in hoofdzaak gedragen door Eneco Solar.
2.8
Technische omschrijving Energiepark
Het zonnepark bestaat uit een aantal technische toepassingen. Naast panelen zijn ook omvormers/transformatorhuisjes noodzakelijk. De betreffende onderdelen en de opbrengst van het zonnepark worden hieronder besproken. Het betreft hier uitsluitend de technische omschrijving. De landschappelijke inpassing van de diverse onderdelen, is reeds besproken in paragraaf 2.4.
Omvang zonnepark en opbrengst Het doel is een energiepark te realiseren voor de duur van 25 jaar. De omvang van de locatie bedraagt in totaal ca. 37 ha. Hierbinnen bestaan zoals eerder omschreven twee ontwikkelscenario’s: Energiepark zon: binnen dit scenario wordt een zonnepark opgericht met een vermogen van 49 MWp. Dit heeft een C02-reductie van ongeveer 28.000 ton per jaar als gevolg. De met dit zonnepark op te wekken duurzame energie kan worden vergeleken met het energieverbruik van ongeveer 17.000 huishoudens. Dit is gebaseerd op algemene cijfers van het CBS, op basis waarvan een gemiddeld verbruik in Nederland geldt van 2.790 kWh per huishouden op jaarbasis.3 B. Energiepark zon + wind: het tweede ontwikkelscenario omvat een zonnepark met een opgesteld vermogen van ca. 46,1 MWp en twee windturbines met een gezamenlijk vermogen van ca. 10 MWp. Het op te wekken vermogen van het onderdeel zon kan vergeleken worden met het verbruik van ca. 15.500 huishoudens. Met dit scenario vindt een CO2-reductie plaats van 26.340 ton op jaarbasis.
A.
1 3
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/81528NED/table?fromstatweb
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 25
Panelen Panelen worden in een oost-westopstelling geplaatst en krijgen een hoogte van ca. 2,5 meter (hoogte nok dakopstelling). De oost-west opstelling zorgt voor een dakjesvorm, waarbij een open ruimte blijft van 30 cm in de nok van de dakopstelling. Tussen de paneelrijen onderling blijft XXX vrij. De panelen zelf tot slot, worden niet strak tegen elkaar gemonteerd op de paneeltafels, zodat ook tussen de cellen brede naden open blijven ten behoeve van de doorvoer van hemelwater. Het laagste punt van de panelen hangt op ca. 80 cm boven de grond. Het totaal aantal panelen komt op ca. 105.000 panelen. Trafostations en omvormers Naast panelen zijn ook omvormers en ruimtes noodzakelijk die dienst doen als behuizing van de trafostations. Vooralsnog wordt uitgegaan van containers (20 ft) voor de trafostations. De ruimtes worden uitgevoerd in een donkere kleurstelling, namelijk gepoedercoat dennengroen. De ruimtes kunnen afhankelijk van de gekozen installatie tevens de omvormers huisvesten, maar omvormers kunnen ook aan de achterzijde van de panelen bevestigd worden. In beide situaties nemen de omvormers geen extra ruimtebeslag in.
Voor de situering van de trafostations zijn twee mogelijke opties onderzocht. De eerste vormt een logische situering langs een centrale lijn, in dit geval langs de centraal gelegen Hillenweg. Daarnaast is een variant uitgewerkt waarmee de omvormers worden geplaatst op gelijke hoogte met de lijnopstelling van de panelen. In de komende periode wordt in nader overleg met onder andere de EPC-aannemer welke een definitieve keuze gemaakt.
Er zal bij het punt van de aansluiting met de transportkabel een overdrachtspunt middenspanningstation van de netwerkbeheerder en een (klant)koppelstation worden geplaatst. Hekwerk Met het oog op de publieke veiligheid dient tot slot een hekwerk te worden geplaatst om het park ontoegankelijk te maken voor onbevoegden en groot wild. Het hekwerk wordt maximaal 2 meter hoog en uitgevoerd in een dennengroene kleur, in lijn met de trafostations. Voor een eenduidig beeld wordt de kleurstelling van het hekwerk en de trafo’s op elkaar afgestemd. Zoals eerder aangegeven wordt de onderzijde van het hekwerk op enkele locaties onderbroken met een opening van 15x15 cm, zodat grondgebonden zoogdieren van het gebied gebruik kunnen blijven maken. Ook worden uitstapplaatsen in het hekwerk gerealiseerd, zodat eventueel groot wild dat per abuis het terrein weet te betreden niet ingesloten raakt en het gebied veilig weer kan verlaten. Ontsluiting Energiepark A59 Voor de ontsluiting van het Energiepark is tevens een uitsplitsing van ontwikkelscenario’s aan de orde. In beide scenario’s wordt de bouwfase zorg gedragen voor een aan- en afvoerroute van bouwmateriaal met zo min mogelijk overlast voor omliggende bedrijven en bewoners in de omgeving. Alle installaties voor het Energiepark worden per vrachtauto aangevoerd.
Initiatiefnemers stemmen tijdens bouwperiode het bouwverkeer zo veel mogelijk op elkaar af om de eventuele hinder te beperken. Voorafgaand aan de aanvang van de bouwwerkzaamheden, worden de aan- en afvoerroutes voor het bouwverkeer met de gemeente afgestemd. Vervolgens worden omwonenden en omliggende bedrijven vroegtijdig over deze rijroutes en het bouwverkeer geïnformeerd. De scenario’s worden hieronder weergegeven.
A. Ontwikkelscenario Enerqiepark zon Binnen het scenario waarin enkel een zonnepark wordt ontwikkeld, wordt voor de ontsluiting van het gebied gebruik gemaakt van de Hillenweg. De Hillenweg doorsnijdt het projectgebied en wordt uitsluitend gebruikt ter ontsluiting van de omliggende agrarische percelen (via de daartoe aangelegde duikers in de watergangen aan weerszijden van de weg). Deze weg loopt aan de noordzijde bij de A59 dood en is toegankelijk via de RWZI aan de zuidzijde alsook via de zuidelijk gelegen woonwijk. Voor het bouwverkeer
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 26
is alleen de route via het RWZI geschikt. Om van deze route gebruik te kunnen maken worden momenteel gesprekken gevoerd het Waterschap Brabantse Delta. B. Ontwikkelscenario Energiepark zon + wind Voor de ontsluiting van het Energiepark inclusief wind wordt vanaf de Statendamweg een eigen toe- en afrit aangelegd. Deze toe- en afrit wordt gebruikt voor de aanleg van het Energiepark en zal ook na voltooiing van de bouwfase als permanente toegangsweg voor verkeer voor onderhoud en beheer dienen. Hierbij wordt opgemerkt dat deze ontsluiting enkel wordt gebruikt voor het zonnepark indien Eneco de windturbines bouwt voordat het zonnepark wordt aangelegd. Op het moment dat zon eerst tot ontwikkeling komt, wordt voor dat planonderdeel teruggevallen op de ontsluiting volgens ontwikkelscenario A.
Afsluiting Hillenweg Omdat de Hillenweg momenteel openbaar toegankelijk is, dient de weg te worden afgesloten om de publieke veiligheid te garanderen. Het afsluiten van de Hillenweg is nodig, ongeacht of dit de enige ontsluiting tot het gebied wordt of dat ook een toe- en afrit wordt gecreëerd via de Statendamweg. De Hillenweg dient als centrale ontsluiting voor het beheer en onderhoud van het zonnepark. Voor het afsluiten van de Hillenweg is een verkeersbesluit nodig op grond van artikel 15, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994. Dit verkeersbesluit kan op een later tijdstip wordt genomen en staat de planologische procedure niet in de weg. Het betreft bovendien geen onlosmakelijke activiteit die aan zou moeten haken bij de omgevingsvergunning in het kader van de Wabo.
2.9
Toets aan vigerend planologisch regime
Ter plaatse van de projectlocatie zijn een aantal gemeentelijke plannen van toepassing en geldt voor een beperkt deel van de gronden ook een voorbereidingsbesluit vanuit het Rijk. De volgende plannen zijn vigerend: • “Buitengebied”, vastgesteld door de gemeenteraad van Oosterhout op 28 augustus 2014; • “Reparatie herziening Buitengebied 2016”, vastgesteld door de gemeenteraad van Oosterhout op 27 mei 2016. • Parapluherziening “Parkeren Oosterhout 2018”, vastgesteld door de gemeenteraad van Oosterhout op 3 juli 2018 • Voorbereidingsbesluit “Zuid-West 380 kV Oost (Rilland - Tilburg)”, vastgesteld door de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 8 oktober 2019. Voor het zonnepark zijn de bestemmingsplannen ten aanzien van het buitengebied en het voorbereidingsbesluit relevant. De parapluherziening heeft gelet op de aard van onderhavige ontwikkeling geen relevantie voor het plan. Het beoogde zonnepark brengt geen parkeerbehoefte met zich mee. Deze parapluherziening wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten.
Bestemmingsplan Buitengebied, inclusief Reparatie herziening Ter plaatse van het zonnepark is bestemmingsplan “Buitengebied” vigerend. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State zijn delen van dat plan vernietigd en heeft de gemeente betreffende planonderdelen herzien. Hiertoe is op 27 mei 2016 het bestemmingsplan “Reparatie herziening buitengebied” vastgesteld. De twee plannen dienen in samenhang met elkaar te worden bezien, waarbij geldt dat de reparatieonderdelen de oorspronkelijke (vernietigde) planonderdelen van bestemmingsplan “Buitengebied” vervangen. Voor het overige is het oorspronkelijke bestemmingsplan nog vigerend. De locatie kent op basis van het bestemmingsplan in hoofdzaak de bestemming ‘Agrarisch met waarden Landschap’. Voor een beperkt deel gelden ook de bestemmingen 'Natuur, ‘Verkeer’ en 5.1,2,e De zuidoostgrens wordt doorsneden door de dubbelbestemming ‘Leiding Riool’. Verder gelden een aantal gebiedsaanduidingen, te weten:
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 27
gebiedsaanduiding geluidzone - industrie; gebiedsaanduiding vrijwaringszone - weg; gebiedsaanduiding vrijwaringszone - dijk; figuur 12. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied”, projectgebied aangeduid in blauw U Ux Legenda
...
leiding
A__ /
agrarisch mei waarden
RUM
waterstaat
ƒ
bedrijf
g2 wetgevingzone
_/
natuur
/ J
verkeer
/
/
N
k
S /jAj
B3ag \ 2**3
H
\
UU
I «.
132 geluidzone
g2 vrijwaringszone
water
A X
1
N
-coh •V %
/ A
•k
Sx XN
+ Lo
0N
M V • +
KT d
,2
c, 2*
E
o AA
V
/
eT-
V
JL
\
ï
o
20 ।
40
N 60 m
Agrarisch met waarden Landschap: Het overgrote deel van de projectlocatie kent de hoofdbestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschap’. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden en agrarisch gebruik, zowel bedrijfsmatig als hobbymatig. Met de bestemming samenhangende nevenactiviteiten en bij de bestemming behorende voorzieningen zijn eveneens toegestaan. Binnen deze bestemming is de aanleg van een zonnepark niet toegestaan. In de genoemde bestemmingsregeling is daarnaast een vergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Dit stelsel is niet van toepassing wanneer het werken en werkzaamheden betreffen met een diepte van minder dan 50 cm. Van de in het artikel opgenomen werken en werkzaamheden is slechts één onderdeel van toepassing op het plan: o Beplanten van gronden met houtgewas hoger dan 1 meter.
Deze activiteit kan slechts worden toegestaan indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de natuur- en landschappelijke waarden. Voor het zonnepark is door Smartland Landschapsarchitecten een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In dit plan wordt expliciet rekening gehouden met de waarden en kenmerken van het landschap en met de aanwezige natuurwaarden. Verder wordt opgemerkt dat geplande beplanting in het ontwerp hoger kan worden dan 1 meter, maar dit bij de aanplant ervan naar verwachting niet is. Van onevenredige aantasting is geen sprake. De ruimte voor de landschappelijke inpassing is vergroot op verzoek van de gemeente. De wijze van invulling van de inpassing is gelijk gebleven aan van Landschappelijk inpassingsplan, Smartland Landscape Architects, december 2020. Daarna is het plan nog verder uitgewerkt naar wens van de gemeente, zie ook paragraaf 2.5. Zie daartoe de tekening in bijlage 8.
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 28
Verkeer en Water: Ook voor de gronden met de bestemming ‘Verkeer’ en ‘Water’ geldt dat de oprichting van een zonnepark niet mogelijk is, daar deze bestemmingen wegen en watergangen en al het daarbij behorende regelen. De bestaande wegen en watergangen blijven echter gehandhaafd en vrij van panelen en andere objecten, waardoor hier geen strijdigheden ontstaan. Natuur: Voor de bestemming ‘Natuur’ geldt het volgende. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de instandhouding, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden. Dit betreft een zeer beperkt deel van de projectlocatie, namelijk het noordelijke gedeelte van de Hillenweg en een smalle strook langs het oosten van de locatie. Ook binnen deze zone worden geen panelen gerealiseerd. Wel wordt aan de noordzijde van de Hillenweg een hekwerk geplaatst, waardoor een strijdigheid ontstaat. Langs de oostzijde worden een aantal ingrepen voorzien ter versterking van de natuurwaarden aldaar, alsmede in het kader van een goede landschappelijke inpassing van het zonnepark. Deze ingrepen leiden niet tot een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. De vergunning is daarmee alleen nodig in verband met het hekwerk ter hoogte van de Hillenweg.
• Leiding - Riool: Door de zuidoostelijke punt van de locatie loopt een rioolleiding wat van en naar RWZI Dongemond leidt. Hiertoe is de dubbelbestemming ‘Leiding Riool’ opgenomen, waarmee naast de andere daar voorkomende bestemmingen tevens de rioolleiding planologisch is geregeld. Ter plaatse van deze strook mag in principe niet worden gebouwd en gelden beperkingen ten aanzien van werken en werkzaamheden. Het zonnepark houdt rekening met deze leiding. De zone blijft dan ook vrij van panelen en andere objecten. Ook van de aanleg van diepwortelende of hoogopgaande beplanting is geen sprake. Wel dient de punt van het plangebied middels een kabel te worden betrokken bij de rest van het zonnepark, zodat de kabel op enig punt boven de rioolleiding langs loopt. Hiertoe wordt te zijner tijd overleg gevoerd met de leidingbeheerder. Uit een informeel vooroverleg is reeds gebleken dat deze verbinding in principe mogelijk is, mits rekening wordt gehouden met de V.U.W. 2004.4 Deze is in het bezit van initiatiefnemer en wordt in acht genomen. Voor een nadere behandeling wordt verwezen naar paragraaf 5.3 van deze ruimtelijke onderbouwing. •
Waterstaat - Waterkering: Een beperkt deel van de projectlocatie kent tevens de dubbelbestemming ‘Waterstaat Waterkering’. Deze gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen (in dit geval de bestemming ‘Natuur’) mede bestemd voor de (aanleg van de) daar gelegen hoofdwaterkering, de daarbij behorende voorzieningen alsmede de instandhouding en bescherming van die kering. Zonnepanelen mogen binnen deze bestemming niet worden opgericht. Voor werken en werkzaamheden geldt het bepaalde binnen de andere daar voorkomende bestemmingen. Binnen deze bestemming worden geen zonnepanelen of andere objecten geplaatst. De gronden worden uitsluitend benut voor een goede landschappelijke inpassing van het plan alsmede voor de versterking van de biodiversiteit/ ecologische waarde binnen het projectgebied. Uit de toetsing aan de bestemming ‘Natuur’ is reeds gebleken dat deze ingrepen, voor zover deze samenvallen met de beschermingszone van de waterkering, niet leiden tot een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Dit betekent dat deze vergunning ook niet noodzakelijk is op grond van de bestemming ‘Waterstaat - Waterkering’.
•
Gebiedsaanduidingen Naast de enkel- en dubbelbestemmingen zoals hierboven besproken, gelden nog een aantal gebiedsaanduidingen. Ten aanzien van de vrijwaringszone in verband met de Rijksweg A59 geldt dat binnen deze zone (het groene kader langs de weg) geen gebouwen mogen worden gebouwd, met het oog op mogelijk toekomstige wegverbredingen. Bouwwerken, zoals constructies voor zonnepanelen
1 4
Voorwaarden betreffende de Uitvoering en instandhouding van Werken door, resp. van derden, in de nabijheid van zuiveringstechnische eigendommen (persleidingen, rioolgemalen en zuiveringen e.d.) van het waterschap Brabantse Delta
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 29
of trafostations, zijn echter niet uitgesloten, omdat het geen gebouwen betreffen. De vrijwaringszone in verband met de A59 vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De geluidzone in verband met industrie vormt eveneens geen belemmering, omdat een zonnepark niet kan worden getypeerd als geluidgevoelig object. Verder geldt dat rekening moet worden gehouden met de vrijwaringszone in verband met de dijk. Panelen worden niet binnen deze zone geplaatst. Dit onderdeel komt verder aan bod in paragraaf 4.3 (waterparagraaf) van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Conclusie bestemmingsplantoets per planonderdeel De realisatie van een grondgebonden zonnepark bestaat uit de volgende planonderdelen/objecten: • Draagconstructie • Zonnepanelen • Omvormers • Trafo ruimtes • Hekwerk • Maatregelen landschappelijke inpassing en biodiversiteit Op grond van het vigerende bestemmingsplan is de aanleg van een grondgebonden zonnepark niet mogelijk. Het doorlopen van een planologische procedure is noodzakelijk om de beoogde toekomstige situatie vergund te krijgen. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ worden ook de overige vergunningplichte onderdelen aangevraagd. Voor dit park gaat dat in ieder geval om het plaatsen van de zonnepanelen en het plaatsen van het hekwerk.
Daarnaast is sprake van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bestaande uit de aanplant van houtgewas hoger dan 1 meter.
Op grond van artikel 2.3, tweede lid, Besluit omgevingsrecht (Bor) in samenhang met Bijlage II, artikel 2, aanhef en onder 18 van het Bor, kunnen nutsvoorzieningen voor onder andere de duurzame opwekking van elektriciteit vergunningvrij worden gerealiseerd indien de nutsvoorziening maximaal 15 m2 bedraagt en niet hoger is dan 3 meter. Gelet hierop kunnen de ruimtes voor de trafostations in dit ontwerp vergunningvrij worden gerealiseerd. Voor dit planonderdeel is het daarom niet nodig een omgevingsvergunning (voor het bouwen of een planologische afwijking) aan te vragen.
Voorbereidingsbesluit Zuid-West 380 kV Oost (Rilland - Tilburg) Het Rijk is voornemens een (ondergrondse) 380 kilovolt hoogspanningsverbinding aan te leggen tussen Rilland en Tilburg. Hiertoe wordt een Rijksinpassingsplan opgesteld. Om te voorkomen dat zich in de tussentijd ontwikkelingen voordoen waardoor de gronden minder geschikt worden voor de aanleg van deze verbinding, heeft het Rijk een voorbereidingsbesluit genomen, dat sinds 12 oktober 2019 van kracht is. Op grond van dit besluit geldt binnen het besluitgebied een verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde werken en werkzaamheden te verrichten en het bestaande gebruik van gronden en bouwwerk te wijzigen in een aantal gevoelige en gevaarlijke functies. Figuur 13 toont het besluitgebied behorende bij het voorbereidingsbesluit. figuur 13. Aanduiding besluitgebied Voorbereidingsbesluit Zuid-West 380 kV Oost (Rilland - Tilburg)
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 30
X L
\
(
X X
I
xx X X
X X
‛x
X
Wï
Beelaertsweg X\ X
%
X
X
X
Zuid-West 380 kV Oost (RillandTilburg)
x
X X
X
X
X
Rijksoverheid voorbereidingsbesluit
r
vastgesteld (2019-10-08) wam
$
Dtterkil
\
I
Op grond van het voorbereidingsbesluit is een omgevingsvergunning vereist voor: a. het aanbrengen of rooien van beplanting en bomen; b. het aanleggen van wegen of paden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; o. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage. e. Het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Verboden gebruik betreft de uitvoering van activiteiten met en/of opslag van gevaarlijke stoffen onder andere in het kader van de Wet milieubeheer. Eveneens verboden is de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. Een beperkt deel van het zonnepark overlapt met de gronden binnen het besluitgebied. Het betreft een smalle strook langs de oostzijde van het projectgebied, dat samenvalt met de bestemming ‘Natuur’ en dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ uit het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied”. Binnen deze gronden worden geen panelen en andere objecten opgericht. Daarnaast is geen sprake van de realisatie van de in het besluit genoemde functies. Ook van de (zonder omgevingsvergunning) verboden werken en werkzaamheden is geen sprake. Ter plaatse wordt enkel voorzien in een bloemrijk grasveld zonder dat sprake is van het aanbrengen van beplanting en/of bomen. Van strijdigheid met het voorbereidingsbesluit is daarom geen sprake.
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 31
3
Locatieomschrijving
3.1
Functionele structuur
Het projectgebied betreft in de huidige situatie agrarisch gebied. Binnen of aangrenzend aan het plangebied zijn geen woonfuncties geprojecteerd. Op grotere afstand van de projectlocatie zijn deze wel te vinden. Overige functies die binnen en in de directe nabijheid van de locatie zijn gesitueerd zijn: • Bedrijven • Natuur • Infrastructuur.
De verschillende functies worden hieronder nader besproken. Wonen en vergelijkbare functies In de omgeving van de projectlocatie kunnen de volgende woonbestemmingen of daarmee te vergelijken bestemmingen worden gesignaleerd: 5.1,2,e in Raamdonksveer: gelegen op ca. 870 meter ten noordoosten van de projectgrens. Betreft weliswaar een maatschappelijke bestemming, maar ten behoeve van zowel langdurig als kortdurig verblijf van mensen met Huntington en heeft daarmee een woon-zorgfunctie. Woningen in kern Raamdonksveer (ciem. Geertruidenberg): meest nabijgelegen woning op ca. 1.150 meter richting het oosten. Woonwijk Dommeibergen: ca. 1.080 meter vanaf de zuidgrens van het projectgebied. Bedrijfswoningen Statendamweg: op ca. 490 meter vanaf de zuidgrens van het projectgebied. Stelvenseweg: een woonbestemming en enkele agrarische bedrijfswoningen. De woonbestemming ligt een afstand van ca. 1.190 ten noordwesten. Natuur Op basis van het bestemmingsplan liggen binnen en rondom de locatie diverse natuurbestemmingen. Uit de beoordeling van provinciaal beleid en natuur (paragraaf 4.3.4 en 5.11) blijkt dat het gebied tevens grenst aan het Natuurnetwerk Brabant en een ecologische verbindingszone. Van een ligging in Natura 2000gebieden is geen sprake. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de Biesbosch, gelegen op een afstand van ca.
3,5 kilometer ten opzichte van de projectlocatie. Op ca. 2 kilometer afstand tot het projectgebied ligt tot slot een stiltegebied. Het betreft stiltegebied ‘Willemspolder’.
Bedrijven Ten noorden en noordwesten van het projectgebied zijn, binnen Geertruidenberg, diverse (agrarische) bedrijven en kassen gesitueerd. Ten noorden van het projectgebied is aan de Statendamweg tevens een composteerinrichting geprojecteerd. Aan de overzijde van het water langs de Statendamweg is een bedrijventerrein gelegen. Het betreft bedrijventerrein Weststad III, waarbinnen geluidszoneplichtige inrichtingen tot maximaal milieucategorie 5 zijn toegestaan. Op dit terrein zijn tevens zes windturbines aanwezig.
Daarnaast grenst de locatie met de zuidgrens aan RWZI Dongemond. Een ondergrondse rioolleiding voor afvalwater loopt naar de RWZI en doorkruist het oostelijke puntje van het projectgebied.
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 32
figuur 14. Situering riolering RWZI
ymmammnma
3"320
H____ Dubbelbestemming J|. ■ ■ ■] Leiding - Riool
—X
•-=
x>
XX
x
I
/ N / 5.1,2,e
Va
X
X
X t X
>% . X X NN X >
X
X
XX X%3
X X
5
■X
X
X
X
x )
x
/
,: X, X x:X23 X X
A
X
XN
x
L x X
ƒ /A
>
X
> 7 /
X
r-X X,
*-
_L
Infrastructuur Diverse vormen van infrastructuur liggen binnen en rondom de projectlocatie. • Weginfrastructuur: Aan de noordzijde van het projectgebied is de A59 gesitueerd. Daarnaast wordt de locatie doorsneden door de centraal gelegen Hillenweg en wordt de westzijde van het plangebied begrensd door de Statendamweg. Vanaf de op- en afritten van de A59 is daarnaast een nieuwe ontsluitingsweg gelegen richting de Statendamweg. • Water: Langs de westzijde van het projectgebied is het Wilhelminakanaal gelegen. Dit kanaal wordt gebruikt voor binnenscheepvaart. Hier is tevens een waterkering gelegen, waarvoor de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ is opgenomen. Ten noordoosten ligt het water De Donge. Langs de oostzijde loopt het Kromgat. Ook hier is sprake van een waterkering met bijbehorende dubbelbestemming. • Hoogspanningsverbinding: op dit moment loopt direct ten oosten van de locatie een 150 kV hoogspanningsverbinding. Zoals uit paragraaf 2.9 is gebleken, heeft het Rijk het doel hier een 380 kV hoogspanningsverbinding te realiseren. • Buisleidingen: Langs de Statendamweg liggen diverse buisleidingen. Het gaat om een rioolleiding langs de westzijde van het plangebied, die van en naar de RWZI leidt. Eenzelfde leiding ligt aan de andere zijde van de RWZI, waar deze het meest zuidoostelijke puntje van het projectgebied doorkruist.
Aan de Statendamweg ligt, meer richting het zuiden, tevens een leidingstrook. De kortste afstand tot de dubbelbestemming ‘Leiding - Leidingstrook’ bedraagt ca. 700 meter. Het gaat hier onder andere om transport van brandstof via buisleidingen en een ondergrondse persleiding voor afvalwater. Ter hoogte van deze leidingstrook is tevens het tracé van de 'Structuurvisie buisleidingen 2012 - 2035’ gelegen. Het betreft een Rijksstructuurvisie in het kader van het Barro/Rarro. De leidingen binnen de leidingzone, liggen iets noordelijker ten opzichte van het tracé op basis van voornoemde structuurvisie.
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 33
3.2
Landschappelijke structuur
In het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” is informatie opgenomen over de landschappelijke structuur van de Oranjepolder. Daarvoor geldt dat het landschap in Oosterhout zich kenmerkt door open agrarische gebieden en agrarische coulisselandschappen. Door de ligging op de overgang van klei naar zand, komen in het buitengebied van Oosterhout vier landschapsstructuren voor. Dit zijn de zeekleizone, de randzone, de veenzone en de zandzone. De Oranjepolder valt binnen de zeekleizone. De kenmerkende onderdelen van de zeekleizone zijn de polders met kreken, killen en sloten en (in oorsprong) ook de afwezigheid van bebouwing. Van de oorspronkelijke structuur is weinig nog herkenbaar, omdat de kreken, killen, sloten en verkaveling totaal zijn veranderd door ruilverkavelingswerken, de polders doorsneden zijn met (grote) infrastructurele werken (de kanalen, haven, twee autosnelwegen) en omdat grote delen van de polders zijn bebouwd (Dommelbergen, Weststad). Samenhang tussen landschapsvormende elementen is er dan ook nog nauwelijks. Het Kromgat is een beeldbepalend element, waaruit de ontstaansgeschiedenis van het landschap zich laat aflezen. Voor het Wilhelminakanaal geldt dit niet; deze is uit een oogpunt van functionaliteit ontstaan (gegraven). Door de beplanting erlangs heeft het Wilhelminakanaal zich wel gevoegd in het landschap en is door zijn functie zeer structuurbepalend.
ASS dT ge
vdlc
AHm Jr a e t a
wS-pirpagN/ -”352
Stejhoven micken g> V' I * - np.Am • Gpqhi PReczienp’
• . o -' 44,". -eemèe
-ë
samKE-
Ezhc
1860a
2
M igu aakgae
eede
7)
1912, %
A
CF *
\
1960
ft
X ve=
-
\
Aan het verkavelingspatroon van de Oranjepolder is te zien dat het hier om een laag gelegen (van oorsprong zeer nat) gebied gaat, met als kenmerk veel sloten en smalle kavels. In de overige polders is het verkavelingspatroon zodanig veranderd, dat de samenhang met het natuurlijke systeem verloren is gegaan.
ah
5yk-e 1983 •
a"3
-)
—I Eeww
•
De polders tussen de rijksweg A27 en het Wilhelminakanaal, waaronder de Oranjepolder, missen de verre uitzichten wegens dominante structuren op de achtergrond of dichterbij in het blikveld, o.a. de bebouwingsrand van Dommelbergen, de waterzuiveringsinstallatie en het Wilhelminakanaal.
3.3
X(
— % W
k / -}o
-6 4
2017
l___
____ dl
Motivering locatiekeuze Energiepark A59
Het Energiepark wordt ingeklemd tussen de Rijksweg A59, de Statendamweg, het Kromgat en de rioolwaterzuiveringsinstallatie Dongemond (RWZI Dongemond). Voor deze plek is gekozen omdat het zonnepark ingesloten en verdiept ligt tussen infrastructuur, het bedrijventerrein Weststad III, het Wilhelminakanaal, de A59 en de RZWI Dongemond. Hiermee kan er een goede overgang ontstaan tussen infrastructuur en stedelijk gebied en het oostelijk gelegen natuurlijk landschap.
Aan het benoemen van de Oranjepolder als locatie voor het Energiepark A59 als geheel gaat een lange geschiedenis vooraf. Het Rijk en het Interprovinciaal Overleg (IPO) namens de provincies hebben begin 2013 afspraken gemaakt over het opstellen van 6.000 MW ‘Wind op land 2020’ en de verdeling van deze windopgave over de provincies. De Provincie Noord-Brabant heeft hierin een aandeel van 470,5 MW. In het Nationaal Energieakkoord (september 2013) is deze afspraak overgenomen door alle partijen. Per 1 januari
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 34
2015 hebben alle provincies de ruimte voor windenergie op land in ruimtelijke plannen vastgelegd. De provincies richten zich daarna op de gebiedsinpassing en vergunningverlening.
De opgave voor windenergie voor Oosterhout is onderdeel van de afspraken ‘Wind op land’ die in 2013 tussen provincies en het Rijk gemaakt zijn. Voor het plaatsen van een windpark zijn regels en voorwaarden gesteld. Door het Rijk zijn bijvoorbeeld richtlijnen afgegeven voor zoekgebieden voor de productie van energie uit zon en wind. Deze gebieden moeten zoveel mogelijk worden gecombineerd met bestaande infrastructuur. Windmolens zijn daarnaast gebonden aan wettelijke normen voor geluidshinder, radarverstoringen en slagschaduw, en aan overige wet- en regelgeving bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en natuur(bescherming). Als laatste moet het realiseren van de windmolens technisch mogelijk zijn en zijn beschikbare locaties afhankelijk van medewerking door grondeigenaren. Uiteindelijk zijn als mogelijke locatie voor de afspraken met de provincie twee locaties in beeld geweest; de Oranjepolder (Energiepark A59) en Industrieterrein Vijf Eiken. Deze laatste locatie is in die periode afgevallen vanwege de mogelijke radarverstoringen op het vliegverkeer die de windmolens daar zouden kunnen veroorzaken. De locatie Oranjepolder is geschikt bevonden omdat op deze locatie kan worden voldaan aan richtlijnen en wet- en regelgeving en een goede ruimtelijke ordening.
De windturbines in het Energiepark komen tevens te staan in het verlengde en nabijheid van de al aanwezige windturbines op Weststad en grootschalige bedrijventerreinen en bij bestaande infrastructuur als de A59. Bij het vaststellen van de ‘Routekaart Energietransitie 2019-2022’ is uitgebreid gesproken over grootschalige energieopwekking met zonneweiden. De gemeenteraad heeft aangegeven in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik zo min mogelijk (landbouw)gronden te willen benutten voor grootschalige zonneparken. Om die reden zijn, op voorstel van het College, slechts twee locaties benoemd als geschikt voor grootschalige zonneparken. In 2018 zijn 16 locaties, door marktpartijen aangedragen, voor de grootschalige productie van duurzame energie met zonnepanelen in de gemeente Oosterhout beoordeeld. Daarvan lagen er 11 rondom Oosteind (zes langs A27, drie ten noorden en drie ten zuiden van Oosteind), drie ten westen van Dorst, en één ten noorden van Oosterhout (Oranjepolder, Energiepark A59). Al deze locaties zijn door gemeente Oosterhout afgewogen op mogelijke effecten op de omgeving (onder meer gevolgen voor natuur, water, ruimtelijke ordening en historische betekenis). Ook zijn in deze beoordeling de richtlijnen van het Rijk betrokken dat deze locaties zoveel mogelijk moeten worden gecombineerd met bestaande infrastructuur.
Bij de Bavelse Berg is dat de A27, voor Oranjepolder zijn dat Weststad, de A59 en het Wilhelminakanaal. Zowel het gebied van het Energiepark A59, als dat van de Bavelse Berg, worden extensief gebruikt (agrarisch gebruik) en liggen op ruime afstand van woningen. Besloten is daarom door het gemeentebestuur de twee locaties Oranjepolder en naast de Bavelse Berg (Dorst) in de Routekaart energietransitie 2019-2022 te benoemen als geschikte locaties voor grootschalige opwekking van zonne-energie. Op 16 januari 2023 heeft een zitting plaatsgevonden bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, naar aanleiding van het ingestelde beroep door de Milieuvereniging Oosterhout. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 27 februari 2023 bepaald dat het locatieonderzoek/de alternatievenafweging niet volstaat als onderbouwing van de locatiekeuze. De rechtbank is van oordeel dat de keuze over waar binnen de gemeente een zonnepark mogelijk is, mede afhankelijk is van een afweging tussen mogelijke locaties. Dat een locatie niet ongeschikt is voor een zonnepark is derhalve niet genoeg; het college zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook moeten motiveren waarom die locatie meer geschikt is dan alternatieve locaties.
Van belang is dat het niet aan initiatiefnemer en ook niet aan de gemeente is om alternatieve locaties aan te dragen. Wel is het aan de gemeente om een locatieafweging te maken op basis van concreet voorhanden zijnde initiatieven. Enkel wanneer een aangedragen alternatief aanmerkelijk minder bezwaren kent kan gemeente anders doen besluiten. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2023:414) van 1 februari 2023, en uit de vaste jurisprudentielijn daaromtrent. De standaard overweging van de Afdeling is als volgt:
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 35
“Ten aanzien van de omgevingsvergunning geldt verder dat het college dient te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, zoals daarvoor vergunning is aangevraagd. Voorts geldt dat - indien een project op zichzelf aanvaardbaar is - het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren." Een alternatievenonderzoek dient dus gericht te zijn op: 1. Een concreet alternatief project (zoals een ingediende aanvraag om omgevingsvergunning) 2. Waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt 3. Én waar aanmerkelijk minder bezwaren tegen zijn.
Dergelijke initiatieven die voldoen aan de genoemde vereisten - lagen niet voor op het moment dat het oorspronkelijke besluit voor de realisatie van het zonnepark werd genomen. Desalniettemin is Movares door de gemeente gevraagd een onafhankelijk onderzoek uit te voeren, waarbij enerzijds een nieuw beleidskader voor de beoordeling van initiatieven voor zonneparken wordt opgesteld en waarbij tevens de twee huidige initiatieven worden beoordeeld in het licht van dit nieuwe beleidskader. Resultaten van dit onderzoek en het nieuwe beleidskader worden verwerkt in voorliggende rapportage wanneer beschikbaar. Vooralsnog worden de resultaten op 14 april 2023 verwacht.
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 36
4
Beleidskaders
4.1
Mondiaal en Europees beleid
4.1.1
Klimaatconferentie Parijs 2015
In december 2015 zijn (onder auspiciën van de Verenigde Naties) op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21) 195 landen akkoord gegaan met een nieuw klimaatverdrag dat de uitstoot van broeikasgassen moet terugdringen. De Europese Unie heeft dit verdrag ook mede ondertekend. Hieronder de belangrijkste punten uit het akkoord: • de gemiddelde temperatuur op de aarde mag niet meer dan 2 graden Celsius stijgen. Landen streven er naar de temperatuurstijging zelfs te limiteren tot maximaal 1,5 graden Celsius; • de partijen zullen zo snel mogelijk hun best doen om de uitstoot van broeikasgassen en schadelijke stoffen te verminderen in combinatie met de beschikbare techniek van dat moment. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen landen; • er is extra inzet nodig om negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te pakken en de hoeveelheid broeikasgassen terug te brengen zonder dat dit de voedselproductie in gevaar brengt; • alle partijen moeten financieel bijdragen aan het verlagen van de hoeveelheid broeikasgassen en onderzoek doen naar klimaatbestendige ontwikkelingen; • het verdrag is bindend en de landen verplichten zich het na te leven.
4.1.2
Europese doelstelling
Het Europese doel voor 2020 is om 20% van het totale energieverbruik duurzaam te realiseren, voor Nederland is dit vertaald in een doel van 14% in 2020. Dit is vastgelegd in de EU-richtlijn 2009/28/EG (2009). In juni 2011 presenteerde de EU de "Energieroutekaart 2050" als doorkijk naar 2050 en de in tussentijd te nemen stappen om te komen tot een verdere verduurzaming van de energiemarkt en een verdere CO2-reductie (80-95%). De EU-landen hebben in 2014 overeenstemming bereikt met betrekking tot een nieuwe duurzame energie doelstelling. In 2030 moet tenminste 32% van het energieverbruik van de Europese Unie duurzaam zijn opgewekt. Op 14 juni 2018 is er politieke overeenstemming bereikt waarin een bindende doelstelling ten aanzien van duurzame energieopwekking is vastgelegd.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 37
figuur 15. Afwegen met de NOVI. (Bron: Nationale Omgevingsvisie) ^I^ïSCHAppp,
0o," 4
TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN
prioriteiten
nationale belangen en opgaven
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
NATIONALE STRATEGISCHE KEUZES
k
GEBIEDSGERICHT MAATWERK
3
afwegingsprincipes
duurzaam economisch groeipotentieel
combineren boven enkelvoudig
sterke en gezonde steden en regio's
kenmerken & identiteit
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
afwentelen voorkomen
□
□
□
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentiee! Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeiing van het iandeiij'k gebied
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkeivoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwenteien voorkomen Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in de realisatie van duurzame energievoorziening voor de gemeente Oosterhout. Duurzame energie vormt een van de 21 nationale belangen zoals verwoord in het NOVI: “Reaiiseren van een betrouwbare, betaaibare en veiiige energievoorziening, die in 2050 CÖ2-arm is, en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur".
De rol van het Rijk uit zich onder meer in het vastleggen van doelstellingen voor de reductie van broeikasgassen en het stellen van voorwaarden en aanwijzen van gebieden voor energie-activiteiten, na afweging met andere belangen. De uiteindelijke uitvoering van projecten die gezamenlijk beantwoorden aan de landelijke doelstellingen op het gebied van energietransitie en CO2-reductie, is aan gemeenten, RES-
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 38
regio’s en provincies. Alleen wanneer een ontwikkeling zodanig van omvang is dat deze op grond van de Elektriciteitswet 1998 wordt aangemerkt als grootschalige ontwikkeling van nationaal belang, dient het Rijk aan te haken en is een Rijksinpassingsplan noodzakelijk. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien met een zonnepark een opgesteld vermogen van 50 MW of meer wordt gerealiseerd. Conclusie Het beoogde initiatief draagt bij aan de verwezenlijking van het nationale belang ten aanzien van de energietransitie. Gelet op het vermogen van onderhavige productie-installatie wordt de grens van 50 MW niet overschreden. Vanuit het decentralisatieprincipe wordt door de decentrale overheden verdere invulling aan het beleid gegeven. Dit beleid wordt in de navolgende paragrafen behandeld.
4.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Verschillende onderwerpen uit het Barro zijn nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). De verschillende nationale belangen en een toets van de ontwikkeling aan die belangen, is opgenomen in onderstaande tabel. tabel 1.
Toets aan Barro/Rarro
Titel
Nationaal belang Rijksvaarwegen
2.1
2.3
Project Mainportontwikkeling Rotterdam Kustfundament
2.4
Grote rivieren
2.5
Waddenzee en waddengebied
2.6
Defensie
2.2
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Relatie tot ontwikkeling Het westelijk gelegen Wilhelminakanaal betreft een Rijksvaarweg. Ten noorden van het projectgebied, op ruim 3,5 km afstand ligt de Amer, uitmondend in de Bergsche Maas. Via de Amertak, bereikt men in zuidelijke richting het Wilhelminakanaal, dat langs Oosterhout richting Dongen vaart. Langs al deze vaarwegen zijn vrijwaringszones opgenomen. Voor de vrijwaringszones langs het Wilhelminakanaal zijn de CEMT-klassen van belang. De breedte van de vrijwaringszone is afhankelijk van die classificatie. Voor het deel dat langs Oosterhout ligt, geldt klasse IV. Dit betekent dat een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijden van de vaarweg van toepassing is. Het projectgebied ligt op ruim 75 meter vanaf de vaarweg. Het Barro legt daarmee geen restricties op aan de ontwikkeling van het zonnepark langs deze vaarweg. Het projectgebied maakt geen deel uit van het project Mainportontwikkeling in Rotterdam. Het projectgebied is niet gelegen binnen gebieden aangewezen als kustfundament. Het kustfundament betreft uitsluitend de gehele westkust van Nederland. De projectlocatie is niet gelegen in of nabij een van de grote rivieren. De Volkerak ligt op een afstand van ca. 28 kilometer ten westen van het projectgebied. Ten noorden ligt de Bergsche Maas. De Bergsche Maas is aangewezen als reserveringsgebied voor de lange termijn voor de Maas.
De projectlocatie ligt op ruim 3,5 kilometer ten opzichte van het projectgebied. Titel 2.4 is daarom niet van toepassing. Het projectgebied maakt geen deel uit van het waddengebied en ligt niet in of nabij de Waddenzee. Deze titel is niet van toepassing op het project. In titel 2.6 van het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening mee gehouden moet worden. In de Regeling algemene regels
Pagina | 39
Hoofdwegen en landelijke spoorwegen
2.8
Elektriciteitsvoorziening
2.9
Buisleidingen van nationaal belang
2.10
Natuurnetwerk Nederland
2.11
Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
2.12
IJsselmeergebied
2.13
Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde
ruimtelijke ordening (Rarro) is daar uitvoering aan gegeven. Voor Oosterhout geldt dat op de Vrachelse Heide een oefenterrein van Defensie is gesitueerd. Daarnaast ligt een deel van Oosterhout binnen de geluidszones van de militaire vliegbasis Gilze-Rijen en ligt de gehele gemeente binnen een radarverstoringsgebied. Geen van deze onderwerpen vormen echter een belemmering of leveren extra beperkingen op aan de ontwikkeling van het zonnepark op Energiepark A59. De projectlocatie wordt deels begrensd door de A59. Aan de overzijde van het Wilhelminakanaal ligt daarnaast een spoorweg. De A59 is een weg van nationaal belang (Rijksweg). In het Rarro zijn gebieden reserveringsgebieden aangewezen ten behoeve van de mogelijke uitbreiding van hoofdwegen en spoorwegen, of de aanleg van nieuwe. Het projectgebied is niet gelegen ter plaatse een dergelijk reserveringsgebied. In het Barro worden vestigingsplaatsen aangewezen ten behoeve van de realisatie van grootschalige elektriciteitsopwekking. Grootschalige elektriciteitsopwekking vindt plaats wanneer sprake is van een vermogen van ten minste 500 MW. De projectlocatie is niet gelegen ter plaatse van een van de vestigingsplaatsen, waardoor het zonnepark de toekomstige ontwikkeling van een grootschalige elektriciteitsvoorziening niet belemmert.
Daarnaast betreft het project niet de realisatie van een elektriciteitsvoorziening met een (al dan niet gezamenlijk) vermogen van 500 MW, zodat niet wordt geraakt aan het nationale belang. Het projectgebied wordt doorkruist door een rioolpersleiding van het Waterschap Brabantse Delta. In de omgeving van het projectgebied liggen ook enkele buisleidingen. Deze leidingen zijn niet aangewezen als buisleiding van nationaal belang. Wel ligt globaal ten zuiden van het projectgebied, op een afstand van ca. 700 meter, een tracé in het kader van de nationale ‘Structuurvisie buisleidingen 2012 2035’. Hier is sprake van buisleidingen van nationaal belang. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de ruime afstand tot dit tracé, is geen sprake van een negatief effect op de buisleiding(en). Op grond van het Barro dienen provincies gebieden aan te wijzen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De provincie NoordBrabant hanteert hiertoe de term Natuurnetwerk Brabant NNB). Het NNB wordt besproken in zowel de provinciale beleidsparagraaf (4.3.4) als in paragraaf 5.11 met betrekking tot natuur. Van negatieve effecten is geen sprake. De projectlocatie overlapt voor een deel met de beschermingszones van in de nabijheid gelegen waterkeringen. Het gaat hier echter niet om primaire waterkeringen buiten het kustfundament. Dit onderwerp is daarmee niet van toepassing op dit project.
De ontwikkeling vindt niet plaats in of in de nabijheid van het IJsselmeergebied, of binnen de gronden die zijn aangewezen als uitbreiding van het IJsselmeergebied. Dit onderdeel is niet van toepassing. Van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, zoals de Stelling van Amsterdam of de Nieuwe Hollandse Waterlinie is geen sprake. Dit onderdeel is niet van toepassing op het project.
Relatie tot ontwikkeling Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.
4.2.3
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 40
overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 5, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld in het overkoepelende hoofdstuk Omgevingsaspecten. Voor de Ladder voor duurzame verstedelijking geldt het volgende.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Raad van State) blijkt dat voor de aanleg van een zonnepark het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig is. Dit omdat de ontwikkeling van een zonnepark niet als stedelijke ontwikkeling wordt getypeerd. Daarbij neemt de Raad van State in aanmerking dat een zonnepark zich bij uitstek niet goed leent voor realisatie binnen bestaand stedelijk gebied. Wanneer de Ladder van toepassing zou zijn op dergelijke ontwikkelingen, zou dit betekenen dat het bevoegd gezag telkens opnieuw dient te motiveren waarom de ontwikkeling niet binnenstedelijk plaats kan vinden. Dat is in het geval van een initiatief zoals voorliggende ontwikkeling, niet logisch. De Laddervoor duurzame verstedelijking hoeft daarom niet doorlopen te worden. Verwezen wordt naar de uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178. De nut en noodzaak van het project zal evenwel blijken uit de navolgende beleidsparagrafen. 4.2.4
Energieakkoord voor duurzame groei
In 2013 hebben in totaal 47 veertig organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging, natuuren milieuorganisaties, andere maatschappelijke organisaties en financiële instellingen zich verbonden aan het Energieakkoord voor duurzame groei. Daarin is vastgelegd dat in 2020 14% van alle energie duurzaam moet zijn opgewekt met een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023. In het akkoord zijn tien pijlers opgenomen die moeten leiden tot een duurzame energieopwekking. Het opschalen van hernieuwbare energieopwekking vormt als tweede pijler onderdeel van het programma. Het versnellen van de productie is nodig omdat Nederland met een aandeel van 4% achterloopt op de rest van Europa. Een intensieve inzet op verschillende bronnen van hernieuwbare opwekking is daarom noodzakelijk. De lokale opwekking van energie, zoals zonne-energie, vormt daarbij één van de mogelijkheden, die eventueel gecombineerd kan worden ingezet met andere vormen van energieopwekking. Relatie tot ontwikkeling Het beoogde zonnepark maakt onderdeel uit van het Energiepark Oranjepolder, waarin de toepassing van zonne- en windenergie gecombineerd worden ingezet. Met de jaarlijkse productie uit een installatie van ca. 49,5 MWp (onderdeel zon), kunnen ongeveer 17.000 huishoudens worden voorzien van duurzame stroom. Het zonnepark draagt daarom bij aan de doelstellingen de energieproductie op te schalen.
4.2.5
Energierapport 2016 Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Vanuit het Klimaatakkoord van Parijs is op mondiaal niveau afgesproken dat vanaf 2050 sprake moet zijn van klimaatneutraliteit. Dat betekent dat er een balans moet zijn tussen de uitstoot en vastlegging van broeikassen. Gelet daarop is het nodig de nodige inspanningen te leveren de Europese afspraken voor 2020, 2030 en 2050 na te leveren, evenals de afspraken uit het hiervoor besproken Energieakkoord. Het Energierapport geeft daarom een integrale visie op de toekomstige energievoorziening van Nederland en geeft aan dat Nederland de broeikasgassen drastisch terug dient te dringen.
De Nederlandse energiehuishouding moet duurzamer en minder afhankelijk worden van eindige fossiele brandstoffen. Het kabinet wil onder meer de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 80-95% terugdringen op Europees niveau. Op dit moment is Nederland voor onze energievoorziening nog voor bijna 95% afhankelijk van fossiele brandstoffen. De energietransitie heeft alleen kans van slagen als vroegtijdig en zorgvuldig het gesprek wordt aangegaan met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties over de ruimtelijke inpassing van productie, opslag en transport van energie. Zoveel als mogelijk moet gezamenlijk de afweging plaatsvinden tussen de bijdrage
Mees Ruimte & Milieu | 21433
Pagina | 41
van een initiatief aan de energievoorziening en de overlast of risico's die dit voor omwonenden met zich meebrengt. Dit wordt de ‘energiedialoog’ genoemd.
Relatie tot ontwikkeling Binnen Energiepark A59 wordt een zonnepark opgericht dat met een oppervlakte van ca. 37 ha een opgesteld vermogen realiseert van ca. 49,5 MWp. De daarmee op te wekken duurzame energie levert een CO2-reductie van ongeveer 28.000 ton op jaarbasis op. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Het genoemde energiedialoog vindt in dit geval plaats middels een omgevingsdialoog. Deze vorm van participatie heeft parallel aan het proces van planontwikkeling plaatsgevonden. Verwezen wordt naar hoofdstuk 5, waar onder andere de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan wordt gemotiveerd. Ook de resultaten uit het omgevingsdialoog komen hierin aan bod.
4.2.6
Nationaal Klimaatakkoord
Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2-uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Verschillende sectoren (sectortafels gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en elektriciteit) denken mee over concrete plannen. Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd. Tevens wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik.
Relatie tot ontwikkeling Met de realisatie van het zonnepark wordt de productie van zon op land verder uitgebreid. Met een vermogen van ca. 49,5 MWp komt de productie weer een stapje dichterbij de noodzakelijke 35 TWh voor zonne-energie. Het park kent daarnaast een efficiënte benutting van de ruimte, doordat zonne- en windenergie gecombineerd worden ingezet. Het zonnepark houdt in de uitvoering en ontwikkeling rekening met de plaatsing van de windturbines van Eneco. Meervoudig ruimtegebruik is daarnaast ook terug te zien in de toe te passen maatregelen ter versterking van de biodiversiteit ter plaatse. De ontwikkeling is daarmee in lijn met het Nationaal Energieakkoord.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Energieagenda Noord-Brabant 2019 - 2030
De Energieagenda Noord-Brabant 2019-2030 (Energieagenda 2030) omschrijft de te varen koers ten aanzien van energietransitie vormt met enkele leidende principes de leidraad voor het handelen van de provincie. Dit met het doel om in 2050 in Brabant 100% duurzame energie en een reductie van 90% van de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990 te bereiken. Hiervoor is, ook op weg naar 2030, een wezenlijke verandering noodzakelijk. Om flexibel te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden en behoeften van partners, zet de provincie in op hoofdlijnen, en niet op een blauwdruk van projecten en maatregelen. Om de Brabantse energietransitie te realiseren, volgt de provincie de strategische lijnen die in de Energieagenda 2019-2030 zijn uitgezet: