CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Geredigeerd bijlage 5-14 - Natuurtoets

Raadsvergadering 23 mei 2023, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Bespreekstuk: ZN1014386 raadsvoorstel herstelbesluit zonnepark A5915.111 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dietz, C., O von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur.

Floron, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. Janssen, J.A.M. & J.H J. Schaminée, 2003. Europese natuur in Nederland. Habitattypen. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Janssen, J.A.M. & J.H J. Schaminée, 2004. Europese natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Knaap, F.N.M. van der, 2018. Zonnepanelenpark te Oosterhout. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport QS2018-086. Van der Goes en Groot, Kwintsheul. Krijgsveld, K.L., R.R. Smits & J. van der Winden, 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Bureau Waardenburg bv, Vogelbescherming Nederland. Krijgsveld, K.L., S.M.J. van Lieshout, J. van der Winden & S. Dirksen, 2004. Verstoringsgevoeligheid van vogels. Literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Bureau Waardenburg bv, Vogelbescherming Nederland. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. Meijer, R.G., J.P. Dwarshuis, & K.R. Piening, 2018. Wat horen vleermuizen van door mensen geproduceerde geluiden? Lutra, Journal of the Dutch Mammal Society, 61:2 297-320, december 2018. Molenaar, J.G. de, 2003. Lichtbelasting. Overzicht van de effecten op mens en dier. Alterra-rapport 778, Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte, Wageningen.

Neumann, F. & H.E. Woldendorp (red.), 2003. Praktijkboek Habitattoets. Praktische leidraad voor de toepassing van natuurbeschermingswetgeving bij projecten in Nederland en Vlaanderen. Sdu Uitgevers, Den Haag. Roomen, M.W.J. van, A. Boele, M.J.T. van der Weide, E.A.J. van Winden & D. Zoetebier 2000. Belangrijke vogelgebieden in Nederland, 1993-97. Actueel

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

39

overzicht van Europese vogelwaarden in aangewezen en aan te wijzen speciale beschermingszones en andere belangrijke gebieden. SOVONinformatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, BeekUbbergen. Scharringa, C.J.G., W. Ruitenbeek & PJ. Zomerdijk, 2010. Atlas van de NoordHollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. Schoonbrood, R.F.H., 2022. 07119-53742-02 Zonnepark Energiepark A59; stikstofdepositie aanlegfase. Cauberg Huygen B.V., februari 2022. Sovon Vogelonderzoek Nederland 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. Twisk, P., A. van Diepenbeek &J.P. Bekker, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl .

Wardenaar, KJ., Kalogeropoulou, N. & Acuna, P, 2020. Landschappelijk inpassingsplan. Smartland Landscape Architects, december 2020.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

40

9

Bijlagen

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Bijlage 1.1 Wet Natuurbescherming (Wnb) De Wet Natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd.

In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat "een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijker­ wijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voor­ komen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken."

Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn.

Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de 'andere soorten'. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de 'vrijgestelde soorten'. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Tabel 3.

Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld.

DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZH

Zoogdieren Aardmuis

Bosmuis* Bunzing Dwergmuis

Dwergspitsmuis .1

Eekhoorn Egel

Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn

Huisspitsmuis *

Konijn

Ondergrondse woelmuis Ree

Rosse woelmuis 2

Steenmarter

Tweekleurige bosspitsmuis

Veldmuis

Vos

Wezel Wild zwijn

Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker

Gewone pad 3

Hazelworm

Kleine watersalamander Levendbarende hagedis

4

Meerkikker

Bastaardkikker

*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +l:geldt in de periode maart-april en juli t/m november

+2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

ZL

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

Bijlage 1.2.2

Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn:

1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen 'andere soorten' opzettelijk te doden ofte vangen1.

2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen ofte beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen.

4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatricht­ lijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als 'andere soorten' (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied op­ zettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 1.2.3

Ontheffingsmogelijkheid

Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaats­ vindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden over­ treden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goed­ gekeurde gedragscode.

De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden be­ oordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de

Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de

Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke

verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voorde ingreep of de locatie daarvan.

Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: * in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. * in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. * ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: * ter bescherming van flora en fauna. * in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Andere soorten Ontheffing is nodig: * ter bescherming van flora en fauna. * in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. * in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. * ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.

Bijlage 1.2.5

Broedvogels

Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaats­ vinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk.

Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van 'vaste rust- of verblijf­ plaatsen' en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën 'jaarrond beschermde broedvogels', categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

Kader: Vogelsoorten

Soort

met jaarrond

Boomvalk

4

Vogelsoorten waarvan de nesten in

beschermde nesten en bijbehorende

Buizerd

4

principe jaarrond zijn beschermd met

Gierzwaluw

2

categorie.

Grote gele kwikstaart

3

beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het

Havik

4

broedseizoen het nest gebruiken als vaste

Huismus

2

rust- of verblijfplaats,

Kerkuil

3

2 = koloniebroeders die elk broedseizoen

Oehoe

3

op dezelfde plaats broeden en die daarin

Ooievaar

3

zeer honkvast zijn of afhankelijk van

Ransuil Roek

4 2

bebouwing of biotoop, 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats

Categorie Toelichting codes

Slechtvalk

3

broeden en die daarin zeer honkvast zijn of

Sperwer

4

afhankelijk van bebouwing,

Steenuil

1

4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in

Wespendief

4

staat zijn een nest te maken.

Zwarte wouw

4

De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken!

Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een 'omgevingscheck' is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provin­ cie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met 'bijzondere' vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als 'zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen'.

Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goed­ gekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogel­ soorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de 'andere soorten'.

Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschap­ pelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1

Natura 2000

Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.svnbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0

Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel 'Habitattoets' genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een 'passende beoordeling'. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de 'Habitattoets' blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, beoordeelt het bevoegd gezag of deze negatieve gevolgen in het licht

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

van de instandhoudings-doelstellingen aanvaardbaar zijn (zie verder Bijlage 1.6 en 1.7). Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de 'externe werking'. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.

Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op 'wezenlijke kenmerken en waarden', het NNN kent geen toetsing op 'externe werking'. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 1.4.2

Overige natuurwetgeving

Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de 'weidevogelleefgebieden' van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.

Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 5 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

Figuur 5.

Zie Bijlage 1.2.1

Komen er beschermde soorten voor in het gebied?

Stappenplan procedure

U

ecologisch onderzoek en ontheffing 2

Nee

Geen ontheffing nodig

Zie Bijlage 1.2.2

Worden de verbodsbepalingen overtreden?

Geen ontheffing nodig

3

la

Geen ontheffing nodig

4a

Is er een alternatieve oplossing mogelijk?

Doorloop het stappenplan opnieuw met het alternatief

4b

Zie Bijlage 1.2.3

Vallen de handelingen onder een vrijstelling?

la

Nee

Zie Bijlage 1.2.3

Is er sprake van een wettelijk belang?

Nee

4c

D Geen ontheffing mogelijk

Is er een effect op de staat van instandhouding?

Geen ontheffing mogelijk

la

Ontheffing onder voorwaarden mogelijk

Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: • Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatieven­ studie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

* Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevings­ vergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen.

Het is ook mogelijk 'aan te haken' bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de 'Wet algemene bepalingen omgevingsrecht' (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat 'Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten'. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden.

De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een 'Verklaring van geen bedenkingen' (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedrags­ codes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

Bijlage 1.6 Europese wetgeving Bijlage 1.6.1

Habitatrichtlijn

De Habitatrichtlijn (HRI) wordt algemeen beschouwd als de richtlijn waarin de bepalingen van de Conventie van Bern (1979, in werking 1982) in het Europees Gemeenschapsrecht zijn omgezet. Hij heeft zowel een gebiedsbeschermend doel als een doel met betrekking tot soortbescherming. Gebiedsbescherming De Habitatrichtlijn is gericht op de realisatie van een coherent Euro­ pees ecologisch gebiedennetwerk, het zogenaamde Natura 2000netwerk. Hiervoor dienen de EU-landen in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aan te wijzen, soms in combinatie met Vogelrichtlijngebieden (zie Bijlage 1.6.2). Als speciale beschermingszones worden alleen gebieden aangewezen met natuurlijke vegetaties (habitats) genoemd in Bijlage I van de Habitatrichtlijn en/of de leefgebieden van diersoorten die zijn genoemd in Bijlage II (zie kader).

De aanwijzing van gebieden als speciale beschermingszone heeft een aantal gevolgen. Zo dienen de EU-landen maatregelen te treffen zodat de natuurlijke vegetaties (habitats) en/of de leefgebieden van de te beschermen soorten zich verder kunnen ontwikkelen. Binnen de aangewezen gebieden kunnen plannen of projecten die 'signifi­ cante gevolgen' op deze ontwikkeling hebben alleen worden toe­ gestaan indien ze een dwingende reden van groot openbaar belang vertegenwoordigen en indien is aangetoond dat voor het plan of project in kwestie geen alternatief is. Bovendien moeten als vergoe­ ding voor de natuurwaarden die worden aangetast, compenserende maatregelen worden getroffen om de samenhang van het Natura 2000-netwerk te waarborgen. Soortbescherming De Habitatrichtlijn beschermt soorten die voorkomen in Bijlage IV. In deze Bijlage zijn soorten opgenomen waarvoor geen verplichting geldt om hun leefgebied als speciale beschermingszone aan te wijzen maar die wel op een andere wijze bescherming behoeven. Zo dienen de EU-landen voor deze soorten onder meer een verbod in te stellen op de beschadiging of de vernieling van hun voortplantings-, groei­ en rustplaatsen en moet een verbod gelden op het vangen, vernielen en doden van deze planten en dieren.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

Kader Bijlagen van de

Bijlage Bijlage I

Habitatrichtlijn.

Omschrijving In deze bijlage staat een lijst met beschermde vegetaties (habitats)

waarvoor Habitatrichtlijngebieden worden aangewezen. In Nederland gaat het om 52 habitattypen, waarvan 11 prioritaire typen met een zwaarder beschermingsregime. Bijlage II

In deze bijlage staat een lijst met 50 diersoorten en 5 plantensoorten waarvoor beschermde gebieden moeten worden aangewezen In Nederland betreft het 36 soorten.

Bijlage III

Deze bijlage geeft diverse wetenschappelijke selectiecriteria voor de

onderlinge beoordeling van mogelijke beschermingszones. Deze criteria hebben vooral te maken met de mate van representativiteit,

de oppervlakte, de mate van instandhouding en de herstelmogelijk ­ heden van de habitattypen.

Bijlage IV In deze bijlage staat een lijst met 87 diersoorten en 4 plantensoorten

waarvoor de lidstaten beschermingsmaatregelen moet nemen. Bijlage V

In deze bijlage staat een lijst met 43 plantensoorten en 19 diersoorten waarvoor exploitatie en onttrekken aan de natuur -indien nodig- moet worden gereguleerd.

Bijlage 1.6.2 Vogelrichtlijn

De Vogelrichtlijn (VRL) verplicht de lidstaten van de Europese Unie de instandhouding te garanderen van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Europese verdrag van toepassing is.

Artikel 4 van de Vogelrichtlijn bevat, net als de Habitatrichtlijn, de verplichting tot het aanwijzen van zogenaamde speciale bescher­ mingszones. Deze 'Vogelrichtlijngebieden' beschermen in Nederland 95 vogelsoorten (van Bijlage I van de richtlijn). Vogelrichtlijngebieden zijn vervolgens, vaak samen met Habitatrichtlijngebieden, ingevoegd in het Natura 2000-netwerk.

Bijlage 1.7 Landelijk: Wet Natuurbescherming Bijlage 1.7.1 Algemeen

In deze wet is de bescherming van gebieden en soorten geregeld en zijn ook de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn uitgewerkt. De wet kent verschillende typen gebieden, waarbij alleen het eerste door de Minister van EZ wordt aangewezen en de overige door gedeputeerde staten (art. 1.12, 2.1, 2.11):

* Natura 2000-gebieden: opnieuw begrensde samenstelling van Vogel-en Habitatrichtlijngebieden, 162 gebieden in Nederland. * Bijzondere nationale natuurgebieden, (1) opgenomen in natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen ecologsiche hoofdstructuur), (2) voorgedragen Natura 2000-gebieden die nog niet op de communautaire lijst geplaatst zijn, (3) compensatiegebieden buiten de Natura 2000-begrenzing en (4) gebieden die nodig zijn

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

voor de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebie­ den voor vogels (VRL bijlage I plus 'trekvogels') of het behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V). * Bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen: buiten NNN, ander beschermingsregime; o.a. voor het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhou­ ding van soorten van de Rode Lijsten (art. 1.12, lid 1, onderdeel c).

De Minister stelt een nationale natuurvisie vast (art. 1.5), waarin o.a. aandacht wordt besteed aan (lid 3, onderdeel a) het behoud en zonodig herstel van een gunstige staat van instandhouding van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren en planten en de in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats en habitats van soorten; daarnaast ook aan (lid 4) Rode lijsten en aan (lid 5) instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten.

Het aanwijzingsbesluit voor Natura 2000-gebieden (art. 2.1) omvat de instandhoudingsdoelstellingen en de begrenzing van het gebied (in de vorm van een kaart met een toelichting).

Gedeputeerde staten zorgen ervoor dat, gelet op de instandhou­ dingsdoelstellingen voor de onderscheiden gebieden, instandhoudingsmaatregelen getroffen worden die beantwoorden aan de ecologische vereisten van leefgebieden van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten en de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats en de soorten (HRI bijlage II) die in die gebieden voorkomen. Ook treffen zij passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van de habitatrichtlijn een significant effect zouden kunnen hebben (art. 2.2). Hiertoe stellen zij een beheerplan vast (art. 2.3) en kunnen zij ver­ plichtingen opleggen aan degenen die een handeling verrichten en bij verordening regels opstellen voor categorieën van handelingen of de toegang beperken of zelf handelingen (laten) verrichten (artt. 2.42.6). Projecten en handelingen die zijn beschreven in het beheerplan (zoals het bestaande gebruik) en in genoemde provinciale verordening zijn niet vergunningplichtig; voor deze activiteiten is de in de volgende paragraaf beschreven beoordeling al uitgevoerd (art. 2.9, lid 1-4). Bijlage 1.7.2

Beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen "Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan" bepaalde voorwaarden (art. 2.7, lid 1).

"Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied" (art. 2.7, lid 2). Voor bovengenoemde plannen en projecten (ook buiten een Natura 2000-gebied) met significante gevolgen of significant verstorende effecten maken het bestuursorgaan resp. de aanvrager van de vergunning een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied (art. 2.8, lid 1).

Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (art. 2.8, lid 3). Als die zekerheid niet kan worden verkregen, moet voldaan zijn aan elk van de volgende voorwaarden (art. 2.8, lid 4):

a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan of project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

De voorwaarden zijn nog strenger wanneer er significante gevolgen kunnen zijn voor een prioritair type natuurlijke habitat of een priori­ taire soort. In plaats van punt b hierboven geldt dan dat het nodig is vanwege (art. 2.8, lid 5): d. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of e. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Significantie Gevolgen zijn 'significant' wanneer de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied op lange termijn niet gerealiseerd kunnen worden.

Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort dan wel de kwaliteit van een

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, kan sprake zijn van significante gevolgen. Bijlage 1.7.3

Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming (artikel 2.1 lid 4) beschrijven de doelen voor de instandhouding van leefgebieden, natuurlijke habitatsen populaties in het wild levende plant- en diersoorten, zoals vereist door de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Deze natuurwaarden moeten in een gunstige staat van instandhouding gebracht of gehouden worden. De 'staat van instandhouding' van een natuurlijke habitat wordt als 'gunstig' beschouwd wanneer:

* het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en * de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en * de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is. De 'staat van instandhouding' voor een soort wordt als 'gunstig' beschouwd wanneer:

* uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en * het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en * er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.

Beschermde natuurmonumenten Bij Beschermd Natuurmonumenten gaat het om de wezenlijke kenmerken (natuurschoon, natuurwetenschappelijke betekenis, dieren en planten) die in het aanwijzingsbesluit zijn vermeld en of handelingen schadelijk kunnen zijn en deze wezenlijke kenmerken aantasten. Bijlage 1.7.4 Externe werking Zowel projecten en andere handelingen in- als buiten een Natura 2000-gebied kunnen vergunningplichtig zijn. De wet kent namelijk de externe werking. Dit houdt in dat als een activiteit, die buiten een beschermd gebied plaats zal vinden, negatieve gevolgen kan hebben voor dat gebied, deze beoordeeld moet worden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

Bijlage 1.7.5

Bestaand gebruik Onder bestaand gebruik dient te worden verstaan: "gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag". Voor bestaand gebruik is in principe geen vergunning benodigd. Bestaand gebruik is echter niet vergunningsvrij als sprake is van een project met mogelijk significante effecten voor een Natura 2000-gebied.

Bijlage 1.7.6

Crisis- en herstelwet

Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet in werking getreden. Op 5 juli 2013 is deze voor het laatst gewijzigd en op enkele kleine punten aangepast. Eén van de maatregelen uit de Crisis- en herstelwet zijn wijzigingen van de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Deze wijzigingen hebben als doel om de wet in de praktijk beter hanteerbaar te maken zonder afbreuk te doen aan de beoogde doelen van de wet. Zo wordt in de wet onder andere 'bestaand gebruik' geregeld. Verder is een nieuwe regeling ingevoegd over hoe om te gaan met stikstofdepositie, de 'PAS' (zie hierna, Bijlage 1.7.7) en wordt voorzien in een verlicht beschermingsregime voor beschermde natuurmonumenten en voor de oude doelen van Natura 2000. Naast deze veranderingen regelt de wet nog een aantal zaken omtrent de procedurele werking van de voormalige NB-wet. Bijlage 1.7.7

Stikstof Al jaren is er in veel Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstofdepositie, veroorzaakt door landbouw, verkeer en overige menselijke activiteit. Dit is schadelijk voor de natuur en het belemmert vergunningverlening voor economische activiteiten. Vanwege een uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 kan niet meer gebruik gemaakt worden van automatische vergunningverlening op grond van de voorheen geldende drempelwaardes voor stikstofdepositie. Aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve gevolgen kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.

Om de depositie van het project te berekenen moet de meest recente versie van de rekentool 'Aerius' (AERIUS 2020) worden gebruikt. Als de projectbijdrage op de meest nabijgelegen 'stikstofgevoelige habitattypen' hoger is dan een berekende 0,005 mol/ha/jaar zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Bijlage 1.7.8

Spoedwet aanpak stikstof Sinds 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof van kracht. Belangrijke verandering in de wet is dat geen vergunningplicht meer geldt voor "andere handelingen". Ook is artikel 2.7 van de Wnb in die

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

zin aangepast dat indien uit een voortoets kan worden afgeleid dat als gevolg van een project significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten geen vergunningplicht geldt.

Daarnaast maakt de Spoedwet aanpak stikstof het mogelijk om drempelwaarden in te voeren, om bij ministeriële regeling een stikstofregistratiesysteem in te voeren en biedt de Spoedwet de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan veevoer om zodoende via deze route de stikstofdepositie als gevolg van veevoer te verminderen. Bijlage 1.7.9

Wet en Besluit stikstofreductie en natuurverbetering

Sinds 1 juli 2021 is de 'Wet stikstofreductie en natuurverbetering' en het 'Besluit stikstofreductie en natuurverbetering' van kracht. Deze wet regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben, in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen.

Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. Dat betekent bijvoorbeeld dat nog steeds een natuurvergunning nodig kan zijn voor stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door verkeer op een aan te leggen weg. Bijlage 1.7.10 Vergunningverlening Wanneer plannen bestaan om een project in- of rond een Natura 2000-gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegd gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt.

Voor het uitvoeren van projecten in of nabij beschermde gebieden is vaak een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming nodig. De hoofdvraag is of er een kans op significant negatieve gevolgen bestaat. Dat is het geval als op grond van objectieve gegevens niet valt uit te sluiten dat het project significante gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het gebied. Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk: * Wanneer uit een voortoets kan worden afgeleid dat als gevolg van een project geen significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied optreden betekent dit dat geen vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming nodig is. * Er is kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening (artikel 2.7 lid 2) aan de orde is. Omdat er

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

Natuurtoets zonnepark te Oosterhout

kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist (artikel 2.8 lid 1). Uit dit onderzoek, waarbij ook cumulatieve effecten moeten zijn meegenomen, kan blijken (1) dat er geen kans is op een negatief effect. In dat geval wordt de vergunning verleend. Ook kan blijken dat (2) er kans is op een aanvaardbaar negatief effect. In dat geval wordt de vergunning verleend onder voorschriften/beperkingen. Wanneer de gevolgen (3) inderdaad significant blijken te kunnen zijn moet aangetoond worden dat er geen alternatieven zijn, dat er een dwingende reden van groot openbaar belang is en dat voorzien is in compensatie.

De aanvrager moet in de vergunningaanvraag zijn belang bij het verlenen van de vergunning motiveren. Binnen dertien weken na datum van ontvangst wordt beslist of de vergunning verleend wordt, of dat de termijn eenmalig met dertien weken wordt verlengd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-242

hlëii

:2, g

z

0

w".h

* Pe

"3

et”

2eu -9

s- “e — 3 •

‘6

"ë •a g

NB

e 340 /

012

' F e

IVi H

-

2

7" H

,c

2 I u-g

9

e

. Ah 82

,3

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

5.1,2,e 5.1,2,e

5.1,2,e 5.1,2,e

424 Bb

M

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=83c13477-01d6-42fa-9a31-802ec0f32e68