CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3 regels en toelichting ontwerpbestemmingsplan Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)

Raadsvergadering 31 januari 2023, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Raadsvoorstel ZN364078 Vaststelling bestemmingsplan "Oosterhout Zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)"29.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De bijbehorende parkeernormen zijn hieronder weergegeven: 1,7 pp/woning (goedkoop appartement huur) 2,1 pp/woning (duur appartement koop/huur) 0,7 pp/woning (zorgappartementen) Volgens deze parkeernormen en het programma zoals beschreven in paragraaf 2.3 komt de totale parkeerbehoefte van het plan neer op 296 parkeerplaatsen. De gehele parkeerbehoefte kan op eigen terrein gerealiseerd worden. Hiermee wordt dus voldaan aan het geldend parkeerbeleid. In het voorliggende bestemmingsplan is daarnaast in artikel 13.2 een relatie gelegd met het gemeentelijke parkeerbeleid. Hierdoor moet het bevoegde gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten en/of uitbreiden van een gebouw en in het geval van een functiewijziging van een gebouw en/of gronden toetsen aan de 'Nota Parkeernormen 2019'.

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

27

3.4.5

Archeologie en cultuurhistorie

3.4.5.1 Beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie In de beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie, welke op 20 januari 2009 is vastgesteld, is het gemeentelijk beleid voor de periode 2008 – 2018 op het gebied van cultuurhistorie vastgelegd. Het doel van de beleidsnota is het betrekken van cultuurhistorie bij planvorming, zodat archeologische vindplaatsen en cultuurhistorisch waardevolle structuren niet langer verloren gaan. Centraal in de beleidsnota staat, in lijn met de Nota Belvedere, de opvatting dat bescherming van cultuurhistorisch erfgoed en dynamiek in de ruimtelijke inrichting prima samen kunnen gaan ('behoud door ontwikkeling'). De nota geeft daarnaast een eerste aanzet om te komen tot een gemeentelijk archeologiebeleid. In de nota is vastgelegd hoe de monumenten, archeologie en cultuurhistorische waarden kunnen worden beschermd, ontwikkeld en zichtbaar gemaakt. Cultuurhistorie dient als volwaardig belang te worden meegenomen bij ruimtelijke inrichtingsplannen. Cultuurhistorische waarden hoeven hierbij niet altijd doorslaggevend te zijn, maar de kansen die cultuurhistorie biedt, moeten reeds in een vroeg stadium worden meegewogen in de planvorming.

3.4.5.2 Erfgoedkaart Om de aanwezige cultuurhistorische waarden (monumentale gebouwen, archeologische terreinen, cultuurhistorische landschapselementen en historische stedenbouwkundige structuren en infrastructuur) in beeld te brengen, is een gemeentelijke erfgoedkaart vervaardigd, die met name een signalerende functie heeft. Hierdoor wordt een integrale afweging mogelijk. Op basis van de erfgoedkaart, kunnen cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle gebieden in bestemmingsplannen een passende regeling krijgen. Er dient tevens omschreven te worden dat op basis van de Erfgoedkaart een vigerend gemeentelijk archeologiebeleid is vastgesteld (Erfgoedverordening met archeologische beleidskaart). De onderdelen archeologie en cultuurhistorie zijn verder behandeld in paragrafen 4.11 en 4.12. 3.4.6

Water

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Hierin zijn de verantwoordelijkheden vastgelegd ten behoeve van afval-, hemel- en grondwater. In grote lijnen betekent dit dat de gemeente een ontvangstplicht heeft van afvalwater (vervuild water) en een zorgplicht voor grond- en hemelwater. Daarnaast hebben de individuele perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater en het verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel. De gemeenteraad heeft een water- en rioleringsplan vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente omgaat met alle waterstromen binnen de gemeente en de zorgplichten vanuit de Waterwet. De belangrijke uitgangspunten in het water- en rioleringsplan voor het water in Oosterhout zijn: schoon water schoon houden, handhaving van de waterkwaliteit en waar noodzakelijk verbeteren, voldoen aan de normen voor volksgezondheid en veiligheid en ontwikkeling van natuur in en om het water waar mogelijk. Bovenstaande betekent dat de verschillende vormen van grondgebruik afgestemd moeten worden op de aanwezige watersystemen. Dit met een toekomstgerichte aanpak/doorkijk met name op het gebied van het klimaat. Intensievere regenbuien kunnen enorme wateroverlast veroorzaken en de in het gemeentelijk grondgebied aanwezige grondwaterwinning voor de drinkwaterproductie kunnen vervuild raken door lozingen van schadelijke stoffen.

Ook hiervoor is aandacht binnen het water- en rioleringsplan. De landelijke voorkeursvolgorde infiltreren-bergen-afvoeren wordt daarom in de Gemeente Oosterhout ook aangehouden om schade bij regenwateroverlast en periodes van droogte te voorkomen of toch in ieder geval te beperken. Waarbij rekening gehouden moet worden met de onderstaande regenbuien als norm: Bij 40 mm regen per uur geen water op straat vanuit ondergrondse voorzieningen (infiltratiekratten,

28

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

waterbergende funderingen, enzovoort) Bij 70 mm regen per uur geen inundatie vanuit open voorziening (wadi, sloot, enzovoort) Bij nieuwbouw geldt dat alle afvoerend verhard oppervlak (inclusief oppervlak van een open voorziening) meetelt in de te verwerken hoeveelheid regenwater. Dit ongeacht de hoeveelheid bestaand verhard oppervlak. Afvalwaterverordening Om aan de beleidsdoelstellingen te voldoen zijn er uitgangspunten, normen en regels nodig. In de afvalwaterverordening staat welke regels en normen er gelden voor het lozen van afvalwater en het aansluiten op een vuilwaterriool. Alle percelen waarop afvalwater vrijkomt worden aangesloten op het openbaar riool. Per woning of bedrijfspand wordt er in principe één perceelaansluiting voor afvalwater aangelegd. In de Wet Milieubeheer staat dat de gemeente een inzamelplicht heeft van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsmatig afvalwater valt hier niet onder. De gemeente wil bedrijven echter wel faciliteren mits het voldoet aan enkele voorwaarden. Bedrijfsmatig afvalwater mag worden afgevoerd naar het openbaar riool mits de samenstelling van het te lozen water overeenkomt met huishoudelijk afvalwater en de afvoercapaciteit van het gemeentelijk riool voldoende is. In het geval van nieuwbouw of bij toename van de afvoercapaciteit kan een bergingsvoorziening voorgeschreven worden.

Ook is in de afvalwaterverordening de procedure voor het aanvragen van een aansluiting op het gemeentelijk riool vastgelegd. Hierbij zal ook een toets plaatsvinden op de vastgelegde normen en regels, alvorens door de gemeente (maar op kosten van aanvrager) wordt aangesloten op het gemeentelijk riool. Voor een verdere uitwerking en onderbouwing ten aanzien van afvalwater wordt verwezen naar de waterparagraaf in de bijlagen. 3.4.7

Groen

In Oosterhout is in de woonbuurten per woning gemiddeld 115m2 openbaar groen aanwezig. Op basis van dit gemiddelde kan worden gesteld dat Oosterhout een groene gemeente is. Omdat Oosterhout een groene gemeente wil blijven, streeft de gemeente Oosterhout naar een gemiddelde norm van 115m² openbaar groen per woning in de woonbuurten en kernen. In het politiek akkoord is het groene karakter van Oosterhout ook benoemd als kernwaarde van de stad. Het is een kenmerk waarmee Oosterhout zich onderscheidt van andere gemeenten. Doel van groenbeleid in algemene zin is daarom de instandhouding en verbetering van deze groene kwaliteit. De bijbehorende uitvoeringssporen zijn bescherming en ontwikkeling. Bescherming van het aanwezige groen in de stad gaat vooraf aan compensatie. Compensatie is immers het herstellen van of goedmaken voor iets dat verloren is gegaan. Bescherming vindt plaats door aanwijzing van monumentale bomen die via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en het bestemmingsplan zijn beschermd. Het kappen van niet monumentale bomen op gemeentegrond is op basis van de APV eveneens vergunningsplichtig. De ontwikkeling van groen gebeurt door koppelkansen. Onder andere bij herinrichting van het openbaar gebied (bijvoorbeeld bij aanpassingen aan de riolering) en bij (her)ontwikkeling van locaties.

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

29

3.4.8

Milieu en duurzaamheid

Duurzaamheid is een breed begrip. In een duurzamere wereld wordt gekeken of mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht kunnen zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Om te zorgen voor een balans tussen deze drie thema's heeft Nederland zich geconformeerd aan het klimaatakkoord, wat heeft geresulteerd in de klimaatwet. Dit zorgt voor nieuwe uitdagingen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling voor een duurzame en gezondere leefomgeving, ook in Oosterhout. Naast het feit dat de gemeente hierin een belangrijke voorbeeldrol en eigen verantwoordelijkheid heeft, willen we het nemen van duurzamere keuzes vooral stimuleren en faciliteren. Daarbij moet er meer ruimte zijn voor eigen initiatieven en eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en belangengroeperingen. Het belangrijkste afwegingskader voor duurzaamheid is, naast wet- en regelgeving, de in 2019 door de gemeenteraad vastgestelde documenten ''Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030" en de "Routekaart energietransitie 2019-2022". Duurzaamheid bestaat voor de gemeente Oosterhout uit drie speerpunten: energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie. Energietransitie De huidige samenleving zorgt voor uitputting van de huidige energiebronnen (fossiel). Met de energietransitie werken we aan een samenleving waar sprake is van duurzaam opgewekte hernieuwbare energie.

Deze transitie is essentieel om de nationale doelstellingen op het gebied van CO2-reductie te behalen. De Klimaatwet zegt ons dat we 49% CO2 moeten reduceren in 2030 ten opzichte van onze uitstoot in 1990. Ook Oosterhout moet voldoen aan de landelijke doelstellingen. Naast het gebruik van duurzame energie, draagt het verminderen van energieverbruik (isoleren) ook bij aan het reduceren van CO2 uitstoot. De gemeente beoordeelt (ver-)bouwplannen op hun bijdrage aan de lokale, regionale of nationale duurzaamheidsdoelstellingen. Deze doelstellingen zijn verwoord in het ambitie document Energietransitie Oosterhout 2030 en de RES West-Brabant. Het absolute minimum staat beschreven in het Bouwbesluit, waarin eisen ten aanzien van de EPC en geluidisolatie zijn opgenomen. Sinds januari 2021 is de BENG-eis ingevoerd (Bijna Energie Neutraal Gebouw). De gemeente Oosterhout heeft de ambitie om op het gebied van duurzaamheid een extra inspanning boven op het bouwbesluit te stimuleren. De energietransitie van de gemeente Oosterhout is uitgewerkt in de Transitievisie Warmte. Transitievisie Warmte van Oosterhout Op 22 december 2021 heeft de gemeenteraad de Transitievisie Warmte van Oosterhout (TVW) vastgesteld. In deze TVW maakt de gemeente inzichtelijk wanneer zij welke wijken of buurten van het aardgas afkoppelt en de overstap maakt naar duurzame energiebronnen.

In 2050 moeten alle woningen in Oosterhout aardgasvrij zijn. Het tussendoel is: 20% van de bestaande woningvoorraad in 2030 aardgasvrij of aardgasvrij-ready. Daarvoor moeten in Oosterhout ongeveer 5.000 woningen worden aangepakt. De nieuwbouw, die vanaf 2020 al gasloos wordt gerealiseerd, telt hierbij niet mee. Nieuwe (woning)bouw plannen dienen wel aan te sluiten bij de uitgangspunten van de TVW. De transitievisie warmte wordt uiteindelijk uitgewerkt in plannen per wijk of buurt, waarin het proces en de alternatieve energiebronnen worden beschreven. Op dit moment heeft de transitievisie nog geen invloed op onderhavig bestemmingsplan. Zodra de planner per wijk of buurt zijn uitgewerkt, worden de kaders duidelijk waaraan ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voldoen. Circulariteit We streven als gemeente naar het bundelen van onze lokale kennis, technologie en innovaties om zo een meer circulaire lokale economie te krijgen. Een circulaire economie draagt bij aan het hergebruik van materialen, producten en diensten in plaats van de vernietiging daarvan. Het gebruik van biobased producten, gemaakt van hernieuwbare grondstoffen, draagt bij aan circulariteit en een duurzame

30

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

samenleving, en wordt daarom gestimuleerd door de gemeente Oosterhout. Klimaatadaptatie Een veranderd klimaat heeft gevolgen voor de samenleving. Wateroverlast, droogte, hitte en bodemdaling komen in meer of mindere mate regelmatig voor en dat neemt de komende jaren verder toe. Vanuit de landelijke overheid is bepaald dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig moet zijn ingericht. In de 'Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016' (NAS), het Uitvoeringsprogramma NAS en in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) wordt klimaatadaptatie verder uitgelegd. Ook wij streven naar een klimaatbestendig Oosterhout in 2050. Dit betekent dat onze woningen en de ruimtelijke inrichting aangepast moeten worden zodat ze bestand zijn tegen o.a. hitte, droogte en wateroverlast. Bovendien moet dit ervoor zorgen dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt vergroot. De gemeente stelt momenteel beleid op waarin de gevolgen van klimaatverandering inzichtelijk worden gemaakt op ons grondgebied. Dit beleid dient ook als ruimtelijke onderbouwing voor het stellen van toekomstige planregels in het bestemmingsplan. Hierbij ziet de gemeente Oosterhout het programma van eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en het Manifest Bouwen voor Natuur, beide van de provincie Zuid-Holland, als richtinggevend.

Voor nu verwacht de gemeente Oosterhout dat bij nieuwe ontwikkelingen de uitkomsten van de stresstesten worden meegenomen bij de ontwikkeling van plannen. De nieuwe ontwikkeling mag de situatie in het plangebied en omliggende gebied voor de thema's hitte, droogte en wateroverlast niet verergeren t.o.v. de bestaande situatie, en draagt het liefst bij aan het verminderen daarvan. De initiatiefnemer moet in het bestemmingsplan aangeven welke maatregelen genomen worden om het project klimaatbestendig te maken. In de onderhavige ontwikkeling worden al veel maatregelen genomen in het kader van duurzaamheid. Zo wordt er veel groen behouden en waar mogelijk toegevoegd (zie ook voorgaande paragraaf), zodat hittestress zoveel mogelijk beperkt wordt. Ook worden wadi's toegepast om wateroverlast te voorkomen en worden de gebouwen voorzien van zonnepanelen. Als er onvoldoende ruimte op of aan de gebouwen blijkt te zijn voor de vereiste installaties, is in het plan een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om in dat geval overkappingen te realiseren waar de zonnepanelen op gerealiseerd kunnen worden. 3.4.9

Welstandsnota

Per 1 oktober 2015 geldt er in Oosterhout bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geen welstandstoets meer. Wel zal er achteraf, via een zogenaamde excessenregeling, kunnen worden opgetreden tegen bouwwerken die in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Voor dit plangebied gaan geen welstandseisen gelden.

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

31

Hoofdstuk 4 4.1

Randvoorwaarden

Milieu-aspecten

In navolgende paragrafen wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten.

4.2

Externe veiligheid

Een plan moet worden getoetst aan de aspecten van externe veiligheid. Dat heeft betrekking op het gebruik, de opslag of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Woningen en zorgwoningen moeten worden beschermd tegen de gevaren van die risicovolle activiteiten. Daarvoor is het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid buisleidingen en Besluit externe veiligheid transportroutes de Beleidsvisie externe veiligheid van Oosterhout het te toetsen kader. Doorwerking plangebied Binnen het plangebied zijn geen risicovolle activiteiten toegestaan. In de omgeving zijn ook geen risicovolle activiteiten aanwezig waarvan een relevante invloed uitgaat op het plangebied. De dichtstbijgelegen bron is het Wilhelminakanaal. Ten westen van het plangebied is op enkele honderden meters het Recreatiepark Warande gelegen met een zwembad. Daar worden stoffen gescheiden opgeslagen die in het geval van een calamiteit (verkeerd vullen van tanks) waarvan het effectgebied over het plangebied is gelegen. Het plaatsgebonden risico ligt niet over het plangebied en er is geen relevant groepsrisico. De Veiligheidsregio is voorbereid op een dergelijke kenbare calamiteit. Deze kent echter geen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor het overige zijn de risicobronnen op grote afstand gelegen. Gelet daarop is geen nader onderzoek vereist.

Er is sprake van een aanvaardbare veiligheidssituatie.

4.3

Geluid wegverkeer

Wet geluidhinder Met het plan worden appartementen toegevoegd en wordt vanuit het plangebied extra verkeer gegeneerd dat via de Warandelaan wordt ontsloten. De appartementen zijn geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. Daarom is het plan aan de grenswaarden Wet geluidhinder getoetst. Met het plan is er geen sprake van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder, waardoor dat buiten beschouwing kan worden gelaten. Tenslotte moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen en buiten hetplangebied vanwege goede ruimtelijke ordening. Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de vijf nieuwe appartementsgebouwen met maximaal 173 appartementen (bijlage 2). De ligging van de gebouwen is op de Verbeelding aangegeven. De appartementen zijn gelegen binnen de geluidzone van Wilhelminakanaal-Zuid en de Bouwlingstraat in een stedelijk gebied. De overige wegen in de omgeving zijn zogenaamde 30 km-wegen die geen geluidzone hebben. De gegevens van de wegen zijn in het rapport opgenomen. De standaard grenswaarde waaraan moet worden voldaan is 48 dB. Uit het geluidrapport blijkt dat de geluidbelasting op de grens van het bouwvlak van de appartementsgebouwen de standaard grenswaarde overschrijdt bij alleen de gebouwen aangeduid in het rapport als gebouw A en B.

Dat zijn de twee meest noordelijk gelegen gebouwen, langs Wilhelminakanaal-Zuid. De overschrijding is alleen het gevolg van het verkeer op de Wilhelminakanaal-Zuid. Zowel bij de zijgevels als de gevels aan de wegzijde wordt de grenswaarde overschreden. De geluidbelasting bedraagt maximaal 55 dB (incl. aftrekcorrectie) op de gevels aan de wegzijde.

32

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

Dat betekent dat het plan alleen mag worden vastgesteld indien er voor de gevels met een overschrijding hogere waarden zijn vastgesteld. Die zijn alleen toegestaan indien uit onderzoek is gebleken dat er geen doelmatige maatregelen mogelijk zijn, dan wel dat daartegen één of meer wettelijke bezwaren zijn in te brengen. Uit het onderzoek blijkt dat alleen een wegdekmaatregel mogelijk zou zijn op Wilhelminakanaal-Zuid. Daartegen bestaat een wettelijk bezwaar van financiële doelmatigheid omdat die enkele jaren geleden is voorzien van een nieuw wegdek. Gelet daarop heeft het college bij besluit hogere waarden vastgesteld voor de gevels van de appartementen van gebouw A en B (bijlage 14). Daardoor vormt dat geen belemmering om het plan vast te stellen. Woon- en leefklimaat (gecumuleerd) In het geluidrapport verkeerslawaai (bijlage 2) is ook de geluidbelasting vanwege de niet-gezoneerde wegen vastgesteld. Daaruit blijkt die kleiner zijn dan 48 dB. Daarbij is de geringe toename van 0,8 dB bij bestaande woningen aanvaardbaar. Tevens blijkt uit dat rapport dat de gecumuleerde geluidbelasting van verkeerslawaai (bijlage 2) en industrielawaai (bijlage 1) op de gevels van de appartementen maximaal 60 dB bedraagt (Lcum, zonder aftrekcorrectie). Er is sprake van een goed tot een matig woon- en leefklimaat in het plangebied.

Het ontwerpbesluit Hogere grenswaarde is in de bijlagen bij deze toelichting opgenomen.

4.4

Geur

In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of andere agrarische bedrijven. Het onderdeel 'geur' is dan ook niet van belang voor deze ontwikkeling.

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

33

4.5

Bodem

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Er is voor het plangebied een bodemonderzoek uitgevoerd door Aeres Milieu. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. Hier wordt dan ook naar verwezen. De conclusie is hieronder beschreven. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met lood, cadmium of som PCB. In de ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten.

Het freatisch grondwater is zeer licht verhoogd met xylenen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling tot wonen. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en de Bodemkwaliteitskaart van toepassing.

4.6

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: 1. het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;

34

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

2. het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3). Doorwerking plangebied Woningbouwplannen met minder dan 1.500 eenheden (woningen) vallen in beginsel onder de regeling NIBM. Met dit initiatief worden minder dan 1.500 woningen gerealiseerd en dit initiatief valt dus onder de regeling NIBM. Een luchtkwaliteitsonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Zorgvuldigheidshalve is daarnaast gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Bij deze tool zijn de gegevens uit paragraaf 3.4.3 gebruikt. De resultaten van de tool zijn hieronder weergegeven. Geconcludeerd kan worden dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het uitvoeren van een nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Daarnaast moet gekeken worden naar de achtergrondwaarden omtrent de luchtkwaliteit. In onderstaande tabel zijn de achtergrondwaarden van fijnstof en stikstof weergegeven ter plaatse van de dichtstbijzijnde meet-/toetspunten. Geconcludeerd wordt dat deze waarden onder de gestelde normen liggen. Hiermee kan worden gezegd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Geconcludeerd wordt dat er zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van een goed woonen leefklimaat bij het plangebied. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

35

4.7

Flora en Fauna

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

36

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Doorwerking plangebied Quickscan flora en fauna Er is door Tritium Advies een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd voor dit plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3.

Hieronder worden de belangrijkste punten beschreven: Gebiedsbescherming De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn met circa 8,6 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien deze afstand en de aard van de ingreep valt een significant negatief effect niet te verwachten. Er is daarnaast en stikstofonderzoek uitgevoerd om de effecten van stikstof te bepalen (zie kopje 'stikstofonderzoek' en het onderzoek in de bijlagen). Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NatuurNetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. Het plangebied is op circa 35 meter van een NNB-gebied, het Wilhelminakanaal, gelegen. Het Wilhelminakanaal en het plangebied worden gescheiden door een fietspad en een intensief bereden weg, Wilhelminakanaal Zuid, die parallel langs het kanaal loopt. Het Wilhelminakanaal vormt een druk bevaren scheepvaartverbinding tussen de Maas met Tilburg en Eindhoven. De oevers ter plaatse zijn steil en er is geen plas-dras zone aanwezig. Hierdoor zal er niet of nauwelijks uitwisseling van beschermde dieren en planten tussen het NNB en plangebied voorhanden zijn.

Gezien het huidige gebruik en inrichting van de directe omgeving langs het Wilhelminakanaal nabij het plangebied is de verwachting dat de geplande ingreep, de recente sloop van een bedrijfsgebouw in een eerdere fase, de geplande sloop van het bestaande kantoorpand en de terugbouw van enkele appartementencomplexen, geen significant effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied zal uitoefenen. Geluid en Natuurnetwerk Brabant In de "Handreiking natuurcompensatie Noord-Brabant (17 december 2021)" is drempelwaarde voor stilte bij NNB in Noord-Brabant beschreven. Deze is gelegd op 52 dB (Lden) als gemiddelde. Dat komt overeen met een gemiddelde geluidbelasting van 45,6 dB(A) in alle etmaalperioden (In de avond- en nachtperiode wordt de gebruikelijke hindercorrectie van 5 resp. 10 dB(A) toegevoegd. De waarden worden vervolgens omgerekend naar een Lden-waarde). In het beleid wordt onderscheid gemaakt naar het type natuur met een eigen toetswaarde. Die zijn hieronder aangegeven.

Type NNB-gebied Open gebied Bosgebied

In dB(A) (LAeq) 47 42

In dB (Lden)* 53,4 48,4

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

37

Mix van open gebied en bosgebied 45 * Indien de geluidbelasting in alle periode gelijk is.

51,4

De oppervlakte NNB binnen deze geluidscontour van het betreffende type NNB-gebied wordt geacht als te worden verstoort. Voor zover een verstoring boven de richtwaardeis toe te rekenen aan een nieuwe activiteit, dient deze oppervlakte gecompenseerd te worden. Dit houdt in dat wanneer in de huidige situatie (voor het plan) de betreffende richtwaarde in het NNB-gebied al wordt overschreden er geen sprake is van een extra verstoring. Een toename aan geluid door een nieuwe activiteit is dan geen extra verstoring in de zin van het beleid en leidt niet tot natuurcompensatie. In de omgeving van het plangebied zijn aan de noord- en westzijde NNB-gebieden gelegen, zie figuur 4.1. Hierna worden die getoetst.

Figuur 4.1: Ligging NNB-gebieden

NNB Kanaal (noordzijde plangebied) Het Wilhelminakanaal is aangewezen als NNB-gebied. Het is een open gebied (water). Als toetswaarde geldt 47 dB(A), omgerekend 53,4 dB. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In dit onderzoek zijn enkele kaarten opgenomen met de geluidsbelasting vanwege de weg Wilhelminakanaal Zuid. Op de kaarten is te zien

38

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

dat bij bouwblokken A en B (in het noorden van het plan) een gevelbelasting ontstaat van maximaal 60 dB (exclusief aftrek). Op het kaartje (zie figuur 4.2) is het geluid in vlakken verdeeld over het plangebied. Hier zijn de zones van 53 dB te zien, wat inclusief aftrek van 5 dB is. Dit is dus in principe de grens van 58 dB. Ook de grens van 48 dB (lees 53 dB exclusief aftrek) is ook bepaald. Deze denkbeeldige lijn ligt op circa 85 meter vanaf het hart van de weg. Wanneer deze kaart wordt gespiegeld, zou dus geconcludeerd kunnen worden dat 85 meter richting het noorden ook de grens van 53 dB ligt. Deze zone van 85 meter omvat de gehele breedte van het kanaal en dus het NNB gebied. Wat hieruit dus geconcludeerd kan worden is dat het huidige verkeer op het Wilhelminakanaal Zuid op dit moment al zorgt voor een overschrijding van de grens van 53,4 dB bij het NNB gebied. Het gehele gebied wordt in de huidige situatie al verstoord door het verkeer in de omgeving. Hierdoor is het niet meer relevant wat de eventuele verhoging is van het geluid (dB) vanwege het plan Parck Warande. Op basis van deze gegevens kan geconcludeerd worden dat er vanuit de wetgeving geen compenserende maatregelen nodig zijn t.a.v. dit NNB-gebied.

Figuur 4.2: Rekenresultaten geluid vanwege Wilhelminakanaal-Zuid (inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh)

NNB Park de Warande (westzijde plangebied) Ten westen van de Bredaseweg loopt dit natuurgebied over in een bosgebied (Vrachelse heide). Dit bosgebied zal gezien de afstand tot het plangebied, de bestaande verstoring door geluid en het plan geen relevante extra verstoring van het NNB-gebied leveren. Ten westen van het plangebied ligt ten zuiden van Wilhelminakanaal-Zuid en ten oosten van de Bredaseweg en ten noorden en westen van de Warandelaan het park De Warande. Dit park bestaat voor een groot deel uit NNB-gebied en voor het overige deel bevinden zich daar een Zwembad De Warande,

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

39

sportvelden en enkele horecabedrijven en een paar woningen. Het recreatieve deel van het park dat is aangemerkt als NNB ligt meer nabij het plangebied. Het NNB-gebied is op ca. 150 m van het plangebied gelegen. Het gebied bevat bosgebied (dichtstbijgelegen), open gebied (plas), half open gebied (Bredaseweg). Gesteld kan worden dat de richtwaarde van ca. 48 dB voor bosgebied, ca. 53 dB voor het opengebied en ca. 51 dB voor het halfopen gebied overal al wordt overschreden vanwege het huidige verkeerslawaai (Bredaseweg, Warandelaan) en andere activiteiten (inrichtingen en recreatie). Dit blijkt voor verkeerslawaai uit onderstaand figuur (bron: wwww.Atlasleefomgeving.nl). De andere activiteiten zouden daar nog moeten worden bijgeteld. Dat betekent dat er al sprake is van een bestaande verstoring door geluid van het NNB-gebied. De extra geluidseffecten die ontstaan vanwege het plan zijn dan voor de toetsing niet meer van belang.

Figuur 4.3: Huidige geluidssituatie vanwege wegverkeer (bron: Atlas Leefomgeving)

Soortenbescherming Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals 40

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied.

Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van de bosrijke omgeving aan de Warandelaan. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Wel dient er in zowel de sloop- als bouwfase voor te worden gezorgd dat bij het inrichten van het bouwterrein wordt voorkomen dat het gebied aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad.

Het ontstaan van poeltjes of plassen op het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig zal zijn. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenome sloopen bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk; een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

41

Stikstofonderzoek Er is door Stantec een stikstofonderzoek uitgevoerd voor dit plan. Deze is opgenomen in bijlage 8. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie bij omliggende Natura 2000-gebieden 0,00 N mol/ha/jr bedraagt. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt daarom geen belemmering.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'''. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Vanwege het plan worden appartementen toegevoegd. Dat zijn gevoelige objecten in de zin van de VNG-brochure. Tevens heeft het plan mogelijke effecten voor de bestaande woonomgeving. Met het plan moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals uit paragraaf 3.4.5 blijkt zal de verkeersgeneratie van het plangebied vanwege deze ontwikkeling circa 1.200 mvt/etmaal (werkdag) bedragen. Dat verkeer wordt ontsloten op de Warandelaan waarbij volgens het verkeersonderzoek (bijlage 9) de maximale toename (800 mvt/etm, werkdag) in noordelijke richting zal zijn op een huidige waarde van 3.800 mvt/etmaal (huidig), dus 4.600 mvt/etmaal. Dat levert maximaal een toename van ca. 0,8 dB. Gelet op de relatief grote afstand van de weg tot de bestaande woningen (ca. 25 meter) en de absolute hoogte van de geluidbelasting is dat een aanvaardbare toename gelet op alle belangen van bewoners en het plan.

42

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

Sportterreinen Met het plan mag er geen sprake zijn van bestaande rechten (milieu) van inrichtingen en moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanwege de andere geluidbronnen van de naastgelegen sportvelden (TSC, tennisvelden en atletiekbaan) en de openbare parkeerplaats buiten het plangebied is een afzonderlijk geluidonderzoek uitgevoerd (bijlage 1). De omgeving moet worden beschouwd als gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure. De nieuwe appartementen komen dichterbij de TSC-velden te liggen dan de bestaande woningen. In beginsel is er dan sprake van een extra belemmering van TSC. Er wordt echter voldaan aan de richtlijn van 50 m en is aannemelijk dat ook dan aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Mede gelet op de openbare parkeerplaats die tussen de velden en de appartementen zijn gelegen is aannemelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De velden van de Atletiekbaan en de openbare parkeerplaats liggen aan het plangebied en wordt niet voldaan aan de richtafstand(en) van de VNG-brochure. De Atletiekbaan is een milieu-inrichting waarop het Activiteitenbesluit van toepassing is. Door de ligging aan het plangebied is er sprake van extra belemmering van de milieu-inrichting, de nieuwe appartementen liggen dichterbij dan bestaande woningen.

Uit het geluidonderzoek blijkt dat de standaard norm van 65 dB(A) in de avondperiode met 1 dB(A) wordt overschreden vanwege de naastgelegen atletiekbaan (71 dB(A) etmaalwaarde). Tevens wordt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde in de avondperiode met 2 dB(A) overschreden (geluidinstallatie bepalend). Het onderzoek toont die belemmering ook aan. Om de belemmering op te heffen kan gelet op de geluidniveaus en de aard van de omgeving daarvoor een maatwerkvoorschrift o.g.v. het Activiteitenbesluit worden verleend aan de vergunninghouder. Dat moet onherroepelijk zijn vastgesteld voor de vaststelling van het plan. Er zijn geen toekomstige uitbreidingsplannen bekend zodat er met maatwerkvoorschriften verder geen inbreuk wordt gemaakt op bestaande rechten. In dat geval is er geen belemmering om het plan vast te stellen. Openbare parkeerplaats De geluidbelasting vanwege de openbare parkeerplaats is in het onderzoek berekend en blijkt bij alle appartementen te voldoen aan de standaardwaarden voor het equivalent geluidniveau (max. 50 dB(A) en het maximale geluidniveau (max. 69 dB(A)), beide etmaalwaarden. Cumulatie industrielawaai en wegverkeerslawaai Het bouwplan ondervindt, naast het geluid van de beschouwde wegen, geluid vanuit de inrichting van ATV Scorpio en het naastgelegen openbaar parkeerterrein.

Om inzicht te geven in het te verwachten akoestisch leefklimaat is een cumulatieberekening uitgevoerd met alle relevante geluidbronnen voor verkeers- en industrielawaai. De cumulatieve geluidimmissie is bepaald op basis van de in het Rekenen meetvoorschrift geluid 2012 beschreven methode. Bijlage B3 bij het onderzoek naar wegverkeerslawaai geeft de bepaling van het LCUM. Uit deze berekening blijkt dat het hoogste cumulatieve geluidniveau LCUM 60 dB(A) [leefkwaliteit matig] bedraagt en voornamelijk wordt bepaald door het wegverkeer op de Wilhelminakanaal Zuid. De geluidbijdrage van de eigen parkeerplaats is niet rekenkundig bepaald, maar zal geen relevante invloed op de genoemde cumulatie geluidbelasting hebben. Immers, de geluidbelasting vanwege het openbaar parkeerterrein nabij ATV Scorpio – met een vergelijkbare grootte en vergelijkbare afstand tot de nieuwe bouwblokken – draagt eveneens niet relevant bij aan de genoemde gecumuleerde geluidbelasting. Lichthinder De sportterreinen zijn voorzien van lichtmasten. De verlichting wordt ook in de avondperiode gebruikt. Daarom is onderzocht of de verlichting bij de nieuwe woningen tot lichthinder kan leiden. Daarvoor is een lichthinderonderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Daarbij is een verlichtingsmodel getoetst aan de gangbare landelijke richtlijnen voor sportveldverlichting (NSVV). Daarbij is uitgegaan van lichtmasten van maximaal

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

43

15 m hoog en conventionele verlichting. De conclusie is dat wordt voldaan aan de richtwaarden voor een stedelijk gebied. Dat houdt in dat de lichtintensiteit bij de appartementen aanvaardbaar zal zijn.

4.9

Water

Er is door Aeres Milieu een infiltratie onderzoek uitgevoerd en een waterparagraaf opgesteld voor het plangebied waarin het plan hydrologisch beschreven is. Voor de rapportage wordt verwezen naar bijlage 10. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. Afvalwater Ter plaatse is een kantoorpand aanwezig met een verhard parkeerterrein (Warandelaan nr. 6). Noordoostelijk op het plangebied was tot omstreeks 2017 tevens een kantoorpand aanwezig (behorende bij Warandelaan nr. 2). Zover bekend uit de oude bouwtekeningen is al het hemel- en afvalwater van het perceel aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel in de Warandelaan. De precieze lozingshoeveelheid die momenteel op het gemeentelijk stelsel plaatsvindt, is niet bekend. Wel zijn er minstens 3 aansluitpunten van 160 mm doorsnede gekend. Ter plaatse is momenteel geen wateroverlast of capaciteitsprobleem bekend. Bij de ontwikkeling wordt op het perceel een gescheiden stelsel aangelegd. Het hemelwater zal indien mogelijk op eigen terrein verwerkt dienen te worden, zie paragraaf hemelwater. Door de nieuwbouw met appartementen is een toename aan de totale afvalwaterhoeveelheid te verwachten. De totale verwachte hoeveelheid afvalwater bedraagt ca. 51 m3/dag. Deze hoeveelheid zal separaat op het gemeentelijk rioolstelsel aangesloten te worden.

Door de verwerking van hemelwater op eigen terrein zal de totale afvoer uit het plangebied op het rioolstelsel afnemen. De wijziging dient te zijner tijd bij de gemeente aangevraagd te worden. Hemelwater Het plangebied ligt in een infiltratiegebied. Op basis van de bodemsamenstelling is infiltratie naar verwachting in de toplaag goed mogelijk. Binnen het plangebied bevinden zich momenteel geen infiltratievoorzieningen. Het bedrijfsperceel is grotendeels verhard en aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Het achtergelegen parkeerterrein bestaat uit een klinkerverharding. Momenteel wordt het hemelwater zover bekend middels diverse straatkolken afgevoerd naar het gemeentelijk rioolstelsel. Op basis van luchtfoto’s is globaal bepaald dat in de huidige situatie circa 14.350 m2 van het totale plangebied verhard is. Bij de herontwikkeling dient in eerste instantie nieuwe, dichte verharding zoveel mogelijk vermeden te worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden. indien niet toepasbaar dient berging aangelegd te worden en gekeken te worden naar de afvoer uit het gebied. Door het niet aankoppelen en infiltreren van neerslag levert dit een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen.

In achtertuinen dienen indien van toepassing schrobputjes aangebracht te worden die aangesloten worden op het vuilwaterriool om vervuiling te voorkomen. Verder dient een piekafvoer zoveel mogelijk vermeden te worden door bijvoorbeeld hergebruik in tuinen, opvang middels groene daken en infiltreren in bij voorkeur bovengrondse voorzieningen. Bij nieuwbouw waarbij meer dan 1000 m2 verharding wordt aangebracht, is het gemeentelijk beleid om het hemelwater in de bodem te infiltreren of te lozen op oppervlaktewater binnen een afstand van 300 meter, ongeacht de bestaande verharding. Aandachtspunt hierbij is het voorkomen van een verslechtering van de bestaande grondwaterkwaliteit gezien de ligging in een grondwaterbeschermingsgebied. Een voorziening dient tevens goed beheer- en onderhoudbaar te zijn. Aansluiten op het oppervlaktewater is gezien de afstand moeilijk realiseerbaar tenzij de noordelijke wegsloot opgewaardeerd wordt (in overleg met de gemeente). Oppervlaktewater

44

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

Direct noordelijk parallel aan de weg Wilhelminakanaal Zuid is een droogvallende greppel aanwezig (zonder beschermingszone). Deze is in beheer van de gemeente. Verder is direct ten noorden van de weg het Wilhelminakanaal aanwezig. Het kanaal heeft een beschermingszone die tot de kadastale grens van het plangebied loopt en wordt beheerd door Rijkswaterstaat. Het overig primair oppervlaktewater bevindt zich ca. 300 meter oostelijk van het plangebied nabij de Burgemeester Holtroplaan, welke eerst zuidelijk en vervolgens noordwestelijk afstroomt nabij de Oude Bredasebaan (westelijk van de sportvelden). Grondwater Oosterhout ligt op het zuidelijke zandgebied van Noord-Brabant in een infiltratiegebied. Wegens de ligging in bebouwd gebied is er beperktere bodemdata beschikbaar van het plangebied. Naar verwachting heeft het onderzoeksgebied grondwatertrap VII. Volgens de bodematlas Noord-Brabant ligt het gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) tussen de 100 en 140 cm-mv en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) tussen 180 en 250 cm-mv. Bij voorgaande bodemonderzoeken is tevens het grondwater op 1,3-2 m-mv aangetroffen. Zover bekend is ter plaatse geen grondwateroverlast aanwezig. Het onderzoeksgebied valt binnen het grondwaterbeschermingsgebied van het waterwingebied Oosterhout. Hiervoor zijn aanvullende milieueisen van kracht om de waterkwaliteit te waarborgen.

Hiervoor gelden bijzondere regels die zijn vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor bodemwerkzaamheden dieper dan 3 m-mv, het toepassen van grond en evtentueel aanvullende zaken en het infiltreren van regenwater is niet alleen goedkeuring van gemeente en waterschap nodig maar geldt ook een meldingsplicht vanuit de IOV (via de ODZOB). Afvoer van regenwater in de bodem of oppervlaktewater kan alleen plaatsvinden als gebruik gemaakt wordt van maatregelen die verontreiniging van het grondwater tegen gaan. Als voorzieningen in het openbare gebied worden aangelegd, dient dit ook afgestemd te worden met de gemeente. Tijdens graafwerkzaamheden kan het zijn dat de grondwaterspiegel tijdelijk verlaagd moet worden om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Hiervoor is, naast een goedkeuring van waterschap Brabantse Delta, ook toestemming nodig van de gemeente om (bronnerings)water te mogen lozen op het gemeentelijk stelsel. Deze toestemming wordt alleen in overweging genomen mits voldaan wordt aan enkele randvoorwaarden inzake een vooroverleg, de vervuiling, het debiet en de duur van de lozing. Voor het gebruik van de riolering zal een rioolheffing in rekening worden gebracht.

Als gebruik moet worden gemaakt van gemeentegrond of geloosd wordt op oppervlaktewater, dan zullen hierover nadere afspraken gemaakt moeten worden, zie ook het Besluit lozingen buiten voorzieningen. Uitwerking plangebied Op basis van de bureaustudie, het uitgevoerde infiltratieonderzoek en de genoemde aandachtspunten is een verdere uitwerking gemaakt van de benodigde waterberging. Gezien de bestaande verharding is formeel sprake van een inbreiding (en zelfs een afname) aan verhard oppervlak. Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie ligt iets lager als de nabijgelegen wegen op circa 5,8 m +NAP en kent nauwelijks een hoogteverschil. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Met een grondwaterstand tussen 1,2 en 2,5 m-mv wordt ter plaatse reeds voldaan aan de benodigde ontwateringsdiepte. Door de lagere ligging ten opzichte van de omgeving is het van belang een goede waterafvoer te realiseren. Met de toenemende klimaatverandering zou een perceel namelijk vaker met wateroverlast te maken kunnen hebben bij flinke buien. Voor de nieuwbouw is net als bestaand een vloerpeil van 20-30 cm boven het bestaand maaiveld geadviseerd om eventuele instroom bij buien te vermijden. Hiermee wordt rekening gehouden bij de nadere planuitwerking van de nieuwbouw en terreininrichting.

Bestemmingsplan "Oosterhout zuid 2017, herziening 3 (Parck Warande)" (ontwerp)

45

De onderzoekslocatie ligt in een grondwaterbeschermingsgebied en bij de realisatie van het projectplan moet rekening worden gehouden met aanvullende milieuregels. Tevens dient het planvoornemen met de toekomstige voorzieningen gemeld te worden bij de bevoegde overheid (omgevingsdienst odzob). Door het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden en gebruik van niet-uitlogende bouwmaterialen is bij de voorgenomen ontwikkeling van appartementen op het perceel geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Indien het hemelwater afgevoerd wordt buiten het beschermingsgebied zijn er verder geen regels/voorschriften van toepassing. Vanuit het beleid is het wenselijk om schoon hemelwater ter plaatse te verwerken. Derhalve is gekeken naar de nadere voorschriften voor infiltratie van afstromend hemelwater: gebouwen zonder schadelijk uitloogbare materialen mogen na startmelding rechtstreeks in de bodem infiltreren. bij schadelijke of uitloogbare materialen, wegen en parkeerterreinen tot maximaal 100 motorvoertuigen is sprake van een categorie 1-emissie en is een melding verplicht. Bij meer dan 100 voertuigen betreft het een categorie 2-emissie. Het hemelwater dient via een voldoende zuiverende voorziening of via een watergang zonder infiltrerende werking (afvoer) te stromen.

Behalve infiltratie van afstromend hemelwater zijn ook alle bodemwerkzaamheden op een diepte van drie meter of meer onder maaiveld meldingsplichtig (plaatsen monitoringspeilbuizen, sonderingen, bronneringen, funderingen, etc.). Deze voorwaarden zijn opgenomen in de factsheet bodemwerkzaamheden van de omgevingsdienst. Ter plaatse van het plangebied zijn de daken door het toepassen van niet uitloogbare materialen als schoon te beschouwen. Behoudens het noordelijke parkeerterrein (+100 auto’s) is verder ook sprake van zeer geringe emissies (erftoegangswegen en parkeren zonder vrachtwagens). Het water moet bij alle emissies en technieken: Gecontroleerd infiltreren: Het is zichtbaar of duidelijk afgekaderd waar het afstromend hemelwater naartoe stroomt. Bij incidenten of calamiteiten kan het water afgevangen worden en/of de vervuilingslocatie geïsoleerd en gesaneerd worden. Bij piekbuien is een overloop toegestaan. Via een voldoende zuiverende voorziening gaan, zoals passend bij de categorie van emissie. Een wadi is onder voorwaarden geschikt voor een categorie 1 en 2 emissie. Voornaamste voorwaarden hiervoor zijn: 1. Minimaal 20 mm van een bui moet in de voorziening behandeld/verwerkt worden. 2. De aanwezigheid van een begroeide toplaag met een zuiverende laag van 30 - 50 cm dik 3. Deze zuiverende laag dient minimaal 1% lutum en minimaal 2% humus te bevatten.

Vanuit de gemeente is een maximum van 2% lutum en 3% humus te bevatten. Deze gehalten zijn i.v.m. de zuiverende werking en de doorlatendheid van de bodem (ter controle bodemonderzoek verplicht). Na infiltratie gemonitord worden op de gevolgen voor het milieu, zoals passend bij de voorziening en de emissiecategorie. Voorzieningen moeten minimaal jaarlijks worden gecontroleerd op dichtslaan van het oppervlak, ophoping van vuil en illegale activiteiten. Bij ondergronds infiltreren dient onderbouwd te worden waarom bovengronds niet kan. Zover bekend is de bestaande verharding momenteel aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Bij de planrealisatie zal op eigen terrein een 100% gescheiden stelsel aangelegd worden. Hemelwater wordt bij voorkeur op eigen terrein verwerkt. Door de nieuwbouw met appartementen is een toename aan de totale afvalwaterhoeveelheid te verwachten. De totale verwachte hoeveelheid afvalwater bedraagt ca. 51 m3/dag en zal via een separaat DWA-riool naar het gemeentelijk stelsel afvoeren. Voor deze wijziging zal te zijner tijd een aanvraag ingediend worden bij de gemeente Oosterhout. Gezien de afname aan totale afvoerhoeveelheid door de verwerking van het hemelwater op eigen terrein zal het bestaand rioolstelsel deze hoeveelheid naar verwachting zonder aanpassingen kunnen verwerken. 46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=09762f0f-6a33-4391-819f-fee6e3e20d1c