Bijlage 2 Ruimtelijke Onderbouwing Zonnepark Dorst
Tekst van het document
De regio hecht aan een energietransitie met en voor iedereen in West-Brabant. Dit betekent dat omwonenden en bedrijven worden betrokken bij de ontwikkeling van zon- en windprojecten. Het kan gaan om de uitvoering van het project, de ruimtelijke inpassing en/of het verminderen van hinder. Maar ook de verdeling van het eigenaarschap van projecten en het profijt voor de lokale gemeenschap komt aan de orde. De regio wil iedereen de kans bieden om te profiteren van de wind- en zonne-energie die in de regio wordt opgewekt. We streven daarom naar 50% of meer lokaal eigenaarschap van de nieuwe zonne- en windparken. Dat sluit aan bij het Klimaatakkoord. Lokaal eigenaarschap levert geld op voor de regio - bijvoorbeeld voor andere maatregelen in de energietransitie, zoals isolatie - en kan ook leiden tot een grotere betrokkenheid van mensen bij lokale projecten en grotere gemeenschapszin. De nieuwe zon- en windprojecten kunnen, tot slot, ook bijdragen aan de werkgelegenheid. Denk aan het ontwikkelen van innovatieve technieken door startups en in de techniek-branche. De eerste inschatting komt op werk voor enkele tientallen tot mogelijk honderd personen tot 2030. Zonneparken vragen om een zorgvuldige ruimtelijke inpassing vanwege de mogelijke gevolgen voor agrarische gronden, natuur en landschap.
De uitgangspunten voor de ligging van zonneparken zijn: - We streven naar een goede ruimtelijke, landschappelijke inpassing van zonneparken, passend bij de kenmerken van het gebied, en gericht op behoud en eventueel versterken van bodemkwaliteit en biodiversiteit. - We geven voorrang aan ongebruikte percelen in bebouwd gebied of aan gebieden die zich niet goed lenen voor andere functies: oude stortplaatsen, reststroken langs infrastructuur, leegstand op bedrijventerreinen e.d. - We nemen meervoudig ruimtegebruik als uitgangspunt voor alle zonneparken. Dus: we combineren zonneparken met een andere ruimtelijke functie, bijvoorbeeld waterberging, natuur en recreatie (denk aan energietuinen), e.d. - We geven de voorkeur aan initiatieven die efficiënt omgaan met het net en kosteneffectief zijn, zoals combinatie met opslag, cable pooling, of ligging bij onderstation. Binnen de RES zijn de volgende opgaven per gemeente gedefinieerd op het gebied van zonprojecten op veld:
Groendus Projecten BV
23
Figuur 8: Opgave nieuwe zonprojecten op veld uit de RES. Toetsing
In totaal heeft de gemeente Oosterhout vanuit de RES een opgave van 34 GWh die nog gerealiseerd moet worden om aan de ambities te kunnen voldoen. Deze 34 GWh staat los van de mogelijkheden ten aanzien van zon op dak en windenergie, en ziet daarom uitsluitend op het op te wekken vermogen middels zonneparken. Volgens de ‘electriciteitskaart’, zijn in Oosterhout nog geen bestaande zonneparken of concrete plannen die in de pijplijn zitten. Zoals hierboven beschreven is Zonnepark Dorst een van de twee locaties die de gemeente Oosterhout heeft aangewezen voor de ontwikkeling van een zonnepark. Deze 34 GWh wijkt af van de eerder genoemde 48 GWh (zie paragraaf 3.3) omdat sinds het vaststellen van de RES is gebleken dat minder windenergie kan worden gerealiseerd dan in de RES is opgenomen. Zoals in paragraaf 3.3 is aangegeven heeft voor Zonnepark Dorst een omgevingsdialoog plaatsgevonden, waarbij direct omwonenden, inwoners van Dorst en andere belanghebbenden betrokken zijn bij de ontwikkeling. Voor de ruimtelijke inpassing is in overleg met omwonenden, gemeente Oosterhout, gemeente Breda, Waterschap Brabantse Delta overleg gevoerd. Door de landschappelijke inpassing (zie paragraaf 2.3) is het zonnepark goed ingepast in de omgeving.
Daarnaast is Groendus voornemens het beheer van het zonnepark binnen de hekken te laten uitvoeren middels begrazing, waardoor ook de agrarische functie (deels) behouden blijft. Zoals in paragraaf 3.3 is aangegeven is in samenwerking met Enexis is onderzocht op welke wijze zonnepark Dorst kan worden aangesloten op het elektriciteitsnet. Zonnepark Dorst kan worden aangesloten via de bestaande aansluiting van Zonnepark Bavelse Berg. Zonnepark Dorst kan dus worden aangesloten zonder extra netcapaciteit te gebruiken. De ontwikkeling is in lijn met de Regionale Energiestrategie 2030 van de Regio West-Brabant.
3.5
Gemeente Oosterhout
Omgevingsvisie Oosterhout In een omgevingsvisie legt een gemeente haar doelen vast. Het gaat om doelen die de gemeente over een lange periode wil halen. Deze doelen gaan over de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld natuur, milieu, lucht, water, bodem, gebouwen, woningen en wegen. Een gemeente heeft één omgevingsvisie voor de hele gemeente. Hoe de fysieke leefomgeving eruitziet heeft invloed op hoe we ons voelen en gedragen. En andersom. Daarom heeft de gemeente Oosterhout in de
Groendus Projecten BV
24
omgevingsvisie ook sociale doelen meegenomen. Op 23 november 2021 heeft de gemeenteraad van Oosterhout de omgevingsvisie vastgesteld. In de Omgevingsvisie zijn 5 thema’s benoemd: - Leefbaar, gezond en aantrekkelijk wonen; - Economische vitaliteit; - Identiteit en ruimtelijke kwaliteit; - Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; - Bereikbaarheid, mobiliteit en toegankelijkheid. Een van de kernpunten in de Omgevingsvisie is dat Oosterhout in 2050 een energieneutrale gemeente is. Dit moet worden bereikt via energiebesparing en duurzame energieopwekking. Hierbij volgt de gemeente Oosterhout het landelijke Klimaatakkoord. Het heeft de voorkeur van de gemeente Oosterhout om in eerste instantie daken te benutten voor de opwekking van duurzame energie. Om de klimaat- en energiedoelstellingen te halen is het echter onvoldoende om alleen in te zetten op zonnepanelen op daken. Slechts 25% van de daken is hiervoor geschikt. Deze mogelijkheden worden reeds zo optimaal mogelijk benut, Oosterhout zet hier breed op in waarbij de samenleving gestimuleerd wordt. Voor de bedrijfsdaken streeft de gemeente naar 35%. Om de doelstellingen te behalen zal dus moeten worden ingezet op én het benutten van alle geschikte (bedrijfs)daken én andere duurzame opwekmethoden, zoals windmolens en zonnevelden.
Om op tijd de doelstellingen te kunnen halen, werkt de gemeente parallel aan deze strategieën (zon op dak, zonnevelden en andere duurzame opwekmethoden). Er wordt gewerkt aan het plan Energiepark A59 (zie www.energieparkA59.nl) in de Oranjepolder. Het plan omvat het plaatsen van windmolens en het aanleggen van een zonnepark in een gebied van in totaal 37 hectare. Om het project van extra meerwaarde te laten zijn voor de inwoners van Oosterhout, wordt een duurzaamheidsfonds opgericht, waarbij een deel van de opbrengsten van het energiepark worden besteed aan duurzame, sociale of maatschappelijke projecten in onze gemeente Oosterhout die niet gefinancierd kunnen worden uit de reguliere gemeentebregroting. Ook andere energieprojecten zouden hieraan moeten bijdragen. Over de opzet en inrichting van het fonds (o.a. doelen, voorwaarden, organisatie) wordt in 2021 een voorstel ontwikkeld. Daarnaast is het noodzakelijk om (naast het hiervoor genoemde zonneveld) nog 2 andere zonnevelden te realiseren: één nabij de Bavelseberg (Zonnepark Dorst) en mogelijk een derde op een nog te bepalen locatie.
Toetsing
De ontwikkeling wordt genoemd als één van de te ontwikkelen zonnevelden en is in lijn met de Omgevingsvisie Oosterhout. Afwegingskader Zonneparken Buitengebied Oosterhout Op 23 mei 2023 is door de gemeente Oosterhout het Afwegingskader Zonneparken Buitengebied Oosterhout vastgesteld. Het Afwegingskader geeft aan waar en hoe zonneparken in de gemeente Oosterhout kunnen worden gerealiseerd. Onderdeel van het Afwegingskader is een beoordelingskader, waarmee locaties door de gemeente worden beoordeeld op de thema’s landschap (met subcriteria Landschapstype, ruimtelijk-visuele inpassing, aansluiting bedrijventerrein of infrastructuur en cultuurhistorische waarden), natuur, energieopbrengst en meervoudig ruimtegebruik. Daarnaast zijn twee randvoorwaarden gedefinieerd: er moet een
Groendus Projecten BV
25
aansluitmogelijkheid op het elektriciteitsnet zijn en er moet proces- en financiële participatie mogelijk zijn in het project. Op basis van de thema’s landschap en natuur is een kansenkaart opgesteld, waarin is aangegeven welke locaties zeer kansrijk, minder kansrijk en zeer weinig kansrijk zijn. Deze kansenkaart is een hulpmiddel om te kunnen beoordelen of een locatie geschikt zou kunnen zijn. Om vast te stellen of een locatie daadwerkelijk geschikt is, is te allen tijde nader onderzoek nodig. Voor het thema energieopbrengst wordt gekeken naar de relatieve bijdrage die een locatie kan leveren aan het behalen van het gemeentelijk RES-doel van 34 GWh. Voor het thema meervoudig ruimtegebruik wordt beoordeeld in hoeverre een passende extra functie wordt toegevoegd aan het zonnepark. Dit kan bijvoorbeeld een agrarische, ecologische en/of recreatieve functie zijn.
Figuur 9: Kansenkaart Zonneparken Buitengebied Oosterhout. Toetsing
Zonnepark Dorst ligt in een gebied dat op de Kansenkaart als zeer kansrijk gebied is aangemerkt, doordat het zonnepark wordt gerealiseerd nabij een bestaand bedrijventerrein. Bovendien zijn cultuurhistorische waarden afwezig. Op de subcriteria landschapstype en ruimtelijk-visuele inpassing wordt een neutrale score behaald. Dat geldt ook voor de score op het thema natuur. De
Groendus Projecten BV
26
energieopbrengst is 11,4 GWh, ongeveer een derde van het RES-doel, waarmee een neutrale score wordt behaald. In het Afwegingskader Zonneparken Buitengebied Oosterhout staat aangegeven dat de locatie van het zonneparkproject ‘kansrijk (+)’ scoort op het aspect ‘meervoudig ruimtegebruik.
Figuur 10: Score van Zonnepark Dorst op de verschillende thema’s/subcriteria.
3.6
Conclusie
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 9,6 hectare. De ontwikkelingen passen binnen zowel de nationale, provinciale, regionale als gemeentelijke beleidskaders.
Groendus Projecten BV
27
4
Omgevingsaspecten
4.1
Bodem
Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (2008) dient bij elke ruimtelijke ontwikkeling aangetoond te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling. Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Situatie Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 9,6 hectare. De betreffende gronden zijn al sinds zeer geruime tijd in gebruik als agrarische grond. indien de gronden geschikt zijn om voor consumptie bestemde gewassen te verbouwen, kan worden geconcludeerd dat de gronden tevens geschikt zijn om in te werken. Het zonnepark wordt zeer extensief gebruikt door mensen, waardoor het zonnepark niet is aan te merken als een gevoelige functie.
Derhalve mag worden verwacht dat de bodem geschikt is voor het gebruik als zonnepark en dat geen bodemonderzoek noodzakelijk is. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.2
Geluid
Wettelijk kader De mate waarin geluid, veroorzaakt door het (spoor)wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh) en de Wet Milieubeheer. Indien geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen, spoorwegen en inrichtingen. Situatie
Wegverkeerslawaai
Mogelijk wordt geluid van de omliggende wegen weerkaatst door de zonnepanelen. De belangrijkste bron is daarbij de Akkerweg, die langs het plangebied loopt. De zonnepanelen liggen op minimaal 20 meter van de Akkerweg. Bovendien is hier landschappelijke inpassing voorzien in de vorm van een struweelhaag met overstaanders. De zonnepanelen hebben een hellingshoek van 10 graden. Eventueel geluid dat vanaf de Akkerweg kan weerkaatsen tegen de zonnepanelen zal door de kleine hellingshoek van de zonnepanelen schuin omhoog van de Akkerweg af worden weerkaatst. In die richting bevindt zich eerst het zonnepark en daarna de Bavelse Berg en
Groendus Projecten BV
28
bedrijventerrein Minervum. Dit zijn geen geluidsgevoelige functies. Naast de Akkerweg ligt langs de noordzijde van het zonnepark de Koutereind. Door de paaltjes bij de toegang tot bedrijventerrein Minervum wordt de Koutereind alleen gebruikt door fietsers. Verder ten noorden ligt de Rijksweg N282 en aan de zuidzijde ligt de Bavelstraat. Beide liggen op respectievelijk minimaal 300 en 250 meter van het zonnepark, waardoor reflectie van geluid geen effect zal hebben op geluidsgevoelige functies. Het zou daarbij gaan om woningen die liggen aan de Rijksweg N282 en de Bavelstraat. Bovendien geldt ook hier dat landschappelijke inpassing aanwezig is en dat eventuele reflectie schuin omhoog over het zonnepark zal gaan. De ontwikkeling zelf voorziet niet in de toevoeging van een geluidsgevoelige functie. Om die reden kan aanvullend onderzoek achterwege blijven.
Spoorweglawaai
Met de beoogde ontwikkeling wordt niet voorzien in een geluidgevoelige functie. Ook valt het projectgebied niet binnen de geluidszone van een spoorweg. Om die reden kan onderzoek achterwege blijven.
Industrielawaai
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Om die reden kan onderzoek achterwege blijven. Het zonnepark zelf vormt geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, aangezien het vermogen van de transformatoren kleiner is dan 200 MVA en het zonnepark niet bij een Wminrichting worden gerealiseerd. Ook zijn in het zonnepark zijn geen elektromotoren aanwezig met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ vallen de omvormers en het inkoopstation met transformator onder de activiteit ‘elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA’. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 meter. In het voorliggende project ligt de dichtstbijzijnde woning op een grotere afstand (circa 120 m) vanaf de transformatorstations. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden en kan worden geconcludeerd dat geen akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.3
Externe veiligheid
Wettelijk kader Bepaalde maatschappelijke en bedrijfsmatige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van de risico's bij de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid of het nieuw vestigen van dergelijke activiteiten kunnen beperkingen opleggen aan de omgeving, doordat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen nodig zijn. Aan de andere kant is het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten (artikel 1 van het Bevi). Kwetsbaar zijn onder meer
Groendus Projecten BV
29
woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, bejaardentehuizen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10 -6 als grenswaarde.
Groepsrisico
Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. Situatie Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 9,6 hectare. Het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) heeft in 2019 een verkenning van de veiligheidsrisico’s als gevolg van de energietransitie heeft gepubliceerd.
Daarin hebben zij ook melding gemaakt van de gezondheidsrisico's van branden met zonnepanelen. In zonnepanelen bevinden zich verschillende stoffen. Bij brand kunnen toxische verbrandingsproducten vrijkomen, grotendeels stoffen die ook bij gebouwbranden vrijkomen, waarmee bij de brandbestrijding rekening moet worden gehouden. Een gevaar voor de omgeving door schadelijke stoffen vanwege brandende PV-panelen wordt in de verkenning aangehaalde onderzoeken van het IFV uitgesloten. Van additionele gezondheidsrisico’s, anders dan die bij elke brand aan de orde kunnen zijn, is dan ook geen sprake. Op bedrijventerrein Minervum was voorheen een ballonvaartbedrijf aanwezig. Hier werd propaan opgeslagen. Op de risicokaart staat nog het ballonvaartbedrijf vermeld. Inmiddels is in het betreffende pand een installateursbedrijf gevestigd. Er is daardoor geen sprake meer van een risico op bijvoorbeeld een gaswolk. Drie jaar nadat het bedrijf vertrokken is kan de milieuvergunning worden ingetrokken. De gemeente Breda geeft aan dat dit waarschijnlijk eind 2023 of begin 2024 zal worden gedaan. Formeel gezien mag er tot dat moment propaan op het terrein worden opgeslagen. Mocht er een gaswolk ontstaan dan bestaat er een risico op ontsteking als op het zonnepark op hetzelfde moment kortsluiting aanwezig is en een vonk ontstaat.
Dit betekent dat alleen een gevaar zou kunnen ontstaan als zich op beide locaties een calamiteit voordoet. Het zonnepark wordt elektrotechnisch verantwoord aangelegd en dit wordt middels een Scope 12-keuring gecontroleerd. Tevens wordt het zonnepark continue gemonitord,
Groendus Projecten BV
30
waardoor een eventuele storing die kortsluiting kan veroorzaken direct wordt opgemerkt en kan worden verholpen. Mocht zich toch een calamiteit voordoen dan kan het zonnepark bovendien met één handeling worden uitgeschakeld. Dit is tevens mogelijk op afstand. De kans op een calamiteit op beide locaties tegelijkertijd is daarom zeer klein. Over de spoorlijn Breda – Tilburg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De spoorlijn ligt op circa 800 meter van het zonnepark, waardoor geen verhoogd risico aanwezig is. Mocht er zich op het spoor een calamiteit voordoen met impact op het zonnepark, dan is het, zoals hierboven vermeld, mogelijk om het zonnepark met 1 handeling af te schakelen. Gezien het feit dat voorliggende ruimtelijke onderbouwing geen nieuwe kwetsbare objecten toestaat en de voorgenomen activiteit zelf ook geen risicovolle activiteit is, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.4
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder meer grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijnstof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 μg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
Groendus Projecten BV
31
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder meer het geval bij een woning, school of sportterrein. Situatie Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 9,6 hectare. Een dergelijke functie heeft, met uitzondering van verkeer in verband met onderhoudswerkzaamheden, geen verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie van de nieuwe functie is dan ook zeer beperkt en valt in het niet bij het verkeer in de omgeving. Het project moet derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied aanvaardbaar. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.5
Bedrijven- en milieuzonering
Wettelijk kader Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het projectgebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies, zoals wonen, is de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor het omgevingstype 'gemengd gebied' als 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' aanbevolen. Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen of terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de nieuwe gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse
Groendus Projecten BV
32
Gemeenten (VNG)' geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt, dient een nadere motivatie met de reden hiervan te worden voorgelegd. Situatie Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 9,6 hectare. Zonneparken zijn niet als bedrijfsactiviteit opgenomen in de VNGpublicatie. De zonneweide heeft naar verwachting geen invloed op de woningen (gevoelige bestemmingen) in de omgeving. Wel wordt voorzien in een transformator voor het zonnepark. Voor transformatoren geldt een richtafstand van 30 meter op basis van bedrijven en milieuzonering. De feitelijke afstand tot de dichtstbijzijnde woning is met 120 meter aanzienlijk groter. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.6
Water
Algemeen Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin dient te worden ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het projectgebied ligt in het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen
Groendus Projecten BV
33
en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Situatie Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 9,6 hectare. Op dit moment zijn de gronden in agrarisch gebruik. Voor het zonnepark worden zonnepanelen op een stalen frame geplaatst in een schuine positie. De profielen waarop de panelen rusten kunnen worden beschouwd als verhard oppervlak. Dit gaat in totaal om circa 100 m2. Er worden geen gesloten oppervlakten gecreëerd. Het hemelwater dat op de zonnepanelen valt kan van de zonnepanelen afstromen en door de ruimtes van circa 2 centimeter tussen de individuele zonnepanelen de grond bereiken waar het kan infiltreren. Daarnaast zullen er vier transformatorstations worden gebouwd met een gezamenlijke oppervlakte van circa 24 m2. Midden door het plangebied loopt een B-watergang. Dit zijn sloten met een lokale functie voor water aan- en afvoer. Eigenaren van de aangrenzende grond moeten ze onderhouden. Hiervan wordt aan beide zijden 5 meter vrij gehouden van zonnepanelen, zodat onderhoud mogelijk blijft. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een A-watergang.
Dit zijn watergangen met een belangrijke functie voor water aan- of afvoer, daarom onderhoudt het waterschap ze zelf. Ook hier wordt minimaal 5 meter vrij gehouden in verband met onderhoud. Aan de zuidwestzijde is ook een A-watergang aanwezig. Hier wordt in overleg met het waterschap een natuurvriendelijke oever aangelegd, conform de ‘Leidraad beoordeling initiatieven aanleg natuurvriendelijke oevers (NVO)’ van het waterschap. Hiervoor zal tevens een watervergunning worden aangevraagd bij het waterschap. Daarnaast ligt aan de westzijde een c-watergang, waar ook natuurvriendelijke oevers zullen worden aangelegd. Hiervoor is geen vergunning van het waterschap nodig. Ook deze natuurvriendelijke oevers zullen worden aangelegd conform de ‘Leidraad beoordeling initiatieven aanleg natuurvriendelijke oevers (NVO)’ van het waterschap. Het waterschap heeft aangegeven dat de waterkwaliteit van de watergangen waarlangs de natuurvriendelijke oevers worden aangelegd voldoende is. De natuurvriendelijke oevers liggen langs watergangen waar ten noorden en zuiden van het projectgebied reeds vergelijkbare aanpassingen zijn gedaan. Mogelijk wordt in de toekomst in het projectgebied waterberging gerealiseerd voor overtollig regenwater vanuit de woonkern Dorst. Daarmee draagt het project dan ook bij aan de klimaatadaptieve inrichting van de gemeente.
Bij voorkeur worden de natuurvriendelijke oevers daarbij niet gebruikt als waterretentie, aangezien dergelijk water doorgaans minder schoon is. In de zone aan de westzijde van het plangebied worden daarnaast drie poelen gegraven. Deze zullen worden aangelegd in afstemming met het waterschap. De poelen zullen in ieder geval worden aangelegd zoals aangegeven in de algemene regel 4, Lid 4. Zoals reeds aangegeven wordt regenwater niet afgevoerd maar geïnfiltreerd op het terrein. Er worden geen uitlogende of milieubelastende materialen gebruikt.
Groendus Projecten BV
34
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.7
Flora & Fauna
Wettelijk kader Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of sprake is van invloeden op beschermde gebieden, natuurwaarden en beschermde soorten. Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebiedof landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen die ruimtelijke ingrepen hebben voor instandhouding van de beschermde soort. Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen.
Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzijtoets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. Situatie Door Sweco is een verkennend natuuronderzoek voor de locatie uitgevoerd (bijlage 1). Op het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn geen significante negatieve effecten te verwachten, zoals verdroging, verontreiniging, optische-, licht- en geluidsverstoring. Effecten ten gevolge van de werkzaamheden, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, reiken maximaal tot enkele honderden meters ver. Deze kunnen vanwege de relatief grote afstand tot het Natura 2000-gebied (3,7 km) op voorhand worden uitgesloten. Tevens is er een snelweg gelegen tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, hetgeen zorgt voor een barrièrewerking en een mate van geluidsverstoring. Er is geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Er is geen noodzaak voor het uitwerken van een zogenaamde Voortoets. Volgens de Wnb gaat het in dit geval om een project en niet om een plan (het gaat niet om een bestemmingsplan).
Bij de uitvoering van de werkzaamheden voor de realisatie van het zonnepark wordt naar verwachting gebruik gemaakt van verschillend materieel dat gepaard gaat met stikstofemissie. In dit kader is middels de Aerius calculator een stikstofberekening gemaakt voor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Uit deze berekening (Bijlage 7) blijkt dat de
Groendus Projecten BV
35
depositiebijdrage niet groter is dan 0,005 mol/ha/jaar, zowel voor de Wnb-rekenpunten als de 1.245 ‘eigen rekenpunten’, waarin alle door het wijzigingsbesluit aanwezige waarden toegevoegde hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW zijn opgenomen. Dit geldt zowel voor de bouwfase, de exploitatiefase als de verwijderfase, waarbij als uitgangspunt is aangehouden dat in de verwijderfase dezelfde werkzaamheden worden uitgevoerd als in de bouwfase, maar dan in omgekeerde volgorde. Wanneer de nieuwe Aerius calculator eind januari beschikbaar komt zullen deze berekeningen opnieuw worden uitgevoerd. Op het onderdeel soortenbescherming geldt dat de houtwal grenzend aan het plangebied en de watergangen binnen het plangebied kunnen functioneren als vliegroute voor vleermuizen met beschermingsregime Habitatrichtlijn art. 3.5 Wnb. De voorgenomen werkzaamheden worden op een korte afstand tot de watergangen en houtwal uitgevoerd. Op de te behouden houtwal en watergangen kan mogelijk verstoring optreden tijdens de aanlegfase in de vorm van lichtverstoring (door de inzet van bouwlampen) of geluidsverstoring (door de inzet van zwaar materieel). Dit dient te worden voorkomen door tijdens de schemer en in de nacht geen werkzaamheden uit te voeren. Mits de hierboven genoemde maatregelen in acht worden genomen, is aanvullend onderzoek naar vleermuizen niet noodzakelijk.
Tijdens de uitvoeringsfase dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedvogels tijdens het broedseizoen. Alle broedgevallen zijn gedurende deze periode beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt. De werkzaamheden worden dan ook zo veel mogelijk buiten het broedseizoen uitgevoerd. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van alle in het wild levende dieren en planten alsmede hun directe leefomgeving. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project, mits aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan in de uitvoering.
4.8
Archeologie
Wettelijk kader Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet in een toelichting van een bestemmingsplan bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met het aspect archeologie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Situatie De gronden hebben tevens de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie', wat betekent dat deze gronden mede bestemd zijn voor de bescherming van de (potentieel) aanwezige archeologische waarden van de gronden.
Groendus Projecten BV
36
Op of in deze gronden mogen ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van: a. b.
ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw in generlei opzicht wordt vergroot; de bouw van een gebouw of de uitbreiding van een bestaand gebouw met ten hoogste 100 m².
Met de realisatie van het zonnepark en de landschappelijke inpassing zal meer dan 100 m² worden verstoord. Daarom is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (bijlage 2). Uit dit onderzoek is gebleken dat in het plangebied een middelhoge kans is op archeologische waarden uit de periode Laat Paleolithicum – Nieuwe Tijd. Op basis hiervan is geadviseerd vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van verkennend booronderzoek. Uit het verkennend booronderzoek (bijlage 3) blijkt voor het plangebied gedeeltelijk een lage archeologische verwachting (5,36 ha), een middelhoge archeologische verwachting (5085 m2) en een hoge archeologische verwachting (4,32 ha) op het aantreffen van archeologische resten. Er geldt voor de begraven bodems een middelhoge kans op het aantreffen van eventueel aanwezige archeologische resten behorende bij jagers-verzamelaars uit het paleolithicum. Eventueel aanwezige resten van jagers-verzamelaars uit het paleolithicum worden op variabele diepte tussen 30 en 130 cm -mv verwacht. Tevens geldt er voor de voormalige (met plaggen opgehoogde) bouwlandgronden een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van (nederzettings)resten uit het neolithicum tot en met de middeleeuwen. In het westelijke deel geldt een specifieke hoge archeologische verwachting op het aantreffen van een vindplaats uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd B (vindplaats).
Nederzettingsresten worden direct onder de huidige bouwvoor verwacht vanaf 25 cm in het noordwestelijke deel en vanaf 45 cm in het oostelijke deel van het plangebied. Voor het zonnepark zullen ca. 12.000 metalen profielen met een omvang van ca. 8 x 11 cm worden aangebracht, waarvan ongeveer 40% binnen de zone met hoge verwachting. De profielen hebben geen betonnen voeten en worden ca. 1,5 m diep in de grond worden gedrukt. In het advies selectiebesluit van de Regio West-Brabant wordt geconcludeerd dat de bodemverstoring zeer beperkt in omvang is. Doordat ten behoeve van het aanbrengen van de palen niet wordt ontgraven, is de bodemverstoring zeer beperkt (alleen de locaties van de palen zelf). De gevolgen voor de archeologie zijn minimaal, waardoor hiervoor geen nader onderzoek noodzakelijk is. Tevens is het ontwerp van het zonnepark en de landschappelijke inpassing aangepast, zodat de poelen allen binnen de zone met lage archeologische verwachting vallen en de kabels vanaf de zonnepanelen naar de omvormers en van de omvormers naar de transformatorstations zullen bovengronds worden uitgevoerd. In totaal is de te verwachten verstoring door ontgraving beperkt tot ca. 69 m2 binnen de zone met hoge archeologische verwachting door de transformatorstations en kabelsleuven tussen transformatorstation en de weg.
Voor de aanleg van de groenstroken zal echter meer verstoring plaatsvinden, tot een diepte waarbij verstoring van archeologische waarden mogelijk is. Op basis van het verkennend booronderzoek heeft het bevoegd gezag daarom besloten dat een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is langs de oostelijke landschappelijke inpassing en de westelijke landschappelijke inpassing op de plek waar de mogelijke vindplaats aanwezig is. In aanvulling daarop is een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk binnen de zone die als vindplaats is aangemerkt, als tijdens het aanbrengen van de metalen profielen voor de draagconstructie van
Groendus Projecten BV
37
de zonnepanelen blijkt dat archeologische resten een belemmering vormen doordat zij een obstructie vormen bij het indrijven van de profielen. Uit het proefsleuvenonderzoek (bijlage 4) blijkt dat slechts enkele sporen van agrarisch landgebruik in de nieuwe tijd zijn aangetroffen. Deze sporen zijn door hun geringe inhoudelijke waarde als niet behoudenswaardig gewaardeerd. Aanwijzingen voor andere archeologische vindplaatsen zijn niet aangetroffen. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische waarden is daarom klein. Uit het onderzoek blijkt dat de vindplaats als niet behoudenswaardig kan worden aangemerkt. Vooral de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats is laag. Het bevoegd gezag heeft daarom besloten dat geen vervolgonderzoek noodzakelijk is en het plangebied vrij te geven voor de geplande bouwactiviteiten. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect archeologie.
4.9
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet in een toelichting van een bestemmingsplan bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met het aspect cultuurhistorie. Situatie De provincie Noord-Brabant beschikt over de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Aan de hand van de CHW kan worden beoordeeld of, en zo ja welke, cultuurhistorische waarden in een gebied gelden. Voor Zonnepark Dorst geldt dat op de CHW niets is opgenomen. De gemeente Oosterhout heeft op 25 januari 2012 de Erfgoedkaart Oosterhout vastgesteld. Deze kaart geeft de archeologische verwachtingen en archeologische en cultuurhistorische waarden in Oosterhout weer. Op de kaarten van historische geografie, monumenten en zichtrelaties is voor Zonnepark Dorst geen aanduiding weergegeven. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect cultuurhistorie.
4.10 Verkeer en parkeren Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 9,6 hectare. Een dergelijke functie heeft, met uitzondering van verkeer in verband met onderhoudswerkzaamheden, geen verkeersaantrekkende werking. Ook wordt niet voorzien in een aanvullende parkeerbehoefte. De verkeers- en parkeergeneratie van de nieuwe functie is dan ook zeer beperkt.
Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
4.11
Elektromagnetische straling
Algemeen
Groendus Projecten BV
38
Rondom hoogspanningsleidingen en antennes is sprake van straling. Deze straling kan negatieve effecten met zich meebrengen op de gezondheid. Dergelijke zaken kunnen ook gelden voor zonnepanelen en overige technische toepassingen. Hier zijn geen wettelijke regels voor, maar desondanks wordt beoordeeld of stralingveroorzakende objecten in de buurt van woningen of andere gebouwen waarin personen gedurende een langere tijd verblijven worden gerealiseerd. Situatie Het elektromagnetisch veld dat zonnepanelen opwekken is erg zwak (laagspanning). Om de laagspanning van zonnepanelen geschikt te maken voor wisselstroom is een omvormer nodig. De omvormer zorgt wel voor een magnetisch veld. Dat geldt ook voor de transformatorstations. Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 microtesla. Dit voorzorgsprincipe kan ook gehanteerd te worden bij de ontwikkeling van een zonnepark, door de afstand van een zonnepark tot woningen en andere gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 microtesla komt.
In het RIVM ‘Verkenning van extreemlaagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen’ (RIVM-rapport 609300011/2009) wordt aandacht besteed aan elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations. De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Een vuistregel is dat als de afstand twee keer zo groot wordt, de sterkte van het veld ongeveer vier keer zo laag wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 microtesla wordt bereikt op een afstand van maximaal 7 m van onderzochte transformatorstations. Conclusie In het voorliggende plan zijn de afstanden tussen woningen en de omvormers en transformatorstations met minimaal 120 meter aanzienlijk groter, waardoor redelijkerwijs mag worden aangenomen dat elektromagnetische straling geen gezondheidsrisico vormt.
4.12
Lichtreflectie
Algemeen Voor hinder ten gevolge van reflectie bestaat géén specifiek beleid of regelgeving. Reflectie kan in bepaalde gevallen leiden tot tijdelijke verblinding. Daarom is dit met name van belang langs wegen, waar het invloed kan hebben op de verkeersveiligheid. Voor hinder voor omwonenden geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening en het in standhouden van een goed woonklimaat alle relevante aspecten moeten worden meegenomen. Reflectiehinder kan in dit kader worden beschouwd. Situatie Langs Zonnepark Dorst liggen de Akkerweg en Koutereind, hier zou mogelijk sprake kunnen zijn van hinder door verblinding. Dit is afhankelijk van de stand van de zon aan de hemel, de oriëntatie en opstellingsrichting van de panelen en de locatie van de observeerder ten opzichte van de panelen. Gezien het feit dat de Akkerweg en Koutereind geen doorgaande wegen betreffen waardoor hier slechts beperkt (bestemmings)verkeer rijdt en het feit dat het zonnepark wordt omzoomd door landschappelijke inpassing zal van hinder door weggebruikers nauwelijks sprake
Groendus Projecten BV
39
zijn, zie figuur 11. Ook voor omwonenden geldt dat door de aanplant van de landschappelijke inpassing hinder door reflectie voorkomen zal worden.
Figuur 11: Visualisatie van het zonnepark met de landschappelijke inpassing vanaf de Akkerweg. Conclusie Het aspect lichtreflectie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
4.13
Niet-gesprongen Explosieven
De gemeente Oosterhout heeft voor haar grondgebied vooronderzoek laten uitvoeren naar nietgesprongen explosieven. Op basis van dit onderzoek is de locatie van het zonnepark gedeeltelijk verdacht op de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven, zie figuur 12.
Figuur 12: gebied verdacht op niet-gesprongen explosieven (oranje).
Groendus Projecten BV
40
Conform het gemeente brede historische vooronderzoek (Ontplofbare Oorlogsresten) OO van de gemeente Oosterhout kunnen de volgende soorten van OO deels binnen het zonnepark aangetroffen worden: - Klein kaliber munitie (KKM); - Diverse soorten hand- en geweergranaten; - Diverse soorten munitie voor granaatwerpers; - Diverse soorten geschutmunitie; - Diverse soorten toebehoren van munitie. De maximale en minimale diepteligging van de hierboven genoemde verwachte OO is niet bekend. Voor het deel van het zonnepark dat verdacht is op niet-gesprongen explosieven, en waar grondroerende activiteiten zullen plaatsvinden, is door Den Ouden Bodac B.V. een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Tijdens de opsporingswerkzaamheden zijn geen OO of OO gerelateerde objecten aangetroffen. Het advies van Den Ouden Bodac B.V. luidt dat binnen de in de revisietekening vrijgegeven dimensies grondroerende werkzaamheden zonder aanvullende maatregelen, in relatie tot ontplofbare oorlogsresten, kunnen worden uitgevoerd. Conclusie Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
4.14
(Vormvrije) m.e.r.-beoordeling
Algemeen Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), moet bij initiatieven voor (het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMER-plichtig, projectMER-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Daarnaast kan van een m.e.r.-plicht sprake zijn als een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd moet worden of als in de Interim-omgevingsverordening Noord-Brabant een plicht is opgenomen. Situatie Deze ruimtelijke onderbouwing maakt een tijdelijke functiewijziging naar een zonnepark mogelijk. Dergelijke ontwikkelingen zijn geen onderdeel van de D-lijst van het Besluit m.e.r.. Uit jurisprudentie (uitspraak van de RvS van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) is gebleken dat geen sprake is van een activiteit genoemd in bijlage D bij het Besluit milieueffectrapportage, waaronder: landinrichtingsproject, stedelijk ontwikkelingsproject en industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Dat betekent dat er geen m.e.r-plicht en geen m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r. benodigd is voor het voorgenomen plan.
Daarnaast geldt er geen m.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming omdat geen passende beoordeling is vereist.
Groendus Projecten BV
41
Als laatste is geen aanwijzing opgenomen voor een m.e.r.-plicht voor een dergelijke ontwikkeling in de Interim-omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie Voor dit project geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Van nadelige gevolgen voor het milieu is gelet op de aard van de ontwikkeling geen sprake.
Groendus Projecten BV
42
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Algemeen
Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
In artikel 6.12, lid 1 Wro is bepaald dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. In artikel 6.12, lid 2 is echter opgenomen dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is. Voorliggend project betreft een particulier initiatief dat op particuliere gronden plaatsvindt. Met initiatief zijn geen kosten voor de gemeente gemoeid, anders dan kosten die op basis van de gemeentelijke legesverordening in rekening zullen worden gebracht. Het verhaal van kosten is daarmee anderszins verzekerd, waarmee het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
5.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omgevingsdialoog en inspraakprocedure Op 10 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders de Richtlijn Omgevingsdialoog vastgesteld. Hierin is vastgelegd dat bij ontwikkelingsinitiatieven een omgevingsdialoog plaatsvindt. Hierbij dient de initiërende partij in een vroeg stadium van de planontwikkeling de dialoog met de omgeving aan te gaan. De omgevingsdialoog is bedoeld om de omgeving van het initiatief te informeren, maar ook om input uit de omgeving op te halen over de plannen en het draagvlak te peilen. In het kader van de planontwikkeling is uitvoerig gesproken met direct omwonenden van het zonnepark en met de bredere omgeving. Ook is overleg gevoerd met diverse instanties, zoals de gemeente Breda en Waterschap Brabantse Delta. Gedurende het traject zijn meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met 6 direct omwonenden. Telefonisch is gesproken met 7 bedrijven op Minervum. Ook is gesproken met de eigenaren van aangrenzende gronden. Niet is gesproken met de circa 35 eigenaren van kleine grondstukjes ten zuiden van de locatie. Naast deze verschillende omwonenden is ook gesproken met andere partijen die een belang bij het plan hebben: - Bedrijfsvereniging 3-BO - Dorpsplatform Dorst
Groendus Projecten BV
43
-
Waterschap Brabantse Delta Milieuvereniging Oosterhout Coöperatie ONE (Oosterhout Nieuwe Energie)
In de gesprekken werd vanuit de zijde van de initiatiefnemer voorgesteld wie Groendus is en vervolgens werd het proces naar een uiteindelijke realisatie uitgelegd. Daarna werd aan de hand van de bestaande schetsen het plan toegelicht. Hierbij was bijzondere aandacht voor de voorgenomen inpassingsmaatregelen en de ecologische aspecten van de zonneweide. Daarna werden er meestal vragen gesteld en werd in een aantal gevallen vanuit de tuin bekeken waar de locatie precies ligt. In een aantal gevallen werden opmerkingen geplaatst en verzocht om ergens mee rekening te houden. Van de gesprekken zijn individuele verslagen gemaakt. Een omwonende heeft na een eerste gesprek te kennen gegeven geen behoefte meer te hebben aan verdere gesprekken, omdat hij tegen zonneparken is. Met de andere omwonenden zijn constructieve gesprekken gevoerd. Op basis van de uitkomsten van de gesprekken zijn de plannen diverse keren aangepast: - Toevoegen perceel aan zonnepark; - Voldoende afstand aanhouden tussen naastgelegen woning en zonnepanelen; - Meer afstand tussen Akkerweg en zonnepanelen zodat langs de Akkerweg een strook open ruimte blijft. Vervolgens zijn nieuwe gespreksrondes gevoerd met de direct omwonenden om tot een plan te komen dat voor zowel Groendus als de omwonenden acceptabel is. Op 22 december 2020 heeft Groendus een principeverzoek ingediend bij de gemeente Oosterhout.
Op 19 januari 2021 heeft het college besloten het principeverzoek voor inspraak vrij te geven. Het initiatief “zonnepark Dorst” heeft conform de Algemene Inspraakverordening Oosterhout 2006 met ingang van 4 februari 2021 tot en met 24 februari 2021 ter inzage gelegen. Er zijn in totaal 28 reacties ingediend. Ongeveer een kwart van de insprekers is positief en/of wil graag participeren in het zonnepark. Overige insprekers hebben vragen, bezwaren of zorgen. De inspraakreacties zijn de classificeren in de volgende thema’s: 1. Procedure van de inspraak 2. Algemeen beleid gemeente Oosterhout op gebied van duurzame energie 3. Locatiekeuze 4. Visuele hinder zonnepark Bavelse Berg en zonnepark Dorst/Akkerweg 5. Ruimtelijke kwaliteit 6. Natuur (flora en fauna) 7. Overige vragen De gemeente Oosterhout heeft de inspraakreacties beantwoord middels een Inspraakverslag, welke is bijgesloten als bijlage 5. Op 18 oktober 2021 heeft Groendus een informatieavond georganiseerd voor alle omwonenden en inwoners van Dorst. Ook de gemeente Oosterhout was hierbij aanwezig. De informatieavond is georganiseerd als inloopavond om zoveel mogelijk mensen de kans te geven aanwezig te zijn. Een grote meerderheid van de aanwezigen was positief over de voorgenomen ontwikkeling.
Wel werden kritische vragen gesteld over de landschappelijke inpassing en werden suggesties gedaan om het plan te verbeteren (voldoende groot aanplanten, eerst groen aanplanten daarna zonnepark bouwen, wintergroene beplanting toepassen, op tijd maaien, etc.). De meeste
Groendus Projecten BV
44
aanwezigen waren echter geïnteresseerd in de mogelijkheden voor financiële participatie in het project. Ook na het principeverzoek en de informatieavond heeft Groendus gesprekken gevoerd met de direct omwonenden. Op basis van het inspraakverslag, de informatieavond en de verdere gesprekken met omwonenden en instanties heeft Groendus het ontwerp op enkele punten opnieuw aangepast om tegemoet te komen aan bezwaren en zorgen: - de hoogte van de zonnepanelen is verlaagd; - aan de westzijde is een natuurlijke zone toegevoegd; - voldoende afstand vrijhouden tot omwonenden; - opnemen dat eerst de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en daarna het zonnepark; - opnemen welke maat aanplant wordt toegepast; - opnemen van minimale hoogtes van beplanting; - opnemen hoe en wanneer onderhoud (maaien) wordt toegepast. De onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt conform de procedure die voor het verkrijgen van de vereiste omgevingsvergunning moet worden doorlopen, ter inzage gelegd. Gedurende die termijn kan eenieder reageren op het planvoornemen en zijn zienswijze geven en later eventueel bezwaar en vervolgens beroep instellen. Financiële participatie Groendus biedt de mogelijkheid voor omwonenden om financieel te participeren in het project.
Dit doet zij op twee manieren: middels een omgevingsfonds en middels drie SCE-projecten, in samenwerking met lokale energiecoöperatie Oosterhout Nieuwe Energie (ONE). Daarnaast biedt Groendus de mogelijkheid om de elektriciteit van het zonnepark af te nemen. Dit kan via de Groendus Energiemarktplaats voor grootverbruikers of via partner GroeneStroomLokaal voor kleinverbruikers. De duurzame energie van Zonnepark Dorst wordt verkocht. Om te zorgen dat alle inwoners van de gemeente Oosterhout hiervan financieel kunnen profiteren wordt een Omgevingsfonds opgezet. Van elke door Zonnepark Dorst geproduceerde megawattuur wordt 50 eurocent in het Omgevingsfonds gestort. Jaarlijks betekent dit een bijdrage van circa € 5.500. Gedurende de 25jarige exploitatieperiode van het zonnepark betekent dit dat € 137.500 in het Omgevingsfonds wordt gestort. Dit bedrag kan worden besteed aan projecten in de omgeving, zoals bijvoorbeeld zonnepanelen voor gebouwen van verenigingen of voor andere voorzieningen die voor inwoners belangrijk zijn. Omwonenden en inwoners van de gemeente Oosterhout beslissen samen waar het geld aan wordt besteed. Naast het Omgevingsfonds is Groendus voornemens om in samenwerking met ONE drie SCEprojecten aan te bieden. Elk project heeft een omvang van 500 kW en produceert voldoende elektriciteit voor circa 150-160 huishoudens.