CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 Ontwerpbestemmingsplan

Raadsvergadering 18 april 2023, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Hamerstuk: ZN 360313 Vaststelling bestemmingsplan “Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)”27.877 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het bestemmingsplan (en zeker ook het toekomstig omgevingsplan, dat op grond van een nieuwe Omgevingswet in de plaats komt voor het bestemmingsplan) kan daarvoor dienst doen. Dit omdat in een bestemmingsplan een concreet toetsingskader kan worden opgenomen voor toekomstige grote, maar ook kleine ontwikkelingen. Het bestemmingsplan mag duurzaamheid regelen als dit een direct verband houdt met de bestemming die aan het bestemmingsplangebied wordt toegekend. De regels van het plan moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van deze gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden. Net als bij andere onderwerpen in de ruimtelijke ordening kunnen deze regels uitgaan van de volgende vier thema's: 1. Toestaan van gebruik en bouwwerken; 2. Voorwaarden stellen door middel van voorwaardelijke bepalingen; 3. Uitsluiten van ongewenste ontwikkelingen; 4. Belonen van wenselijke initiatieven door middel van extra (planologische) ruimte. Het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium kan, en soms moet het zelfs, de deur openen voor duurzame ontwikkelingen. Het belangrijkste afwegingskader voor duurzaamheid is, naast wet- en regelgeving, de in 2019 door de gemeenteraad vastgestelde beleidsnota ''Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030" en de daaruit afgeleide en vastgestelde "Routekaart energietransitie 2019-2022".

Beoordeling en conclusie Het realiseren van een woning in ruil voor het afbreken van overtollige bebouwing (regeling ruimte voor ruimte) pas bij de duurzaamheidsambities van de gemeente Oosterhout. Welstandsnota Per 1 oktober 2015 geldt er in Oosterhout bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geen welstandstoets meer. Wel zal er achteraf, via een zogenaamde excessenregeling, kunnen worden opgetreden tegen bouwwerken die in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Er blijven welstandseisen gelden indien sprake is van een beschermd stads- en dorpsgezicht of indien sprake is van de aanwezigheid van rijks- of gemeentelijke monumenten.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 23 van 49

Het plangebied is niet gelegen in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Verder zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten in het plangebied aanwezig. Aan het eind van de straat bevindt zich een gemeentelijk monument, het pand aan de Groenendijk 2 is een voormalige boerderij met een kern uit de negentiende eeuw. De voorliggende ontwikkeling heeft geen invloed op dit monument. Beleidsvisie externe veiligheid Een gemeente kan, aanvullend op het Rijksbeleid, een beleidsvisie vaststellen. De gemeente Oosterhout heeft op 24 oktober 2017 een Beleidsvisie Externe Veiligheid vastgesteld, waarin de gemaakte keuzes, hun onderlinge samenhang en de consequenties van deze keuzes aangegeven zijn om een verdergaande ruimtelijke scheiding tussen risicovolle activiteiten en te beschermen objecten te waarborgen. De beleidsvisie externe veiligheid is bedoeld om duidelijkheid te geven aan burgers en bedrijven over hoe de gemeente Oosterhout omgaat met: a. Waar risicobronnen planologisch worden toegelaten; b. De wijze van het ruimtelijk scheiden van risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten , verdergaand dan de minimale scheiding; c. De beheersing van de risico’s; d. Het niveau van het groepsrisico; e. De verantwoording van de veiligheidssituatie; f. De registratie en publicatie van risicobronnen en te beschermen objecten; g. De risicocommunicatie.

In de beleidsvisie worden gemaakte keuzes en hun onderlinge samenhang aangegeven en de consequenties van de keuzes worden duidelijk gemaakt. Deze visie is een handvat om de afstemming en sturing van processen in goede banen te leiden en planologische en milieubesluiten aan te toetsen. In paragraaf 4.5 wordt het onderdeel ‘Externe veiligheid’ nader beschreven. Dit aspect vormt geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging. Ruimte voor ruimte Aanvullend op het provinciaal beleid heeft de gemeente Oosterhout vastgelegd dat de sanering (en daarmee ook de saldering) grotendeels (minimaal voor 80%) plaats moet vinden in de gemeente Oosterhout. In de bijlage is het certificaat ‘Bouwtitel’ van ruimte-voor-ruimte opgenomen. De titel komt voort uit de sanering van het varkensbedrijf aan de Griendsteeg 17 te Oosteind. Hierdoor wordt middels deze ontwikkeling eveneens elders in het buitengebied van gemeente Oosterhout een ruimtelijke kwaliteitswinst behaald. De inhoud van Ruimte voor Ruimte woningen wordt gelijk gesteld met die van burgerwoningen (zijnde 750m³ ). In de planregels van dit bestemmingsplan is deze maximale inhoudsmaat als voorwaarde opgenomen. Onderhavige ontwikkeling voldoet aan de eisen van de gemeente Oosterhout ten aanzien van het realiseren van een ruimte voor ruimtewoning.

Verder wordt verwezen naar de toetsing aan de provinciale regels op het vlak van Ruimte voor Ruimte in paragraaf 3.2.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 24 van 49

4

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbare en duurzame gemeente dient bij ruimtelijke planvorming rekening te worden gehouden met de milieu- en omgevingsaspecten die door het plangebied en of de omgeving hiervan worden opgelegd. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht.

4.1

Archeologie en cultuurhistorie Archeologie

Toetsingskader

De gemeente Oosterhout beschikt over een eigen erfgoedkaart (vastgesteld 25 januari 2012) die de archeologische verwachtingen en archeologische cultuurhistorische waarden weergeeft. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebieden met een lage, middelhoge en hoge verwachting voor vindplaatsen. Deze erfgoedkaart gekoppeld aan de Beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie en maakt het mogelijk archeologische en cultuurhistorische waarden een volwaardig belang te geven bij ruimtelijke planvorming. Ook worden op deze kaart de voorschriften vastgesteld voor de omgang met archeologische bodemschatten in de ruimtelijke inrichting en in bouwprojecten.

Beoordeling

Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Oosterhout is het plangebied aangemerkt als gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Er is deels sprake van een bodem die verstoord is door ontgrondingen in het verleden. In het geldende bestemmingsplan is archeologische aanduiding vertaald in een dubbelbestemming archeologie, waarmee archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlak groter dan 100 m².

Figuur 16: Uitsnede Erfgoedkaart Oosterhout, Archeologische verwachting met rode cirkel ter plaatse van plangebied Bron: gemeente Oosterhout

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 25 van 49

Het plan voorziet in de uitbreiding van planologisch toegestane bouwmogelijkheden. Door Aeres Milieu is een ‘Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen’ uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna is een samenvatting van het onderzoek opgenomen: Op basis van het uitgevoerde archeologisch booronderzoek, verkennende fase, kan worden gesteld dat de bodemopbouw in het plangebied, in het grootste deel van het plangebied nog intact is. In twee boringen is een restant van de oorspronkelijke (podzol-) bodem aangetroffen in de vorm van een (restant) B-horizont / BC horizont. In vier andere boringen is nog een begraven A-horizont aanwezig wat duidt op intactheid van de bodem. In principe zouden hier nog resten vanaf het laatpaleolithicum kunnen worden aangetroffen. Dieper ingegraven sporen kunnen hier nog aanwezig zijn. Voor alle perioden wordt de archeologische verwachting, zoals opgesteld in het bureauonderzoek, gehandhaafd. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit kan uitgevoerd worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Hiertoe dient eerst een Programma van Eisen te worden opgesteld dat getoetst dient te worden door de bevoegde overheid.

Conclusie

Op grond van de resultaten van het rapport is de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Het is ter plaatse niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren met een oppervlakte groter dan 100 m². De opname van een dubbelbestemming betekent dat een omgevingsvergunning pas kan worden verleend als in een archeologisch rapport is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of worden geschaad. Cultuurhistorie

Toetsingskader

In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. De gemeente waarbinnen de betreffende ontwikkeling plaatsvindt, is hierbij het bevoegd gezag. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig zijn. Verder zijn de relevante kaartlagen van de gemeentelijke Erfgoedkaart geraadpleegd.

Beoordeling Provincie Volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart ligt het plangebied in de regio ‘Baronie’. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Dragende structuren in de regio zijn: De oude dorpen en buurtschappen met akkercomplexen, groenlanden, (voormalige) heidevelden en groenstructuren. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de historische lintbebouwing langs de Provincialeweg (historische geografische lijn) van Oosteind. Verder zijn in het plangebied geen cultuurhistorisch of monumentale panden aanwezig. Aan het eind van de straat bevindt zich een gemeentelijk monument, het pand aan de Groenendijk 2 is een voormalige boerderij met een kern uit de negentiende eeuw. De voorliggende ontwikkeling heeft geen invloed op dit monument.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 26 van 49

Figuur 17: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) met rode cirkel ter plaatse van plangebied Bron: Provincie Noord-Brabant

Gemeente Uit de gemeentelijke erfgoedkaart blijkt dat de lintbebouwing langs de Provinciale weg en voor een deel langs de Groenendijk is aangewezen als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Langs de Provinciale weg is al in de 13e eeuw het gehucht Oosteind ontstaan door bewoning van de ontginners van de Willemspolder. De weg vormt de verbinding tussen Oosterhout en 's-Gravenmoer. Het kronkelige verloop duidt op de ligging op een natuurlijke rug of rand. De aanduiding raakt het plangebied, maar ter plaatse van het plangebied geldt deze aanduiding niet. De Groenendijk is op de erfgoedkaart als infrastructureel element een hoge waarde toegekend. Infrastructuur is over het algemeen het meest vaste landschapselement. Wegen en waterlopen worden niet gemakkelijk gewijzigd of verlegd. Veel van de bestaande wegen in het plangebied - met name in het buitengebied - hebben dan ook een oude oorsprong. In de loop van de tijd zijn de wegen wel veranderd in uiterlijk. Wegen zijn verhard en in een aantal gevallen verbreed. Hoewel het uiterlijk van de wegen gewijzigd is, vertelt de loop ervan nog veel over de ontwikkeling van het landschap. De Groenendijk liep langs het havenkanaal van Groenendijk. Het havenkanaal is inmiddels verdwenen. Daarmee geeft de straat nog als enige de loop van het vroegere havenkanaal aan. Het is een belangrijke structuur in de polder ten noorden van Oosteind.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 27 van 49

Figuur 18: Uitsnede Erfgoedkaart Oosterhout, historische geografie met rode cirkel ter plaatse van plangebied Bron: gemeente Oosterhout

De structuur van de Groenendijk en de cultuurhistorische waarde van de lintbebouwing langs de Groenendijk worden door de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast.

Conclusie

De ontwikkeling betreft het realiseren van een vrijstaande woning. De ontwikkeling heeft geen invloed op het vernietigen dan wel aantasten van waardevolle landschappelijke structuren. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de planvorming. 4.2

Bodem

Toetsingskader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodemkwaliteit te worden beschouwd. Bij ruimtelijke plannen met een functiewijziging dient te worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie die ter plaatse wordt beoogd. Middels een verkennend bodemonderzoek wordt inzicht verkregen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de mogelijke aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de grond of het freatisch grondwater. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden vastgesteld of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 28 van 49

Onderzoek

Door Aeres Milieu is een vooronderzoek uitgevoerd om op basis van de onderzoeksgegevens vast te stellen of er sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem met stoffen die een belemmering kunnen vormen met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen. De rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. In het vooronderzoek wordt het volgende geconcludeerd: -

-

-

Uit de verzamelde (historische) informatie en de uitgevoerde terreininspectie is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse sprake is van een bodemverontreiniging. Ter plaatse is sinds 1959 een schuurtje aanwezig. De rest van het perceel is in gebruik als moestuin. Gebaseerd op de verzamelde gegevens wordt de onderzoekslocatie conform de NEN5740 als ‘onverdacht’ beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan rondom de schuur niet worden uitgesloten. De onderzoekslocatie rondom de schuur is daarom verdacht beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem. Om uit te sluiten dat er asbestverdacht materiaal in de bodem bevindt wordt geadviseerd om, bij voorkeur na sloop van het pand, een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 uit te voeren. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing.

Conclusie

Ten behoeve van een aanvraag omgevingsvergunning voor bouw, dient bij de omgevingsvergunning te zijner tijd een bodemonderzoek (conform NEN 5740) te worden overlegd. Dit bodemonderzoek is echter in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet noodzakelijk. 4.3

Water

Toetsingskader

Het overheidsbeleid is er op gericht om het watersysteem op orde te brengen en vervolgens op orde te houden. Dit betekent dat er zo min mogelijk wateroverlast ontstaat en dat de waterkwaliteit voldoende is. Het beleid van waterschappen is gericht op het voorkomen van rechtstreekse lozingen op het oppervlaktewater. De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater is 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Ten aanzien van de waterkwaliteit is de voorkeursvolgorde: 'schoonhouden, scheiden en zuiveren'. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.

Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m2 gold vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. Per 26 maart 2021 is dit gewijzigd naar 500 m².

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 29 van 49

Door Aeres Milieu is het onderzoek ‘Onderbouwing wateraspect Groenendijk 10, Oosteind’ uitgevoerd. In de onderbouwing wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven. De rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Hierna worden de onderbouwing kort beschreven.

Beoordeling

Grondwater De gronden in het plangebied worden gekenmerkt door grondwatertrap VI. Bij grondwatertrap VI ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 40 - 80 centimeter beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 120 centimeter beneden maaiveld. Op basis van de verwachte bodemopbouw is een matige doorlatendheid van de toplaag aanwezig. Hieronder bevindt zich een goed doorlatend pakket. Uit gegevens van de provincie Noord-Brabant ligt de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand ter plaatse tussen 80-100 cm-mv en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand op ca. 180 cm-mv te verwachten. Bij nieuwbouw van een woning dient voldaan te worden aan een ontwateringsdiepte van 0,7 meter t.o.v. het bouwpeil. Hieraan wordt ter plaatse reeds voldaan. Voor de nieuwbouw wordt een vloerpeil van ca. 10-20 cm boven de weg geadviseerd, dus ca. 1,9 meter +NAP). Hierdoor wordt eventuele instroom vermeden. Ter plaatse van de toekomstige woning is hiervoor een lichte ophoging benodigd. Door het aanhouden van een hoger vloerpeil is geen grondwateroverlast te verwachten in het plangebied. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Tussen het perceel en de weg is een greppel aanwezig, die ten noorden van het plangebied overgaat in een B-watergang. De bestaande inrit tot het perceel behouden blijven.

Er worden vooralsnog geen wijzigingen aan het bestaand oppervlaktewater verwacht. Afvalwater In de Groenendijk is een vrijvervalstelsel aanwezig waarop het bestaande pand aangesloten is. De kernen Oosterhout, Den Hout en Oosteind maken onderdeel uit van zuiveringskring Dongemond. Het ingezamelde afvalwater wordt via vrijverval riolen, gemalen en persleidingen getransporteerd naar de RWZI Dongemond. De zuiveringen zijn in eigendom, beheer en onderhoud van Waterschap Brabantse Delta. Het afvalwater van de nieuwbouw wordt gescheiden aangeleverd op het bestaand gemeentelijk vrijvervalstelsel. Tegenover de bestaande situatie is geen significante toename aan afvalwater te verwachten. Hemelwater De locatie is grotendeels onbebouwd (moestuin met klein bijgebouw en kas). In de huidige situatie wordt het hemelwater deels opgevangen voor het besproeien van de tuin. Het overschot stroomt over eigen terrein waar het ter plaatse in de bodem infiltreert. In het Water- en Rioleringsplan van de gemeente Oosterhout is het gemeentelijk beleid voor nieuwbouwlocaties opgenomen. Bij nieuwbouw geldt dat het regenwater in principe niet mag worden afgevoerd op de gemeentelijke riolering mits de aanwezige regenwaterriolering hiervoor is aangelegd. Het regenwater moet dus of in de bodem geïnfiltreerd of op oppervlaktewater geloosd worden. Hiervoor gelden enkele normen.

Bij nieuwbouw van maximaal 2 woningen mag het af te voeren verhard oppervlak (schoon regenwater), mits kleiner dan 150 m2, gewoon worden afgevoerd via de riolering. Bij nieuwbouw moet het af te voeren verhard oppervlak, mits meer dan 1000 m2, in de bodem infiltreren of lozen op oppervlaktewater binnen een afstand van 300 meter.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 30 van 49

Bij de planontwikkeling bedraagt het verwacht toekomstig verhard oppervlak ca. 425 m2. Door de kleine ontwikkeling (<500 m2 toename, nieuw beleid Waterschap) en de ligging buiten hydrologisch beschermd gebied is vanuit het waterschap geen compenserende voorziening noodzakelijk. Het hemelwater dient op eigen perceel verwerkt te worden. Hierop kan gezien de ligging nabij de bestaande watergang tussen het perceel en de Groenendijk een overloop naar het bestaand oppervlaktewater aangelegd worden. Vanuit het water- en rioleringsplan gelden de voorwaarden: - Bij bui 10 (ca. 40 mm in één uur) geen water op straat berekend vanuit een leidingstelsel. - Bij bui 100 (ca. 70 mm in één uur) geen inundatie vanuit open waterberging (o.a. wadi) of watergang. Voor de toename aan verharding dient de voorziening op eigen perceel ca. 9,4 m3 (=40 mm x 235 m2) te kunnen verwerken, waarbij een hoeveelheid van ca. 16,5 m3 (=T100 = 70 mm x 235 m2) geen wateroverlast veroorzaakt. Het dakwater van de woning kan bovengronds afvoeren in bijvoorbeeld een grindgoot of via traditioneel leidingwerk naar een aan te leggen hemelwatervoorziening. Ter plaatse is een matige tot goede infiltratiesnelheid te verwachten (0,5-1 meter per dag). Gezien de verwachte GHG op ca. 80-100 cm-mv. gaat de voorkeur uit naar bovengrondse infiltratie in de bodem.

Bovengrondse mogelijkheden zijn de aanleg van een ‘verlaagde’ tuin of het aanleggen van een greppel. De grootte is afhankelijk van de diepte en het type voorziening. Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig om de retentie aan te leggen.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van een woning. Om te voldoen aan de watertoets wordt deze waterparagraaf gezamenlijk met de onderbouwing ter beoordeling voorgelegd aan het waterschap voor een wateradvies. 4.4

Natuur

Toetsingskader

De natuurwet- en regelgeving kent twee sporen, namelijk een soortgericht spoor en een gebiedsgericht spoor. De bescherming van deze twee sporen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de natuurwetgeving. Door Aeres Milieu is een quickscan Natuurwetgeving uitgevoerd. Doel van deze quickscan is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. De quickscan geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving. De onderzoeksrapportage is als separate bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd.

De resultaten van het onderzoek zijn hier kort samengevat.

Beoordeling gebiedsbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Langstraat’ ligt op een afstand van circa 4,2 kilometer van het plangebied. Op 8,2 kilometer afstand ligt Natura 2000-gebied Biesbosch (tevens Wetland Biesbosch Zuidwaard). Het plangebied ligt op een afstand van 9,2 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied, evenals Wetlands. 20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 31 van 49

De bouw en het gebruik van de woning leiden tot enige stikstofuitstoot. Vanwege de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied, en de kleinschaligheid van de ingreep wordt in de Quickscan gesteld dat geen significante effecten op bovengenoemde (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebieden wordt verwacht. Op circa 270 meter ten oosten van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Dit bestaat uit het beheertype ‘Houtwal en houtsingel’. Het is onwaarschijnlijk dat de plannen een negatief effect hebben op het NNB.

Beoordeling soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen dienen te worden getroffen om nadelige gevolgen op flora en fauna voor zover mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht geldt altijd en voor alle soorten, ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. Vogels en zoogdieren De daken en wanden van de broeikasjes zijn enkelwandig. Het voormalig gasverdeelhuisje heeft geen open stootvoegen en een betonnen dak dat een bitumen laag heeft, zonder kieren. Vleermuizen en vogels kunnen de bebouwing dus niet in. In het plangebied zijn geen holle bomen aanwezig. Jaarrond beschermde vogelnesten zijn afwezig, maar waarschijnlijk broeden er in het broedseizoen wel algemeen voorkomende vogels zoals de merel in de opgaande vegetaties in het plangebied. ‘Internationaal beschermde soorten’ zijn niet aangetroffen. De potentiële nestlocaties ter plaatse staan beschreven in het onderzoek. Er zijn geen nesten en sporen aangetroffen bij de veldinspectie, derhalve is hiervoor ook geen kaart met de broedplaatsen opgenomen. Voorafgaand aan werkzaamheden dient altijd te worden gecontroleerd op eventuele nesten of sporen van dieren. Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen. Planten In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen.

Amfibieën en andere soorten Wateren die als voortplantingswater voor amfibieën kunnen dienen, zijn niet aanwezig. Wel is het mogelijk dat meerdere algemene amfibieënsoorten de begroeide delen van het plangebied als landhabitat gebruiken. Reptielen zijn afwezig en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied.

Conclusie

In de Quickscan Wet natuurbescherming is aangegeven dat de ontwikkeling waarschijnlijk geen effect heeft op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Om elk risico uit te sluiten is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden te bepalen. De stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling mag met niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar toenemen in vergelijking met de feitelijk situatie. De regelgeving ten aanzien van stikstof wijzigt continue. Zo is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Stikstofwet) in maart 2021 goedgekeurd door de Eerste Kamer. De inwerkingtreding van deze Stikstofwet is voorzien op 1 juli 201. De wet regelt onder andere een partiele vrijstelling voor de bouwsector (alleen voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg) van de natuurvergunningplicht als bedoeld in art. 2.7, lid 2, Wnb. Met behulp van de Aerius-calculator is de relevante stikstofemissie van het gebruik van de woning berekend. Per 1 juli 2018 dienen nieuwbouwwoningen aardgasloos gerealiseerd te worden. Stikstofemissie van woningen tijdens de gebruiksfase wordt derhalve alleen veroorzaakt door het toegenomen aantal verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling.

De berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd, waarbij als uitgangspunt een toename van 8 verkeersbewegingen per 20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 32 van 49

etmaal is genomen. Al deze verkeersbewegingen zijn in zuidelijke richting over de Groenendijk, naar de Provincialeweg. Uit de berekening blijkt dat de gebruiksfase geen depositieresultaten oplevert boven 0,00 mol/ha/jaar. Het plan heeft geen negatief effect op de Natura 2000-gebieden.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 33 van 49

Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. In de opgaande vegetaties komen in het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd en waarvoor geen omgevingscheck nodig is. Doden en vernielen van broedvogels/eieren/jongen moet worden voorkomen door het verwijderen van opgaande vegetaties buiten het broedseizoen uit te voeren (buiten de periode 15 maart – 15 juli). Door naleving van deze mitigerende maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen van de Wnb begaan. In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. 4.5

Milieu-aspecten Externe veiligheid

Toetsingskader

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Daarnaast is de Beleidsvisie Externe Veiligheid 2017 van de gemeente Oosterhout van toepassing. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelscentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6 /jr.

Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet de PR 10- 6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsgebonden risico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. dat wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 34 van 49

In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen. In de beleidsvisie van de gemeente Oosterhout is opgenomen dat in het invloedgebied van een buisleiding voor aardgas in principe geen nieuw kwetsbaar object mag worden toegelaten. De gemeente heeft beleidsvrijheid om onderbouwd van dit uitgangspunt af te wijken. Door Aeres Milieu is een quickscan Externe Veiligheid uitgevoerd. Doel van de quickscan is om te kijken welke risico’s in de omgeving aanwezig zijn en/of nader onderzoek nodig is in verband met de verantwoording van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De onderzoeksrapportage is als separate bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hier kort samengevat.

Beoordeling

Met behulp van de nationale risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicovolle wegen, buisleidingen en/of inrichtingen nabij het bouwplan. In de volgende afbeelding is een overzicht opgenomen van de risicobronnen nabij het plangebied met in blauw het plangebied en in geel de toekomstige rooilijn.

Figuur 19

De inventarisatie heeft geresulteerd in onderstaande overzicht van de rondom aanwezige risicobronnen: Nr

Locatie

1

Buisleiding Z-521-01 Gasunie buitendiameter 159 mm, werkdruk 40 bar

2

Buisleiding PPS buitendiameter 219 mm, werkdruk 60 bar Buisleiding rrp-l6; NV Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij buitendiameter 610 mm, werkdruk 62 bar

3

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

Stofcategorie Aardgas

Afstand tot bouwplan [m] 10

Invloedsgebied GR[m] 70

K1

65

29

K1

75

45

| 35 van 49

4 5 6

Buisleiding rrp-l9; NV Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij buitendiameter 914 mm, werkdruk 43 bar Buisleiding A-531 Gasunie buitendiameter 457 mm, werkdruk 66,2 bar Gasdrukregel-en meetstation Groenendijk 27

K1

80

45

Aardgas

100

240

Aardgas

200

25

Buisleidingen Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van twee buisleiding van de Gasunie. Ter plaatse van de buisleiding voor gas geldt een 4 meter brede risicozone. Vanwege het gevaar op een explosie of fakkelbrand is het ongewenst om nieuwe kwetsbare objecten toe te staan binnen het invloedsgebied voor aardgas. In goed afgewogen, uitzonderlijke gevallen kan daarvan afgeweken worden. De beperkingen bij buisleidingen bij verspreide woningen met een beperkte omvang zijn niet zodanig dat de bouwmogelijkheden van (beperkt) kwetsbare objecten en overige bouwwerken daarvan grote hinder ondervinden. Verder heeft het college de afweging gemaakt in dit specifieke geval dat de mogelijk gewekte verwachtingen zwaarder wegen dan het wonen binnen het invloedsgebied van de buisleiding. De 100 %-letaliteitsafstand voor de gasbuisleidingen bedraagt voor nr. 1 50 meter en voor nr. 5 110 meter. Ter plaatse van het perceel is direct nabij de Groenendijk een buisleiding (Z-521-01 van Gasunie) met een plaatsgebonden risicocontour aanwezig. Binnen deze contour is het risico op overlijden door een ongeval groter als bij de contour (PR 10-6). De kans op een zwaar ongeval binnen deze contour is 1 op een miljoen. Vanwege het gevaar op een explosie of fakkelbrand is het ongewenst om nieuwe kwetsbare objecten toe te staan binnen het invloedsgebied voor aardgas.

In goed afgewogen, uitzonderlijke gevallen kan daarvan afgeweken worden. De beperkingen bij buisleidingen bij verspreide woningen met een beperkte omvang zijn niet zodanig dat de bouwmogelijkheden van (beperkt) kwetsbare objecten en overige bouwwerken daarvan grote hinder ondervinden. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 1 woning (kwetsbaar object). De personendichtheid in het gebied neemt, uitgaande van de standaard personendichtheid (defaultwaarde), toe tot 2,4 in de nacht en 1,2 in de dag. Voor wat betreft het groepsrisico neemt de personendichtheid zeer beperkt toe (<1). Omdat de woning in het buitengebied ligt, mag worden aangenomen dat het bouwplan een te verwaarlozen bijdrage levert op het groepsrisico. Verder wordt de woning oostelijk op het perceel (buiten de risicocontour) gerealiseerd. Verder heeft aanvullend overleg met de Gasunie plaatsgevonden. Gasunie heeft geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouw op het perceel Groenendijk 10 te Oosteind o.b.v. het aangeleverde planvoorstel met bebouwing oostelijk van de rooilijn. In de uitvoering dient men rekening te houden met de volgende belangrijke onderwerpen:  Het kruisen van de gastransportleiding i.v.m. aanvoer materialen door bouwverkeer. Wanneer dit onvermijdelijk is, dient opnieuw contact gelegd te worden met Gasunie over de voorwaarden.  Het (op)nieuw aanleggen van infrastructuur t.b.v.

gas, elektra en water. De gasleiding is met de bijbehorende belemmeringenstrook op de verbeelding aangeduid en in de planregels is het wettelijk kader voor deze strook beschreven. Het toekomstig object wordt buiten de belemmeringenstrook opgericht. De woning is gelegen binnen de 100 %-letaliteitszone. Dat betekent dat in het geval van een calamiteit met de buisleiding met het scenario explosie en mogelijk fakkelbrand 100 % van de aanwezige personen zullen overlijden. Er is dan een verwaarloosbaar handelingsperspectief. De kans op een calamiteit is erg klein indien de buisleiding niet van buitenaf wordt beschadigd (graven, wortels, etc.).

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 36 van 49

Door in het bestemmingsplan de leidingstrook, aanvullende bouwregels en -mogelijkheden en de noodzaak van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van (grondroerende) werkzaamheden en niet strijdig met de veiligheid zijnde, op te nemen, zijn middels de planregels de belangen en het voorkomen van eventuele schade aan de buisleiding geborgd. Inrichtingen en wegen In de omgeving van het plangebied zijn geen Besluit externe veiligheid inrichtingen-inrichtingen gelegen en/of wegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat vanuit het aspect externe veiligheid, er geen belemmeringen bestaan voor realisatie en in gebruik name van een woning. Het (Standaard) advies van het Bestuur Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant wordt op basis van de reacties op het voorontwerp bestemmingsplan verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan. Geluid

Toetsingskader

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing indien het plan betrekking heeft op een nieuw of te wijzigen geluidgevoelig object die moet worden beschermd tegen de geluidbronnen van een weg, het spoor of de industrie. Omdat het plangebied niet nabij een industrieterrein of spoorweg is gelegen worden die geluidbronnen verder buiten beschouwing gelaten. Op grond van art. 74 Wgh zijn voor wegen geluidzones vastgesteld. Voor een weg gelegen in stedelijk gebied met maximaal 2 rijstroken is de geluidzone 200 meter breed, gerekend van de rand van de weg. Wegen waarop de maximaal toegestane snelheid lager is dan 50 km per uur en woonerven zijn uitgezonderd voor toetsing aan de Wet geluidhinder. Dergelijke wegen worden wel betrokken om een afweging te kunnen maken voor een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast moet het woon- en leefklimaat worden gekarakteriseerd. Daarbij is de totale geluidbelasting vanwege alle geluidbronnen van belang. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van de classificatie methode Miedema waarbij geen rekening wordt gehouden met een wettelijke aftrekcorrectie. Door de gemeente Oosterhout is een geluidsnotitie wegverkeerslawaai opgesteld. De notitie is als bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. Hierna worden de belangrijkste conclusies aangehaald.

Beoordeling

Omdat de precieze invulling van het bouwplan nog niet duidelijk is, zijn in de notitie de geluidcontouren bepaald op basis van het bouwvlak in de bestemming ‘Wonen’ zonder rekening te houden met de afscherming van gebouwen in het plangebied. Dit is voor iedere toegestane hoogte uitgevoerd. Uit de berekening van de geluidbelasting vanwege geluidgezoneerde wegen op de woonkavel (1 woning) blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden vanwege de Groenendijk (max. 53 dB). Het treffen van geluidreducerende maatregelen is niet (financieel) doelmatig. Vóór het vaststellen van de herziening van het plan moet het college een besluit hogere waarde vaststellen gebaseerd op de berekenende geluidcontouren in de notitie voor het gebied in het bouwvlak van de bestemming ‘Wonen’ en voor zover die waarde hoger is dan 48 dB en niet hoger is dan 53 dB. Het woon- en leefklimaat voor de woning is te karakteriseren als redelijk tot matig (54 tot 58 dB) bij een hoogte van 4,5 m, zonder wettelijke aftrekcorrectie.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 37 van 49

Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai levert geen beperkingen op voor de beoogde ontwikkeling. Geur

Toetsingskader

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en/of het Activiteitenbesluit vormt het toetsingskader voor de geurhinder vanuit de omliggende veehouderijen. Dat kader stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten (alleen intensieve veehouderijen) en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten (alle veehouderijen). Daarnaast moet worden beoordeeld of ter plaatse van het nieuwe geurgevoelig object sprake is van een goed woonen leefklimaat en mag het nieuwe geurgevoelig object geen (aanvullende) beperking worden voor de omliggende veehouderijen. De geurbelasting is afkomstig van dieren, waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een emissiefactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (OUE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen wordt in de Wgv ook rekening gehouden met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen algemeen geldende vaste afstanden en vaste afstanden voor veehouderijen met dieren zonder emissiefactor.

Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat gehouden wordt. In de voorliggende situatie is sprake van een ruimte-voor-ruimte woning zodat in het kader van de Wgv alleen vaste afstanden gelden. De afstanden bedragen:  100 meter voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom;  50 meter voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. In het beleid van de gemeente Oosterhout is opgenomen dat binnen de standaard afstand geen nieuwe geurgevoelige objecten worden toegestaan. Voor intensieve veehouderijen geldt dat binnen de 3 OUE/m3 voorgrondbelasting en 6,5 OUE/m3 achtergrondbelasting geen nieuwe geurgevoelige objecten worden toegestaan. In die situatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling of een veehouderij niet (aanvullend) wordt beperkt in zijn mogelijkheden wordt gekeken of er sprake is van tussenliggende bestaande woningen. In geval van ruimte-voor-ruimte woningen is geen sprake van een (aanvullende) beperking voor een veehouderij indien zich binnen de genoemde vaste afstanden geen veehouderijen bevinden.

Beoordeling

Een woning is aan te merken als een geurgevoelig object als bedoeld in de Wgv dan wel het Activiteitenbesluit. Een toetsing is daarom aan de orde. Aangezien sprake is van een ruimte-voorruimte woning is in het kader van de Wgv uitsluitend toetsing aan de vaste afstanden aan de orde. Het geurgevoelig object bevindt zich buiten de bebouwde kom, zodat een vaste afstand van 50 meter aan de orde is. De dichtstbij gelegen veehouderij betreft de veehouderij aan de Provincialeweg 184 te Oosterhout. De afstand van het nieuwe geurgevoelig object tot de grens van het perceel Provincialeweg 184 bedraagt 175 meter. Alle overige veehouderijen bevinden zich op grotere afstand. Hiermee kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de vaste afstand geldt voor een ruimte-voor-ruimte woning.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 38 van 49

In het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van de woning zijn de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting van belang. De voorgrondbelasting is de geurbelasting ten gevolge van de bepalende intensieve veehouderij en de achtergrondbelasting is de cumulatieve geurbelasting ten gevolge van alle intensieve veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer. Binnen een straal van 2 kilometer bevinden zich op basis van de gegevens van de website van Provincie Noord-Brabant, Web-BVB (Bestand Veehouderij Bedrijven), meerdere veehouderijen. Deze bedrijven kunnen uitgesplitst worden in veehouderijen met dieren met emissiefactoren (intensieve veehouderijen) en veehouderijen waarvoor vaste afstanden gelden (niet intensieve veehouderijen). Binnen een straal van 2 km bevinden zich 15 intensieve veehouderijen De onderstaande figuur geeft de positie van deze 15 intensieve veehouderijen ten opzichte van het plangebied.

Figuur 20: Geuremissie

Bron: Web bvb

De voorgrondbelasting mag maximaal 3 OUE/m3 bedragen en de achtergrondbelasting maximaal 6,5 OUE/m3 (geurbeleid gemeente Oosterhout). De veehouderij aan de Provincialeweg 184 is de dichtstbij gelegen intensieve veehouderij. De figuur op de volgende pagina geeft de geurcontour van deze intensieve veehouderij weer. Uit deze afbeelding blijkt dat het plangebied is gelegen ruim buiten de geurcontour van 2 OUE/m3. Op basis van de plaatselijke situatie (weinig intensieve veehouderijen in de directe omgeving) mag worden aangenomen de achtergrondbelasting niet hoger is dan 6,5OUE/m3. Aangezien wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de voor- en achtergrondbelasting uit het gemeentelijk beleid, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en is de woning op die locatie toegestaan. Eerder is reeds aangegeven dat de dichtstbij gelegen veehouderij, de veehouderij aan de Provincialeweg 184 te Oosterhout betreft. De nieuwe woning betreft een ruimte-voor-ruimte woning buiten de bebouwde kom zodat uitsluitend toetsing aan een vaste afstand van 50 meter aan de orde is.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 39 van 49

De afstand tot de dichtbijgelegen veehouderij bedraagt 175 meter. Voor deze veehouderij en daarmee voor alle veehouderijen in de omgeving vormt de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning geen (aanvullende) beperking.

Figuur 21: Geurbelasting Provincialeweg 184

Bron: gemeente Oosterhout

Conclusie

Aangetoond is dat voldaan wordt aan de vaste afstanden uit de Wgv die gelden voor ruimte-voorruimte woningen. Verder is aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de woning geen aanvullende beperking vormt voor de omliggende veehouderijen. Het milieuaspect geur en veehouderij vormt geen beperking voor de realisatie van de woning. Luchtkwaliteit

Toetsingskader

Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. Een project kan als NIBM worden beschouwd als aannemelijk is dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% van de grenswaarde.

Beoordeling

Om het beoordelen van plannen voor overheden eenvoudiger te maken is in de Regeling NIBM het percentage van 3% uitgewerkt in concrete getallen. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over, bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. 20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 40 van 49

De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. In het voorliggend plan is er sprake van het toevoegen van één nieuwe woning, zodat de ontwikkeling als NIBM kan worden beschouwd. Dat betekent dat de bijdrage aan de luchtkwaliteit ter plaatse verwaarloosbaar is. Daarom is er geen uitgebreid onderzoek naar de luchtkwaliteit vereist. Gelet op de ligging in het buitengebied aan een rustige weg kan dan ook ruimschoots voldaan aan de wettelijke grens- en richtwaarden van de Wet milieubeheer.

Conclusie

Uit voorgaande paragraaf blijkt dat de bijdrage aan de luchtkwaliteit ter plaatse verwaarloosbaar is. Daarom is er geen uitgebreid onderzoek naar de luchtkwaliteit vereist. Gelet op de ligging in het buitengebied aan een rustige weg kan dan ook ruimschoots voldaan worden aan de wettelijke grensen richtwaarden van de Wet milieubeheer. Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen milieuhinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevingstype waarbinnen de milieugevoelige bestemming is gelegen. De VNG-handreiking gaat uit van de omgevingstypes rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied kan aangemerkt worden als een gebied zonder functiemenging, met minimale invloed vanuit wegverkeer. Bij een gemengd gebied is sprake van een functiemenging tussen wonen en milieubelastende activiteiten, van wonen langs drukke gebiedsontsluitingswegen of bij lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. De aangegeven richtafstanden in de VNG-handreiking zijn gebaseerd op het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Voor het omgevingstype gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één stap worden verlaagd.

De richtafstandenlijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar.

Beoordeling

De omgeving van het plangebied moet worden gekenschetst als een rustig gebied. De richtafstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ kunnen hierdoor niet met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In onderstaande tabel zijn de bedrijven in de omgeving van het plangebied opgenomen. Per bedrijf zijn de bedrijfsactiviteiten met de bijbehorende indicatieve afstand weergegeven. Adres:

Omschrijving bedrijfsactiviteiten

Indicatieve afstand 10 m

Afstand tot plangebied 130 m

Provincialeweg 203 Provincialeweg 193 Provincialeweg 194 Provincialeweg 211 Groenendijk 27

Bakkerij Groothandel in cosmetica

30 m

170 m

Garagebedrijf (autoverkoop, reparatieen herstelwerkzaamheden) Opslag verhuurbedrijf in materiaal voor horeca en evenementen Meet- en regel-station (nutsbedrijf)

30 m

209 m

30 m

64 m

50 m

195 m

Uit de voorgaande tabel blijkt dat aan de richtafstand van de omliggende bedrijven voor een rustig gebied wordt voldaan. 20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 41 van 49

Conclusie

De realisatie van een woning levert geen beperkingen voor de bedrijven in de omgeving en de bedrijven in de omgeving belemmeren de realisatie van een woning niet. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit initiatief. M.e.r.- regelgeving

Toetsingskader

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten het betreft. In het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten die m.e.r.-beoordelings-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten); er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden is een m.e.r. niet noodzakelijk. In kolom 2 van bijlage D: 'gevallen' staan drempelwaarden waar de in kolom 1 benoemde activiteit aan moet voldoen. Deze drempelwaarde is vaak uitgedrukt in een bepaalde lengte (minimaal x kilometer) of een bepaalde grootte (minimaal x stuks/woningen/hectare), etc. Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1: 'activiteiten' en er wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: 'gevallen' geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Per 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r.

gewijzigd: ook voor activiteiten beneden de grenswaarden dient voortaan nagegaan te worden of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Ook de Wet natuurbescherming of een provinciale verordening kan hierbij van belang zijn (alleen niet in dit geval). De toets dient door (of in opdracht van) het bevoegd gezag te worden uitgevoerd. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De m.e.r.-beoordeling dient altijd te worden uitgevoerd als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden:  het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.  de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst).

Beoordeling

De realisatie van woningen valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject zoals genoemd in categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. en er is sprake van een besluit zoals genoemd in kolom 4. De drempelwaarde uit onderdeel D 11.2 voor woningen ligt op 2.000 woningen of meer. Omdat de drempelwaarden met de bouw van een woning niet worden overschreden, moet conform artikel 2 lid 5 van het Besluit m.e.r. aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. worden getoetst of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden door de voorgenomen activiteit. Voorliggende herziening voorziet in de realisatie van één woning. De drempelwaarden zijn vele malen hoger. Daarnaast is geen sprake van ligging in een gevoelig gebied. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de beoordeling van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen.

Conclusie

Het plan heeft geen belangrijke negatieve gevolgen voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. In het collegebesluit bij de vrijgave van het ontwerpbesluit moet het college besluiten dat geen milieueffectrapport is vereist gelet op het gestelde in de Toelichting daarover (m.e.r-beoordeling). 20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 42 van 49

4.6

Duurzaamheid Het begrip ‘duurzaam bouwen’ is door het ministerie van VROM in 1995 geïntroduceerd om de kwaliteit van het bouwen te verhogen en de duurzaamheid van de te gebruiken materialen, alsmede de te onderscheiden processen te waarborgen. Een belangrijk wettelijk instrument hiervoor is het Bouwbesluit waarin ondermeer de EPN (Energie Prestatie Norm), die voor de realisering van duurzame ontwikkeling belangrijk is, is opgenomen. Verder dient de woning gasloos te worden uitgevoerd. Wanneer de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (voorheen bouwvergunning) wordt aangevraagd voor de bouw van het voorliggend initiatief, moet deze voldoen aan het Bouwbesluit, waarmee het aspect duurzaam bouwen is gewaarborgd.

4.7

Overige aspecten Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen, spuitzones gewasbeschermingsmiddelen en hoogspanningslijnen zijn niet toegelicht in deze onderbouwing. Deze milieuaspecten vormen geen belemmering voor de planvorming.

20200514 | Gemeente Oosterhout Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 29 (Groenendijk 10)

| 43 van 49

5

Hoofdstuk 5 Juridische uitvoerbaarheid

5.1

Het juridische plan Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden en gebouwen binnen het buitengebied. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke ‘Handboek (digitale) bestemmingsplannen’. Voor onderhavig bestemmingsplan is de versie van ‘2020.2r’ gehanteerd. Het handboek bevat een set regels die voor alle nieuwe bestemmingsplannen binnen de gemeente Oosterhout wordt gehanteerd, waardoor sprake is van uniforme regelingen in de diverse plannen. In het Handboek is gestreefd naar standaardisering van bestemmingen en regels zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Het onderhavige bestemmingsplan beschrijft meer dan alleen de hoofdlijnen van het beleid, doch treedt niet al te zeer in details. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad.

In de volgende paragraaf wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.

5.2

Bestemmingen Opzet regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt:  Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels);  De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels);  Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels);  Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd:  Bestemmingsomschrijving;  Bouwregels;  Nadere eisen;  Afwijken van de bouwregels;  Specifieke gebruiksregels;  Afwijken van de gebruiksregels;  Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  Wijzigingsbevoegdheid. De specifieke nadere eisenregelingen, afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=98e8258e-1480-4576-a1e1-d5e3cbd3165d