zienswijzennota beleidsdocument grote windmolens
Tekst van het document
Thema draagvlak / belangenafweging / participatieproces (zienswijzen OG01, OG03, OG04, OG06, OG08, OG09, OG13 en OG15) Het door de gemeenten ingezette participatieproces richtte zich niet per se op het vergroten van het draagvlak voor het gemeentelijk windbeleid of het bereiken van draagvlak bij iedere mogelijke betrokkene. Ook de gemeenten wisten dat de mogelijke komst van windmolens in een gebied niet altijd door iedereen positief zou worden ontvangen, ongeacht om welk gebied het daarbij dan ook zou gaan. Wel wilden de gemeenten via het participatieproces informatie geven, horen welke punten van zorg er zoal leefden in de zoekgebieden en of er wellicht ook gedachten waren over eventuele oplossingsrichtingen. Uit de zienswijzen over het ontwerp-Beleidsdocument komt duidelijk naar voren dat de gemeenten er niet in zijn geslaagd om alle bestaande zorgen weg te nemen. Dit was tijdens het participatieproces ook wel duidelijk en ook zeker niet de insteek van het gevoerde proces. Wel geeft het de gemeenten aanleiding om het ontwerp-Beleidsdocument op 22
onderdelen nader te verduidelijken of aan te vullen zodat op een aantal onderdelen zoveel mogelijk duidelijkheid kan worden gegeven. Dit blijft overigens lastig nu het gaat over een thema met voortdurende ontwikkelingen op verschillende overheidsniveaus. Aan de besluitvorming over een beleidskader voor grote windmolens binnen de zoekgebieden K en I (i) ging de vraag vooraf of er plekken waren die als zoekgebied voor windmolens konden gelden. Daarbij is gezocht naar zoekgebieden waar het realiseren van windmolens zo weinig mogelijk zou conflicteren met andere belangen. Dit in de wetenschap dat er geen enkel gebied te vinden zou zijn waar helemaal geen belangentegenstelling aan de orde zou zijn. Met andere woorden: al bij de aanduiding van de zoekgebieden in het RESproces is een eerste belangenafweging gedaan. Bij het opstellen van het ontwerp-beleidsdocument is daarop voortgebouwd maar tegelijkertijd rekening gehouden met het gegeven dat in 2025 nieuwe landelijke normen voor windturbines in werking zullen treden. Nadat daarvoor een milieueffectrapportage zal zijn afgerond. Voor de toepassing van deze nieuwe landelijke normen geven de gemeenten in hun beleid op voorhand al aan dat zij niet van plan zijn om mee te werken aan flexibiliteitsmogelijkheden die in die nieuwe regels wellicht een plek zullen krijgen.
Verwijzend naar de afwijkingsmogelijkheden uit ontwerp-windturbinebepalingen van oktober 2023 willen zij het dus houden op de toepassing van standaardwaarden voor geluid (ontwerp-norm: 45 dBLden/39 dBLnight.) en de beoogde vaste afstandsnorm (ontwerp-norm: minimaal 2 x tiphoogte). Het is de bedoeling van de gemeenten om ook na eventueel gewijzigde vaststelling van de landelijke normen vast te houden aan de strengste normen, dit met het oog op een zo goed mogelijke bescherming van belangen van omwonenden binnen de (toekomstige) wettelijke kaders. Het beleidsuitgangspunt voor het toelaten van grote windmolens binnen een zoekgebied komt dus niet zozeer naar voren uit het hanteren van een bepaalde norm, maar veel meer uit de keus om na vaststelling van de nieuwe landelijke windturbinebepalingen de strengste wettelijk norm te hanteren om daarmee de belangen van de omgeving zoveel mogelijk te ontzien. Daarnaast bevat het uiteindelijke beleidsdocument ook kaders en randvoorwaarden over landschap en ecologie, waarbij op het laatste gebied nadrukkelijk onderzoek moet worden gedaan naar en gelet moet worden op de aanwezigheid van weidevogels. Op deze manier willen de gemeenten zoals gezegd een bijdrage leveren aan de energietransitie binnen de zoekgebieden, maar gelet op het voorzorgbeginsel zeker niet ten koste van alles.
Het verloop van het participatie- en informatieproces leest u in het participatieverslag dat als bijlage is toegevoegd aan het ontwerp-beleidsdocument. Het participatieverslag verwijst via de kolom ‘Beleidsvoorstel’ (zie pag. 18 e.v.) naar de tekst van het ontwerpbeleidsdocument. Tijdens het proces is inderdaad het idee ontstaan voor een tweede thema-avond over het thema ‘Gezondheid’ waarbij dan ook ruimte zou zijn voor gastsprekers die vanuit het gebied zouden worden aangedragen. Uiteindelijk hebben contacten over de exacte opzet van een dergelijk tweede bijeenkomst ertoe geleid dat deze niet is doorgegaan, terwijl later ook bleek dat het gezondheidsthema een plek kreeg in (de onderzoeken bij) de landelijke ontwerp-windturbinebepalingen. Overigens zijn geluidsopnames van de thema-avonden gedeeld via de gemeentelijke websites. Daarop is ook documentatie en informatie gedeeld naar aanleiding van vragen die tijdens de themabijeenkomsten werden gesteld. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument.
23
VI.
Aanvullende individuele beoordeling zienswijzen
Beoordeling zienswijze OG01 Prowind (BL04) In par. 4.1.9 van het beleidsdocument hebben wij geprobeerd indicatief inzicht te geven in de mogelijke gevolgen van de landelijke conceptnormen voor geluid en afstand. Op advies van Bosch en Van Rijn is de conceptnorm voor geluid als vuistregel vertaald naar indicatief 600 m afstand en verbeeld in figuren 6 tot en met 10. Dit is vertaald in kansenkaarten voor zoekgebieden K en I. Daarbij is ook gebruik gemaakt van de referentieturbines die het Rijk in haar planmer hanteert. Hierbij hebben wij de kanttekening gemaakt dat dit een indicatief beeld geeft. De figuren zijn daarmee niet zaligmakend en allesbepalend. Deze disclaimer hebben wij ook gegeven op de informatiemarkt van 7 december 2023. Als – zoals indiener stelt – stillere molens worden gebruikt, kunnen de kansenkaarten er inderdaad anders gaan uit zien. De vraag van indiener om de uitvoering van het beleid na vaststelling voortvarend op te pakken, nemen we voor kennisgeving aan. Na vaststelling van het beleid ligt de bal bij initiatiefnemers voor windparken. De gemeente zal niet nalaten om – zodra er een initiatief voor een windpark is ingediend – dit voortvarend op te pakken en in behandeling te nemen. Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument.
Beoordeling zienswijze OG02 De in de zienswijze genoemde thema’s komen aan bod bij de thematische beoordeling van de zienswijzen in hoofdstuk V. Een aanvullend individuele beoordeling van deze zienswijze is dan ook niet aan de orde. Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument. Beoordeling zienswijze OG03 (BL25) De gemeente Berkelland heeft in haar Omgevingsvisie al uitgesproken dat zij niet bereid is om binnen de geldende RES1.0-afspraken invulling te geven aan het restdeel van de energieopgave. Daarbij is van belang dat de gemeente wel bereid is om nieuwe afspraken te maken in het kader van RES2.0, ook wanneer het restdeel daarbij onder de deelnemende gemeenten wordt verdeeld. In de toekomst kan zich dus wel de situatie voordoen dat de gemeente een gedeelte van het huidige restdeel zal invullen, zij het op basis van nieuwe gezamenlijke afspraken over de totale regionale opgave. Als gemeenten hebben wij Bosch en Van Rijn op diverse momenten tot het beleidsproces ingeschakeld voor objectieve kennis en ervaring over (de techniek van) windturbines, een vakgebied waarover wij als gemeenten geen specifieke kennis en ervaring hebben.
De gemeentelijke beleidsambities zijn echter door de gemeenten zelf geformuleerd en vloeien voort uit de beleidsambities in de RES1.0 om wind op land te ontwikkelen. We vinden het dan ook niet nodig een derde partij te vragen de noodzaak voor wind op land en alternatieven te onderzoeken. Zoals hiervoor al gesteld staat de noodzaak voor wind op land voor de gemeenten niet ter discussie en hebben andere manieren van energieopwekking (energiemix, zon biomassa) ook een plek in ons beleid.
24
Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument. Beoordeling zienswijze OG04 De in de zienswijze genoemde thema’s komen aan bod bij de thematische beoordeling van de zienswijzen in hoofdstuk V. Een aanvullend individuele beoordeling van deze zienswijze is dan ook niet aan de orde. Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument. Beoordeling zienswijze OG05 De in de zienswijze genoemde thema’s komen aan bod bij de thematische beoordeling van de zienswijzen in hoofdstuk V. Een aanvullend individuele beoordeling van deze zienswijze is dan ook niet aan de orde. Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument. Beoordeling zienswijze OG06 Zie onze beantwoording bij zienswijze 4. Conclusie Zie de conclusie bij zienswijze 4. Beoordeling zienswijze OG07 Deze zienswijze geeft een aanvulling op de thematische beoordeling van de thema’s financiële participatie en processtappen voor initiatiefnemers. Indiener geeft aan dat de in het beleidsdocument genoemde vormen van financiële participatie niet zonder meer gestapeld kunnen worden zonder de business case van een windpark onder druk te zetten.
Zij stelt dat het communicerende vaten zijn en dat het gaat om een gebalanceerd plan voor lokaal eigendom en financiële participatie. Zij verzoekt om in het beleidsdocument bij de twee omgevingsfondsen (par. 4.2) niet het woordje ‘moet’ te gebruiken, maar deze te vervangen door ‘streven naar’ of iets dergelijks, in ieder geval om maatwerk toe te staan. Indiener vraag om verduidelijking van het stappenschema in hoofdstuk 5 en duidelijker aan te geven waaraan een verzoek moet voldoen. Ook de wijze waarop geselecteerd wordt bij meerdere initiatieven vraagt om verduidelijking. Conclusie Daar waar mogelijk en nodig wordt de tekst op de hiervoor genoemde thema’s verduidelijkt (hoofdstuk 5) en geactualiseerd. Beoordeling zienswijze OG08 RWE De in de zienswijze genoemde thema’s komen aan bod bij de thematische beoordeling van de zienswijzen in hoofdstuk V. Een aanvullend individuele beoordeling van deze zienswijze is dan ook niet aan de orde.
25
Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument. Beoordeling zienswijze OG09 Pure Energie (BL20) Pure Energie Wind stelt vast dat de gemeenten in het ontwerp-beleidsdocument verwijzen naar de landelijke ontwerp-windturbinebepalingen die nog niet zijn vastgesteld en dat hun insteek daarbij is om af te zien van het leveren van maatwerk via de ZEZAM-bepalingen en de grenswaarden voor geluidsbelasting. Vanuit de ook bij de gemeenten bestaande verwachting dat de RES-opgave op die manier niet kan worden ingevuld, geeft Pure Energie Wind aan dat dit niet kan worden opgelost door lagere of stillere windmolens. Bij de beoogde afstandsnorm en bij de geluidsnormen willen de gemeenten echter niet verder gaan dan de standaardnormen om de belangen van omwonenden en omliggende functie zo goed mogelijk te beschermen binnen de normen die uiteindelijk rechtstreeks worden toegestaan via de standaardwaarden. Daarbij spreekt het vanzelf dat de gemeenten niet kunnen afzien van het toepassen van een afstandsnorm als deze in de nog vast te stellen landelijke regelgeving wordt voorgeschreven.
Voor alle duidelijkheid: de in de zienswijzen genoemde 600 m is niet gehanteerd als harde gemeentelijke afstandsnorm, maar als vuistregel gebruikt bij het inschatten van de doorwerking van de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen. Het is inderdaad zo dat participatieverplichtingen niet als juridische verplichting kunnen worden opgelegd als resultaatsverplichting. Wel kunnen bij projecten waarvoor nog een planologische procedure moet worden gevoerd via een anterieure overeenkomst inspanningsverplichtingen worden opgelegd over de mate waarin sprake is van lokaal eigendom. Ook werd bij de parlementaire behandeling van de Energiewet een amendement aangenomen dat een bevoegdhedengrondslag creëert voor het motiveren van de inspanningen om te komen tot meer dan 50% lokaal eigendom (amendement Rooderkerk, kamerstukken 36378-23). De in de zienswijzen aangehaalde passage op pagina 31-32 van het ontwerp-beleidsdocument zal op dit punt worden verduidelijkt en geactualiseerd (paragraaf 4.2). Wel blijft het streven naar minimaal 51% aan lokaal eigendom onveranderd het uitgangspunt. Conclusie De tekst over het percentage lokaal eigendom wordt verduidelijkt en geactualiseerd (paragraaf 4.2). Beoordeling zienswijze OG10 provincie (BL17) Het ontwerp-beleidsdocument gaat uit van de besluitvorming over windenergie zoals die tot nu toe heeft plaatsgevonden.
Over het niet-gealloceerde deel van de RES-opgave is het standpunt van de gemeente Berkelland expliciet weergegeven in de recent vastgestelde Omgevingsvisie Berkelland en in het ontwerp-beleidsdocument: de gemeente Berkelland is niet bereid om het restdeel van 0,244 TWh te faciliteren. Daarbij past echter de opmerking dat deze uitspraak moet worden gezien binnen de context van de afspraken die in het kader van RES1.0 zijn gemaakt. Met andere woorden: als het nog lopende RES2.0-proces resulteert in nieuwe onderlinge afspraken over de regionale RES-opgave en daarbij geen restdeel meer overblijft, dan zal de gemeente Berkelland de afspraken die zij daarbij heeft aangegaan ook nakomen. Ook bij de vaststelling van de Omgevingsvisie heeft de gemeenteraad van Berkelland overwogen dat het niet-faciliteren van het restdeel niet betekent dat de gemeente Berkelland nieuwe regionale afspraken over het in RES 1.0 niet-gealloceerde deel van de energieopgave afhoudt. In het ontwerp-beleidsdocument wordt dit ook aangegeven,
26
onder meer in de tekst die volgt op de in de zienswijzen aangehaald passage. Het ontwerpbeleidsdocument sluit dus niet de ogen voor toekomstige ontwikkelingen, maar kondigt daarbij wel aan dat nieuwe beleidsprocessen nodig zijn als voor het toestaan van grote windmolens andere zoeklocaties dan zoekgebied K in beeld komen. Het is daarom niet nodig om de voorgestelde tekstsuggesties over te nemen. Verder is het de gemeente Berkelland bekend dat zij niet alleen kan bepalen waar windparken gerealiseerd kunnen worden. Binnen de afspraken van RES1.0 heeft de gemeenteraad niettemin besloten om alleen in zoekgebied K grote windmolens toe te staan. Het ontwerp-beleidsdocument, dat zoals gezegd uitgaat van de besluitvorming zoals die tot nu toe plaatsvond, bouwt voort op dit besluit maar geeft ook aan dat daarin verandering kan komen als het RES2.0-proces tot andere uitkomsten leidt. Nu RES2.0 echter nog niet is afgerond, kan de gemeente nog niet vooruitlopen op die uitkomsten. Over de algemene (tekstuele) opmerkingen van de provincie kunnen we het volgende opmerken: Vindplaats 1.1 e.v.
1.2 e.v.
2.3
3.1
3.1/3.1.1, pag. 18
Hfdst. 4, 1e alinea Hfdst. 4, 2e alinea
Hfdst. 4, 3e alinea
De inleidende tekst spreekt over “grootschalige zonnepanelen” waar wordt gedoeld op zonnepanelen en grootschalige zonnevelden. De tekst wordt vervangen door “…zonnepanelen, grootschalige zonnevelden en…”. Hoewel de gemeenten zelf bepalen welke motieven zij ten grondslag leggen aan hun beleid, sluit de opmerking dat financiële participatie ook een bijdrage kan leveren aan het bestrijden van energiearmoede daarop aan. De tekst wordt op dit onderdeel aangevuld. Het is echter niet nodig om de tekst op dit punt aan te vullen omdat het beleidsdocument zich vooral richt op de fysieke leefomgeving. De herijking van de RES met de bijbehorende PlanMER zijn ook van belang voor de borging in provinciaal beleid en om initiatieven buiten zoekgebieden te kunnen uitsluiten. De tekst wordt met deze punten aangevuld. De uitkomsten van het provinciale PlanMER zijn nog niet bekend en kunnen dus niet worden meegenomen. Vanzelfsprekend zal dat wel kunnen gebeuren bij eventuele concrete initiatieven die pas op een later moment tot besluitvorming zullen leiden. De gemeenten hebben hun beleidsproces gestart terwijl ook de provincie en het Rijk werkten aan hun windbeleid c.q. nieuwe landelijke normen. Het ontwerp-beleidsdocument en de daarin opgenomen gebiedsanalyse zijn uitgegaan van de kennis van dat moment.
Zij bieden daarmee niet per se een exacte weergave (wettelijke) waarde maar vooral een inschatting van de effecten van het vast te stellen beleid, uitgaande van aannames. De tekst van het (ontwerp)-beleidsdocument geeft dit ook duidelijk aan. De in de tekst genoemde maatvoering van 80 meter voor kleine windmolens gaat over ashoogte en niet over tiphoogte. Dit wordt op deze plek in de tekst verduidelijkt. De weerslag van het gevoerde participatieproces is terug te vinden in het participatieverslag dat als bijlage is toegevoegd aan het beleidsdocument. Verder zijn de verslagen van de diverse bijeenkomsten digitaal beschikbaar via de gemeentelijke websites. Het toevoegen van een overzicht van experts en stakeholders in het beleidsdocument heeft daarom geen meerwaarde. Met de passage over ‘andere landelijke normen’ wordt aangegeven dat niet valt uit te sluiten dat de nog vast te stellen nieuwe landelijke windturbinebepalingen anders zullen luiden dan de ontwerpwindturbinebepalingen die in oktober 2023 zijn vrijgegeven inspraak. Nu
27
Aanpassing (ja/nee) ja
nee
ja
nee
nee
ja
nee
nee
4.1.1
4.1.3 4.1.5 4.1.7
4.1.8, 1e alinea
4.1.9
4.1.9 (fig.)
4.3
5.1
5.2
daarover bij het Rijk ongeveer 550 zienswijzen zijn ingediend, kan het haast niet anders dat daaronder ook zienswijzen zijn die aanleiding geven tot aanpassingen ten opzichte van de ontwerp-windturbinebepalingen. Daarbij geeft ook de provincie zelf in haar zienswijzen aan dat de beoogde afstandsnorm (2xtiphoogte) nog geen zekerheid is. Dat RES2.0 na haar borging in het provinciaal beleid mogelijkheden biedt om initiatieven buiten de RES uit te sluiten, is een waardevolle aanvulling op de tekst van het beleidsdocument. Dat in de praktijk al voorbeelden bekend zijn van klachtensystemen is een goede aanvulling op de tekst van het beleidsdocument. De verwijzing op de provinciale website over subsidiemogelijkheden voor het toepassen van naderingsdetectie wordt als aanvulling overgenomen. Bij het benoemen van de Wet natuurbescherming zal in de vast te stellen tekst duidelijk worden gemaakt dat deze inmiddels is opgegaan in de Omgevingswet, dit ter vervanging van de daarin al wel genoemde amvb’s (Bal, Bkl). Het is inderdaad afwachten hoe de nog vast te stellen landelijke windturbinebepalingen uiteindelijk komen te luiden, ook gelet op de advisering van de Commissie voor de milieueffectrapportage. Dit wordt ook onderkend in het beleidsdocument (zie ook hiervoor bij ‘Hfdst. 4, 3 e alinea).
Bij het maken van de indicatief bedoelde kansenkaarten voor de zoekgebieden zijn 2x tiphoogte voor de twee referentieturbines gecombineerd met de twee vuistregelafstanden die we hanteren voor geluid. Deze zijn 400 meter voor een geluidsbelasting van 47 dBLden/41 dBLnight en 600 meter voor 45 dBLden/39 dBLnight. Of deze vuistregel ook echt opgaat bij concrete initiatieven, zal in de toekomst moeten blijken en is ook afhankelijk van de daarbij toe te passen techniek. Pas dan zal ook blijken of het geluid de meest beperkende factor zal zijn, of dat een nog vast te stellen vaste afstandsnorm maatgevend zal zijn voor de haalbaarheid van een initiatief. De kansenkaarten bieden een indicatieve vertaling van de landelijke ontwerp-windturbinebepalingen voor de zoekgebieden K en I (i) op basis van de referentieturbines uit de bijbehorende planMER. De beleidsmatige insteek van de gemeenten is om niet mee te werken aan initiatieven met een geluidsbelasting van 47dBLden (grenswaarde), maar om de geluidsnorm van 45 dBLden (standaardwaarde) aan te houden. Daarom geven de figuren ook alleen een indicatief beeld voor het toepassen van deze inderdaad strengere standaardwaarde. De in de tekst genoemde ’25 jaar’ is niet bedoeld om aan te geven dat de exploitatietermijn per se 25 jaar moet bedragen. Dit zal bij de vaststelling worden genuanceerd.
In de paragraaf over processtappen is het inderdaad goed om een verwijzing op te nemen naar de provinciale windladder. De tekst wordt op dit onderdeel dus aangevuld. Een principeverzoek kent geen formele ontvankelijkheidseisen, terwijl de aard van de benodigde informatie ook afhankelijk is van de (nog voorlopige) locatiekeuze. Tegelijkertijd verlangen wij echter wel van initiatiefnemers dat zij in de initiatieffase al zoveel mogelijk informatie verschaffen in de richting van de gemeente(n) en in de richting van omwonenden/betrokkenen. Daarbij is het ook voor initiatiefnemers zelf wenselijk om in ieder geval al vroegtijdig onderzoeken ter verrichten op basis van een zo concreet mogelijke locatiekeuze. Ook in het participatieproces zullen namelijk vragen worden ingebracht die pas kunnen worden beantwoord als e.e.a. al wel is verkend, ook al is het dan nog maar een plan dan nog niet definitief is uitgewerkt tot een
28
ja
ja ja ja
nee
nee
nee
ja
ja
nee
Hfdst. 6, 1e alinea Her en der
volwaardige aanvraag. Het beleidsdocument maakt dit alles voldoende duidelijk. De GGD en de provincie zijn in de participatiefase betrokken geweest bij informatiemomenten. Verder is het aan initiatiefnemers zelf om hun plan toe te lichten en de communicatie daarover te organiseren. De passage “hoeveelheid initiatieven” op pag. 37 wordt vervangen door “het aantal initiatieven”
nee
ja (4x)
Conclusie De zienswijzen geven aanleiding tot de in het bovenstaande schema genoemde tekstuele aanpassingen. Beoordeling zienswijze OG11 RES Achterhoek (BL18) In het ontwerp-beleidsdocument en hiervoor is al aangeven dat het RES2.0-proces kan leiden tot aanpassing van de onderlinge afspraken over de RES-opgave en de verdeling van het huidige niet-gealloceerde deel onder de Achterhoekse gemeenten. Verder is hiervoor ook aangegeven dat de gemeenten Berkelland en Oost Gelre er op insteken om na vaststelling van de landelijke windturbinebepalingen de daarin opgenomen standaardwaarden te hanteren vanuit het belang van de bescherming van omliggende functies. Op welke manier het Rijk de nieuwe landelijke normen uiteindelijk zal vaststellen, is op dit moment nog niet exact te voorspellen. Als gemeenten constateren wij echter dat het Rijk bij de motivering van de ontwerp-windturbinebepaling expliciet aangeeft dat het afwijken van de vaste afstandsnorm zal vragen om een wel heel zware motivering. De gemeenten zijn er dan ook niet van overtuigd dat deze vaste afstandsnorm wordt versoepeld of zelfs geheel zal komen te vervallen, al was het maar omdat de definitieve windturbinebepalingen uiteindelijk moet kunnen steunen op een goede milieueffectrapportage.
RES Achterhoek geeft in haar zienswijzen terecht aan dat windenergie niet alleen ecologische nadelen oplevert, maar ook een positieve bijdrage levert aan de energietransitie. Dit doet echter niets af aan het gegeven dat voor een deel van zoekgebied K bekend staat als leefgebied voor weidevogels en bij windinitiatieven dus nadrukkelijk onderzoek moet worden gedaan naar de effecten daarvan op de weidevogelstand. Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument. Beoordeling zienswijze OG12 Weidevogelvereniging Achterhoek (BL10) Begin 2023 heeft de provincie een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) ter inzage gelegd als voorloper van een milieueffectrapport over de aanpassing van het provinciale windbeleid. Op haar website geeft de provincie aan dat het concept-milieueffectrapport eind 2024 klaar is voor inzage (Gelders milieuonderzoek wind, zon en warmte (gelderland.nl)). De provincie maakt de ter inzage legging bekend via haar website en in huisaan-huisbladen. Op dit moment zijn de resultaten van deze milieueffectrapportage nog niet bekend en heeft het provinciebestuur dus ook nog geen beleidskeuzes gemaakt naar aanleiding van de gevoerde milieueffectrapportage. Het voorliggende gemeentelijke beleidsdocument geeft echter uitvoering aan de opgaven uit RES1.0.
Als het provinciale besluitvormingsproces aanleiding geeft tot aanvullende gemeentelijke beleidskaders, dan zal dat worden opgepakt in een afzonderlijk beleidsproces. Conclusie
29
De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument.
Beoordeling zienswijze OG13 (BL09) Over procesparticipatie geeft de term ‘dialoog’ voldoende duidelijk aan dat het onderling contact tussen een initiatiefnemer en omwonenden uit meer moet bestaan dan alleen uit het zenden van een boodschap door de initiatiefnemer. Het voeren van een dialoog veronderstelt immers tweerichtingsverkeer in de communicatie. Daarbij moet ook het te maken verslag over het participatie- en communicatieproces duidelijk maken op welke manier het initiatief is gepresenteerd en besproken met de omgeving, welke reacties dat heeft opgeleverd en op welke manier bij de planuitwerking rekening is gehouden met de ingebrachte reacties. Het begrip ‘omgeving’ is daarbij niet voor elk project hetzelfde of te definiëren met bijvoorbeeld een vaste afstandsmaat. De gemeenten zullen bij eventuele initiatiefnemers aansturen op een ruime uitleg van dit begrip, waarbij op zijn minst de direct omwonenden en belanghebbenden zullen worden betrokken. Initiatiefnemers zullen er daarbij op worden gewezen dat tijdens een te doorlopen planologische procedure in ieder geval iedereen kan reageren op hun plannen en het dus raadzaam is om zo ruim als mogelijk te communiceren. Verder komt in het ontwerp-beleidsdocument duidelijk naar voren dat de gemeente Berkelland streeft naar een zo hoog mogelijk aandeel lokaal eigendom, het liefst 100% maar in ieder geval meer dan 51%.
Daarnaast is het begrip ‘lokaal eigendom’ nader omschreven in de begrippenlijst (bijlage 1) en moet de initiatiefnemer toelichten hoe hij daarmee omgaat. Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument. Beoordeling zienswijze 14 De in de zienswijze genoemde thema’s komen aan bod bij de thematische beoordeling van de zienswijzen in hoofdstuk V. Een aanvullend individuele beoordeling van deze zienswijze is dan ook niet aan de orde. Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument. Beoordeling zienswijze 15 De in de zienswijze genoemde thema’s komen aan bod bij de thematische beoordeling van de zienswijzen in hoofdstuk V. Een aanvullend individuele beoordeling van deze zienswijze is dan ook niet aan de orde. Conclusie De aanvulling op de thematische beoordeling geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument.
30
VII. Beoordeling van de adviezen over het ontwerpBeleidsdocument Advies Waterschap Rijn en IJssel: Samenvatting Het Waterschap Rijn en IJssel stelt vast dat de zoekgebieden K en I volgens de kansenkaarten beperkt ruimte bieden voor windturbines van het type dat bij de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen als referentieturbine is gebruikt. Binnen de ruimte die op de belemmeringskaart voor zoekgebied K overblijft, lijken niet directe grote waterbelangen te spelen terwijl uit de belemmeringskaarten naar voren komt dat binnen zoekgebied I geen ruimte lijkt te zijn voor dergelijke turbines. Daarbij ziet het Waterschap dat deze kaarten zijn gebaseerd op referentieturbines en dat bij een concreet initiatief een ander kaartbeeld kan ontstaan. Over de weging van het waterbelang bij eventuele windinitiatieven geeft het Waterschap mee dat activiteiten op, in of rond waterstaatswerken zoals dijken en watergangen onder de regels van het waterschap vallen en daarmee vergunningplichtig kunnen zijn volgens de Waterschapsverordening van het Waterschap Rijn en IJssel (overheid.nl). Daarbij zijn voor het bouwen van windturbines mogelijk uitgebreide vergunningprocedures vereist met als belangrijke aandachtspunten: - voor windturbines nabij waterkering gelden strenge voorwaarden (zie Handreiking windturbines waterkeringen.
Wetgeving | STOWA) - aanwezigheid van persleidingen - waterberging/compensatie - water gerelateerde aspecten De twee laatstgenoemde aspecten komen (net als bij ieder ander ruimtelijk initiatief) aan de orde bij het doorlopen van de ‘weging van het waterbelang’ (voorheen: watertoets) en in de waterparagraaf van het te wijzigen omgevingsplan of de te verlenen omgevingsvergunning. Deze moet beschrijven hoe binnen het plan wordt omgegaan met water en watergerelateerde aspecten, een thema waarover een positief besluit van het Waterschap moet worden verkregen. In de waterhuishoudkundige onderbouwing moet rekening gehouden worden met o.a.: het compenseren van de toename van verhard oppervlak (voor fundering, rijroutes, steunpunten kranen, onderhoud routes etc.) de vraag of het plan het huidige watersysteem / onderhoudspaden van het waterschap raakt de benodigde berging in m³ met omschrijving van bergingsvoorzieningen en bijbehorende capaciteit maatregelen om eventuele wateroverlast te voorkomen de waterkwaliteit de omgang met afvalwater en riolering (NB: het direct en indirect lozen van hemelwater in oppervlaktewater is sinds 1 januari 2024 vergunningplichtig volgens de Omgevingswet en de Waterschapsverordening) de omgang met kabels en leidingen (zowel bestaand als nieuw aan te leggen) het grondwaterbeheer Het Waterschap verzoekt de gemeente om in een zo vroeg mogelijk stadium te
worden betrokken bij concrete plannen.
31
Beoordeling advies De door het Waterschap ingebrachte adviespunten zijn relevant voor zowel het indienen als het beoordelen van eventuele windinitiatieven. Dit wordt niet anders nu niet de gemeente maar het Waterschap bevoegd gezag is voor besluitvorming over eventueel benodigde omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten. Om het waterbelang vroegtijdig in beeld te brengen bij eventuele initiatiefnemers, wordt de inbreng van het Waterschap bij de vaststelling van het beleidsdocument in de tekst verwerkt. Op die manier wordt initiatiefnemers ook meegegeven om bij hun planvorming zo vroeg mogelijk contact te leggen met het Waterschap zodat vroegtijdig kan worden nagegaan welke waterbelangen spelen bij hun initiatief. Conclusie Het advies geeft aanleiding tot aanvulling van de tekst van het ontwerp-beleidsdocument.
32
VIII. Ambtshalve aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-Beleidsdocument Het ontwerp-beleidsdocument bevatte een aantal passages die vragen om aanpassing, aanvulling of nadere toelichting. Hierop is niet gewezen via schriftelijk of mondeling ingediende zienswijzen en daarom worden deze als ambtshalve aanpassingen meegenomen bij de vaststelling van het beleidsdocument. Het gaat daarbij om de volgende tekstgedeelten: • Paragraaf 2.2.2: In de Omgevingsverordening hebben Provinciale Staten van Gelderland benoemd dat bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld welk effect zij hebben op landschappelijke kernkwaliteiten van het betrokken gebied. Paragraaf 2.2.2 van het beleidsdocument wordt op dit punt aangevuld, waarbij we ook opmerken dat bij deze beoordeling de Streekgids Achterhoek kan worden gebruikt. • Paragraaf 2.4.1: De gemeenteraad van Berkelland heeft op 28 mei 2024 de Omgevingsvisie Berkelland vastgesteld. (28 mei 2024). De tekst van paragraaf 2.4.1 ging nog uit van de ontwerp-Omgevingsvisie en wordt op dat punt geactualiseerd. • Paragraaf 4.2 en 5.1: De Elektriciteitswet 1998 wordt opgenomen in de Energiewet. Deze nieuwe wet gaat ook de bevoegdheid over windparken op een andere manier begrenzen. Zonder daar heel diep op in te gaan, de Energiewet moet immers nog worden vastgesteld, wordt dit vermeld in de paragraaf over bevoegd gezag.
33