CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

zienswijzennota beleidsdocument grote windmolens

Gemeenteraad 8 april 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Beleidsdocument grote windmolens13.475 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota zienswijzen Ontwerp “Beleidsdocument grote windmolens (gemeente Oost Gelre en Gemeente Berkelland)”

Gemeente Oost Gelre Team Beleid en Projecten B. Dijkerman 4-2-2025

1

Inhoud I.

Publicatie terinzagelegging ontwerp-Beleidsdocument ................................. 3 ................................................................................................................................................3

II.

Zienswijzen over het ontwerp-Beleidsdocument ........................................... 4

III.

Adviezen van instanties ................................................................................... 5

IV.

Samenvatting van de zienswijzen over het ontwerp-Beleidsdocument ........ 6

V.

Thematische beoordeling zienswijzen .......................................................... 12 Thema duurzaamheid / doelen behaald / noodzaak .......................................................... 12 Thema alternatieve bronnen ............................................................................................... 13 Thema RES-opgave: gemeente heeft keuze – rol provincie ................................................ 14 Thema zoekgebied K – besluit gemeenteraad Berkelland .................................................. 15 Thema landelijke normen (algemeen) ................................................................................ 15 Thema gezondheidsrisico’s (geluid, slagschaduw, fijnstof, obstakelverlichting) ................ 16 Thema netcongestie ............................................................................................................ 17 Thema landschap................................................................................................................. 17 Thema ecologie en weidevogels ......................................................................................... 18 Thema laagvliegroute / oefengebied laagvliegen helikopters ............................................ 19 Thema waardevermindering woningen ..............................................................................

20 Thema business case / exploitatie....................................................................................... 21 Thema lokaal eigendom en financiële participatie ............................................................. 21 Thema draagvlak / belangenafweging / participatieproces ................................................ 22

VI.

Aanvullende individuele beoordeling zienswijzen ........................................ 24

VII.

Beoordeling van de adviezen over het ontwerp-Beleidsdocument ............. 31

Advies Waterschap Rijn en IJssel: ........................................................................................ 31

VIII.

Ambtshalve aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-Beleidsdocument 33

2

I.

Publicatie terinzagelegging ontwerp-Beleidsdocument

De terinzagelegging van het ontwerp-“Beleidsdocument grote windmolens (Gemeente Oost Gelre en Berkelland)” is bekendgemaakt via een publicatie op de gemeentepagina van het huis-aan-huisblad ELNA/Groenlose Gids van 22 mei 2024. In de publicatie was te lezen dat iedereen van 23 mei tot en met 3 juli 2024 zienswijzen kon indienen over het ontwerpBeleidsdocument en op welke manier dat kon. Deze publicatie is op 23 mei 2024 ook geplaatst in het digitaal uitgegeven Gemeenteblad (nr. 220632). Via deze editie kon het ontwerp-Beleidsdocument ook digitaal worden bekeken. Dit laatste was ook mogelijk via de website van de gemeente. Gemeente Berkelland heeft het ontwerp-beleidsdocument tegelijkertijd ter inzage gelegd. Ook deze terinzagelegging is bekendgemaakt via het Gemeenteblad en huis-aan-huisbladen. Het ontwerp-beleidsdocument was ook via de website van de gemeente Berkelland te lezen.

3

II.

Zienswijzen over het ontwerp-Beleidsdocument

Binnen de termijn van terinzagelegging zijn er 15 zienswijzen bij Oost Gelre ingediend over het ontwerp-Beleidsdocument. Hiervan zijn er 12 aan alleen Oost Gelre gericht en 3 aan Oost Gelre én Berkelland. Van de 15 zienswijzen is er 1 mondeling ingediend, de overige 14 waren schriftelijk. U leest een samenvatting van de zienswijzen in hoofdstuk IV. Daarna komen de zienswijzen thematisch aan bod in hoofdstuk V. Waar nodig behandelen we zienswijzen individueel in hoofdstuk VI. Bij de samenvatting en beoordeling van zienswijzen over het ontwerp-Beleidsdocument die door particuliere personen zijn ingediend, duiden we deze personen aan als ‘indiener(s)’. Gemeente Berkelland beoordeelt daarom ook de zienswijzen die uitsluitend aan haar zijn gericht en ook bij haar zijn ingediend. Bij gemeente Berkelland werden overigens 25 zienswijzen ingediend. Daarvan was er 1 mede gericht aan gemeente Oost Gelre (zienswijze OG03) en waren er 6 indieners fvrdie dezelfde zienswijzen richtten tot de gemeente Oost Gelre (zienswijzen OG01, OG09, OG10, OG11, OG12 en OG13).

4

III.

Adviezen van instanties

Binnen de termijn van terinzagelegging is één mailbericht binnengekomen met advies over het ontwerp-Beleidsdocument. Dit mailbericht was van het Waterschap Rijn en IJssel, Postbus 148, 7000 AC in Doetinchem (mail ontvangen op 17 juni 2024). Dit advies wordt behandeld in hoofdstuk VII van deze nota.

5

IV.

Samenvatting van de zienswijzen over het ontwerpBeleidsdocument

Zienswijze OG01 Prowind B.V.1: Prowind B.V. geeft aan dat het ontwerp-Beleidsdocument veelal aansluit bij bestaande wetten, kaders en afspraken en onderschrijft het belang van goede participatie. Zij geeft verder aan dat de vuistregel over geluidsniveaus en tiphoogte in de praktijk wel anders uitpakt dan staat aangegeven in het ontwerp-Beleidsdocument. Om verkeerde verwachtingen te voorkomen, vraagt Prowind daarom om aangepaste afbeeldingen op te nemen in het vast te stellen beleidsdocument. Tenslotte roept Prowind de gemeente op om door te pakken met de uitvoering van het windbeleid. Dit met het oog op het behalen van de doelen uit de Regionale Energiestrategie (RES) en het Klimaatakkoord. Zienswijze OG02: Indiener heeft mondeling de volgende punten ingebracht: • Heeft bezwaar tegen grote windmolens • Maakt zich zorgen over bromtoon van windmolens, omdat indiener daarvoor gevoelig is • Vindt dat windmolens niet in een natuurgebied horen • Geeft aan dat niet duidelijk is wat grote windmolens met mens en dier doen. Indiener vindt dat dit eerst goed moet worden uitgezocht • Vraagt zich of overal rekening mee wordt gehouden Zienswijze OG032: Indieners stellen dat windenergie op land niet nodig is, omdat er voldoende windenergie op zee beschikbaar is. Volgens hen is de keuze voor windmolens op land vrijwillig en niet opgelegd door provinciaal of regionaal beleid.

Ze pleiten voor een onafhankelijke partij om de noodzaak van windenergie op land en alternatieven zoals zonne-energie te onderzoeken. Indieners missen in het beleidsdocument aandacht voor draagvlak en acceptatie door inwoners. Ze vinden daarnaast dat de instrumenten die de gemeente hiervoor gebruikt niet representatief zijn. Ze vinden ook dat de gemeenten tekortschieten in hun voorlichtingsplicht, vooral over gezondheid, en dat landelijke normen rond geluid ontoereikend zijn. Ze vragen om strengere geluidsnormen en nulmetingen bij woningen in de buurt van windturbines. Daarnaast wijzen ze op de risico's van slijtage van windmolenwieken en de mogelijke impact op de volksgezondheid. Ook hebben ze zorgen over de gevolgen voor (trek)vogels en de verstoring van het weidevogelgebied. Tot slot zijn indieners tegen gemeentelijke participatie in windparken met gemeenschapsgeld en pleiten ze voor duidelijke regels over lokaal eigendom. Zienswijze OG04: Indieners stellen dat er geen draagvlak is voor grote windmolens onder de inwoners, ondanks gemeentelijke enquêtes en informatieavonden. Ze vinden dat de turbines het karakteristieke Achterhoekse landschap verpesten en de leefbaarheid verslechteren. Volgens hen zouden eerst alle alternatieven, zoals zonne-energie, moeten worden onderzocht voordat er windparken worden gerealiseerd.

1 2

Zienswijze 4 gemeente Berkelland Zienswijze 25 gemeente Berkelland

6

Ze maken zich zorgen over de gezondheidseffecten van windmolens, vooral vanwege het geluid, dat volgens hen onvoldoende wordt gereguleerd door landelijke normen. Ook laagfrequent geluid baart hen zorgen, omdat er geen wetgeving voor is. Indieners pleiten voor strengere geluidsnormen en grotere afstandsnormen tussen turbines en woningen, gebaseerd op internationale normen. Daarnaast wijzen ze op de negatieve impact op weidevogels en vrezen ze waardevermindering van woningen. Ze betwijfelen de noodzaak van nieuwe windmolens op land, omdat bestaande plannen al voldoende zijn om de RES-doelen te halen. Alternatieven zoals wind op zee, zonne-energie op daken en waterstof worden als beter gezien. Tot slot uiten zij zorgen over de milieu-impact en de recyclingproblemen van windmolens, waarbij ze vrezen voor toekomstige afvalproblemen en gezondheidsrisico's door fijnstof dat vrijkomt door slijtage van rotorbladen. Zienswijze OG05: Samenvatting Indiener stelt dat windmolens op land niet nodig zijn om de landelijke doelen van de energietransitie te halen. Dit deel van de zienswijze is nagenoeg gelijk aan punt 10 van zienswijze 4. Indiener vindt de aanname onjuist van de gemeente dat wind op land nodig is vanuit de RESafspraken. Hij stelt dat in de zomer van 2023 de doelstelling uit het Klimaatakkoord al is bereikt.

Het Klimaatakkoord bepaalt vervolgens dat als dat zo is bij nieuwe windprojecten, eerst naar wind op zee wordt gekeken. Daarom is er voor de gemeente geen verplichting voor wind op land boven op de al behaalde RES-doelen, volgens indiener. Indiener is daarmee van mening dat de noodzaak voor wind op land op basis van de RES is achterhaald. Indiener voert een tweede argument aan tegen wind op land in de Achterhoek, namelijk dat vanaf 2030 windenergie bijna volledig door wind op zee wordt opgewekt. Wind op zee is volgens indiener veel (kosten)efficiënter dan wind op land. Indiener verwijst naar studies waaruit zou blijken dat met wind op zee en zon op dak de toekomstige vraag naar energie geheel opgewekt kan worden zonder extra wind op land. Indiener concludeert dat het voor de klimaatdoelstellingen niet nodig is om extra windmolens op land – in het bijzonder de Achterhoek – te plaatsen. Zienswijze OG06: Samenvatting De zienswijze van indiener 6 is identiek aan die van indiener 4. Voor de samenvatting daarvan verwijzen we gemakshalve naar zienswijze 4. Zienswijze OG07: Samenvatting Indiener spreekt haar waardering uit voor het gezamenlijk optrekken en formuleren van beleid voor grote windmolens. Indiener vraagt zich af of de stapeling van eisen voor financiële participatie in par. 4.2 van het beleidsdocument niet gaat knellen bij een lokaal initiatief.

Haar punt is dat deze eisen communicerende vaten zijn in een business case. In aansluiting op de Gedragscode NWEA verzoekt indiener daarom om bij de twee omgevingsfondsen niet het woordje ‘moet’ te gebruiken, maar deze te vervangen door ‘streven naar’ of op een andere manier maatwerk voor de financiële participatie toe te staan. Indiener vindt het plaatje op blz. 35 met de processtappen verwarrend en verzoekt de gemeente dit te verduidelijken. Daarbij vraagt ze om duidelijker aan te geven waaraan een conceptverzoek en een definitief verzoek moeten voldoen. Ook vraagt ze aan te geven op welk moment welke onderwerpen in welk detailniveau moeten zijn uitgewerkt.

7

Ook vindt zij de selectie van initiatieven niet duidelijk (o.a. blz. 5, par. 5.3, blz. 36). Zij verzoekt de gemeente toe te lichten hoe de selectie van initiatieven gebeurt en in hoeverre het behalen van de RES 1.0 doelstelling meeweegt in de selectie. Zienswijze OG08 RWE Windpower Netherlands B.V.: Indiener uit zorgen over de haalbaarheid van de windopgave van 0,129 TWh in de zoekgebieden K en I, zoals genoemd in paragraaf 4.1.9. Ze vindt dat de gemeente verkeerde verwachtingen schept door te stellen dat slechts 41-46% van de opgave in deze gebieden gerealiseerd kan worden en vraagt hoe de resterende hoeveelheid energie wordt opgewekt. Indiener betreurt dat Berkelland niet bereid lijkt om een deel van de resterende 0,244 TWh uit de RES 1.0 te faciliteren en roept de gemeente op verantwoordelijkheid te nemen. Hoewel indiener het gebruik van landelijke normen voor windenergie ondersteunt, wijst ze erop dat dit nog conceptnormen zijn. Ze betwist de toepassing van een indicatieve geluidscontour van 600 meter, gebaseerd op deze normen, en stelt dat geluidsreducerende maatregelen deze afstand in de praktijk verkleinen. Bovendien pleit ze voor de landelijke norm van 2x tiphoogte als afstandsnorm. Over participatie vraagt indiener om de lokale eigendomsverplichting van 51% te verlagen naar 50%, zoals vastgelegd in het Energieakkoord.

Ze twijfelt aan de juridische houdbaarheid van het selecteren van initiatieven op basis van lokaal eigendom en benadrukt dat ruimtelijke criteria belangrijker zijn voor de selectie van het beste project. Zienswijze OG09 Pure Energie Wind B.V.3: Pure Energie Wind B.V. constateert dat de in het ontwerp-Beleidsdocument gemaakte keuzes het zeer onzeker maken dat de RES-opgave kan worden gehaald. Zij geeft aan dat dat komt door de toepassing van de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen en door de eisen over lokaal eigendom. Daarom verzoekt Pure Energie Wind om af te zien van het gebruik van de geluidscontour van 600 meter rondom moderne windturbines en van de nog ter discussie staande afstandsnorm van 2x tiphoogte uit de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen. Verder verzoekt zij om juist wel mogelijkheden te bieden voor maatwerk via de ZEZAM4afwijking. Over de eis van minimaal 51%-lokaal eigendom merkt zij op dat deze eis de start van nieuwe initiatieven belemmert en bovendien geen juridische grondslag heeft. Pure Energie Wind verzoekt daarom om bij het vaststellen van het beleidsdocument deze eis te laten vervallen. Zienswijze OG10 provincie Gelderland5: De provincie Gelderland vraagt om tekstwijzigingen door te voeren in de passage over het niet-gealloceerde deel van de Achterhoekse RES-opgave.

Verder brengt de provincie in dat zij bevoegd gezag is voor de vestiging van windparken (5-100 MW) en de gemeente dus niet alleen kan bepalen waar windparken gerealiseerd kunnen worden. Ook geeft zij aan dat het niet aan de gemeente is om zoekgebieden te laten afvallen maar dat het wel of niet laten afvallen van zoekgebieden in RES-verband gebeurt. Daarbij zijn de ruimtelijke uitgangspunten van de provincie leidend en niet die van de gemeenteraad, aldus de provincie. Terwijl de voorkeur bestaat om de RES-opgave in te vullen in de zoekgebieden maar de provinciale planMER aanleiding kan geven tot aanpassing, uitbreiding of inperking van de zoekgebieden uit RES1.0. Verder bevatten de provinciale zienswijzen 22 algemene opmerkingen met tekstuele verbeterpunten, aanbevelingen en inhoudelijke tips.

3

Zienswijze 20 gemeente Berkelland zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen 5 Zienswijze 17 gemeente Berkelland 4

8

Zienswijze OG11 RES Achterhoek6: De brief van RES Achterhoek is weliswaar gericht aan de gemeente Oost Gelre, maar uit de begeleidende mail komt duidelijk naar voren dat zij ook is gericht aan de gemeente Berkelland. RES Achterhoek brengt in dat het niet-gealloceerde deel van de Achterhoekse RES-opgave (0,244 TWh) alleen kan worden ingevuld via windenergie, dat de gemeenten Oost Gelre en Berkelland zich er met de ondertekening van RES1.0 aan hebben verbonden om samen met de andere gemeenten invulling te geven aan dat niet-gealloceerde deel, maar dat nog niet bekend is welk deel van de opgave terecht zal komen in de gemeenten Berkelland en Oost Gelre. RES Achterhoek verzoekt om in het definitieve beleidsdocument aan te geven dat de opgave voor Oost Gelre en Berkelland groter is dan omschreven en dat daarbij ook andere locaties in beeld kunnen komen. Verder verzoekt RES Achterhoek om de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen niet op voorhand als uitgangspunt te nemen voor een beleidsregel en om daarbij ook niet al uit te gaan van de ontwerp-standaardwaarden. Daarbij spreekt RES Achterhoek de verwachting uit dat het Rijk de landelijke windturbinebepalingen uiteindelijk zal vaststellen op een manier die zowel mogelijkheden biedt voor het realiseren van windmolens als voor het beschermen van de omgeving.

Zij verzoekt daarom om de nog vast te stellen ontwerpwindturbinebepalingen niet te gebruiken als toetsingskader, maar als gevoeligheidsanalyse voor het behalen van de RES-opgave. Ook verzoekt zij om gebruik te maken van de ZEZAM-afwijking en uit te gaan van de 47dB(A) geluidsnorm. Dit laatste omdat dat ook het geluidsniveau is waarmee de begrenzing van de zoekgebieden K en I mee zijn bepaald. Verder geeft RES Achterhoek aan dat windturbines in het totaalbeeld ook positieve ecologische effecten hebben door bijvoorbeeld het verminderen van stikstof- en CO2emissie, effecten die juist aanleiding geven tot het plaatsen van windturbines. Over de opmerking in het participatieverslag dat netcongestie geen onderdeel is van het windbeleid, merkt RES Achterhoek op dat de gemeente hier een sturende rol kan hebben via onder meer een goede wind/zonverhouding en het bij elkaar brengen van vraag en aanbod (smart energy hubs). Zienswijze OG12 Weidevogelvereniging Achterhoek7: Weidevogelvereniging Achterhoek brengt in dat het toelaten van grootschalige windmolens in het Beltrumse Veld onwenselijk is vanwege de aanwezigheid van belangrijke vogelgebieden voor relatief veel zeldzaam geworden en bedreigde akker- en weidevogels.

Zij geeft aan dat het plaatsen van windmolens in open gebieden vaak op gespannen voet staat met het belang van de vogelbescherming en voor vogels leidt tot directe sterfte, verlies van leefgebied en barrièrevorming. Daarbij merkt zij op dat het plaatsen van windmolens niet strookt met het gemeentelijk streven naar biodiversiteit en dat de gemeente het gebied heeft aangewezen als weidevogelgebied, maar deze beschermde status later stilzwijgend heeft opgeheven vanwege plannen voor windmolens. Weidevogelvereniging Achterhoek wijst er op dat de gemeenten vinden dat het plaatsen van windmolens kan samengaan met het natuurbelang, terwijl de Vogelbescherming Nederland op een hele andere conclusie uitkomt. Zij vraagt om het belang van het Beltrumse Veld daarom nadrukkelijk mee te nemen in het windbeleid. De Weidevogelvereniging wijst daarbij met name op de bescherming van soorten zoals de wulp en de grutto en verzoekt om Achterhoek-breed onderzoek te doen naar mogelijk andere locaties voor windenergie. Ook geeft zij aan dat de ervaring heeft geleerd dat compenserende of mitigerende maatregelen niet werken bij het plaatsen van windmolens en dat ook trekvogels veel last hebben van windmolens. De 6 7

Zienswijze 18 gemeente Berkelland Zienswijze 10 gemeente Berkelland

9

Weidevogelvereniging merkt tenslotte op dat het gemeentelijk windbeleid grondig moet worden getoetst aan de wet- en regelgeving op dit gebied (Wet natuurbescherming, Wet ruimtelijke ordening) en aan de uitkomsten van het provinciale milieueffectrapport. Zienswijze OG138: Indiener richt zich met name op paragraaf 4.2 uit het ontwerp-Beleidsdocument dat zich richt op participatie en financiële participatie en geeft aan dat deze tegenstrijdigheden en vaagheden bevat. Daarmee is het beoogd beleid op dit punt volgens indiener nog slechter dan bij de zonneparken en bovendien boterzacht als het gaat om diverse aspecten van procesparticipatie en financiële participatie en om begrippen zoals lokaal eigendom en lokaal eigenaarschap. Indiener stelt vragen over de procesparticipatie en het lokaal eigendom. Zienswijze OG14: Indiener is inwoner en grondeigenaar in zoekgebied K. Hij is positief over het participatietraject om tot het ontwerpbeleidsdocument te komen. Indiener vindt wel dat daar waar in zoekgebied K de lasten zijn, daar ook de lusten moeten landen. Die lusten gelden dan voor de financiële participatie, het omgevingsfonds en de omwonenden regeling, maar ook voor inzet van grondeigenaren voor landschaps- en natuurontwikkeling.

Indiener vindt het onwenselijk en niet duurzaam dat daar waar landschaps- en natuurontwikkeling als compensatie van een windpark plaatsvindt, een vorm van langdurige financiering ontbreekt. Te meer omdat nieuw ontwikkelde natuur ten koste gaat van landbouwgrond, wat de afgelopen jaren al vaker is gebeurd. Dit ondermijnt het toekomstperspectief van indiener en beperkt zijn mogelijkheden om als jonge boer te extensiveren en een duurzaam bedrijf te behouden. Indiener vindt dat het beleid voor grote windmolens de toekomst van agrariërs negatief beïnvloedt. Indiener stelt daarom voor om de natuur- en landschapscompensatie vorm te geven in lange termijn contracten volgens het model van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANlb) voor de duur van de exploitatie van een windpark. Zienswijze OG15: Indiener heeft een zienswijze geschreven namens 20 inwoners van Vragender (19) en Aalten (1) en namens dorpsbelangenorganisatie Vragenders Belang. Indiener stelt dat zij zich niet kunnen verenigen met de wijze waarop de gemeenten beleid willen voeren voor hun energiedoelstellingen. Ook vragen zij zich af de gemeente echt bereid is om te luisteren naar de geluiden in de samenleving of dat ze alleen oog hebben voor een ingeslagen weg. Dit laatste omdat het beleidsdocument er van uit gaat dat wind op land noodzakelijk is om in 2050 klimaatneutraal te zijn.

Volgens indiener is dit prematuur en onjuist, waarbij verwezen wordt naar een onderzoek van bureau CE Delft uit 2023. Daarin wordt gesteld dat er voor 2030 voldoende mogelijkheden zijn voor energieproductie en import zonder wind op land. Indiener stelt daarom dat er geen nut en noodzaak is voor wind op land in deze gemeente. En hierom stelt indiener dat dit beleid in strijd zal zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel van art. 3:2 Awb. In het beleidsdocument is niet stilgestaan bij de gezondheidseffecten van windmolens op omwonenden. Zo kan geluidhinder leiden tot gezondheidsklachten, haalt indiener de GGD aan. Ook hier is het beleidsdocument in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel nu in dat stuk daarbij niet is stilgestaan.

8

Zienswijze 9 gemeente Berkelland

10

Naast geluidhinder is er ook infrasone trillingshinder te verwachten, aldus indiener. Ook met deze hinder is in het beleidsdocument geen rekening gehouden. En er is niet of nauwelijks gekeken naar de effecten voor planten en dieren. Indiener benadrukt dat windmolens ingrijpende en onevenredige gevolgen hebben voor flora en fauna, omgeving en landschap. Indiener verwijst voor de waardedaling van woningen naar een TNO rapport uit 2022. Hij vindt dat niet kan worden volstaan met doorleggen van die schade naar de initiatiefnemer van een windpark. Vooraf moet duidelijk zijn of een initiatiefnemer voldoende solvabel is om dit te betalen. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten straks met een niet te incasseren vordering achterblijven. Op blz. 46 van het Participatieverslag (bijlage bij het beleidsdocument) staat dat 80 % van de inwoners tegen de komst van windmolens is. Dit maakt volgens indiener duidelijk dat een meerderheid van de inwoners niet zit te wachten op windmolens. Tot slot merkt indiener op dat de gehouden bijeenkomsten zijn ervaren als een verplicht nummer in het participatieproces. Het idee is dat niet is geluisterd naar bezwaren en dat die niet voldoende in het beleid zijn verwekt.

11

V.

Thematische beoordeling zienswijzen

In de zienswijzen komen veel thema’s meerdere malen terug. We willen niet onnodig in herhaling vervallen, onderlinge verwijzingen zoveel mogelijk voorkomen en daarmee de leesbaarheid verhogen. Daarom is er voor gekozen om de zienswijzen thematisch te behandelen. Als de zienswijzen onderdelen bevatten die zich hier niet voor lenen, dan worden deze in het volgende hoofdstuk VI ‘Aanvullende beoordeling zienswijzen’ beoordeeld. In hoofdstukken V en VI geven we ook aan of de zienswijzen aanleiding geven tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-Beleidsdocument. Verder sluit het ontwerp-Beleidsdocument grote windmolens aan op de besluitvorming die in de gemeenten Oost Gelre en Berkelland al is geweest over diverse aspecten van de energietransitie, waaronder het Akkoord van Groenlo 3.0, de uitvoering van de Regionale Energietransitie Achterhoek (RES 1.0) en de mogelijkheden voor het realiseren van grote windmolens. Het vast te stellen beleidsdocument is dan ook bedoeld om kaders te stellen voor de bouw van grote windmolens in specifieke delen van de gemeenten die bekend zijn als zoekgebieden K en I (i). De vraag of het wenselijk is om daarvoor mogelijkheden te bieden is bestuurlijk dus al beantwoord, waarbij de gemeenteraad van Berkelland meer expliciet heeft aangegeven dat alleen zoekgebied K daarvoor in aanmerking kwam.

De besluitvorming over het vast te stellen beleidsdocument richt zich daarom ook niet op de vraag of de gemeenten in de genoemde zoekgebieden wel of geen ruimte willen bieden aan het realiseren van grote windmolens. De zienswijzen over het ontwerp-beleidsdocument worden dan ook beoordeeld tegen de achtergrond van de bedoeling om te komen tot randvoorwaarden voor het realiseren van windmolens in de zoekgebieden K en I (i). Thema duurzaamheid / doelen behaald / noodzaak (zienswijzen OG03, OG04, OG05 en, OG06) In een aantal zienswijzen merken de indieners op dat het planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft geconcludeerd dat de doelstellingen voor de energietransitie al worden gehaald met de realisatie van de huidige geplande projecten en dat nieuwe windenergieprojecten op land hiervoor niet meer nodig zijn. Daarbij past echter de opmerking dat deze conclusie van het PBL uitgaat van de realisatie van de al vastgestelde Regionale Energiestrategieën (RESen) en dat de gemeenten Oost Gelre en Berkelland met het voorliggende beleidsdocument juist een bijdrage willen leveren aan het uitvoeren van RES 1.0. Ook is het van belang dat een Regionale Energiestrategie (RES) meer is dan alleen maar een overeenkomst tussen gemeenten.

Bij een RES hoort immers een doelstelling die met name door het provinciebestuur wel degelijk kan worden afgedwongen door zelf de besluitvorming ter hand te nemen in de vorm van een projectbesluit. Daarbij is ‘wind op land’ naast ‘wind op zee’ nodig als onderdeel van de energiemix en om de landelijke opgave voor grootschalige energieopwekking uit zon en wind op land van 35 terawattuur (TWh) in 2030 te halen. Dit komt ook weer naar voren uit de jaarlijkse Klimaaten Energieverkenning (KEV, oktober 2023) van het PBL. De KEV is de monitoring op de uitvoering van nationale Klimaatwet en is te vinden via: Klimaat- en Energieverkenning 2023 | Planbureau voor de Leefomgeving (pbl.nl). Zoals gezegd is het voor het behalen van de 35 TWh-doelstelling nodig om de afspraken uit alle RES-sen 1.0 allemaal uit te voeren. Het PBL heeft recent een monitor op de RES uitgebracht (PBL, 7 december 2023) die is gebaseerd op de voortgangsrapportages van de RES-regio’s. Daaruit blijkt dat het doel van 35 TWh zeer waarschijnlijk gehaald wordt, maar dat het behalen van het streefdoel van 55 TWh in 2030 onwaarschijnlijk is. Nog afgezien van

12

dat laatste, is het voor het behalen van het landelijke 35 TWh-doel nodig dat geplande projecten, plannen en ambities daadwerkelijk tot realisatie komen. De windopgave (ambitie) van 0,071 TWh en 0,058 TWh voor Berkelland resp. Oost Gelre is onze bijdrage aan het realiseren van de 1,35 TWh-doelstelling van RES Achterhoek doelstelling en daarmee ook de nationale 35 TWh-doelstelling voor 2030. Het blijft dus voor de 35 TWh doelstelling nodig om in de Achterhoek, en daarmee ook in Berkelland en Oost Gelre, nieuwe windparken te realiseren. De RES-monitor is overigens te vinden via: Monitor RES 2023 | Planbureau voor de Leefomgeving (pbl.nl). Verder wijzen enige indieners op berekeningen van het Berkellandse dialoogplatform energietransitie (DET) waaruit zou blijken dat windenergie niet nodig is voor het behalen van de doelen voor 2030. Daarbij baseren zij zich echter op een selectie van de DET-conclusie over windenergie. Over windenergie geeft het platform namelijk het volgende aan: “Om het doel van 55% CO2-reductie in 2030 te halen zijn windmolens, wanneer bovenstaande wordt toegepast en gehaald, niet nodig.

Toch hebben we wel rekening gehouden met vier windmolens van 5,5 MW om twee belangrijke redenen: 1) de balans op het net is beter wanneer er een goede mix is tussen opwek van zon en wind, een betere balans betekent een robuuster en meer betaalbaar net en 2) windmolens zijn wel nodig om de doelen in 2050 en het regionale RES-doel in 2030 te halen. Daarom zien we wind als noodzakelijk om toe te passen en geeft het ons bovendien wat ruimte als een van de richtingen tegenvalt. De gemeenten onderschrijven deze conclusie omdat uit het theoretische model getalsmatig inderdaad volgt dat windenergie voor 2030 strikt genomen niet nodig is om in 2050 energieneutraal te zijn (overigens, volgens het model wel rond 2031-2035). Er zijn naast de theoretische modellen echter ook andere overwegingen, die ook de DET benoemt, zoals het betaalbaar en in balans houden van ons netwerk. Daarnaast vinden de gemeenten het ook van waarde om met windenergie een bijdrage te leveren aan oplossingen voor het wereldwijde CO2-probleem. Over het behalen van de RES-doelstelling wordt in de zienswijzen terecht opgemerkt dat nog niet de gehele regionale opgave is verdeeld onder de Achterhoekse gemeenten. Een zogeheten niet-gealloceerd deel van 0,244 TWh van de RES-opgave zou nog moeten worden ingevuld via windenergieprojecten. Hierover wordt bij de uitwerking van RES 2.0 een beslissing genomen.

Daarbij is uit voortgangsrapportages intussen nog duidelijker naar voren gekomen dat dit deel van de Achterhoekse RES-opgave vanwege systeemefficiëntie zou moeten worden opgepakt met windprojecten. Met het nu lopende gemeentelijke beleidsproces wordt echter nog niet vooruitgelopen op de uitkomsten van RES 2.0 en de manier waarop daarbij wordt omgegaan met het niet-gealloceerde deel van de opgave uit RES1.0. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument. Thema alternatieve bronnen (zienswijzen OG04 en OG06) In het kader van de energietransitie zijn verschillende vormen van duurzame energieopwekking in beeld. Dit geldt ook voor de vastgestelde RES 1.0, waarbij bijvoorbeeld ook aandacht is voor zonne-energie. Daarbij komt echter duidelijk naar voren dat het behalen van de RES-doelstelling niet haalbaar is zonder toepassing van windenergie. Dit nog afgezien van het gegeven dat de gemeente Berkelland de maximale omvang voor

13

zonnepaneelvelden heeft begrensd. Ook voor de verdere toekomst blijft het belangrijk om een juiste mix van energiebronnen te realiseren, iets wat onder meer wordt benadrukt in het recent verschenen Nationaal Plan Energiesystemen. Daarbij zijn er beschouwingen gedaan over de periode na 2050, maar kennen de daarin getrokken conclusies nog wel de nodige onzekerheden over de beschikbaarheid en realisatie van eventuele alternatieven. Verder is het voor gemeenten niet mogelijk om hun RES-opgave in te vullen door in financiële zin deel te nemen aan wind-op-zee-projecten. Waar het gaat om alternatieven voor windenergie wijst de gemeente er op dat zij in haar beleid ook insteekt op het beperken van energiegebruik en verduurzaming. Daarvoor zet zij in op subsidiemogelijkheden terwijl bedrijven worden gestimuleerd om onderling samen te werken bij hun energievoorziening (energie hubs). Verder laat de gemeentelijke regelgeving voor het buitengebied erfwindmolens onder voorwaarden toe, evenals grondgebonden zonnepanelen voor de eigen energievoorziening. Voor het realiseren van zonneparken op landbouwgronden is voor Berkelland een maximaal toelaatbare oppervlakte van 140 ha vastgesteld die inmiddels vrijwel geheel is ingevuld.

Verder oriënteert de gemeente zich in het kader van de in 2021 vastgestelde Transitievisie Warmte op de toepassing van aardwarmte en andere vormen van (collectieve) duurzame energiewinning. Al met al is het niet zo dat de gemeente zich uitsluitend toelegt op de realisatie van windenergie. Als aanvulling op een stabiele energievoorziening is windenergie volgens de gemeente nodig als onderdeel van de totale energietransitie. Daarbij is het de bedoeling om via het beleidsdocument kaders te benoemen en randvoorwaarden te stellen aan het verlenen van medewerking aan eventuele initiatieven. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument. Thema RES-opgave: gemeente heeft keuze – rol provincie (zienswijzen OG10 en OG11) Met de vaststelling van de RES 1.0 hebben de gemeenten zich verbonden aan de taakstelling die daaraan is gekoppeld. Daarbij heeft de provincie de juridische middelen om af te dwingen dat de gemeenten zich inzetten voor de realisatie van deze opgave. Zo hebben provincies wel degelijk de bevoegdheid om via projectbesluiten zelf de besluitvorming voor windmolenprojecten over te nemen van het gemeentebestuur. In dat opzicht zijn de gemeenten dus ook juridisch te binden aan de RES-opgave, zelfs wanneer deze niet zou kunnen worden ingevuld door windenergie binnen de zoekgebieden K en I (i).

De gemeenten hebben het voorliggende beleidsdocument opgesteld om daarbij in ieder geval randvoorwaarden te stellen waaraan windmoleninitiatieven binnen deze twee zoekgebieden moeten voldoen. Omdat zoekgebied K de gemeentegrens tussen Oost Gelre en Berkelland overschrijdt, is dat proces gezamenlijk aangegaan. De uitkomst van dit beleidsproces zou vervolgens ook als input kunnen dienen voor een eventueel beleidsproces dat zich richt op het toelaten van grote windmolens buiten deze zoekgebieden. In dit beleidsdocument wordt echter niet vooruitgelopen op afspraken die in het kader van RES2.0 nog moeten worden gemaakt voor gebieden buiten de zoekgebieden K en I (i). Inmiddels heeft het provinciebestuur aangegeven dat zij bij deze actualisatie van de RES-sen vasthoudt aan het RES1.0-bod van elke regio. Wel kan daarbij uiteindelijk sprake zijn van andere en nieuwe (zoek)gebieden voor windenergie. Het provinciebestuur ziet die dan als concrete invulling van RES1.0 en niet als nieuwe (wind)initiatieven zoals bedoeld in haar

14

coalitieakkoord. Het voorliggende gemeentelijke beleidsdocument voor grote windmolens richt zich niettemin uitsluitend op de zoekgebieden K en I (i). Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument. Wel wordt paragraaf 2.3 aangevuld met een passage over de provinciale lijn bij de voortgang van de RES-sen. Thema zoekgebied K – besluit gemeenteraad Berkelland (zienswijzen OG10 en OG11) De gemeenten Oost Gelre en Berkelland hebben dit beleidsproces samen doorlopen, omdat het onder meer gaat om een gemeentegrensoverschrijdend zoekgebied uit RES 1.0. Zoals gezegd is daarbij de besluitvorming die tot nu toe heeft plaatsgevonden het vertrekpunt. Mocht het realiseren van grote windmolens in andere delen van de gemeenten in beeld komen, dan zal voor het stellen van bijbehorende beleidskaders ook voor die gebieden een nieuw besluitvormingsproces nodig zijn. Naar de toekomst toe sluit het vaststellen van beleidskaders voor de zoekgebieden K en I (i) dus niet uit dat buiten die gebieden nooit grote windmolens mogelijk zullen zijn. Wel zal daarvoor dan eerst afzonderlijke besluitvorming nodig zijn met een voorbereidend proces dat daarop is afgestemd. Het nu voorliggende beleidsdocument gaat echter uit van de huidige stand van de besluitvorming en voor de gemeente Berkelland dus alleen van zoekgebied K.

Het gaat dan ook niet om het beleidsdocument bij de vaststelling alsnog van toepassing te laten zijn op andere delen van het gemeentelijk grondgebied. Dit wordt niet anders nu het provinciebestuur inmiddels aangeeft dat zij eventuele aanpassingen van (zoek)gebieden door de actualisering/herijking van RES1.0 beschouwt als concrete invulling van het RES1.0bod. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument. Thema landelijke normen (algemeen) (zienswijzen OG03, OG04, OG06, OG08 en OG11) In het ontwerp-beleidsdocument is al aangegeven dat op landelijk niveau wordt toegewerkt naar nieuwe landelijke normen voor windmolens. Het vaststellen daarvan is niet zomaar mogelijk, maar moet volgens Europese rechtsregels worden gebaseerd op een milieueffectrapportage. Waar de landelijke overheid dat bij de voorheen vastgestelde regels had nagelaten, wordt momenteel wel uitvoering gegeven aan deze verplichting en wordt daarbij ook aandacht besteed aan diverse aspecten die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid. In het milieueffectrapport wordt ook gewerkt met zogenaamde referentieturbines met een tiphoogte van 235 m en 280 m. Daarbij heeft eind 2023 een ontwerp van de nieuwe landelijke windturbinebepalingen en een milieueffectrapport ter inzage gelegen.

Hierover zijn bij het Rijk een groot aantal zienswijzen ingediend die moeten worden beoordeeld voordat de definitieve landelijke normen kunnen worden vastgesteld. De verwachting is dat dat laatste uiterlijk op 1 juli 2025 zal zijn gebeurd. Nu de nieuwe landelijke normen worden gebaseerd op uitgebreid onderzoek en ditmaal wel een milieueffectrapportage wordt doorlopen, gaan de gemeenten er van uit dat de nieuwe

15

landelijke normen op de juiste manier tot stand worden gebracht. De gemeenten kunnen na vaststelling van deze nieuwe landelijke normen dan ook niet anders dan uitgaan van de juistheid en de toepasbaarheid van deze normen. Nu beide gemeenten voor 1 juli 2025 geen besluiten zullen nemen over het verlenen van vergunningen voor eventuele concrete windmoleninitiatieven, zullen de nieuwe landelijke normen na die datum het toetsingskader vormen voor dat soort plannen. Dit is ook de reden dat in het ontwerp-beleidsdocument al wordt gezegd dat de gemeenten zich zullen aansluiten bij deze nieuwe landelijke normen. Om daarbij de effecten van eventuele grote windmolens zo gering mogelijk te laten zijn, spreekt het ontwerp-beleidsdocument ook al uit dat de gemeenten geen gebruik zullen maken van de afwijkingsmogelijkheden die de ontwerp-windturbinebepalingen kenden voor bijvoorbeeld de geluidsnorm en de vaste afstandsnorm. Het is niet uit te sluiten dat de landelijke normen er na de vaststelling anders zullen uitzien dan de ontwerp-windturbinebepalingen die het Rijk eind 2023 vrijgaf voor inspraak. Dit maakt echter niet dat de benadering van de gemeenten over de toepassing van de landelijke normen een andere gaat worden.

Dit betekent dat de gemeenten deze landelijke normen gaan hanteren als toetsingskader voor eventuele windmoleninitiatieven en daarbij geen toepassing zullen geven aan eventuele afwijkingsmogelijkheden die ook daarin wellicht worden ingebouwd. Met andere woorden: zonder exact te weten hoe de nieuwe landelijke normen precies gaan luiden, gaan de gemeenten uit van de meest strikte toepassing van deze landelijke normen. Met deze beleidsmatige insteek willen de gemeenten op voorhand duidelijk maken dat zij binnen de toekomstige wettelijke normen een bijdrage willen leveren aan de energietransitie, maar daarbij ook de belangen van omwonenden zo goed mogelijk willen borgen. De gemeenten vinden dat dit kan helpen om bij eventuele windmoleninitiatieven uit te komen op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een goede afweging tussen het algemeen belang van de energietransitie en andere belangen in de betrokken gebieden. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument. Thema gezondheidsrisico’s (geluid, slagschaduw, fijnstof, obstakelverlichting) (OG03, OG06, OG15) De nieuw vast te stellen landelijke normen en de bijbehorende milieueffectrapportage richten zich voor een belangrijk deel op het voorkomen van gezondheidsrisico’s bij de toepassing van de vast te stellen normen.

Zo is bij de milieueffectrapportage onder meer onderzoek gedaan naar laagfrequent geluid om te kunnen beoordelen of daarvoor een aparte landelijke norm zou moeten worden ingevoerd. Voor bijvoorbeeld de geluidsnorm verwijst het milieueffectrapport verder naar elders in Europa toegepaste normen en zoekt het aansluiting bij Europese regelgeving. Ook voorzien de nieuwe landelijke normen in nieuwe regels ter beperking van slagschaduw en voor het toepassen van obstakelverlichting. Gelet op de omvang van het onderzoek dat bij het landelijke besluitvormingsproces wordt uitgevoerd, vinden de gemeenten dat zij de gezondheidsrisico’s bij de toepassing daarvan niet nog beter kan onderzoeken. Verder steken de gemeenten zoals gezegd in op een zo strikt mogelijke toepassing van de nieuwe landelijke normen zonder dat daarbij toepassing wordt gegeven aan afwijkingsmogelijkheden die daarin wellicht worden opgenomen.

16

In het ontwerp-beleidsdocument is al aangegeven dat de nieuwe landelijke windturbinebepalingen (verduidelijkte) regels zullen gaan bevatten over slagschaduw en obstakelverlichting. Ook zullen zij regels gaan bevatten over het bijhouden en beschikbaar stellen van een logboek en over technische voorzieningen zoals een stand-still-voorziening waarmee bijvoorbeeld de slagschaduw op slagschaduwgevoelige gebouwen kan worden bewaakt. De begrippen die daarbij worden gehanteerd krijgen daarbij een wettelijke definitie, als zij die al niet hebben in bestaande regelgeving. De gemeenten zullen dan ook toepassing hieraan geven bij de boordeling van eventuele windinitiatieven. De landelijke ontwerpwindturbinebepalingen gaan niet in op de slijtage van rotorbladen. Wel gaat de bijbehorende PlanMER in op erosie van bladen en de daarbij vrijkomende stoffen (zie pag. 44) en wordt daarin gemotiveerd waarom erosie niet is behandeld als beoordelingscriterium. Het kan echter zo zijn dat het Rijk naar aanleiding van zienswijzen op de ontwerpwerpwindturbinebepalingen dit onderwerp alsnog opneemt in normen. Afgezien daarvan is dit echter geen onderwerp dat zich goed leent voor lokale normstelling. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument.

Thema netcongestie (zienswijze OG11) Het is een gegeven dat de capaciteit van het bestaande (regionale) elektriciteitsnetwerk in de komende jaren overbelast zal raken als daartegen geen gerichte maatregelen getroffen worden. Daarom hebben de netbeheerders een actieplan opgesteld dat zich richt op het uitbreiden van de netwerkcapaciteit, terwijl ook op landelijk beleid in gang wordt gezet (Nationaal Plan Energiesystemen, Nationaal Programma Energiehoofdstructuur). Niettemin kan het wellicht enige jaren duren voordat de plannen tot het gewenste resultaat zullen leiden en er geen sprake meer zal zijn van disbalans in het energiesysteem. Tegelijkertijd kent ook de daadwerkelijk plaatsing van windmolens een lange voorbereidingstijd van waarschijnlijk meerdere jaren. De verwachting is dan ook dat de ontwikkeling van eventuele windmoleninitiatieven in de tijd gezien gelijk op zal lopen met de maatregelen aan het distributienet. In ieder geval is dit een aspect waarmee initiatiefnemers rekening hebben te houden en ongetwijfeld ook rekening mee zullen houden. Dit geldt niet alleen voor de mogelijkheden om aan te sluiten op het netwerk, maar ook voor de kosten die gemoeid zijn met het realiseren van die aansluiting vanuit de projectlocatie. Het stellen van specifieke gemeentelijke randvoorwaarden over dit aspect heeft echter geen meerwaarde.

Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument. Thema landschap (zienswijzen OG03, OG04, OG05, OG06, OG14 en OG15) Het is voor iedereen, en dus ook voor het gemeentebestuur, volstrekt duidelijk dat de eventuele realisatie van windmolens effect zal hebben op het landschap in en rondom de zoekgebieden. Om landschappelijke aspecten te kunnen meewegen in de besluitvorming

17

benoemt het ontwerp-beleidsdocument daarom in paragraaf 4.1.6 al als randvoorwaarde dat een windmoleninitiatief gepaard moet gaan met een landschapsplan. De randvoorwaarden steken daarbij in op een landschapsplan dat het landschappelijke aspect vanuit de omgeving benadert. Zo moet het bijvoorbeeld voorzien in het nemen van passende maatregelen binnen de zichtlijnen op de eventuele windmolens. Deze randvoorwaarden zijn gesteld omdat bouwwerken zoals windmolens eenvoudigweg niet zijn te ‘verstoppen’ achter een groene omzoming op de bouwlocatie zelf, maar het wel wenselijk is om het visuele effect vanuit de bewoners en gebruikers van de omgeving zo veel mogelijk te beperken. Overigens zijn landschappelijke effecten ook bij andere vormen van grootschalige energieopwekking niet te voorkomen, waarbij sommige zienswijzen zich ook uitspreken tegen het toelaten van grootschalige zonnevelden. Omdat grootschalige energieopwekking dus per definitie landschappelijke impact heeft, en dan zeker in het geval van windmolens, verlangen de gemeenten dus dat dit aspect nadrukkelijk wordt betrokken bij het ontwerp van een windmoleninitiatief. De ingediende zienswijzen richten zich overigens vooral in algemene zin op de landschappelijke impact van het bouwen van windmolens, en niet zozeer op de inhoudelijke criteria die aan het landschapsplan worden gesteld.

De zienswijzen geven op dit punt dan ook geen aanleiding tot aanvullingen. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument. Thema ecologie en weidevogels (zienswijzen OG03, OG04, OG06 en OG12) In het ontwerp-Beleidsdocument is al benoemd dat een deel van het zoekgebied K voorheen was aangemerkt als weidevogelgebied. De gemeente bestrijdt ook allerminst de aanwezigheid van weidevogels zoals de wulp en de grutto in met name dit deel van het zoekgebied. Het ontwerp-beleidsdocument geeft in paragraaf 4.1.7. (ecologische aspecten) dan ook expliciet aan dat binnen een gedeelte van zoekgebied K weidevogels aanwezig zijn en dat hieraan bij het uit te voeren ecologische onderzoek nadrukkelijk aandacht moet worden besteed. Het is overigens zeker niet zo dat de aanduiding van een deel van zoekgebied K als weidevogelgebied in 2021 “stilzwijgend” uit het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied Berkelland 2020” is verdwenen. Dit is namelijk gebeurd naar aanleiding van inspraakreacties over het voorontwerp-bestemmingsplan. Deze wezen op een tussentijdse aanpassing van de provinciale Omgevingsverordening waarmee de aanduiding van dit gebied als weidevogelgebied was geschrapt (besluit van Provinciale Staten van 19 december 2018 over Actualisatieplan Omgevingsverordening 6).

De beoordeling van de inspraakreacties over het voorontwerp-bestemmingsplan is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en heeft in 2021 via het inspraakverslag voor iedereen ter inzage gelegen als onderdeel van het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied Berkelland 2020”. Dat de aanpassing van de aanduiding voor weidevogelgebieden is doorgevoerd naar aanleiding van de provinciale besluitvorming is hierin ook toegelicht, evenals in de zienswijzennota bij het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied Berkelland 2020”. Deze documenten zijn nog altijd voor iedereen beschikbaar, terwijl de informatie over het niet langer actueel zijn van de aanduiding als ‘weidevogelgebied’ in de provinciale

18

Omgevingsverordening ook is gedeeld tijdens en naar aanleiding van de informatiebijeenkomsten ter voorbereiding op het ontwerp-beleidsdocument. In het vast te stellen beleidsdocument blijft hoe dan ook de randvoorwaarde staan dat eventuele initiatiefnemers bij hun plannen nadrukkelijk onderzoek moeten doen naar de aanwezigheid van weidevogels. Daarbij moet vanzelfsprekend niet alleen het effect van een project op weidevogels, maar ook op andere flora en fauna worden onderzocht. De uitkomsten van dat onderzoek moeten worden beoordeeld volgens de kaders die voorheen volgens de Wet natuurbescherming golden en tegenwoordig gelden volgens de Omgevingswet (provinciale bevoegdheid met monitoringsverplichtingen). Zo nodig kunnen daarbij mitigerende of compenserende maatregelen aan de orde zijn, terwijl het zelfs zo kan zijn dat nadelige effecten voor flora en fauna zodanig zijn dat uiteindelijk geen toestemming kan worden verleend voor een project. Dit alles is echter pas te beoordelen aan de hand van een concreet initiatief, reden waarom dit aspect nadrukkelijk wordt benoemd in het beleidsdocument. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument.

Thema laagvliegroute / oefengebied laagvliegen helikopte rs De militaire laagvliegroute (Linkroute 10A) was een laagvliegroute voor jacht- en transportvliegtuigen die liep vanuit Noord-Nederland naar de Duitse grens bij Winterswijk. Zij liep over het grondgebied van de gemeenten Berkelland en Oost Gelre en ook over zoekgebied K. In 2020 maakte de Staatssecretaris van Defensie bekend dat deze laagvliegroute zou worden opgeheven, een beslissing die tot voor kort echter nog niet was vertaald in een aanpassing van de landelijke regelgeving. Over de status van deze militaire laagvliegroute kunnen we inmiddels echter opmerken dat voorjaar 2024 de procedure is doorlopen om deze te schrappen uit de landelijke regelgeving. Zo besloot de Minister van Infrastructuur en Waterstaat op 11 april 2024 om het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) op dit onderdeel aan te passen (Staatsblad 2024, 116). Ook heeft de Minister de geometrische begrenzing van de laagvliegroute verwijderd uit de Omgevingsregeling (Staatscourant 14645). Deze wijzigingen in het Bkl en in de Omgevingsregeling zijn op 1 juli 2024 in werking getreden (Staatsblad 2024, 166) en deze militaire laagvliegroute staat inmiddels ook niet meer op de digitale weergave van het Bkl op de landelijke voorziening (Regels op de kaart - Omgevingsloket (overheid.nl).

Dit betekent dat de militaire laagvliegroute voor straaljagers definitief en ook in juridische zin is komen te vervallen. Daarnaast heeft het Ministerie van Defensie in het kader van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie inderdaad ook onderzoek gestart naar de mogelijkheid om delen van de Achterhoek te gebruiken als oefengebied voor het laagvliegen met helikopters. Defensie is voor dit soort laagvlieggebieden niet alleen op zoek naar open gebieden, maar ook naar gebieden met enige diversiteit zodat bij het laagvliegen routes moeten worden gezocht en juist het manoeuvreren kan worden geoefend. Het Ministerie van Defensie heeft voor dit onderzoek een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld waarin zij aangeeft welke onderzoeken zij wil gaan doen bij de milieueffectrapportage voor het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. De gemeenten Berkelland en Oost Gelre hebben over deze NRD een zienswijze ingediend waarin zij onder meer wezen op de aanwezigheid van een zoekgebied voor windenergie in het gedeelte van

19

de Achterhoek dat in de NRD is aangewezen als mogelijk laagvlieggebied voor helikopters. Daarop heeft het Ministerie van Defensie inmiddels aangegeven bij het aanwijzen van laagvlieggebieden rekening te houden met andere ruimtevragen. De volgende stap in dit landelijke proces is het ter inzage leggen van een ontwerp van het Nationaal Programma met een bijbehorend milieueffectrapport. De gemeenten zullen de voortgang van dit proces blijven volgen, maar hebben op dit moment niet de indruk dat het eventueel aanwijzen van laagvlieggebieden voor helikopters een belemmering gaat vormen voor het realiseren van windmolens in zoekgebieden. Conclusie Dit thema geeft aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument door de verwijzing in paragraaf 5.2 naar de militaire laagvliegroute te schrappen. Thema waardevermindering woningen (zienswijzen OG04, OG06 en OG15) Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen nadelige effecten hebben op de waarde van onroerende goederen in de omgeving. Daarom kent de wetgeving een stelsel van nadeelcompensatie, voor het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 ook wel bekend als ‘tegemoetkoming in schade’ en ‘planschade’.

Kort gezegd richt dit stelsel zich op de vergoeding van schade die ontstaat door de uitoefening van overheidstaken waarbij deze schade uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico en de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar wordt getroffen. De regeling over nadeelcompensatie in de Omgevingswet is de opvolger van de regeling over tegemoetkoming in schade/planschade in de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarbij kan deze nadeelcompensatie pas worden ingeroepen nadat bijvoorbeeld een omgevingsplan is vastgesteld of een omgevingsvergunning is verleend. Het vaststellen van een beleidsregel zoals het voorliggende beleidsdocument is echter geen wettelijke grondslag voor het toekennen van nadeelcompensatie op grond van de Omgevingswet. Een dergelijk besluit is in artikel 15.1 van de Omgevingswet namelijk niet genoemd als grondslag voor het toekennen van vergoeding van schade. Dit betekent dat de vaststelling van het beleidsdocument nog geen schadeveroorzakend besluit is zoals bedoeld in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Wel gelden eventuele latere besluiten over de wijziging van het omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning als schadeveroorzakend besluit. De vraag of en in hoeverre sprake zal zijn van waardevermindering van woningen en het toekennen van nadeelcompensatie komt ook pas dan aan de orde.

De omvang van eventuele waardevermindering kan ook pas dan worden bepaald aan de hand van het concrete initiatief waarop de besluitvorming zich richt. Net als voorheen kan de toe te kennen nadeelcompensatie uiteindelijk worden verhaald op de initiatiefnemer. De gemeente is ook gewend om dat te doen zodat een exploitant op dat punt inderdaad op voorhand rekening heeft te houden met een kostenpost. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument.

20

Thema business case / exploitatie Hiervoor is al aangegeven dat de kosten voor het aansluiten van een windinitiatief op het distributienetwerk voor rekening komen van de initiatiefnemer en ongetwijfeld een weerslag zullen hebben op de case business en de exploitatie. Daarmee is op voorhand echter nog niet te zeggen dat deze kosten de realisatie van een windinitiatief in zoekgebied K onmogelijk maken. Bovendien is het maar de vraag of in andere delen van de gemeenten betere mogelijkheden bestaan voor het realiseren van windmolens en het invullen van de RES-opgave. Daarbij zal overigens ook de uitkomst van het provinciale windbeleid (inclusief plan-MER) en de besluitvorming over de landelijke windturbinebepalingen van belang kunnen zijn. Conclusie Dit thema geeft geen aanleiding tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbeleidsdocument. Thema lokaal eigendom en financiële participatie (zienswijzen OG03, OG07, OG08, OG09, OG10 en OG13) Het ontwerp-beleidsdocument benoemt in paragraaf 4.2 randvoorwaarden voor procesparticipatie en financiële participatie. Deze randvoorwaarden zijn in algemene bewoordingen gesteld en bieden de mogelijkheid om eventueel binnenkomende initiatieven te beoordelen. Zij schrijven echter niet in detail voor hoe vorm en inhoud moet worden gegeven aan procesparticipatie en financiële participatie.

Dit is ook niet goed mogelijk omdat de contouren van eventuele projecten op voorhand niet zijn te voorspellen. Daarom hebben de gemeenten vooral beschreven welke elementen zij belangrijk vinden als het gaat om procesparticipatie en financiële participatie. Het begrip ‘lokaal eigendom’ is als vorm van financiële participatie omschreven in de begripsbepalingen in bijlage 1 van het ontwerp-beleidsdocument. Het betekent “…dat inwoners en (lokale) ondernemers samen, deels of volledig eigenaar zijn van een windpark”. Deze beschrijving beperkt de omschreven eigendomssituatie niet tot een bepaalde periode maar geeft via het woord “zijn” weer als een voortdurende situatie van eigenaarschap. Dit komt echter nog duidelijker naar voren wanneer zij wordt aangevuld tot “…eigenaar zijn en blijven van een windpark”, reden waarom deze begripsomschrijving wordt aangevuld (aanvulling is onderstreept). Uit de zienswijzen over het thema ‘lokaal eigendom’ komt daarnaast naar voren dat het wenselijk is om het begrip “omwonenden” helder te definiëren. De begrippenlijst wordt daarom aangevuld met een beschrijving van dit begrip. Deze geeft aan dat het naast ‘mensen die in de buurt wonen’ ook gaat om in de omgeving aanwezige bedrijven en om eigenaren van in de omgeving aanwezige percelen.

Als omschrijving van het begrip “omwonenden” wordt daarom aangehouden: “mensen die in de buurt wonen, bedrijven die in de buurt gevestigd zijn en/of eigenaren van in de buurt gelegen percelen”. Omdat het thema ‘lokaal eigendom’ verder gaat over de invulling van de gemeentelijke RESopgave, wordt in het verlengde van de omschrijving van het begrip “omwonenden” ook de omschrijving van het begrip “lokaal eigendom” aangevuld tot: “Een vorm van financiële participatie die betekent dat inwoners en (lokale) ondernemers/grondeigenaren uit de gemeenten Oost Gelre en/of Berkelland samen, deels of volledig eigenaar zijn en blijven van een windpark” (aanvullingen zijn onderstreept). Op deze manier is duidelijker wat in het

21

beleidsdocument wordt verstaan onder “omwonenden” terwijl ook beter in beeld is dat de kring van betrokkenen bij “lokaal eigendom” ruimer kan zijn dan alleen de omwonenden. Daarbij zeggen de gemeenten niet in detail hoe lokaal eigendom moet worden georganiseerd omdat daarvoor meerdere vormen denkbaar zijn. Wel stellen wij een ondergrens en geven wij bij selectie van meerdere initiatieven de voorkeur aan het hoogste percentage lokaal eigendom. Daarbij komt het wel sterker over om al in de inleidende paragraaf 1.2 aan te geven dat (financiële) participatie van omwonenden voor de gemeenten een voorwaarde is (n.a.v. zienswijze 19). Verder is het denkbaar dat een gemeente participeert in een windmoleninitiatief, maar is dat geen doel op zich. Dit zou een heel directe, en misschien wel de beste, manier zijn om grip te houden op lokaal eigendom en invulling te geven aan de eis van ten minste 51% aan lokaal eigendom. Daarbuiten is het op basis van de bestaande rechtsverhoudingen een gegeven dat het voor overheden altijd ingewikkeld is om vanuit hun publiekrechtelijke rol eisen te stellen aan privaatrechtelijke eigendomsverhoudingen of aan gedragingen die op zichzelf geen effect hebben op de fysieke leefomgeving. Op landelijk niveau zullen hieraan wellicht kaders worden gesteld via de Energiewet.

Bij de parlementaire behandeling van deze Energiewet is overigens een amendement aangenomen dat zich richt op lokaal eigendom. Dit amendement-Rooderkerk biedt provincies en gemeenten de mogelijkheid om een verordening vast te stellen met regels over de motiveringsplicht voor lokaal eigendom bij de opwek van hernieuwbare energie. De gemeenten zijn van plan om dit instrument toe te passen nadat de Energiewet in werking zal zijn getreden en voordat de nieuwe landelijke windturbinebepalingen worden vastgesteld. Daarvoor zal dan wel een apart besluitvormingsproces nodig zijn omdat deze verordening niet alleen betrekking kan hebben op windenergie, maar ook op andere vormen van energieopwek. Ook kan deze verordening van toepassing zijn op het gehele gemeentelijke grondgebied en niet alleen op de zoekgebieden K en I (i) waarop dit beleidsdocument voor grote windmolens zich richt. Daarbij kan de tekst uit paragraaf 4.2 van het beleidsdocument wel gelden als vertrekpunt voor het vaststellen van de gemeentelijke verordening op basis van de Energiewet. Conclusie Het tekstvoorstel over (financiële) participatie als voorwaarde voor initiatieven nemen we over (paragraaf 4.2). Het begrip “omwonenden” omschrijven we, waarbij het gebruik van het begrip in de tekst wordt afgestemd op deze omschrijving, en het begrip “lokaal eigendom” wordt verduidelijkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15336458/1