vvgb zonnepark zieuwent ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
27
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent Informeer omwonenden en belanghebbenden realistisch met visualisatiemodellen; De besparingsopgave vraagt een grote inzet. Investeringen in energiebesparing en de duurzame opwekking van energie worden op termijn terugverdiend. In de meeste gevallen levert het voor de investeerders ook geld op. Daarnaast blijven er meer geldstromen binnen de Achterhoek en heeft het een positieve impuls op de werkgelegenheid. Naast energie-onafhankelijkheid en een bijdrage aan het tegengaan van de klimaatverandering levert het de Achterhoekse maatschappij dus veel op. 4.4.3
Energietransitienota Duurzame Energie Achterhoek
Bovengenoemde Structuurvisie en Uitvoeringsagenda hebben geleid tot de 'Energietransitienota Duurzame Energie Achterhoek'. Deze Energietransitienota vormt het vertrekpunt om invulling te geven aan 'Achterhoek Energieneutraal in 2030'. Nu de ambitie bekend is moet iedere Achterhoekse gemeente bepalen welke bijdrage zij willen leveren aan de regionale duurzame opgave. De gemeentelijke bijdrage bestaat uit het maken van een keuze van de energiemix (zon, wind en/of biomassa) en het beschikbaar stellen van tijd, geld en ruimte voor de gekozen energiemix. Zonne-energie De Achterhoek wil in 2030 100% duurzame energie opwekken. Hiervoor is in totaal een oppervlakte van ongeveer 415 ha aan zonnepanelen benodigd. Voor de gemeente Oost Gelre is in de Energietransitienota aangegeven dat voor zonne-energie 50 ha benodigd is. Onderhavig plan omvat een plan voor zonnepanelen op een oppervlakte van circa 3 ha. Hiermee wordt ongeveer 6% van de benodigde grond voor grootschallige zonneparken opgevuld. RES 1.0 De Achterhoek werkt al langer aan verduurzaming van de energievoorziening in de regio. Met het tot stand komen van de RES 1.0 is een volgende stap gezet in de regionale samenwerking en het ontwikkelen van een regionale visie.
Tijdens de gemeenteraadsvergadering van 21 september 2021 heeft de raad van Oost Gelre ingestemd met het ontwerp van de Regionale Energiestrategie 1.0 van de Achterhoek. Hierin staat dat de regio in 2030 1,35 TWh aan duurzame energie wil opwekken met zon en wind. Met de RES 1.0 bouwt de Achterhoek voort op het eigen regionale beleid dat in 2016 geactualiseerd is in de Regionale Uitvoeringsagenda Achterhoek (RUA). Hier ligt de basis voor de regionale bijdrage van 1,35 TWh aan duurzame energie opgewekt met zon en wind. Ruim een derde hiervan is al gerealiseerd door de bestaande zonne- en windparken en door projecten die in de pijplijn zitten. Het resterende deel wordt zoveel mogelijk met grootschalige zon-op-dak projecten gerealiseerd en deels met windenergie. Tijdens de gemeenteraadsvergadering van 21 september 2021 heeft de raad van Oost Gelre ingestemd met het ontwerp van de Regionale Energiestrategie 1.0 van de Achterhoek. De aanvraag voor het zonnepark Zieuwent is getoetst aan het geldende beleid in Oost Gelre (Beleid installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre 19 december 2018) en de hierop aanvullende beleidsregel (Beleidsregel planologische medewerking zonneparken groter dan 2 ha in het buitengebied van Oost Gelre) (zie ook hoofdstuk 4.5).
In dit beleid is aangegeven dat door middel van een tender tot 15 ha aan zonneparken zal worden meegewerkt indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Dit zonnepark Zieuwent maakt onderdeel uit van de 1e tender. De ontwerp RES 1.0 is door de gemeenteraad vastgesteld. Deze is echter nog niet doorvertaald naar het geldend beleid in Oost Gelre. Bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het zonnepark Zieuwent is rekening gehouden met de doelstellingen uit de RES 1.0. Echter nu deze nog niet zijn doorvertaald naar het geldend vastgestelde beleid in Oost Gelre is bij deze aanvraag om omgevingsvergunning uitgegaan van het geldend beleid welke zonneparken toelaat via uitgezette tenders.
28
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
4.4.4
Conclusie
Met de realisatie van een zonnepark in Zieuwent wordt een deel van de gewenste duurzame energie opgewekt. Hiermee wordt voldaan aan het regionale beleid en energietransitie.
4.5
Gemeentelijk beleid
4.5.1
Beleid installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre
De gemeente Oost Gelre heeft als doelstelling om energieneutraal te zijn in 2030. Dit betekent dat net zoveel energie duurzaam wordt opgewekt als dat er wordt verbruikt. Om dit mogelijk te maken heeft de gemeente Oost Gelre voor grootschalige energieopwekking het Beleid installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre opgesteld. In de beleidsnota is uitgegaan van bewezen en betaalbare technieken om hernieuwbare energie op te wekken. Dit zijn zon, wind en biomassa. Qua installaties voor hernieuwbare energie gaat het over zon (zonnepanelen en zonnecollectoren) over wind (windturbines in verschillende vormen) en over installaties die biomassa omzetten in energie (met als bron bijvoorbeeld mest, maaisel, snoeiafval, gft, rioolslib, gebruikte voorraden olie en vet). Voor alle type installaties zijn uitgangspunten geformuleerd: 1. Draagvlak: draagvlak is belangrijk, er moet daarom door initiatiefnemers met betrokkenen gesproken worden. 2. Financiële participatie: bewoners en bedrijven moeten kunnen delen in de revenuen. 3. Landschappelijke inpassing: installaties voor hernieuwbare energie moeten zorgvuldig worden ingepast in het landschap. Bij de uitwerking hiervan wordt gewerkt vanuit de kenmerken van het betrokken landschapstype. 4. Economie: voor de realisering worden bij voorkeur regionale bedrijven ingezet.
Voor grootschalige zonneparken (groter dan 2 ha) geldt voor het buitengebied met besloten karakter dat deze zonneparken niet in het Gelders Natuur Netwerk gerealiseerd mogen worden, dat de gedragscode van de NWEA van toepassing is voor wat betreft de participatie en dat de zonneparken voor maximaal 25 jaar zijn toegestaan waarna ze worden opgeruimd. Voor grootschalige zonneparken wordt gewerkt met een tenderprocedure waarin een maximum aantal hectares wordt toegestaan. Concreet gelden de volgende minimumeisen: 1. Een landschappelijk inpassingsplan opgesteld door een erkend landschapsarchitect. Bij de inpassing wordt rekening gehouden met de beleefbaarheid en karakteristiek van het landschap. 2. Ecologie: geen negatief effect op beschermde ecologische waarden, niet in GNN en alleen in de Groene ontwikkelingszone, mits er sprake is van een bijdrage aan de natuur- en landschapsdoelstellingen. 3. Draagvlak: weergeven in een participatieverslag hoe rekening is gehouden met draagvlak. 4. Financiële participatie: streven dat lokale bedrijven en inwoners participeren voor minimaal 50%. 5. Opruimplicht: de inrichting is tijdelijk voor een periode van maximaal 25 jaar en er wordt een voorziening getroffen waarmee de opstelling kan worden verwijderd na deze 25 jaar.
Beleidsregel planologische medewerking zonneparken groter dan 2 ha in het buitengebied van Oost Gelre In de Beleidsregel planologische medewerking zonneparken groter dan 2 ha in het buitengebied van Oost Gelre is vastgelegd op welke wijze de hierboven genoemde tenderprocedure is vormgegeven. Per tenderprocedure wordt toestemming gegeven voor maximaal 15 hectare netto (exclusief landschappelijke inpassing) aan zonneparken.
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
29
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
Per tenderprocedure kunnen initiatiefnemers hun plannen indienen, bestaande uit een ingevuld aanvraagformulier, kadastrale tekening en inrichtingsschets, conceptplan voor de landschappelijke inpassing, plan van aanpak voor participatieproces met de omgeving, instemmingsverklaring grondeigenaren van de locatie en een voorstel voor de mogelijkheden om financieel te participeren in het project. De aanvragen worden beoordeeld op: 1. Compleetheid. 2. Voldoen aan de ruimtelijke minimumeisen (meervoudig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing, participatieaanpak, financiële participatiemogelijkheden, invulling opruimplicht en ligging buiten GNN en essen). 3. Waarderingssysteem.
Afweging Het project betreft de realisatie van een zonnepark van circa 3 ha. Aan alle minimumeisen vanuit het Beleid installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre wordt voldaan. Voor het zonnepark is door de initiatiefnemers ingeschreven op de tenderprocedure conform de Beleidsregel planologische medewerking zonneparken groter dan 2 ha in het buitengebied. De plannen voor het zonnepark zijn door de gemeente Oost Gelre beoordeeld als passend binnen het Beleid installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre. De gemeente Oost Gelre heeft aan de medewerking de voorwaarde verbonden dat het zonnepark onderdeel wordt van de gebiedsontwikkeling die plaatsvindt in het kader van de woonvisie kleine kernen. In dat kader heeft de afgelopen 1,5 jaar een proces plaatsgevonden waarin de gemeente Oost Gelre, samen met de initiatiefnemers van het zonnepark, omwonenden en andere inwoners en belanghebbenden in Zieuwent onder leiding van Buro Ontwerp en Omgeving een ontwikkelkader hebben vastgesteld voor het gebied ten westen van Zieuwent. Daaruit is gekomen dat het zonnepark is verplaatst en op wat grotere afstand van het dorp Zieuwent zal worden gerealiseerd. Hiermee is voor het zonnepark breed draagvlak binnen Zieuwent gecreëerd. 4.5.2
Landschapsontwikkelingsplan 'Groen Licht voor het Landschap'
Het plangebied ligt in het landschapsensemle 'Het kampenlandschap van Zieuwent en Mariënvelde'. De historische karakteristiek bestaat hier vooral uit het kleinschalige cultuurlandschap dat hier ooit was en uit het watersysteem, dat gekenmerkt werd door periodiek stagnerend water in de lagere delen van het landschap, eveneens kleinschalig tussen de zandruggen in. Dit gebied is bij de Ruilverkaveling Harreveld-Zieuwent vrij fors op de schop gegaan ten behoeve van de landbouw, waardoor de kleinschaligheid is verdwenen en het onderscheid met de ontginningslandschappen nauwelijks meer zichtbaar is. Bij nieuwe ontwikkelingen kan de kleinschaligheid worden teruggebracht door het aanbrengen van beplanting. Daarnaast worden mogelijkheden voor nieuwe kerkepaden, steilrandbeplantingen, overloopweides en overloopbroeken als te stimuleren landschapselementen gezien. De voorgenomen ontwikkeling voorzien in het behalen van doelstellingen uit het LOP. Het versterkt het kampenlandschap door het terugbrengen van beplanting langs de perceelsgrenzen. Deze doelstellingen zijn opgenomen in een door Groendus opgestelde landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied. In hoofstuk 3, paragraaf 3.3 is de landschappelijke inpassing nader omschreven. 4.5.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid. Het draagt bij aan de doelstelling om het aandeel hernieuwbare energie te verhogen en het zonnepark wordt landschappelijk zorgvuldig ingepast, aansluitend op de geldende landschapskenmerken.
30
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
4.6
Algehele conclusie beleid
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 3 hectare. De ontwikkelingen passen binnen zowel de (inter)nationale, provinciale, regionale als gemeentelijke beleidskaders.
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
31
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
Hoofdstuk 5
Uitvoeringsaspecten
Voor een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan (projectafwijking) moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de uitvoerbaarheid aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
5.1
Inleiding
Nieuwe initiatieven hebben te maken met natuurwaarden en milieuaspecten. Een aantal van deze natuurwaarden en milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en voor het planproject relevante aspecten nader beschreven.
5.2
Milieu
5.2.1
Bodem
Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (2008) dient bij elke ruimtelijke ontwikkeling aangetoond te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota 'Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart' in werking getreden. De Nota 'Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart' zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota 'Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart' is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van de Nota 'Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart' is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk.
De Nota 'Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart' vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. Situatie Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 3 hectare. De betreffende gronden zijn al sinds zeer geruime tijd in gebruik als agrarische grond. Agrarische gronden hebben een lage verdenking ten aanzien van bodemverontreinigingen. Een zonnepark is geen bodemgevoelige functie, waarmee op voorhand kan worden gesteld dat de kwaliteit van de bodem in lijn is met het toekomstig functiegebruik. Het zonnepark wordt gevormd door bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waar geen personen verblijven. Daarnaast is er in het plangebied een bouwwerk, geen gebouw zijnde aanwezig, het compactstation. Ook hier verblijven geen personen. Daarnaast zijn bij de aanleg geen grootschalige bodemingrepen aan de orde. Onderzoek naar de kwaliteit van de bodem is dan ook niet noodzakelijk. De zonnepanelen worden bevestigd op palen, welke de grond worden ingedreven. Hiermee wordt verstoring van de bodem zoveel mogelijk tegen gegaan.
32
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 5.2.2
Geluid
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Indien geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen, spoorwegen en inrichtingen.
Situatie Wegverkeerslawaai De ontwikkeling voorziet niet in de toevoeging van een geluidsgevoelige functie. Om die reden kan aanvullend onderzoek achterwege blijven. Spoorweglawaai Met de beoogde ontwikkeling wordt niet voorzien in een geluidgevoelige functie. Ook valt het projectgebied niet binnen de geluidszone van een spoorweg. Om die reden kan onderzoek achterwege blijven. Industrielawaai Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Om die reden kan onderzoek achterwege blijven.
Het zonnepark zelf vormt een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Het zonnepark is een type A-inrichting. De inrichting valt daarmee onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. De omvormers en het compactstation met transformator kunnen geluid produceren; het maximaal geluidsniveau ligt onder de norm van het Activiteitenbesluit. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' vallen de omvormers en het compactstation met transformator onder de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA'. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 meter. Het compactstation wordt daarom op minimaal 30 meter gerealiseerd van de zuidelijke perceelsgrens, aangezien hier in de toekomst mogelijk woningbouw gaat plaatsvinden.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
33
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
5.2.3
Externe veiligheid
Wettelijk kader Bepaalde maatschappelijke en bedrijfsmatige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van de risico's bij de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid of het nieuw vestigen van dergelijke activiteiten kunnen beperkingen opleggen aan de omgeving, doordat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen nodig zijn. Aan de andere kant is het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten (artikel 1 van het Bevi). Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, bejaardentehuizen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval.
Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen.
Situatie Gezien het feit dat voorliggende ruimtelijke onderbouwing geen nieuwe kwetsbare objecten toestaat, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
5.2.4
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder meer grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijnstof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de
34
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit.
Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder meer het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.
Situatie Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 3 hectare. Een dergelijke functie heeft, met uitzondering van verkeer in verband met onderhoudswerkzaamheden, geen verkeersaantrekkende werking. Het aantal verkeersbewegingen in verband met de installatie en reparatie van de zonnepanelen neemt niet toe ten opzichte van de bestaande verkeersbewegingen behorende bij het agrarisch landgebruik van de locatie. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten aantal verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied aanvaardbaar. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
35
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
5.2.5
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Planspecifiek Een zonnepark is geen geurgevoelig object volgens de Wgv. Het zonnepark zorgt ook niet voor geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving.
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
5.2.6
Bedrijven- en milieuzonering
Wettelijk kader Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het projectgebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies, zoals wonen, is de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor het omgevingstype 'gemengd gebied' als 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' aanbevolen. Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen of terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de nieuwe gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)' geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt, dient een nadere motivatie met de reden hiervan te worden voorgelegd. Situatie Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 3 hectare. Zonnepanelen zijn niet als bedrijfsactiviteit opgenomen in de VNG-publicatie. Het zonnepark heeft naar verwachting geen invloed op de woningen (gevoelige 36
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent bestemmingen) in de omgeving. Wel wordt voorzien in een compactstation met transformatoren voor het zonnepark. Voor transformatoren geldt een richtafstand van 30 meter op basis van bedrijven en milieuzonering. Het compactstation wordt daarom op minimaal 30 meter gerealiseerd van de zuidelijke perceelsgrens, aangezien hier in de toekomst mogelijk woningbouw gaat plaatsvinden. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
5.2.7
Milieueffectrapportage
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) onderzoekt de milieugevolgen van een plan of project en de (milieuvriendelijkere) alternatieven. Een m.e.r. is verplicht bij grote ruimtelijke ingrepen zoals de bouw van industriële complexen en aanleg van auto(snel)wegen maar een m.e.r. is bijvoorbeeld ook verplicht voor de aanleg van een golfbaan en bij bepaalde uitbreidingen van agrarische bedrijven. Het milieueffectrapport (MER) is onderdeel van de m.e.r.-procedure. Of een project m.e.r.-plichtig is moet ten eerste worden getoetst aan het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlage C en D. In die twee bijlagen zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een m.e.r. beoordelingsplicht geldt. Ten tweede kan de provinciale milieuverordening aanvullend op het Besluit m.e.r. nog meer activiteiten aanwijzen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Ten derde kan uit een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 ook een m.e.r.-plicht volgen. Ook als de drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (duidelijk) niet gehaald worden dient aandacht uit te gaan naar de milieugevolgen van een plan of project. Die aandacht naar de milieugevolgen heet dan 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Een m.e.r. kan ook nodig zijn als de betreffende activiteit niet wordt genoemd in het Besluit m.e.r.
en ook niet op andere wijze (bijvoorbeeld op grond van de provinciale milieuverordening) m.e.r.-plichtig is. Dit heet de onverplichte m.e.r.
Planspecifiek Het onderhavige plan behelst het mogelijk maken van een zonnepark met een netto oppervlak van ongeveer 2 hectare (bruto oppervlak van ongeveer 3 ha inclusief landschappelijke inpassing). Een zonnepark is in te delen als oprichting van een installatie bestemd voor de productie van elektriciteit. Deze activiteit staat in het Besluit m.e.r. in de D-lijst onder nummer D22.1. De drempelwaarde bedraagt een activiteit met een vermogen van 200 megawatt of meer. Gelet op het totale vermogen van dit zonnepark, circa 2,6 MWp, wordt de drempelwaarde niet overschreden. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing bevat die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 2 en 3 van deze ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 5 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in deze ruimtelijke onderbouwing geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen.
Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.
Conclusie Het project is uitvoerbaar nu deze niet mer-plichtig is.
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
37
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
5.3
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin dient te worden ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het projectgebied ligt in het beheergebied van Waterschap Rijn en IJssel.
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Situatie Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 3 hectare. Ten behoeve hiervan worden zonnepanelen op een stalen frame geplaatst in een schuine positie. Het verharde oppervlak neemt door de realisatie van het zonnepark toe. Het gaat hierbij primair om de palen waarop de panelen rusten. Er worden geen gesloten oppervlakten gecreëerd. Het hemelwater kan tussen de panelen door in de bodem infiltreren. Wel zal er een compactstation gebouwd worden.
38
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
In 2015 is door Waterschap Rijn en IJssel de beleidsnotitie Water Raakt! Bestuurlijk vastgesteld. Hierin zijn de volgende concrete onderwerpen opgenomen 1. Beheer en onderhoud (en inrichting) Het beheer en onderhoud van het watersysteem is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden of te verbeteren. Het gaat bij watergangen zowel om waterkwantiteit en -kwaliteit, als om beeldkwaliteit en waterbeleving. Het reguliere onderhoud bestaat voornamelijk uit het maaien van de water- en oevervegetatie. Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap (of zijn aannemers) mogelijk te zijn. In het voorliggende plan worden geen watergangen gedempt en er wordt minimaal 5 meter ruimte gehouden tot de watergang aan de westzijde van het plangebied.
2. Waterveiligheid en waterkeringen Met de aanleg en instandhouding van waterkeringen beschermen we inwoners tegen overstromingen door rivieren. Primaire en regionale waterkeringen hebben een functie voor de waterveiligheid, overige keringen en kades voor het beperken van wateroverlast. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van waterkeringen, in een winterbed of in een overstromingsgevoelig gebied.
3. Klimaatadaptatie Het watersysteem zo inrichten, dat het beter bestand is tegen de effecten van de verwachte klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere droge perioden. Bevorderen om bewuste keuzes te maken om risico s te beperken of accepteren. De klimaatverandering heeft betrekking op onze taken voor waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een ruimtelijk plan is in principe waterneutraal, dus veroorzaakt geen wijziging van waterpeilen of aan-/afvoer van water. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Door versnelde afvoer van hemelwater wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar op benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Om versnelde afvoer tegen te gaan hanteren we bij ruimtelijke plannen de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Dit betekent dat hemelwater zoveel mogelijk wordt vastgehouden op de plek waar het valt. Hiervandaan kan het infiltreren in de bodem of vertraagd worden afgevoerd naar het watersysteem. Het voorliggende plan is waterneutraal, doordat een montagewijze wordt toegepast waarbij tussen de zonnepanelen met behulp van speciale klemmen of afstandhouders een ruimte van ca. 2 centimeter wordt gecreëerd. Water wordt hierdoor na elk zonnepaneel afgevoerd naar de grond, waar het kan infiltreren.
4. Waterkwaliteit (schoon water) De kwaliteit van het oppervlaktewater op orde brengen en houden. Hiervoor zijn afspraken vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water (KRW). De waterschappen hebben voor alle wateren in hun beheersgebied aangegeven wat de ecologische doelstellingen zijn. Voor de chemische kwaliteit zijn normen vastgelegd door de EU. Nieuwe ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de waterkwaliteit tot gevolg hebben en de doelstellingen vanuit de KRW niet belemmeren. De watergang ten westen van het plangebied heeft geen doelstellingen in het kader van de KRW of op gebied van natuur.
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
39
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
5. Afvalwaterketen Wij streven naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen. Hemelwater wordt niet afgevoerd naar de afvalwaterzuivering, zodat de efficiëntie van de waterzuivering wordt vergroot en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater wordt teruggedrongen. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt hemelwater in het plangebied geïnfiltreerd of geborgen en vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bestaande verharding wordt waar mogelijk afgekoppeld van de riolering. Zoals reeds aangegeven onder punt 3 wordt regenwater niet afgevoerd maar geïnfiltreerd op het terrein. Er is geen sprake van afvalwater vanuit het zonnepark.
6. Grondwaterbeheer We streven naar doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Nieuwe functies sluiten aan bij het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime. Hiermee willen we structurele overlast door te hoog grondwater voorkómen en verdroging door te laag grondwater tegengaan. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn ten minste grondwaterneutraal. Dit betekent dat ze niet mogen leiden tot wijziging van de grondwaterstand. We adviseren niet te bouwen in gebieden met een hoge grondwaterstand of kwel, of de bouwwijze hierop aan te passen. In zettingsgevoelige gebieden wordt rekening gehouden met de bodemgesteldheid en de relatief hoge grondwaterstanden. Ook als slecht doorlatende lagen in het plangebied voorkomen, worden maatregelen genomen om grondwateroverlast te voorkomen. Aangepaste bouwwijzen zijn o.a. extra ophogen of kruipruimteloos en waterdicht bouwen. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden in nieuwe ruimtelijke plannen voldoende maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen. Als ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling bestaande watergangen moeten worden gedempt worden maatregelen genomen om wateroverlast als gevolg van de demping tegen te gaan. Nieuwe functies mogen geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater.
We adviseren in nieuwe bebouwing en verharding geen uitlogende en milieubelastende materialen te gebruiken. Zoals reeds aangegeven onder punt 3 wordt regenwater niet afgevoerd maar geïnfiltreerd op het terrein. Er worden geen uitlogende of milieubelastende materialen gebruikt, alleen de onderconstructie bestaat naar verwachting uit verzinkt staal. Dit levert geen problemen op.
7. Recreatie en beleving Zichtbaar en beleefbaar water draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. We streven naar een aantrekkelijk, herkenbaar en leefbaar watersysteem. Recreanten gebruiken het oppervlaktewater en de waterkeringen om te wandelen, te varen, te zwemmen, te vissen en te schaatsen. We stimuleren dit gebruik waar mogelijk en stemmen het waar nodig af op de belangen van anderen. We beschermen cultuurhistorische objecten die een link hebben met water(beheersing) door behoud en ontwikkeling. Recreatief medegebruik is in de huidige situatie niet mogelijk. In de nieuwe situatie blijft dit gelijk. Er zijn geen cultuurhistorische objecten met een link met water aanwezig.
Op 9 juni 2021 is de digitale watertoets doorlopen. Hieruit blijkt dat de normale procedure doorlopen moet worden, vanwege de watergang aan de westzijde van het plangebied. Aanvullend heeft daarom op 28 juni 2021 een gesprek plaatsgevonden met Waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap heeft aangegeven de watergang aan de westzijde te willen afvoeren van de legger waardoor beheer door het
40
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent Waterschap niet meer noodzakelijk is. Dit is echter niet gebeurt. Het Waterschap heeft dus nog een belang in de directe nabijheid van het plangebied waardoor wateradvies van het Waterschap noodzakelijk blijft.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
5.4
Ecologie (Flora en Fauna)
Wettelijk kader Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.
Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Situatie Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor de locatie. De resultaten van dit onderzoek zijn als bijlage bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Natura 2000-gebied. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en het plangebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Als gevolg van de aanleg van het zonnepark wordt geen vogel of amfibie gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een vogel of amfibie negatief beïnvloed. Wel worden tijdens de aanleg van het zonnepark mogelijk veldmuizen gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
41
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent van een veldmuis beschadigd en vernield. Voor de veldmuis geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'vangen' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Veldmuizen mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Als gevolg van het inrichten van het plangebied als zonnepark neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde dieren af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Stikstof Als gevolg van het opschorten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura 2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Het plangebied ligt op minimaal 8,58 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Korenburgerveen. Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Korenburgerveen bestaat voor een groot deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een verhoogde stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, maar ook niet uitgesloten. Echter kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. De uitvoering van een AERIUS-berekening om de negatieve effecten van de aanlegfase van het zonnepark in beeld te brengen is door gebruik te maken van de vrijstelling niet noodzakelijk.
Nadat het aangelegde zonnepark in gebruik is genomen is er in het plangebied enkel een transformatorstations dat aan staat, waarbij geen stikstof vrij komt. Een AERIUS-berekening om de negatieve effecten van de gebruiksfase in beeld te brengen is niet noodzakelijk.
Conclusie Het aspect flora & fauna vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
5.5
Cultuurhistorie en archeologie
Wettelijk kader Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet in een toelichting van een bestemmingsplan bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen zijn vormen van in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer.
Situatie Archeologie Het terrein heeft, ingevolge het geldende bestemmingsplan, de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachtingswaarde 2', wat betekent dat deze gronden mede bestemd zijn voor het 42
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Ten aanzien van het oprichten van bebouwing geldt dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 2.500 m² de aanvrager een rapport dient te overleggen op basis van nader onderzoek, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Met de realisatie van het zonnepark zal de ondergrens van 2.500 m² niet worden overschreden. Om die reden kan archeologisch onderzoek achterwege blijven.
Nieuw archeologiebeleid Op 14 april 2020 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw archeologisch beleid vastgesteld met titel 'Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre, een actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtings- en beleidskaart'. Dit nieuwe beleid is momenteel als ontwerp bestemmingsplan beschikbaar en ter inzage gelegd. Er dient dus te worden getoetst aan dit nieuwe archeologisch beleid. Ingevolge het ontwerpbestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is een groot deel van het plangebied gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3'. Het gaat hierbij met name om dat deel van het plangebied waar de zonnepanelen worden gerealiseerd. Een klein deel van het plangebied, de rand aan de westzijde langs de zonnepanelen, komt te liggen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4'.
Toets Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de genoemde werken of werkzaamheden aan of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waarbij de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 1.000 m2. Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de genoemde werken of werkzaamheden aan of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waarbij de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 5000 m2.
De zonnepanelen worden geplaatst op stellages waarvoor steunpalen de grond in worden gedreven. Hiervoor wordt de minimale oppervlakte van 1.000 m2 niet overschreden. Daarnaast wordt er een compactstation op het maaiveld geplaatst. Indien nodig wordt hiervoor een kleine fundering gegraven die minimaal zal zijn. In z'n totaliteit wordt de minimale oppervlaktemaat van 1.000 m2 voor het zonnepark niet overschreden. Een aanvullend archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Het plangebied ligt ten westen van Zieuwent, in een landschap van kampontginningen. Karakteristiek voor dit kampenlandschap zijn de akkers (kampen) omzoomd met houtwallen, bospercelen bomenrijen en lanen. Het kampenlandschap is sinds meer dan 1000 jaar geleden ontstaan uit kleine individuele ontginningen op de overgang van de droge zandgronden naar de meer nattere gebieden. Door
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
43
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent modernisering van de landbouw zijn ook in het plangebied in de loop van de jaren veel houtwallen, bomenrijen, lanen en bospercelen verdwenen. Door de toevoeging van nieuwe beplantingsstructuren (struweelhagen, bosje, zomp) middels de landschappelijke inpassing worden de karakteristieken van het kampenlandschap versterkt.
Conclusie Het project is uitvoerbaar vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie.
5.6
Electromagnetische straling
Bij transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen.Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (iT). De GGD-en adviseren om ook bij andere bronnen van ELF-EM velden, zoals transformatorhuisjes, dit voorzorgsprincipe te hanteren. Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonnepark door de afstand van een zonnepark tot woningen en gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 iT komt. Gezien de relatief grote afstand van de transformatorhuisjes tot de dichtstbijzijnde woningen (minimaal 30 m) zal de advieswaarde van 0,4 iT niet worden overschreden. Antennemasten defensie Op een afstand van ongeveer 13 kilometer van het zonnepark bevindt zich een ontvangststation van het ministerie van Defensie. Dit is een gevoelige antenne waarop het zonnepark mogelijk invloed heeft in verband met mogelijke uitzending van storende signalen door onderdelen van het zonnepark binnen het frequentiegebied waarin het ontvangststation functioneert. In samenspraak met het ministerie van Defensie heeft Agentschap Telecom onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke invloed van zonneparken op het ontvangststation.
Hieruit blijkt dat zonneparken, die op enkele kilometers van het ontvangststation zijn gelegen, een negatieve invloed kunnen hebben op het ontvangststation. Niet geheel duidelijk is op welke afstand een zonnepark nog negatieve invloed zal hebben op het ontvangststation van defensie. Nui hier nog geen 100% duidelijkheid over is adviseert het Rijksvastgoedbedrijf Defensie om de aangeleverde clausule van Agentschap telecom op te nemen bij de omgevingsvergunning. De clausule is dan ook opgenomen in de ontwerp omgevingsvergunning. Het gevraagde zonnepark kan, op basis van de regels uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro), worden gerealiseerd.
Conclusie Het aspect electromagnetische straling zal geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling zijn. Uit voorzorg wordt de clausule van het Agentschap telecom in de ontwerp omgevingsvergunning opgenomen.
5.7
Verkeer en parkeren
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een nieuw zonnepark met een omvang van circa 3 hectare. Een dergelijke functie heeft, met uitzondering van
44
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent verkeer in verband met onderhoudswerkzaamheden, geen verkeersaantrekkende werking. Ook wordt niet voorzien in een aanvullende parkeerbehoefte. De verkeers- en parkeergeneratie van de nieuwe functie is dan ook nihil.
Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
5.8
Reflectie
Algemeen Voor hinder ten gevolge van reflectie bestaat géén specifiek beleid of regelgeving. Voor hinder voor omwonenden geldt echter dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening alle relevante aspecten moeten worden meegenomen. Reflectie door zonnepanelen kan hinderlijk zijn wanneer zonnepanelen de zonnestralen zó reflecteren dat deze in het oog worden opgevangen. Drie factoren spelen hierbij een rol: De stand van de zon aan de hemel. De opstellingshoek van de zonnepanelen. De locatie van de observeerder ten opzichte van de panelen. Of reflectie als hinderlijk wordt ervaren is afhankelijk van meerdere factoren: De felheid van de reflectie. De hoeveelheid achtergrondlicht. De positie van de reflectie in het gezichtsveld van de observeerder. De duur van de verlichting. Situatie Voor eventuele reflectie van het zonnepark worden verschillende preventieve maatregelen genomen. Zonnepark Zieuwent wordt gerealiseerd met een zuidopstelling, waardoor reflectie de woningen en bedrijven aan de noordkant van het zonnepark niet kan bereiken. Door de zuidopstelling zal ook reflectie richting het oosten minimaal zijn en waar deze kan optreden komt ook direct zonlicht uit dezelfde richting.
Doordat direct zonlicht aanzienlijk feller is dan de reflectie van het zonnepark, zal eventuele hinder van de reflectie grotendeels overstemd worden door, of opgaan in, de hinder van het direct zonlicht. Voor woningen aan de zuidkant van het zonnepark geldt dat het zonlicht vooral verticaal zal worden gereflecteerd doordat de panelen onder een hoek van 15 graden staan, waardoor de reflectie niet richting de woningen gaat. Voor alle woningen en bedrijven geldt dat het zonnepark wordt voorzien van landschappelijke inpassing met struweelhagen, bosjes en reeds aanwezige bomen(rijen) en bosschages. Deze landschappelijke elementen zijn met minimaal 3 meter hoogte hoger dan de zonnepanelen (max. 2 meter), waardoor eventuele reflectie zal worden tegengehouden of gebroken door het groen. Bovendien staan de zonnepanelen op minimaal ca. 100 meter van bestaande woningen en op minimaal ca. 40 meter van nieuw te bouwen woningen. Om eventuele reflectie van het zonnepark verder te minimaliseren, wordt gebruik gemaakt van zonnepanelen met “High transmission tempered glass” en anti-reflectie coating. Dit type panelen heeft een maximale absorptie van zonlicht (voor maximale productie) en dus een lage reflectie.
Conclusie Het aspect reflectie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)
45
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Zieuwent
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.
6.1