vvgb oude borculoseweg 5 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Te beschermen of op te poetsen parels: de restanten van "Groenlo Vestingstad"; centrum en vestingwerken; nieuwe en bestaande brinken; plekken om te verpozen eventueel met bankjes; verschraalde bermen bij erf; typerende erfbeplantingen; karakteristieke bestaande beplantingen bijv. op steilranden. Te stimuleren landschapselementen: scholtelanen en slingeslingers in noord en oost; esrandbeplantingen. Deze uitgangspunten zijn de basis geweest voor het opgestelde landschappelijk inpassingsplan door buro Collou voor het plangebied. De geschiedenis van het landschap heeft hierbij als basis gediend voor de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. Het landschappelijk inpassingsplan van 1 augustus 2022 is als bijlage 8 bijgevoegd.
30
Toelichting (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
Hoofdstuk 4 4.1
Uitvoeringsaspecten
Milieu-effectrapportage en Ruimtelijke planvorming
Het bestemmingsplan, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: a. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. b. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). c.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). De voorgenomen activiteit betreft de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval (onderdeel D18.1 van de bijlage milieueffectrapportage). De voorgenomen activiteit heeft betrekking op het plaatsen van een hygiënisatie-unit, warmtewisselaar en een luchtwasser als nageschakelde techniek op het bestaande proces. Ondermeer op basis van de MER beoordelingsnotitie 2018 (Bijlage 3; ForFarmers, oktober 2018) is op 26 maart 2019 door GS van de provincie Gelderland een M.E.R.-beoordelingsbesluit genomen (Bijlage 4). Hieruit volgt dat er geen milieueffectrapport moet worden opgesteld. Deze conclusie geldt voor de bouw- en milieuactiviteit evenals voor het onderhavige nieuwe bestemmingsplan. De aanvraag is in juli 2022 aangepast. Met als resultaat dat er minder dieren gehouden zullen worden en dat het proces van de mestverwerkingsinstallatie is aangepast waardoor er minder emissie vrijkomt. Vervolgens wordt er nog extra erfverharding aangelegd naast stal 5 om mestverwerkingsinstallatie toegankelijk te houden. (Bijlage 5: m.e.r.- beoordelingsnotitie aanvulling juli 2022).
Ook met deze aanvulling is er geen milieueffectrapportage noodzakelijk. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten(en) die voorkomen op de D-lijst (kolom 2) die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Op de D-lijst is opgenomen onder D 18.1 als activiteit "de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7." Hierbij gaat het om "gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer". De capaciteit van de verwerking van dierlijke mest in de mestverwerkingsinstallatie is kleiner dan 50 ton per dag zodat de activiteit onder de aangegeven drempelwaarde valt. Hierdoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
Conclusie Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet nodig nu de gewenste activiteiten op perceelsniveau niet onder de genoemde drempelwaarden vallen. Daarnaast is een passende beoordeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet noodzakelijk.
Toelichting (vastgesteld)
31
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
4.2
Archeologie en Cultuurhistorie
De Erfgoedwet bevat de implementatie in de Nederlandse wetgeving van het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, (ook wel het verdrag van Malta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het Verdrag in 1992 door verschillende EU-lidstaten is ondertekend). De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. IWAK en AMK Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, omdat ze grotendeels verborgen liggen in de bodem, waardoor ze niet eenvoudig te karteren zijn. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IWAK) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentenkaart (AMK) opgesteld. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient door te werken in het bestemmingsplan.
Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.
Parapluplan Archeologie Op 14 april 2020 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw archeologisch beleid vastgesteld met titel 'Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre, een actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtings- en beleidskaart'. Dit nieuwe beleid is opgenomen in het op 22 februari 2022 door de gemeenteraad vastgestelde 'Parapluplan Archeologie'. Onderhavig perceel is aan dit Parapluplan getoetst.
Situatie plangebied Voor het perceel aan de Oude Borculoseweg 5 te Groenlo gelden nu de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologisch waardevol gebied 2', 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1', 'Waarde Archeologisch verwachtingsgebied 2' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4'. Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2 Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Er geldt hierbij een vergunningplicht voor werkzaamheden in op of de bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte gelijk aan of groter dan 50 m2. Een deel van de bestaande bebouwing behorende bij het agrarisch bedrijf, de bedrijfswoningen, een klein deel van de mestbewerking, een deel van de kuilvoerplaten alsmede de verhardingen op het perceel zijn gelegen in deze dubbelbestemming. Binnen deze dubbelbestemming vinden geen wijzigingen of bouwwerkzaamheden in de grond plaats waarvoor de vergunningplicht zou gelden. Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1
32
Toelichting (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Er geldt hierbij een vergunningplicht voor werkzaamheden in op of de bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte gelijk aan of groter dan 250 m2. Een klein deel van de bestaande bebouwing van het agrarisch bedrijf is in deze dubbelbestemming gelegen. Ook een deel van de bestaande mestbewerkingsinstallatie, een deel van de kuilvoerplaten alsmede en deel van de verharding op het perceel is gelegen in deze dubbelbestemming. Ook een groot deel van de nog aan te leggen toegangsweg, ongeveer 40 m, komt in deze dubbelbestemming te liggen. Op het bestaande perceel vinden geen grondwerkzaamheden plaats. Voor de aanleg van de toegangsweg zal wel grondwerk worden verricht. Hierbij wordt echter de oppervlakte van 250 m2 niet overschreden zodat ook hiervoor de vergunningplicht niet zal gelden. Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2 Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Er geldt hierbij een vergunningplicht voor werkzaamheden in op of de bodem dieper dan 40 cm onder het maaiveld én een oppervlakte gelijk aan of groter dan 250 m2.
De overige bestaande bebouwing van het agrarisch bedrijf valt in deze dubbelbestemming. Daarnaast vallen ook de twee bassins voor de mestbewerking in deze dubbelbestemming. Er vindt geen grondwerk plaats waarbij de oppervlakte van 250 m2 wordt overschreden zodat ook hier geen vergunningplicht geldt. Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4 Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Er geldt hierbij een vergunningplicht voor werkzaamheden in op of de bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte gelijk aan of groter dan 5000 m2. In deze dubbelbestemming zal het overige deel van de aan te leggen toegangsweg komen te liggen. Het betreft hier grondwerk over een afstand van ongeveer 33 m. Hierbij wordt de oppervlakte van 5000 m2 echter niet overschreden zodat ook hier geen vergunningplicht geldt.
Conclusie archeologie Binnen de vier geldende dubbelbestemmingen op het perceel Oude Borculoseweg 5 te Groenlo worden de oppervlakten niet overschreden. Hiervoor geldt dan ook geen archeologisch onderzoeksplicht.
Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). De beoogde locatie is van oorsprong gelegen tussen enkele esgronden. Een deel van deze esgronden is in de loop van de jaren verdwenen. De gewenste activiteiten op het bedrijf en de hierbij gewenste bouwkundige uitbreidingen hebben geen gevolgen voor de nog aanwezige esgronden. De locatie heeft geen historisch-geografische of stedenbouwkundige waarden. Architectuurhistorische waarden zijn niet
Toelichting (vastgesteld)
33
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo aanwezig. De gemeentelijke erfgoednota is niet van toepassing bij de boogde ontwikkelingen op dit perceel. Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Bodem
Wettelijk kader Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.
Situatie plangebied Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Om toch de nulsituatie vast te leggen bij het bedrijf Ottink is door de Rouwmaat groep onderzoek gedaan naar de bodemkwaliteit (bijlage 6; Nulsituatiebodemonderzoek 2018). Zij concluderen het volgende: De aangetroffen matig verhoogde gehalten aan koper en nikkel in het grondwater overschrijden de waarde voor nader onderzoek. Nader onderzoek is in het kader van een nulsituatie onderzoek niet doelmatig. Daarnaast zijn de gehalten waarschijnlijk van nature aanwezig in de bodem. De nulsituatie van de bodem is in voldoende mate vastgelegd. Bij bedrijfsbeëindiging of een herhalingsonderzoek in de toekomst (eindsituatie onderzoek) kan bekeken worden of de bodembedreigende activiteiten hebben geleid tot een bodemverontreiniging.
Bodembescherming De mestverwerking leidt tot diverse bodembedreigende activiteiten (Bijlage 5; MER-beoordelingsnotitie aanvulling juli 2022). Voor al deze activiteiten worden maatregelen genomen om het risico van verontreiniging zo veel als mogelijk te vermijden volgens de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012.
Conclusie
34
Toelichting (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er resteert slechts een verwaarloosbaar bodemrisico voor de aangevraagde situatie.
4.4
Water
Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen).
Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.
Toelichting (vastgesteld)
35
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
Thema
Toetsvraag
Relevant
Hoofdthema's Veiligheid
Riolering afvalwaterketen
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale Nee waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
Nee
en 1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?
Nee
2. Ligt in het plangebied een persleiding van Waterschap Rijn en Nee IJssel? 3. Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie Nee van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)
1. Is sprake van toename van verhard oppervlak?
Ja
2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard Ja oppervlak? 3. Bevinden zich in of nabij het plangebied natte en laaggelegen Nee gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de Nee ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of Nee IJssel?
Oppervlaktewaterkwaliteit
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
Nee
4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?
Nee
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater Ja geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
Nee
3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een strategisch Nee actiegebied? Grondwaterkwaliteit
1. Ligt in het plangebied een beschermingszone van een Nee drinkwateronttrekking?
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het Nee gemengde of verbeterde gescheiden stelsel? 2. Bevinden zich of komen er functies in of nabij het plangebied die Nee milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Verdroging
1. Bevindt het plangebied zich in beïnvloedingsgebied voor natte land natuur?
een
hydrologisch Nee
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte ecologische Nee verbindingzone? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte landnatuur?
Inrichting en beheer
36
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom Nee of beheer zijn van het waterschap?
Toelichting (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
Aandachtsthema's Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in Nee beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Cultuurhistorie
1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied Nee aanwezig?
Tabel: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's
De met 'ja' beantwoorde vragen zijn hieronder nader uitgewerkt. Wateroverlast (oppervlaktewater) Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Door de ontwikkelingen in het plangebied zal het verhard oppervlak toenemen. Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Het schone hemelwater dat afkomstig is van daken en erfverharding wordt afgekoppeld. Het hemelwater afkomstig van het bestaande, vergunde verharde oppervlak wordt opgevangen in een waterbergingsvoorziening en op het oppervlakte water geloosd. Dit te lozen water wordt via de trits vasthouden - bergen - afvoeren behandeld. Het hemelwater afkomstig van de mestverwerkingsinstallaties wordt opgenomen in het proces van de installatie. Op deze wijze kan regenbui T=10+10% (40mm) worden opgevangen in het plangebied en vertraagd worden afgevoerd.
In extreme situaties zou bui T=100+10% tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen kunnen worden zonder dat er waterschade optreedt.
Oppervlaktewaterkwaliteit Nieuwe ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de oppervlaktewaterkwaliteit tot gevolg hebben. Vanuit het plangebied wordt hemelwater afkomstig van de bestaande daken en oppervlakteverhardingen opgevangen in een waterbergingsvoorziening en geloosd op het oppervlaktewatersysteem (zie ook wateroverlast). Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Geluid
Wettelijk kader In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Toelichting (vastgesteld)
37
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
Gemeente Oost Gelre heeft eigen geluidsbeleid ontwikkeld om zo richting te kunnen geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke. Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit.
Op 16 juni 2020 heeft er een akoestisch onderzoek plaatsgevonden bij het agrarisch bedrijf. Nadien is er een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit aangepaste onderzoek dateert van 23 november 2022 met nummer 2014-3126-4 en is uitgevoerd vanwege wijzigingen in het bedrijf, als zijnde: het niet verlengen van stal 5; het niet realiseren van een luchtwasser achter stal 5; het natuurlijk ventileren van stal 5; het lossen van houtpellets op een anders plaats; wijze van voeren van het vee. Naar aanleiding van ingediende zienswijzen op de ontwerp omgevingsvergunning, welke o.a. betrekking hebben op de incidentele bedrijfssituatie “het laden en lossen van kalveren”, is een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit akoestisch onderzoek van d.d. 5 december 2023 met nummer 1014-3126-4 is als bijlage 11 toegevoegd en vervangt hierbij de hierboven genoemde versies. In deze versie van het akoestisch onderzoek is o.a. een nadere toelichting gegeven van de incidentele bedrijfssituatie, berekeningen en eventuele maatregelen. Dit nieuwe akoestisch onderzoek geeft geen aanleiding voor aanvullende overwegingen in de Ruimtelijke Onderbouwing. In het rekenmodel zijn toetspunten opgenomen. Deze toetspunten zijn gemodeleerd bij de woningen in de omgeving van het bedrijf. Voor de beoordeling van de geluidsbelasting in de dagperiode is een waarneemhoogte van 1,5 meter boven maaiveld gehanteerd.
Voor de avond- en nachtperiode is een waarneemhoogte van 5 meter gehanteerd. De aangevraagde verandering van Ottink leidt tot een afname van het geluidimmissie ten opzichte van de in 2015 verleende omgevingsvergunning. De totale geluidbelasting, in de representatieve bedrijfssituatie van Ottink, op diverse toetspunten zoals in de vergunning van 2015 zijn opgenomen, blijft minder dan de 50 dB(A) etmaalwaarde. Dit past ook binnen het geluidbeleid van de gemeente Oost Gelre waarin voor agrarische bedrijven een standaardwaarde van 45 dBA etmaalwaarde is geformuleerd maar waarvan kan worden afgeweken voor bestaande situaties naar 50 dB(A). De al vergunde situatie is immers een bestaande situatie. Ook de berekende maximale geluidniveaus van de nieuwe situatie voldoet aan de geluidniveaus zoals die zijn vastgelegd in de vigerende vergunning.
Voor de nieuwe situatie is ook de mogelijke effecten van indirecte hinder doorgerekend (paragraaf 6.3 aanvullend Akoestisch onderzoek). Ook hieruit blijkt dat de resultaten binnen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode blijft.
Cumulatie van de geluidemissie van Ottink met de bedrijven op het industrieterrein de Laarberg naar de omliggende geluidgevoelige objecten binnen de zone zoals op Borculoseweg 7 en 7a is verwaarloosbaar. Omdat de maximale belasting van het industrieterrein al respectievelijk 55 en 56 dB(A) is en de belasting van Ottink respectievelijk 48 en 49 dB(A) zal zijn. Voor buiten de geluidzone van het industrieterrein gelegen woningen zoals Vrakkinkweg 1a en 3 geldt ook een afname van de geluidimmissie van Ottink ten opzichte van de vergunde situatie uit 2015. Het toetspunt aan de zuidzijde van Ottink wordt immers in de nieuwe situatie met 1 dB minder belast dan in de vergunde situatie. Er is derhalve geen sprake van ongeoorloofde cumulatie van geluidhinder.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
38
Toelichting (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
4.6
Luchtkwaliteit en volksgezondheid
Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5".
Situatie plangebied
Emissiemetingen Naast onderzoek van de luchtkwaliteit en geur heeft het onderzoeksbureau Blauw emissiemetingen verricht aan de in het bedrijf aanwezige zeefband, dikke fractie, nitrificatietank en de denitrificatietank. In dit onderzoek zijn de componenten stikstofoxiden, ammoniak en geur vastgesteld. De resultaten hiervan zijn opgenomen in een onderzoeksrapport met nummer BL2022.10799.01-V01, d.d. 25 mei 2022 welke als bijlage 12 is bijgevoegd. Indien van toepassing zijn de resultaten van dit emissieonderzoek meegenomen met de onderzoeken voor de luchtkwaliteit, zoals hieronder omschreven, en geur, beschreven in paragraaf 4.11, meegenomen.
Luchtkwaliteitsonderzoek Buro blauw heeft een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd voor de nieuwe situatie bij Ottink en verwerkt in het rapport BL2020.9998.03_V01, d.d. 21 mei 2020 welke als bijlage 13 is bijgevoegd. Getoetst wordt aan de luchtkwaliteitseisen zoals die zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer. De wijzigingen bij het bedrijf Ottink hebben betrekking op fijnstof en NOx concentraties. Geconcludeerd wordt dat de jaargemiddelde concentraties voor PM10 niet wordt overschreden. De bijdrage aan de achtergrondconcentraties van de nieuwe activiteit in de aanvraag is ten hoogste 0,6 µg/m3 PM10. Dit is minder dan 3% toename ten opzichte van de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie (40 µg/m3) en draagt dus niet in betekende mate bij. Voor NO2 geldt dat 0,7 µg/m3 wordt bijgedragen, dit geldt ook als 'niet in betekenende mate'. Voor PM2,5 geldt dat 0,3 µg/m3 aan de achtergrondcentratie wordt bijgedragen.
Toelichting (vastgesteld)
39
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
Aangezien de veranderingen die 2020 in de bedrijfsvoering zijn aangevraagd ten opzichte van de al berekende van marginale betekenis zijn, ook tegen de achtergrond van de al berekende ruime marges die ten aanzien van normstelling nog bestaan, hebben wij ten aanzien hiervan afgezien van het vragen van nieuwe luchtkwaliteitsrapportages. De provincie Gelderland heeft eind 2019 het Schone Luchtakkoord ondertekend waarin ze aangeven te streven naar een lagere gemiddelde achtergrond concentratie van 20 µg/m3 PM10. De relatieve bijdrage van de PM10 emissie van Ottink aan deze streefwaarde is 3,5% in de nieuwe situatie. Om deze emissie beter beheersbaar te maken en recht te doen aan het streven van lagere gemiddelde concentraties PM10 worden in de vergunning middelvoorschriften opgenomen.
Pathogenen In de inrichting worden en dieren gehouden en wordt dierlijke mest opgeslagen en door middel van nitrificatie/denitrificatie, drogen en hygiënisatie verwerkt. Het houden van landbouwhuisdieren kan gezondheidseffecten hebben op de omgeving van de veehouderij, zowel positief als negatief. In zijn algemeenheid geldt dat voor diverse milieuonderdelen die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders zijn gevormd, veelal op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Deze toetsingskaders zouden, volgens de rechtbank (bevestigd in de casus RBOBR:2014:247), toereikend moeten zijn om onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid te voorkomen. Voor een aantal gezondheidsrisico's, zoals de verspreiding van ziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn, of bij de verspreiding van endotoxinen, zijn echter nog geen wettelijke of beleidsmatige toetsingskaders ontwikkeld. In de periode tussen juni 2016 en september 2018 heeft het RIVM een drietal uitgebreide rapporten gepubliceerd waarin de relatie tussen gezondheidseffecten en het houden van dieren werd onderzocht. Uit deze onderzoeken kwam al vrij snel de nadruk te liggen op de risico's van het wonen in de nabijheid van een tweetal 'risicodiergroepen' voor de volksgezondheid, die in de nadere onderzoeken van 2017 en 2018 nader werden onderzocht.
Duidelijk werd dat het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen, statistisch gezien een grotere kans op longontsteking met zich mee zou brengen. Er is bij dit initiatief echter geen sprake van het houden van deze diersoorten. Ten aanzien van de mestbe- en verwerking bij het bedrijf geldt het volgende. Bij de gehanteerde processen om mest te be- en verwerken kunnen in principe schadelijke emissies optreden, waaronder het broeikasgas N2O (lachgas). Om inzicht in te krijgen in de emissies bij het nitrificatie/ denitrificatieproces heeft het Ministerie van LNV Wageningen Lifestock Research de opdracht gegeven dit te onderzoeken. De resultaten van dit verkennend onderzoek zijn opgenomen in een vooronderzoeksrapport met nummer 1268, september 2020. Dit vooronderzoeksrapport is als bijlage 16 bijgevoegd. In dit rapport zijn de resultaten beschreven van de metingen die zijn uitgevoerd bij een tweetal agrarische bedrijven. Onderhavige inrichting is hierin genoemd als 'Bedrijf 1'. Het rapport geeft de volgende samenvatting: "Er is een vooronderzoek uitgevoerd naar de emissies van N2O, NH3, CH4 en aerosolen bij twee mestbeluchtingsinstallaties. Doel van het onderzoek was om te bepalen in welke mate schadelijke stoffen kunnen emitteren uit een beluchtingsunit voor de productie van ammoniak- en geurvrije vloeistof.
Voor het bepalen van de emissies van gassen is volgens de dynamische boxmethode gemeten en voor aerosolen (bacteriën en endotoxines) zijn concentratiemetingen uitgevoerd. Bepaald is dat de emissie van ammoniak nagenoeg nul is (0,087 g per m3 mest). De emissies van broeikasgassen (CH4 en N2O) waren ook laag en nauwelijks meetbaar in onze meetsetup. Op basis van onze metingen kan de emissie variëren tussen 0 en 39 g CO2 equivalenten per m3 drijfmest. Voor vleesvarkens wordt uitgegaan van een totale CO2 footprint van 1.700 kg CO2 equivalenten per dierplaats. Ook concentraties
40
Toelichting (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo van de bacteriën E coli, Enterokokken en Sulfiet reducerende Clostridia (SSRC) waren niet detecteerbaar (E coli, Enterokokken) of laag (SSRC). Endotoxine concentraties direct boven de mestbehandelingstank waren nauwelijks hoger dan de advieswaarde van maximaal 30 EU/m3 voor de buitenlucht." Nadat de mest op deze wijze is bewerkt vindt er ook nog een hygiënisatie-stap plaats. De hygiënisatie zorgt ervoor dat pathogenen (bacteriën, virussen) in de mest worden gedood en dat voldaan wordt aan Europese gezondheidsvoorschriften (EU-verordening Dierlijke Bijproducten).
Gezondheidseffecten mestopslag Door de Gezondheidsdienst Deventer is een notitie opgesteld over de gevolgen voor de gezondheid ten aanzien van bovengrondse mestopslag. In deze notitie wordt aangegeven dat met name de opslag van mest in bovengrondse sleufsilo's kan leiden tot verspreiding van virussen en ziektekiemen (direct of indirect via vogels e.d). De notitie is als bijlage 14 toegevoegd. Om verspreiding van virussen en ziektekiemen zoveel mogelijk te beperken zijn er voorschriften in de omgevingsvergunning opgenomen die verplichten de bovengrondse mestopslag af te dekken met zeilen.
Conclusie Gezien de afname van de uitstoot van met name fijnstof en endotoxines zijn de risico's lager dan in de bestaande situatie en ook in de nieuwe situatie waarschijnlijk verwaarloosbaar. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Dor middel van opgelegde voorschriften wordt voorkomen dat vanuit de sleufsilo's virussen en ziektekiemen vanuit de opgeslagen mest zich kunnen verspreiden.
4.7
Natuurwaarden
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Soortenbescherming De bescherming van soorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Hierin zijn bepalingen opgenomen van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze wet is een aantal planten- en diersoorten aangewezen die licht, middelzwaar of zwaar beschermd zijn. Voor licht beschermde soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke projecten. Voor middelzwaar beschermde soorten geldt alleen een vrijstelling wanneer de beoogde werkzaamheden worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor zwaar beschermde soorten dient bij ruimtelijke ingrepen ontheffing te worden aangevraagd. Behalve de Wet natuurbescherming is ook de Rode Lijst van belang, waarop zeldzame en bedreigde soorten zijn opgenomen. Bij concrete planologisch uitwerkingen dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. Daarnaast moet bij elk bouwplan worden nagegaan wat de effecten van de ruimtelijke ingreep voor de aanwezige flora en fauna tot gevolg kan hebben. Veel zeldzame en bedreigde plantensoorten, die wel op de Rode Lijst staan, maar ook libellen, vlinders en vissen vallen niet onder de Wet natuurbescherming. De Rode lijst heeft geen juridische status en bescherming kan niet wettelijk worden afgedwongen; wel geldt in zijn algemeenheid vanuit de Wet natuurbescherming de zorgplicht.
De locatie waar de mestverwerkingsinstallatie is gerealiseerd ligt in het bestaande bouwblok op het
Toelichting (vastgesteld)
41
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo huidige erf en slechts gedeeltelijk in agrarisch land(bouwland). Voorkomen van beschermde soorten op dit stuk grond is hierdoor niet aannemelijk. De locatie is niet gelegen in een weidevogelgebied. Voor vogels geldt een algemene bescherming, waarbij het verboden is vogels en hun nesten in het broedseizoen te verstoren. Dat betekent dat het in die periode niet is toegestaan om werkzaamheden in een gebied te starten die bedreigend zijn voor broedvogels. Voor de meeste soorten geldt een broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli. Wanneer vóór het broedseizoen wordt gestart met de schadelijke werkzaamheden, is de kans gering dat daar broedvogels gaan nestelen. De projectlocatie bestaat uit bebouwing, erfverharding, en erfbeplanting en omliggende agrarische landerijen. Er is geen watergang in de directe nabijheid van de projectlocatie. De voorgenomen activiteiten hebben betrekking op het wijzigen van een reeds aanwezige mestverwerkingsinstallatie op bestaand erf en aangrenzend agrarisch bouwland.
Gebiedsbescherming
NATURA 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op ongeveer 4,8 kilometer afstand ten oosten van het plangebied namelijk Zwillbrocker Venn in Duitsland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op Nederlands grondgebied is het Korenburgerveen welke op ongeveer 7 kilometer van het plangebied is gelegen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde voor stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Gevolg hiervan is dat alle ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de omgeving ook maar enigszins verhogen in principe niet zijn toegestaan. Ondanks de relatief grote afstand van 4,8 en 7 km tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, kan een verhoging van de stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op dit gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is een stikstoftoets uitgevoerd.
Stikstoftoets Met behulp van AERIUS Calculator kan het effect van de stikstofuitstoot van een planontwikkeling worden berekend. Heeft de planontwikkeling geen toename van depositie van stikstof op natuurgebieden tot gevolg dan kan aan de planontwikkeling worden meegewerkt. Met het AERIUS Calculator is een berekening gemaakt van de activiteiten op het gehele perceel. Invoerwaardes hiervoor zijn opgenomen in een notitie welke als bijlage 7 is bijgevoegd. Dit wil zeggen in de huidige vergunde situatie alsmede in de gewenste nieuwe situatie. Hierbij zijn de emissies van de stallen met dieren meegenomen alsmede de op het bedrijf toegepaste installaties zoals mestdroger e.d., de aan- en afvoerbewegingen van lichte en zware voertuigen en de bewegingen met voertuigen op het bedrijf. Ook het gebruik van de nieuwe toegangsweg is doorberekend. Uit de AERIUS-verschilberekening blijkt dat in de nieuwe gewenste situatie geen toename van stikstofdepositie is op de Natura 2000-gebieden. Daarnaast geeft het rekenprogramma aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Nu de toename van stikstof in de nieuwe situatie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar kan aan het verzoek worden meegewerkt. De verschilberekeningen zijn als bijlage 8 en 9 bijgevoegd.
NATUURNETWERK NEDERLAND De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De onderzoekslocatie ligt wel in de nabijheid van een gebied behorend tot het Natuurnetwerk. Het gaat hier om de Groene
42
Toelichting (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo ontwikkelingszone welke op ongeveer 75 meter van het plangebied is gelegen. In onderstaande kaart is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op de locatie zijn, gezien de afstand tot het meest nabijgelegen gebied aangewezen als Natuurnetwerk Nederland in combinatie met de aard en de omvang van de voorgenomen ingreep niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron: Natuurbeheerplan 2020, Provincie Gelderland).
Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Aan de Oude Borculoseweg wordt een ontsluiting gemaakt met de nieuwe toegangsweg op het perceel. Aan deze zijde van de weg zijn geen bomen aanwezig. Verder zijn er geen bomen in het plangebied aanwezig. Derhalve is een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde houtopstanden uitgesloten.
Conclusie Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen goed mogelijk is. Er dient rekening te worden gehouden met het volgende: snoei- en graafwerkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen van maart tot half augustus; snoei- en graafwerkzaamheden uitvoeren binnen het broedseizoen alleen na een
Toelichting (vastgesteld)
43
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo broedvogelinspectie door een ter zake kundige.
4.8
Landschappelijke inpassing
Als voorwaarde bij een ruimtelijke ontwikkeling geldt dat er een bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van het landschap door middel van een erf- en/of landschappelijk inrichtingsplan. Verzoeker heeft hiervoor een landschappelijk inrichtingsplan laten opstellen die als bijlage 10 bij deze ruimtelijke onderbouwing is bijgevoegd. Privaatrechtelijk, door middel van een Anterieure overeenkomst, is overeengekomen dat verzoeker de landschappelijke inpassing gaat uitvoeren en deze in stand zal laten.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.
Situatie plangebied In deze verantwoording zal de toelaatbaarheid van bedrijven en bedrijfsactiviteiten worden getoetst aan de ruimtelijk relevante milieuaspecten waaronder geluid, geur, stof, gevaar. Uitgangspunt hierbij is de systematiek van de VNG publicatie "Bedrijven en milieuzonering". Daarnaast wordt getoetst of kan worden voldaan aan de goede ruimtelijke ordening waarbij uitgangspunt is dat sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat met het zoveel als mogelijk in stand houden van bestaande rechten van bedrijven. Deze afweging is breder dan alleen het toepassen van de VNG publicatie en betreft ook de afweging van mogelijke hinder van bijvoorbeeld licht, spuitzones, elektromagnetische velden. Het agrarisch bedrijf betreft een vleeskalverenhouderij en een mestverwerkingsinstallatie. De aanvraag omgevingsvergunning betreft een uitbreiding of wijziging van de bedrijfsvoering van de bestaande
44
Toelichting (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo mestverwerkingsinstallatie. Deze bestaat uit een biologische zuivering van 36.000 m3 per jaar tot de eindproducten effluent (te lozen op vuilwaterriolering) en gehygiëniseerde gedroogde fractie. Volgens de VNG brochure valt de verwerking van mest onder milieudienstverlening in categorie 5.1. Hiermee wordt echter een grote mestverwerkingsinstallatie waarbij korrels worden geproduceerd bedoeld. Het proces en de eindproducten zijn in de onderhavige situatie anders waardoor de mestverwerking wordt ingeschaald op een categorie 4.2 activiteit. De richtafstanden komen daarmee op 300 meter voor geur, 100 meter voor geluid en 10 meter voor stof en gevaar. Voor wat betreft de aspecten stofhinder en gevaar ligt er geen gevoelig object binnen deze richtafstand. Binnen de genoemde afstanden bevinden zich gevoelige objecten zoals woningen van derden. In hoofdstuk 4.6 en 4.11 zijn het geluid en geur nader beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen geluid- en geuroverlast in deze geurgevoelige objecten zal worden ervaren van de werkzaamheden op het bedrijf.
Conclusie Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.10
Externe veiligheid
Wettelijk kader Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.
Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.
Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.
Toelichting (vastgesteld)
45
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.
Situatie plangebied De gemeente heeft de wettelijke plicht externe veiligheid mee te wegen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. In deze afweging is het van belang de risico's te beschouwen die ontstaan door inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Tevens word het plangebied beoordeeld op risicovolle transportroutes volgens het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en buisleiding risico's volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden voor kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden.
Het plangebied ligt op 520 meter afstand van de provinciale weg N18 waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Omdat in het plangebied alleen een zeer onwaarschijnlijk toxisch scenario kan optreden is hiervoor een standaard verantwoording opgesteld. Op basis van het Bevt dient voor een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter vanaf de transportroute ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast stelt het Bevt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De Veiligheidsregio heeft aangegeven dat de hieronder opgenomen verantwoordingstekst gebruikt kan worden. Relevant hierbij is dat geen zeer kwetsbaar object wordt toegelaten. Maatgevende scenario's Het maatgevende scenario voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen/gassen ligt is een toxische wolk.
Onderstaand is vanuit dit scenario ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit met toxische stoffen is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden.
46
Toelichting (vastgesteld)
omgevingsvergunning Omgevingsvergunning mestverwerkingsinstallatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo
Conclusie Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Geur
Wettelijk kader Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet onder meer rekening worden gehouden met geurcontouren van bestaande bedrijven. Toetingskaders hiervoor zijn met name te vinden in het Activiteitenbesluit en (voor de geurbelasting van dieren in stallen) de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (woningen, winkels, etc.). De ministeriële uitvoeringsregeling die bij de Wgv hoort, de Regeling geurhinder en veehouderij (Hierna: 'Rgv') geeft invulling aan de wijze waarop de geuremissie afkomstig van een veehouderij moet worden berekend. Het beoordelingskader van de Wgv houdt in dat wanneer in de gevraagde situatie aan de (in de Wgv genoemde) normen voor de geurbelasting en/of afstandseisen wordt voldaan, geurhinder uit dierenverblijven geen weigeringsgrond kan zijn voor de aangevraagde vergunning. Daarnaast wordt in de artikelen 3, lid 3 en 4, lid 3, bepaald dat 'bestaande rechten' van een bedrijf dienen te worden gerespecteerd.
Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden. Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij: bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht. Situatie plangebied De emissie van geur uit het bedrijf bestaat uit twee componenten. Naast de geur afkomstig van de dierenverblijven, is er ook nog een geuremissie afkomstig van de mestverwerking, welke niet onder de werkingssfeer van de Wgv valt. Om de hinder hiervan te kunnen beoordelen is aangesloten bij de “Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 9 maart 2017” van de provincie Gelderland.
In deze beleidsregels zijn toetsingscriteria geformuleerd waarbij rekening is gehouden met de aard van de geur (van 'niet-hinderlijk' tot 'zeer hinderlijk') en de categorie van het geurgevoelige object (van woningen tot bedrijven op een industrieterrein). Ook in deze regeling is, via artikel 11, bepaald dat 'bestaande rechten' dienen te worden gerespecteerd.