CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

vvgb boschlaan 18 bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 20 september 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen inzake aanvraag omgevingsvergunning WSL Lichtenvoorde12.637 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Uitbreiding Waterstromen Lichtenvoorde Ruimtelijke onderbouwing

Waterstromen Lichtenvoorde B.V. 8 november 2021

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging plangebied

6

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

6

1.4

Overige bestemmingsplannen

7

1.5

Andere procedure(s) en gerelateerde projecten

8

1.6

Leeswijzer

8

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Toekomstige situatie

11

2.3

Bestemmingsplantoets

15

2.3.1 2.3.2 2.3.3

17 18 19

Ontwerp Parapluplan Archeologie Facetbestemmingsplan parkeren Conclusie bestemmingsplantoets

3

BELEIDSKADER

20

3.1

Rijksbeleid

20

3.1.1 3.1.2 3.1.3

20 21 21

3.2

3.3

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking

Provinciaal beleid

22

3.2.1 3.2.2

22 23

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021)

Gemeentelijk beleid

24

3.3.1

24

Beleid installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

25

4.1

Beoordeling m.e.r.-plicht

25

4.2

Natuur

25

4.2.2

Resultaten

26

4.2.3

Conclusie

27

4.3

Water

28

4.4

Bodem

29

4.4.1 4.4.2 4.5

4.6

29 29

Archeologie

29

4.5.1 4.5.2 4.5.3

29 30 30

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Geluid 4.6.1 4.6.2 4.6.3

4.7

Toetsingskader Resultaten en conclusie

31 Toetsingskader Resultaten Conclusie

Geur 4.7.1 4.7.2 4.7.3

31 31 33 33

Toetsingskader Resultaten Conclusie

33 33 34

4.8

Luchtkwaliteit

34

4.9

Verkeer en parkeren

35

4.9.1 4.9.2 4.9.3

35 35 36

4.10

4.11

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Externe veiligheid

36

4.10.1 4.10.2 4.10.3

36 37 39

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Landschap

39

4.11.1 4.11.3 4.11.4

Kabels en leidingen Resultaten Conclusie

39 40 40

4.12

Niet Gesprongen Explosieven

40

4.13

Bedrijven en milieuzonering

40

5

UITVOERBAARHEID

41

5.1

Economische uitvoerbaarheid

41

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

41

6

CONCLUSIE

43

Laatste pagina

43

1 INLEIDING

1.1

Aanleiding

Waterstromen Lichtenvoorde B.V. (hierna: WSL) is een afvalwaterzuiveringsbedrijf gevestigd in Lichtenvoorde, waar specifiek bedrijfsafvalwater biologisch wordt gezuiverd alsmede afvalstromen van buiten de inrichting worden gezuiverd of vergist. De inrichting WSL kent twee hoofdprocessen, te weten afvalwaterzuivering (AWZI-WSL) en Biologische Industriële Reststoffenverwerking (BIR). Met laatstgenoemde wordt de vergisting van organische reststromen bedoeld. Het vergistingsproces levert biogas op waarmee elektriciteit en warmte wordt opgewekt. Om de huidige en de toekomstige afvalmarkt te blijven bedienen, acht WSL verdere optimalisatie van processen noodzakelijk. Meer en meer worden activiteiten geoptimaliseerd om invulling te geven aan het klimaatakkoord en de circulaire economie. WSL wil hier waar mogelijk zoveel mogelijk invulling aan geven. Thema’s die de komende jaren belangrijk worden geacht zijn: - stikstofterugwinning als kunstmestvervanger; - waterhergebruik (voor bijvoorbeeld looierijen); - zwavelterugwinning met hergebruik in looierij en/of meststoffen; - opwerking van biogas naar aardgas. Om invulling te geven aan deze actuele thema’s is WSL voornemens een aantal wijzigingen door te voeren op de huidige locatie om een duurzame en bedrijfszekere toekomst te garanderen.

De wijzigingen betreffen: - het vervangen van de laag rendement warmtekrachtkoppelingen (WKK’s) door een hoog rendement groen gas installatie; - het uitbreiden van de capaciteit van de Biologische Industriële Reststoffenverwerking (BIR) van 40.000 naar 100.000 ton per jaar. Hiertoe wordt de vergistingscapaciteit van organische reststromen uitgebreid. Door toename van de capaciteit zal de productie van duurzame energie aanzienlijk stijgen; - het terugwinnen van stikstof uit het digestaat1 van de BIR. De teruggewonnen stikstof kan worden afgezet als kunstmestvervanger in het kader van de Kunstmestvrije Achterhoek. De natte fractie hoeft dan ook niet meer per vrachtwagen te worden afgevoerd, maar kan worden verwerkt in de AWZI. De wijzigingen moeten leiden tot een toekomstige duurzame bestendigheid voor de productie van gezuiverd afvalwater en duurzame energie. Ten behoeve van de uitbreiding van de capaciteit van de BIR zijn nieuwe bouwwerken voorzien. Voor het plaatsen van deze bouwwerken is een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan vereist. Het betreft een buitenplanse afwijking. Dit betekent dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend, indien de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (conform artikel 2.12 lid 1a sub 3 Wabo).

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient als motivering voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In paragraaf 2.3 is de strijdigheid met het bestemmingsplan nader beschreven.

1

Een product dat overblijft nadat dierlijke mest of plantaardige reststoffen worden vergist.

5 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

1.2

Ligging plangebied

De huidige locatie van WSL is gelegen aan de Boschlaan 18b te Lichtenvoorde in de gemeente Oost Gelre en in de provincie Gelderland. Het terrein bevindt zich naast een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van waterschap Rijn en IJssel (WRIJ). Op onderstaande afbeelding is de huidige locatie van WSL met rood globaal weergegeven.

Afbeelding 1.1 Globale ligging plangebied

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied liggende de volgende vigerende bestemmingsplannen: - bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 (deels onherroepelijk in werking, vastgesteld 2012-1218); - reparatieplan Buitengebied Oost Gelre (onherroepelijk, vastgesteld 2014-07-15); - buitengebied, Reparatieplan 2016 (onherroepelijk, vastgesteld 2017-04-04); - facetbestemmingsplan parkeren (onherroepelijk, vastgesteld 2018-06-05). Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 Op 18 december 2012 is door de gemeente Oost Gelre het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 vastgesteld en daarna inwerking getreden. Dit bestemmingsplan zorgde voor een herziening van vijf bestemmingsplannen voor het gehele buitengebied tot één actueel en digitaal Bestemmingsplan buitengebied voor de gemeente Oost Gelre.

6 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre Het reparatieplan Buitengebied Oost Gelre is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011. Het plan vormt een aanvulling op het bestemmingsplan van 2011. Het betreffen zeer geringe correcties en aanpassingen die de juridische regeling in overeenstemming brengt met de feitelijke situatie. Buitengebied, Reparatieplan 2016 Het reparatieplan 2016 is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 en het bijbehorende bestemmingsplan Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre. Het reparatieplan 2016 is een aanvulling op deze twee bestemmingsplannen. De regels zijn van toepassing op het totale gebied van het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 en het bestemmingsplan Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre. Om deze reden valt het hele plangebied van die bestemmingsplannen ook onder deze herziening. De regels vervangen dus eigenlijk de regels van het bestemmingsplan Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre en kunnen worden gelezen in samenhang met de verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011, het bestemmingsplan Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre en deze herziening. Facetbestemmingsplan parkeren Het facetbestemmingsplan parkeren is een bestemmingplan dat één onderdeel regelt in meerdere plannen.

Het facetbestemmingsplan parkeren zorgt ervoor dat parkeernormen worden opgenomen in alle thans geldende bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt pas verleend als wordt voldaan de parkeernormen zoals die zijn opgenomen in de nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre, dan wel haar rechtsopvolger. Alleen wanneer gebouwen worden opgericht is toetsing aan de nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre van toepassing.

1.4

Overige bestemmingsplannen

Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 Het consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 is een samenvoeging van de volgende plannen: - ‘buitengebied, Reparatieplan 2016’; - ‘reparatieplan Buitengebied Oost Gelre’; - ‘bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011’. De reden voor deze geconsolideerde versie was dat de genoemde partiële herzieningen slechts op onderdelen het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 herzien en daardoor moeilijk leesbaar zijn. De onderlinge samenhang van de plannen ontbrak. In de geconsolideerde versie zijn de regels en de verbeelding van de bestemmingsplannen Buitengebied Oost Gelre 2011 en de herzieningen van dit bestemmingsplan opgenomen als ware het één bestemmingsplan. De geconsolideerde versie heeft geen juridische status, maar geeft wel de juridische regeling weer. Het consolidatieplan geeft de geldende bestemmingen weer. Ontwerp Parapluplan Archeologie Op 14 april 2020 heeft de raad van de gemeente Oost Gelre nieuw archeologiebeleid vastgesteld. Ten opzichte van de in de geldende bestemmingsplanregels opgenomen oppervlaktecriteria, zijn de oppervlaktecriteria in het nieuwe archeologiebeleid aanmerkelijk verruimd. Om de nieuwe oppervlaktecriteria uit het archeologiebeleid formeel van kracht te laten worden dienen deze dan ook opgenomen te worden in de diverse bestemmingsplannen.

Het Parapluplan Archeologie voorziet in deze herziening. Met het Parapluplan Archeologie wordt het vastgestelde beleid ten aanzien van het onderwerp archeologie doorvertaald in de betreffende bestemmingsplannen. Het Parapluplan Archeologie heeft de status ‘ontwerp’ en ligt op moment van schrijven ter inzage.

7 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

1.5

Andere procedure(s) en gerelateerde projecten

Op grond van onderdeel D18.1 van het Besluit Milieueffectrapportage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7. De m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. De voorgenomen ontwikkeling valt binnen deze drempelwaarde. De m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 3 bij de vergunningaanvraag. Op basis van de beoordeling kan worden geconcludeerd dat significante negatieve effecten zijn uit te sluiten, waardoor een volwaardige milieueffectrapportage niet nodig is.

1.6

Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit 5 hoofstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. Daarnaast wordt in hoofdstuk 2 de toekomstige situatie getoetst aan het vigerende bestemmingsplan. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre. Hoofdstuk 4 onderbouwt de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de omgevingsaspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

8 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

2 BESCHRIJVING PLANGEBIED In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk de toekomstige situatie getoetst aan het vigerende bestemmingsplan.

2.1

Huidige situatie

Aan de Boschlaan 18b in Lichtenvoorde bevindt zich, naast de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van waterschap Rijn en IJssel (WRIJ), de inrichting van Waterstromen Lichtenvoorde BV (WSL). Op de inrichting van WSL wordt specifiek bedrijfsafvalwater biologisch gezuiverd en worden afvalstromen van buiten de inrichting gezuiverd of vergist. Tevens heeft de gemeente Oost Gelre een deel van de gronden op het terrein in gebruik. In onderstaande afbeelding is de globale ligging van de terreinen in het gebruik bij WSL, WRIJ en de gemeente Oost Gelre schematisch weergegeven. Het terrein waar WSL gebruik van maakt is in eigendom van WRIJ. WSL heeft hiervoor een opstalrecht. De noordzijde van het plangebied wordt begrensd door de Baakse Beek. Aan de westzijde ligt de Boschlaan (circa 300 m), aan de zuidzijde de Europaweg (circa 500 m) met de bebouwde kom van Lichtenvoorde. Dichtstbijzijnde woning bevindt zich op 135 m afstand.

Afbeelding 2.1 Schematische weergave huidige situatie

9 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

In afbeelding 2.2 is een impressie van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 2.2 Impressie plangebied (afbeelding rechtsboven betreft de te slopen slibbuffer)

De inrichting van WSL omvat twee hoofdprocessen, te weten afvalwaterzuivering Waterstromen (AWZI-WSL) en Biologische Industriële Reststoffenverwerking (BIR). Met laatst genoemde wordt de vergisting van organische reststromen bedoeld. Hoofdproces 1 Afvalwaterzuivering Waterstromen De afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) van WSL is primair ontworpen voor anaerobe (zonder zuurstof) en aerobe (met zuurstof) behandeling van leerlooierij-bedrijfsafvalwater dat met een persleiding wordt aangevoerd vanaf de looierij in het centrum van Lichtenvoorde. Om afvalwaterloze periodes te voorkomen worden ook vergelijkbare afvalstromen van buiten de leerlooierij verwerkt. Op deze manier kan de procescontinuïteit van de biologische zuivering gegarandeerd blijven. Het voorgezuiverde water wordt direct op de naastgelegen RWZI geloosd, waar het tezamen met communaal afvalwater uit de regio wordt gezuiverd en vervolgens wordt geloosd op de Baakse Beek. Hoofdproces 2 Vergisting organische reststromen BIR In de installaties van de BIR worden organische reststromen van derden vergist voor de productie van biogas en vervolgens voor energie- en warmteopwekking. De organische reststromen worden per as aangevoerd en in verschillende voorraadtanks opgeslagen. Vanuit deze voorraadtanks worden twee vergistertanks gevoed, waarbij een groot deel van de organische stof wordt omgezet in biogas.

Het biogas wordt samen met het biogas van de AWZI van WSL ontzwaveld en via gasmotoren (WKK’s) omgezet in duurzame elektriciteit en warmte. Het slib (digestaat) wordt doorgevoerd naar twee navergisters waar de vergisting tot stilstand komt. Hierna kan het digestaat deels worden ingedikt/ontwaterd, waarbij de dunne fractie in de AWZI van WSL wordt verwerkt en de dikke fractie wordt teruggevoerd naar de vergister of wordt afgezet naar een slibverwerker.

10 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

De uitbreiding wordt toegelicht in de volgende paragraaf.

2.2

Toekomstige situatie

Voor de beoogde uitbreiding wordt het terrein ten oosten van WSL gebruikt. Dit terrein is voor het grootste gedeelte onbebouwd en in gebruik bij WRIJ. Momenteel staat er een slibbuffer in eigendom van WRIJ die wordt ontmanteld. Op het noordelijke gedeelte van het terrein van de beoogde uitbreiding staan bomen. In de toekomstige situatie wordt op het terrein ten oosten van WSL gebruikt voor het realiseren van vijf bouwwerken ten behoeve van de BIR (zie afbeelding 2.3): 1 vooropslagen; 2 vergister; 3 navergister; 4 nutriëntenterugwinning; 5 biogasopwerking. Door de realisatie van de hierboven genoemde bouwwerken verandert de capaciteit van de waterzuivering niet. De capaciteit van de vergisters wordt daarentegen wel vergroot. Op de onderstaande afbeelding zijn de locaties van de te realiseren bouwwerken met blauw weergegeven. Dit terrein is in eigendom van WRIJ. Met WRIJ is een intentieverklaring getekend waarin is opgenomen dat WRIJ medewerking verleent aan de voorgenomen wijzigingen door middel van een opstalrecht op de grond. Om de bouwwerken ten behoeve van de navergister, nutriëntenterugwinning en biogasopwerking te realiseren wordt een deel van de bestaande bomenrij gekapt. Daarnaast wordt de bestaande slibbuffer van WRIJ verplaatst (locatie 2 op afbeelding 2.3). Op deze locatie wordt de vergister geplaatst.

De vergister zal qua oppervlakte even veel ruimte in beslag nemen als de bestaande slibbuffer.

Afbeelding 2.3 Schematische weergave toekomstige situatie

11 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

4. Nutriëntenterugwinning De installaties ten behoeve van de nutriëntenterugwinning betreffen losse installaties bestaande uit twee ‘torens’ van 10 meter hoog (zie afbeelding 2.6). Daarnaast wordt als onderdeel van de nutriëntenterugwinning een zeecontainer geplaatst. Het totale oppervlakte van de installaties en de zeecontainer gezamenlijk bedraagt circa 100 m 2. De zeecontainer heeft een hoogte van circa 3 m. Aangezien de zeecontainer toegankelijk is voor mensen is sprake van een gebouw. De losse installaties betreffen bouwwerken, geen gebouw zijnde. De tekeningen van de nutriëntenterugwinning zijn opgenomen in bijlage 17 bij de vergunningaanvraag.

Afbeelding 2.6 Impressie installatie nutriëntenterugwinning

5. Biogasopwerking De installaties ten behoeve van de biogasopwerking betreffen deels losse installaties met een zeecontainer, de Pure Pac Mill (zie afbeelding 2.7). De overige installaties voor de biogasopwerking, de CO2 Liquefaction, worden geplaatst in een proceshal op een nog aan te brengen betonvloer (zie afbeelding 2.8). De oppervlakte van de betonvloer bedraagt circa 200 m2. De bouwhoogte van de biogasopwerking installaties is circa 2 tot 3 m. De zeecontainer heeft een hoogte van circa 3 m. De proceshal heeft een hoogte van circa 7 m. Aangezien de proceshal en de zeecontainer ruimtes betreft die toegankelijk zijn voor mensen is sprake van een gebouw. De tekeningen van de biogasopwerking zijn opgenomen in bijlage 17 bij de vergunningaanvraag.

13 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

Enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ Ingevolge artikel 6.1 van de geldende bestemmingsplannen zijn de aangewezen gronden bestemd voor: - nutsvoorzieningen; met de daarbij behorende: - erven en terreinen; - wegen en paden; - water en waterhuishoudkundige voorzieningen. In de begrippenlijst van de bestemmingsplannen wordt de volgende definitie gehanteerd voor nutsvoorziening: ‘Voorzieningen ten behoeve van algemeen nut in ruime zin zoals: voorzieningen/installaties ten behoeve van gas, water en elektriciteit, signaalverdeling, telecommunicatieverkeer, waterzuivering, waterbeheersing, waterhuishouding, vuil- en afvalverwerking, compostering, wijkverwarming, milieuvoorzieningen e.d’. Het plaatsen van de bouwwerken ten behoeve van de BIR kunnen niet worden geschaard onder de voorziening waterzuivering, omdat de BIR niet onlosmakelijk verboden is met de afvalwaterzuivering. Daarnaast zuivert WSL het afvalwater afkomstig van commerciële instanties. Daarmee valt WSL niet onder een inrichting met voorzieningen ten behoeve van het algemene nut. De activiteiten die WSL in de toekomstige situatie gaat uitvoeren zijn in strijd met de bestemmingsomschrijving uit de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’. Daarnaast zijn in artikel 6.2 van de geldende bestemmingsplannen bouwregels opgenomen voor de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’.

Ten eerste geldt voor het bouwen van gebouwen dat uitsluitend bestaande gebouwen zijn toegestaan en de maatvoering van de gebouwen niet meer dan de bestaande maatvoering bedraagt. In de begrippenlijst van het bestemmingsplan wordt de volgende definitie gehanteerd voor gebouwen: ‘Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.’ De bouwwerken ten behoeve van de nutriëntenterugwinning en biogasopwerking kunnen worden geclassificeerd als gebouwen. Dit betekent dat het realiseren van deze bouwwerken strijdig is met de bepalingen van de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’. Ten tweede mag de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 6 m bedragen. De bouwwerken ten behoeve van de vooropslagen, vergister en navergister hebben respectievelijk een bouwhoogte van 12 m, 16 m en 9 m. Dit betekent dat het realiseren van de vooropslagen, vergister en de navergister niet passend zijn binnen de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’. Dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1’ Ingevolge artikel 27.1 van de geldende bestemmingsplannen zijn de aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing geldt de volgende bouwregel (artikel 27.2.1 onder a): - bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 100 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen op basis van nader onderzoek, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

16 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

Het bepaalde in artikel 27.2.1 onder a geldt niet indien: - op basis van nader onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of - het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 100 m 2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of - gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot. De bouwwerken ten behoeve van de vooropslagen, vergister en navergister worden gerealiseerd ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1’. De bodemingrepen beslaan naar verwachting een oppervlakte groter dan 100 m 2 en reiken tot een diepte dieper dan 30 cm. Dit betekent dat voor het aanvragen van de omgevingsvergunning - bouwen een archeologisch onderzoek dient te worden aangeleverd. Ter plaatse van deze bodemingrepen is echter sprake van reeds geroerde grond, zoals een reeds aanwezige slibbuffer en verharding. Aan weerszijden van de slibbuffer, ter plaatse van de verharding en de bomen waren in het verleden nog meer onderdelen van de rioolwaterzuiveringsinstallatie aanwezig. Deze onderdelen zijn een aantal jaren geleden verwijderd. Daarmee is op deze locatie de grond jaren geleden ook al eens geroerd. Het is dan ook niet aannemelijk dat archeologische resten worden aangetroffen.

Het overleggen van een archeologisch rapport wordt daarmee niet nodig geacht. Het aspect archeologie wordt tevens besproken in paragraaf 4.5. Dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2’ Ingevolge artikel 28.1 van de geldende bestemmingsplannen zijn de aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Ten aanzien van het oprichten van bebouwing geldt de volgende bouwregel (artikel 28.2.1 onder a): - bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 2.500 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen op basis van nader onderzoek, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in artikel 28.2.1 onder a geldt niet indien: - op basis van nader onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of - het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 2.500 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of - gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot.

De bouwwerken ten behoeve van de nutriëntenterugwinning en de biogasopwerking worden gerealiseerd ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2’. De bodemingrepen beslaan geen oppervlakte groter dan 2.500 m2. Het overleggen van een archeologisch onderzoek is niet benodigd. Het aspect archeologie wordt tevens besproken in paragraaf 4.5.

2.3.1

Ontwerp Parapluplan Archeologie

De bestemmingen die rusten op de gronden van de te plaatsen bouwwerken vanuit het Parapluplan zijn de dubbelbestemming Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2 en de dubbelbestemming Waarde Archeologisch verwachtingsgebied 3.

17 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2 Ingevolge artikel 6.1 van de het Parapluplan Archeologie zijn de voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem. Ten aanzien van het uitvoeren van werken of werkzaamheden gelden de volgende regels (artikel 6.2 onder a): - het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren voor werkzaamheden dieper dan 40 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 250 m 2. De bouwwerken ten behoeve van de vooropslagen, vergister en navergister worden gerealiseerd ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2’. De grondwerkzaamheden beslaan naar verwachting een oppervlakte groter dan 250 m 2 en reiken tot een diepte dieper dan 40 cm. Dit betekent dat voor het aanvragen van de omgevingsvergunning - bouwen een archeologisch onderzoek dient te worden aangeleverd. Ter plaatse van deze bodemingrepen is echter sprake van reeds geroerde grond, zoals een reeds aanwezige slibbuffer en verharding. Aan weerszijden van de slibbuffer, ter plaatse van de verharding en de bomen waren in het verleden nog meer onderdelen van de rioolwaterzuiveringsinstallatie aanwezig.

Deze onderdelen zijn een aantal jaren geleden verwijderd. Daarmee is op deze locatie de grond jaren geleden ook al eens geroerd. Het is dan ook niet aannemelijk dat archeologische resten worden aangetroffen. Het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt daarom niet nodig geacht. Het aspect archeologie wordt tevens besproken in paragraaf 4.5. Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3 Ingevolge artikel 7.1 van de het Parapluplan Archeologie zijn de voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem. Ten aanzien van het uitvoeren van werken of werkzaamheden gelden de volgende regels (artikel 7.2 onder a): - het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 1 .000 m2. De bouwwerken ten behoeve van de nutriëntenterugwinning en de biogasopwerking worden gerealiseerd ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3’. De grondwerkzaamheden beslaan geen oppervlakte groter dan 1.000 m 2. Het aanvragen van een omgevingsvergunning is niet nodig.

2.3.2

Facetbestemmingsplan parkeren

In artikel 4 van facetbestemmingsplan parkeren is opgenomen dat: - een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts wordt verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort; - burgemeester en wethouders passen deze bouwregels toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die zijn opgenomen in de nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre, dan wel haar rechtsopvolger. Door WSL worden gebouwen opgericht waarvoor een omgevingsvergunning bouwen wordt aangevraagd. Deze onderbouwing ziet enkel op het afwijken van het bestemmingsplan.

18 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

Daarnaast leidt de uitbreiding van de vergistingscapaciteit niet tot een toename in personele aanwezigheid. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een dusdanige toename aan verkeer waarvoor extra parkeergelegenheid moeten worden gerealiseerd. Daarnaast is binnen de inrichting voldoende parkeergelegenheid aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het facetbestemmingsplan parkeren. Het aspect verkeer en parkeren wordt tevens besproken in paragraaf 4.9.

2.3.3

Conclusie bestemmingsplantoets

Uit de bestemmingsplantoets volgt dat de voorgenomen ontwikkeling strijdig is met de geldende bestemmingsplannen op drie punten: 1 de voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de bestemmingsomschrijving uit de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ (artikel 6.1): · dit geldt voor alle te plaatsen bouwwerken; 2 de voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het verbod op het oprichten van nieuwe gebouwen in de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ (artikel 6.2 onder a): · dit geldt voor de bouwwerken ten behoeve van de nutriëntenterugwinning en de biogasopwerking; 3 de voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de bouwhoogte van twee bouwwerken, geen gebouwen zijnde die hoger zijn dan de toegestane 6 m in de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ (artikel 6.2 onder b): · dit geldt voor de bouwwerken ten behoeve van de vooropslagen, de vergister en de navergister. Om de voorgenomen ontwikkeling planologisch mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ (artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo) aangevraagd. Op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo dient de omgevingsvergunning te zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing is de invulling van dit artikel.

19 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor onderhavig plan relevante ruimtelijk beleid en wet- en regelgeving beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid en getoetst wordt of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI beschrijft 21 nationale belangen. De volgende belangen zijn van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling: - beperken van klimaatverandering; - realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; - waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater.

Beperken van klimaatverandering In het akkoord van Parijs is afgesproken de mondiale klimaatverandering te beperken tot ruim onder de twee graden temperatuurstijging ten opzichte van pre-industrieel niveau en te streven naar 1,5 graad, om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering significant te beperken. Ook is afgesproken om zo snel mogelijk een mondiale piek in de emissies te bereiken en daarna afname van emissies. Het doel is in de tweede helft van de eeuw een balans tussen antropogene emissies en vastlegging van broeikasgassen te realiseren. Nederland heeft zich hieraan gecommitteerd. Het is van nationaal belang om de internationaal afgesproken doelen te halen en de in de Klimaatwet vastgelegde bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering te leveren. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie De groei van de bevolking, welvaart en technologische ontwikkeling leiden tot een groeiende vraag naar fossiele voorraden en voorraden en diensten die de natuur ons kan leveren (ecosysteemdiensten). Die voorraden dreigen te worden uitgeput. Hierdoor is al ingezet op transitie naar een circulaire economie, waarbij het efficiënter gebruiken van grondstoffen centraal staat. Het doel is om uiterlijk in 2050 een volledig

20 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

circulaire economie tot stand te brengen. Onder andere recycling van grondstoffen, hergebruik van producten, en een aangepast ontwerp van producten en productieprocessen waardoor minder en andere grondstoffen worden gebruikt, kunnen een aanzienlijke CO 2-besparing in de keten opleveren. De overlap tussen de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie is substantieel, want de voor de circulaire economie relevante sectoren zijn goed voor ongeveer 28 % van de totale broeikasgasemissies in Nederland. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater Het is van nationaal belang dat voldoende zoetwater van goede kwaliteit (in de vorm van oppervlakte- en grondwater) beschikbaar is voor maatschappelijke en economische functies (drinkwater, landbouw en verwerking en industriële processen, scheepvaart, natuur, en dergelijke), ook op lange termijn. Naast voldoende (grond)water is het van nationaal belang dat we in Nederland een goede waterkwaliteit (oppervlakte- en grondwater) behouden en realiseren. Een goede waterkwaliteit is nodig om het water te kunnen inzetten voor verschillende gebruiksfuncties, inclusief de ontwikkeling van natuur en biodiversiteit. Europese richtlijnen dragen hier in belangrijke mate aan bij.

Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling wordt invulling gegeven aan bovengenoemde nationale belangen. De voorgenomen ontwikkeling bevordert het produceren van biogas uit organische reststromen. Daarnaast worden de laag rendement warmtekrachtkoppelingen (WKK’s) vervangen door een hoog rendement groen gas installatie. Hiermee draagt het plan bij aan de klimaatdoelstellingen. Door zowel water te zuiveren als grondstoffen terug te winnen worden combinaties van functies gebruikt om zo efficiënt mogelijk om te gaan met de grondstoffen. Op deze manier geeft WSL invulling aan het realiseren van een circulaire economie. Tot slot draagt WSL zorg voor het waarborgen van een goede waterkwaliteit door het afvalwater te zuiveren. Het plan past daarmee binnen de nationale belangen beschreven in de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Dit plan raakt geen Rijksbelangen zoals deze zijn genoemd in het Barro en staat het Barro niet in de weg.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in

21 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Traptrede 1: is er een (regionale) behoefte? De eerste trede van de 'ladder' richt zich op het in beeld brengen van de actuele regionale behoefte aan (in dit geval) ruimte voor bedrijvigheid. Om de huidige en de toekomstige afvalmarkt te blijven bedienen, acht WSL verdere optimalisatie van processen noodzakelijk. Dit uit zich in de behoefte voor bouwwerken ten behoeve van de BIR. Traptrede 2: kan het binnenstedelijk? De tweede trede van de ‘ladder’ richt zich op het in beeld brengen van de noodzaak voor het bouwen buiten het stedelijk gebied. Onderhavige plan is onwenselijk in stedelijk gebied. Het is gewenst om de BIR en de AWZI op één plek te centreren. De BIR en de AWZI zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Traptrede 3: kan het multimodaal? De Ladder voor duurzame verstedelijking vraagt, na het aflopen van trede 1 en 2, om een analyse van het aanbod van multimodaal ontsloten locaties buiten stedelijk gebied (trede 3). In het kader van dit project kan worden beargumenteerd dat multimodaliteit niet dermate van belang is. Het plangebied is ontsloten door de Boschlaan en de Europaweg. De conclusie is dat het plangebied uitstekend is ontsloten voor de voorgenomen ontwikkeling.

Op basis van de traptreden van de Ladder voor duurzame ontwikkeling is beargumenteerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vastgesteld. De omgevingsvisie is het strategisch kader voor de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Gelderland tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. Elke dag wordt er samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland gewerkt. De omgevingsvisie geeft hier met behulp van zeven onderwerpen richting aan: 1 energietransitie; 2 klimaatadaptatie; 3 circulaire economie; 4 biodiversiteit; 5 bereikbaarheid; 6 economisch vestigingsklimaat; 7 woon- en leefomgeving. Gelderland wenst op basis van deze 7 onderwerpen de ruimtelijk en economische ontwikkeling van Gelderland te bevorderen. De thema’s energietransitie en economisch vestigingsklimaat zijn voor de uitbreiding van WSL het meest relevant. Onderstaand is ingegaan op deze voor de WSL relevante thema’s. Energietransitie Gelderland heeft het streven om in 2050 volledig klimaatneutraal te zijn. Om dit doel te bereiken zet de provincie Gelderland in op duurzame opwekking. Wind, zon, biomassa, waterstof, geo- en aquathermie en waterkracht; ze zijn allemaal van belang en nodig. De provincie Gelderland stimuleert de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën. Voor het opwekken, opslaan en transporteren van duurzame energie is ruimte nodig.

Windturbines, zonneparken, warmtecentrales, (mest)vergisters, waterkrachtcentrales moeten een plek krijgen in het Gelderse landschap om de gestelde ambitie te halen. Door de voorgenomen

22 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

wijzigingen wordt de capaciteit om biogas op te wekken vergroot. Daarnaast worden de WKK’s vervangen door een groengas opwekking. Economisch vestigingsklimaat Gelderland heeft een unieke ligging op de oostwest-as en de noord-zuid-as van ons land; een strategische en aantrekkelijke positie te midden van andere sterke regio’s – Amsterdam (Randstad), Brussel (Vlaamse Ruit), Keulen (Rheinland). Juist door de bijzondere kwaliteiten en veelzijdigheid van Gelderland – haar natuur, groene steden op menselijke schaal, kennisinfrastructuur, cultuur, recreatie en toerisme en sport – kan zij zich verder ontwikkelen als ideale vestigingsplek en uitvalslocatie om te werken en te wonen. De provincie Gelderland wil dan ook een krachtige impuls aan de regionale economie en arbeidsmarkt geven. Gelderland wil de aantrekkingskracht van de Gelderse regio’s vergroten, zodat mensen hier willen (blijven) wonen en zich willen binden aan Gelderland. Gelderland heeft sterke troeven: Health, Energy, Tech, Food, Logistiek, een sterk midden- en kleinbedrijf. Deze bedrijven wil Gelderland volop de ruimte geven, maar wel op voorwaarde dat ook bijgedragen wordt aan het duurzaamheidsvraagstuk. Want schoon en groen is het uitgangspunt. Met de beoogde wijzigingen van WSL wordt innovatie op het gebied van duurzaamheid gestimuleerd. WSL is met name gericht op lokale arbeidsmarkten.

Verplichte planfiguren Naast deze onderwerpen zijn een vijftal wettelijk verplichte beleidssectoren, door de provincie Gelderland beschreven als planfiguren, voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving opgesteld. Dit zijn de volgende planfiguren: - ruimtelijk beleid; - waterbeleid; - verkeers- en vervoersbeleid; - milieubeleid; - natuur- en landschapsbeleid. Per beleidsthema (behalve verkeer en vervoer) is een themakaart in de Omgevingsvisie beschikbaar. Deze kaarten bevatten aanduidingen die voor de planlocatie van belang zijn. De planlocatie is aangeduid als gebied waar de opwekking van zonne- en windenergie mogelijk is. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op het mogelijk maken van het opwekken van zonne- of windenergie. Toetsing aan deze kaart is daarmee niet van toepassing. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 en is in lijn met dit provinciaal beleid.

3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021)

Het moederplan van de Omgevingsverordening Gelderland is vastgesteld op 24 september 2014. De laatste wijzigingen zijn doorgevoerd op 31 maart 2021. De omgevingsverordening geeft regels voor de fysieke leefomgeving. In artikel 2.24 is opgenomen dat op de voorgenomen locatie van de uitbreidingen van WSL een eenmalige uitbreiding glastuinbouw mogelijk is. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de bepaling in artikel 2.24. De ontwikkeling past daarmee binnen de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland 2021 en is in lijn met dit provinciaal beleid.

23 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Beleid installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre

De gemeente Oost Gelre heeft de ambitie om in 2030 energieneutraal te zijn. De gemeente werkt aan de afbouw van het gebruik van fossiele brandstoffen en de omslag naar hernieuwbare energie. Initiatieven uit de samenleving zijn hard nodig om een energieneutraal Oost Gelre te bereiken. De gemeente richt zich in hun beleid op bewezen en betaalbare technieken om hernieuwbare energie op te wekken. Dit zijn zon, wind en biomassa. In het beleid installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre wordt expliciet verwezen naar het vergisten van industriële organische restromen. Biomassavergisters voor industriële organische reststromen zijn alleen toegestaan op bedrijventerreinen bij kernen. En vanwege de verkeersaantrekkende werking is een goed ontsloten bedrijventerrein wenselijk voor industriële biomassavergisters. Het plaatsen van de bouwwerken ten behoeve van de BIR is in lijn met het beleid van de gemeente Oost Gelre met betrekking tot de opwekking van hernieuwbare energie. De bouwwerken worden geplaatst op een terrein dat is geclassificeerd als bedrijventerrein. Dit bedrijventerrein is echter niet gelegen bij een kern. In onderhavig plan wordt afgeweken van het uitgangspunt met betrekking tot bedrijfsterreinen bij de kernen omdat reeds sprake is van bedrijfsactiviteiten waarbij hernieuwbare energie wordt geproduceerd.

De BIR is een uitbreiding van een bestaande productie van hernieuwbare energie. Het bedrijventerrein is ontsloten met een doorgaande weg.

24 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Hoewel de omgevingsvergunning enkel ziet op het afwijken ten behoeve van de te plaatsen bouwwerken, zijn de effecten van de gehele AWZI hieronder beschouwd.

4.1

Beoordeling m.e.r.-plicht

Ten behoeve van de uitbreiding van WSL is een m.e.r.-beoordeling opgesteld. In de m.e.r.-beoordeling is de uitbreiding voor verschillende milieuthema’s onderzocht. Het doel van de m.e.r.-beoordeling is om te bepalen of voorafgaand aan de vergunningprocedure een volwaardige milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Op basis van de beoordeling kan worden geconcludeerd dat significante negatieve effecten zijn uit te sluiten, waardoor een volwaardige milieueffectrapportage niet nodig is. De m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 3 bij de vergunningaanvraag.

4.2

Natuur

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp vanuit het oogpunt van natuur. Hiervoor is een quickscan natuur opgesteld (zie bijlage 16 bij de vergunningaanvraag). Daarnaast zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositie op natuurgebieden te bepalen (zie bijlage 9 bij de vergunningaanvraag).

4.2.1

Toetsingskader

Het doel van de uitgevoerde quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden voor de uitbreiding bij WSL hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); · beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen).

25 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

4.2.2

Resultaten

Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Korenburgerveen’, op circa 5,2 km ten oosten van het plangebied. Het daarna dichtstbijzijnde gebied betreft ‘Bekendelle’ op circa 10,8 km ten zuidoosten van het plangebied. Zie onderstaande afbeelding voor de ligging van deze Natura 2000-gebieden. De overige Natura 2000-gebieden liggen op ruim grotere afstand. Het Korenburgerveen en Bekendelle hebben beide de status van Habitatrichtlijngebied.

Afbeelding 4.1 Dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden bij het plangebied

Voor de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling zijn de emissies voor de beoogde situatie en referentiesituatie gemodelleerd in AERIUS Calculator. De resultaten laten zien dat voor geen enkel Natura 2000-gebied een depositietoename wordt berekend van meer dan 0,005 mol/ha/jaar. Natuurnetwerk Nederland In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Gelderland. In Gelderland wordt dit Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd waarbij ook Groene Ontwikkelingszones (GO) zijn aangeduid. Het dichtstbijzijnde perceel GNN is gelegen op een afstand van 410 m. Het GO ligt op grotere afstand. Het GNN en GO nabij het plangebied maakt onderdeel uit van het deelgebied ‘Baakse Beek en Lievelde’. De kernkwaliteiten voor dit deelgebied zijn weergegeven onder de onderstaande afbeelding met de ligging van het GNN en GO.

26 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

Afbeelding 4.2 Gelders Natuurnetwerk inclusief Groene ontwikkelingszones nabij het plangebied

Soortenbescherming In het projectgebied zijn verscheidene beschermde diersoorten aanwezig, zoals grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels en vogels met jaarrond beschermd nest.

4.2.3

Conclusie

Natura 2000 Het plangebied ligt op relatief grote afstand (tenminste 5,2 km) van omliggende Natura 2000-gebieden. Het optreden van directe effecten, zoals verstoring door oppervlakteverlies, geluid, licht, trilling of optische verstoring kan als gevolg van de afstand tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig. Bij zowel de realisatie- als gebruiksfase is mogelijk sprake van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De realisatie van de uitbreiding bij WSL valt onder de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningsplicht op grond van artikel 2.9a Wnb, en is daarom niet vergunningplichtig. De gevolgen als gevolg van stikstofdepositie vanwege de realisatiefase hoeven om deze reden ook niet verder te worden onderzocht. De vrijstelling geldt echter niet voor de gebruiksfase. Om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden van de gebruiksfase in beeld te brengen is een stikstofberekening in AERIUS uitgevoerd. Uit de verschilberekeningen blijkt dat er in de beoogde situatie voor geen enkel Natura 2000-gebied een depositietoename wordt berekend van meer dan 0,005 mol/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie. Voor wat betreft stikstofdepositie zijn significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied daarmee op voorhand uit te sluiten.

Omdat hierbij interne saldering is toegepast, dient geen Wnb-vergunning te worden aangevraagd.

27 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het NNN (Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone). Voor gronden die grenzen aan het NNN, maar daar zelf buiten liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen. Het NNN heeft geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Soortenbescherming In het projectgebied zijn verscheidene beschermde diersoorten aanwezig, zoals grondgebonden zoogdier en, vleermuizen, vogels en vogels met jaarrond beschermd nest. Voor de beschermde vleermuizen en vogels in het projectgebied kunnen mitigerende maatregelen worden toegepast. Een vervolgonderzoek wordt uitgevoerd. Indien uit het vervolgonderzoek blijkt dat een ontheffing Wet natuurbescherming nodig is wordt deze ontheffing aangevraagd.

4.3

Water

De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een volwaardige plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in het beheergebied van waterschap Rijn en IJssel. In de toekomstige situatie vindt geen lozing plaats op oppervlaktewater. De AWZI loost het water op het riool van de RWZI. Hierdoor treden geen significante negatieve effecten op ten aanzien van waterkwaliteit en waterkwantiteit. Tevens wordt een wijziging van de watervergunning aangevraagd en daarvoor vindt toetsing plaats aan de wettelijke normen. Er vindt geen wijziging van het grondwaterpeil plaats. Tevens is geen sprake van een doorkruising van watergangen of waterkeringen. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de legger weergegeven. Afbeelding 4.3 Uitsnede legger waterkeringen en watersystemen

28 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

Daarnaast is geen sprake van een significante toename van verhardingsoppervlak. De voorgenomen wijzigingen bestaan zowel uit het toevoegen van verhardingsoppervlak als het verwijderen van verhardingsoppervlak. Het water vloeit via het verhard oppervlak af in het riool naar de RWZI. Voor het plan wordt naast een revisie vergunning ook een wijziging van de watervergunning aangevraagd. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen wijzigingen.

4.4

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

4.4.1

Toetsingskader

De Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

4.4.2

Resultaten en conclusie

Op het terrein waar de uitbreiding van WSL is gepland heeft WRIJ in 2009 een nulsituatie bodemonderzoek uit laten voeren (zie bijlage 11 bij de vergunningaanvraag). Er zijn onder andere monsters genomen ter plaatse van de huidige (door WRIJ te verplaatsen) slibbuffer, waar de nieuwe vooropslagen, vergister en navergister komen te staan. Op deze locatie zijn geen verontreinigingen aangetroffen boven de interventiewaarde. Sindsdien hebben er geen andere werkzaamheden plaatsgevonden dan ten tijde van het onderzoek het geval was. Het is dan ook niet aannemelijk dat de bodemsituatie ter plaatse is veranderd. Daarmee is de bodemkwaliteit (nulsituatie) ter plaatse van de uitbreiding voldoende vastgelegd.

4.5

Archeologie

Voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.

4.5.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige

29 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd.

4.5.2

Resultaten

De gemeente Oost Gelre beschermt archeologische waarden door bij de uitvoer van plannen rekening te houden met archeologische resten in het plangebied. In de vigerende bestemmingsplannen geldt voor de planlocatie de archeologische verwachtingswaarde categorie 1 en 2 (zie paragraaf 2.3). Daarnaast ligt het ontwerp Parapluplan ter inzag op moment van schrijven. Op basis van het ontwerp Parapluplan Archeologie geldt voor de planlocatie Archeologisch verwachtingsgebied 2 en 3. Ingevolge artikel 27.2.1 (categorie 1) van de vigerende bestemmingsplannen geldt ten aanzien van het oprichten van bebouwing dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 100 m² de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in artikel 27.2.1 onder a geldt niet indien: - op basis van nader onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of - het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 100 m 2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of - gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot.

Ingevolge artikel 28.2.1 (categorie 2) van de vigerende bestemmingsplannen geldt ten aanzien van het oprichten van bebouwing dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 2.500 m² de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in artikel 28.2.1 onder a geldt niet indien: - op basis van nader onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of - het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 2.500 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of - gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot. Ingevolge artikel 6.2 (verwachtingsgebied 2) onder a van de het Parapluplan Archeologie is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren voor werkzaamheden dieper dan 40 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 250 m2.

Ingevolge artikel 7.1 (verwachtingsgebied 3) onder a van de het Parapluplan Archeologie is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 1000 m2.

4.5.3

Conclusie

De bouwwerken ten behoeve van de vooropslagen, vergister en navergister worden gerealiseerd ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1’ en de ‘Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2’. De bodemingrepen beslaan naar verwachting een oppervlakte groter dan zowel 100 m2 als 250 m2 en reiken tot een diepte dieper dan 30 cm. Dit betekent dat voor het aanvragen van de

30 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-016.686 | Definitief

omgevingsvergunning - bouwen een archeologisch onderzoek dient te worden aangeleverd. Ter plaatse van deze bodemingrepen is echter sprake van reeds geroerde grond, zoals een reeds aanwezige slibbuffer en verharding. Aan weerszijden van de slibbuffer, ter plaatse van de verharding en de bomen waren in het verleden nog meer onderdelen van de rioolwaterzuiveringsinstallatie aanwezig. Deze onderdelen zijn een aantal jaren geleden zijn verwijderd. Daarmee is op deze locatie de grond jaren geleden ook al eens geroerd. Het is dan ook niet aannemelijk dat archeologische resten worden aangetroffen. Het aanvragen van een omgevingsvergunning en het overleggen van een archeologisch rapport wordt daarom niet nodig geacht. De bouwwerken ten behoeve van de nutriëntenterugwinning en de biogasopwerking worden gerealiseerd ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2’ en ‘Waarde Archeologisch verwachtingsgebied 3’. De bodemingrepen beslaan geen oppervlakte groter dan zowel 2.500 m2 als 1.000 m2. Het overleggen van een archeologisch onderzoek is niet benodigd. Het aspect archeologie is daarmee geen belemmering voor het plan.

4.6

Geluid

Voorafgaand aan een ruimtelijke ontwikkeling dient het aspect geluid te worden beoordeeld. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. Met de voorgenomen ontwikkelingen worden zowel geluidsbronnen verwijderd als toegevoegd aan de bestaande situatie. De laag rendement warmtekrachtkoppelingen (WKK’s) worden vervangen door een hoog rendement groen gas installatie. De toevoeging van mobiele bronnen op het terrein van de inrichting bestaan uit extra vrachtwagens en personenauto’s. Op het terrein van de inrichting vinden activiteiten plaats die leiden tot piekgeluid. Het gaat hierbij om remontluchting van vrachtwagens en het slaan van autodeuren. Deze mobiele bronnen zijn alleen in de dagperiode actief van maandag tot en met vrijdag en incidenteel op zaterdag(ochtend).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11804966/1