vvgb boschlaan 18 bijlage 16 quickscan natuur
Tekst van het document
Uitbreiding Waterstromen Lichtenvoorde Quickscan natuur
Waterstromen B.V. 6 september 2021
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Leeswijzer
5
2
PLANGEBIED
6
2.1
Beschrijving
6
2.2
Werkzaamheden
7
3
TOETSINGSKADER
8
3.1
Wet natuurbescherming
8
3.1.1 3.1.2
8 8
Gebiedsbescherming Soortenbescherming
3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
10
4
GEBIEDSBESCHERMING
13
4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
13
4.1.1 4.1.2
13 14
4.2
Gegevens Effecten en conclusie
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
15
4.2.1 4.2.2
15 16
Gegevens Effecten & conclusie
4.3
Houtopstanden
16
5
SOORTENBESCHERMING
17
5.1
Methode
17
5.2
Beschrijving per soortgroep
17
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4
17 18 21 24
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels
5.2.5 5.2.6 5.2.7 5.2.8
Amfibieën Reptielen Vis Vlinders, libellen en andere ongewervelden
27 28 29 29
6
SAMENVATTING
31
6.1
Gebiedsbescherming
31
6.1.1 6.1.2
31 31
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland
6.2
Soortenbescherming
31
7
LITERATUUR
37
Laatste pagina
37
Bijlage(n) I
Instandhoudingsdoelen (IHD’s) Natura 2000
Aantal pagina's 1
1 INLEIDING
1.1
Aanleiding
Waterstromen Lichtenvoorde (WSL) is voornemens haar inrichting uit te breiden. Voor de beoogde uitbreiding wordt het terrein ten westen van WSL gebruikt. Dit terrein is voor het grootste deel onbebouwd en in gebruik door Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ). Momenteel staat er een slibbuffer in eigendom van WRIJ die ontmanteld wordt en op het noordelijke gedeelte van het terrein een klein bos. Voor de uitbreiding is een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan vereist, waarvoor een ruimtelijke onderbouwing wordt opgesteld. Onderdeel van deze onderbouwing is een quickscan flora en fauna, waarin de effecten van de bouwplannen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden onderzocht. De geplande werkzaamheden voor de uitbreiding bij WSL kunnen effecten hebben op beschermde natuurwaarden in en rondom het plangebied voor deze uitbreiding. In deze quickscan worden mogelijke effecten op beschermde gebieden (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland) en aanwezige beschermde soorten van de Wet natuurbescherming (Wnb) door de geplande werkzaamheden beoordeeld en getoetst. Naast het bepalen van de effecten van het voornemen op beschermde gebieden en soorten, worden ook de juridische consequenties en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen, zoals een ontheffingsaanvraag en eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen, inzichtelijk gemaakt.
1.2
Doel
Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden voor de uitbreiding bij WSL hebben op; · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); · beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). Een bomeninventarisatie maakt geen onderdeel uit van dit rapport.
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 gaat in op het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. In hoofdstuk 4 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden die vallen binnen de Wet natuurbescherming (Wnb) en/of het NNN. Hoofdstuk 5 beschrijft per soortgroep of er in of nabij het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze beschermde soorten van de Wnb zijn. In hoofdstuk 6 zijn de belangrijkste conclusies samengevat en in hoofdstuk 7 staat is de geraadpleegde literatuur weergegeven.
5 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
2 PLANGEBIED
2.1
Beschrijving
De locatie van WSL is gelegen aan de Boschlaan 18b te Lichtenvoorde, provincie Gelderland. Het plangebied bevindt zich naast de inrichting van WSL op het terrein van WRIJ. In onderstaande afbeelding is de uitbreiding van de inrichting met een gele onderbroken lijn weergegeven. De te realiseren bouwwerken zijn in blauw weergegeven.
Afbeelding 2.1 Plangebied (weergegeven met gele onderbroken lijn)
In de huidige situatie bestaat het plangebied aan de zuidwestzijde uit een slibbuffer in eigendom van WRIJ die ontmanteld wordt. De noordzijde van het plangebied maakt onderdeel uit van een klein bos die rond het terrein ligt. Het plangebied wordt aan de westzijde begrenst door de huidige inrichting van WSL, met verharding rond de bouwwerken. Aan de zuidoostzijde van het plangebied ligt de rwzi van WRIJ. Hier bevindt zich kort gemaaid gras rond de bouwwerken en enkele meters ten zuiden van het plangebied een drassige strook. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrenst door een hekwerk dat rond het gehele
6 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
terrein aanwezig is (zowel inrichting van WSL als WRIJ). Enkele meters ten noorden van het hekwerk loopt de Baakse Beek. In afbeelding 2.2 is een impressie van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 2.2 Impressie plangebied (afbeelding rechtsboven betreft de te slopen slibbuffer)
2.2
Werkzaamheden
Voor de realisatie van de uitbreiding wordt eerst de slibbuffer van WRIJ verwijderd en dienen een aantal bomen gekapt te worden. Vervolgens worden verschillende bouwwerken gerealiseerd zoals weergegeven in afbeelding 2.1: 1 vooropslagen; 2 vergister; 3 navergister; 4 nutriëntenterugwinning; 5 biogasopwekking. De werkzaamheden betreffen dus een breed spectrum aan bouwactiviteiten, waarbij ook wordt gewerkt met zwaar materieel. De planning van de werkzaamheden is nog niet bekend.
7 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
3 TOETSINGSKADER
3.1
Wet natuurbescherming
3.1.1
Gebiedsbescherming
In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. Kunnen dergelijke significante effecten wel worden uitgesloten, maar kan er wel enige verslechtering plaatsvinden, dan is een verslechteringtoets vereist.
In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.
3.1.2
Soortenbescherming
Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘Andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht.
8 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen.
Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.
Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd.
9 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘Andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of - te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving.
Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.
3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het provinciaal beleid met betrekking tot het NNN binnen Gelderland is in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland1 opgenomen. Hierin is het NNN binnen Gelderland opnieuw gedefinieerd als het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De gebieden die nog niet als natuur zijn ingericht in de voormalige ecologische Hoofdstructuur heten nu de Groene Ontwikkelingszone (GO). De juridische uitwerking van het beleid in het kader van het GNN/GO is opgenomen in de Omgevingsverordening2. Het GNN bestaat uit de voormalige gronden binnen de EHS en zoekgebieden voor nog te realiseren natuur. In het GNN is uitsluitend sprake van een natuurbestemming. De GO bestaat daarentegen uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. Enkele weidevogelreservaten maken deel uit van het GNN. Door de samenhang met de aangrenzende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. De wezenlijke kenmerken en waarden binnen het GNN en GO worden in de provincie Gelderland gevormd door kernkwaliteiten. Voor 185 deelgebieden binnen Gelderland zijn gebiedsspecifieke kernkwaliteiten geformuleerd.
Deze zijn opgenomen in de bijlage ‘Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone’ bij de Omgevingsverordening. Naast de gebiedsspecifieke kernkwaliteiten zijn er in de bijlage bij de Omgevingsverordening de volgende algemene kernkwaliteiten vastgelegd: ‘Tot de kernkwaliteiten behoren ook de milieucondities, die de voorwaarde vormen voor het voortbestaan van de natuur: de ecologische samenhang, de stilte, duisternis, de openheid en de rust. Het benoemen van de
1
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, vastgesteld door PS op 19 december 2018.
2
Geconsolideerde Omgevingsverordening provincie Gelderland, vastgesteld door PS op 31 maart 2021.
10 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
milieucondities als kernkwaliteit betekent dat nieuwe plannen en projecten geen verslechtering van de milieucondities mogen veroorzaken.’ De ecologische beoordeling van effecten op de kernkwaliteiten is voor GNN en GO hetzelfde. Per deelgebied gelden voor het GNN en GO dan ook dezelfde kernkwaliteiten. De plaats die de ecologische beoordeling van de kernkwaliteiten inneemt binnen de bepaling of mitigerende en compenserende maatregelen aan de orde zijn, is voor het GNN echter anders dan voor het GO. Dit wordt door middel van onderstaande paragrafen toegelicht. Beschermingsregime GNN Het beschermingsregime voor het GNN is een directe doorvertaling van het ‘Nee, tenzij-regime’ uit de Spelregels EHS. Voor het GNN geldt dat bestemmingswijzigingen in bestaande natuur niet zijn toegestaan, tenzij: - er geen reële alternatieven aanwezig zijn; - er sprake is van redenen van groot openbaar belang; - de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; - en de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd. Omdat in principe geen nieuwe functies in het GNN zijn toegestaan, geldt ruimtebeslag binnen het GNN op grond van de verordening altijd als een significante aantasting.
Deze aantasting moet worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Om te bepalen hoe deze compensatieopgave er uit moet zien, wordt beoordeeld welke natuurwaarden in het licht van de kernkwaliteiten ter plaatse van het ruimtebeslag verdwijnen. Hierbij geldt steeds dat de oppervlakte aan natuurwaarden die ter plaatse van het onderzoeksgebied verdwijnt, gelijkwaardig gecompenseerd moet worden. In het kader van de beoordeling van het GNN is geen sprake van externe werking. Dit betekent dat (naast aantasting door oppervlakteverlies) alleen verstorende effecten op het GNN worden bepaald als direct gevolg van dat gedeelte van de activiteit dat binnen het GNN gelegen is. Als bijvoorbeeld het gedeelte van de activiteit dat binnen het GNN gelegen is aanvullend ook geluidsverstoring veroorzaakt en de aanwezige kernkwaliteiten hier gevoelig voor zijn, wordt deze aantasting, indien significant, eveneens gemitigeerd/gelijkwaardig gecompenseerd. Vanuit een zorgvuldige planvoorbereiding en goede ruimtelijke ordening dient er echter wel aandacht te zijn voor de gevolgen van het plan op de kernkwaliteiten van nabijgelegen GNN. Beschermingsregime GO De GO heeft een dubbeldoelstelling: er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang met aangrenzende natuurgebieden.
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij: - geen reële alternatieven aanwezig zijn; - sprake is van redenen van groot openbaar belang; - de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; en - de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd. In tegenstelling tot het GNN staat ruimtebeslag binnen het GO dus niet direct gelijk aan een significante aantasting, maar zijn ruimtelijke ontwikkelingen wel mogelijk. Of er sprake is van een significante aantasting van het GO wordt bepaald aan de hand van de kernkwaliteiten van het deelgebied waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt. Indien er sprake is van een significante aantasting van deze kernkwaliteiten of de
11 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
samenhang van natuurwaarden binnen het GNN/GO, dienen de effecten op deze kernkwaliteiten gemitigeerd of gelijkwaardig gecompenseerd te worden. Dit geldt niet alleen voor effecten als gevolg van oppervlakteverlies, maar ook andere verstorende effecten. Andere verstorende effecten die als direct gevolg van de activiteit binnen het GO optreden, dienen beoordeeld te worden.
12 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
4 GEBIEDSBESCHERMING
4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
4.1.1
Gegevens
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Korenburgerveen’, op circa 5,2 km ten oosten van het plangebied. Het daarna dichtstbijzijnde gebied betreft ‘Bekendelle’ op circa 10,8 km ten zuidoosten van het plangebied. Zie afbeelding 4.1 voor de ligging van deze Natura 2000-gebieden. De overige Natura 2000-gebieden liggen op ruim grotere afstand. Het Korenburgerveen en Bekendelle hebben beide de status van Habitatrichtlijngebied [lit. 1].
Afbeelding 4.1 Dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden bij het plangebied [lit. 2]
Hieronder wordt voor de Natura 2000-gebieden een korte beschrijving gegeven en worden de relevante aandachtspunten voor de gebieden beschreven:
13 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
Korenburgerveen In het Korenburgerveen is een natuurlijke overgang van hoogveen via laagveen naar de Schaarsbeek en naar het omringend zandlandschap aanwezig. Deze overgangen zijn - vanwege hun hoge en bijzondere soortenrijkdom - een van de belangrijkste kwaliteiten van het gebied. De eigenlijke hoogveenafzetting is beperkt in diepte, doordat tot vrij hoog in de veenprofiel invloed van grondwater aanwezig is. In de gradiënt naar de Schaarsbeek komt over een grote oppervlakte zegge-broekmoeras voor, waarvan het galigaanmoeras en de veenbossen deel uitmaken. De natuurlijke overgangen tussen de typen zijn mede verantwoordelijk voor een rijke fauna. Ondanks de turfwinning is het hoogveengedeelte van het Korenburgerveen één van de meest kansrijke hoogveenrestanten in Nederland. In het gebied zijn daarom verschillende maatregelen genomen met het oog op herstel van hoogveenvorming. Het gebied maakt onderdeel uit van het parelsnoer van veengebieden op de Duits-Nederlandse grens. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten [lit. 1]. Een overzicht van deze habitattypen en -soorten en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage I. Bekendelle Bekendelle is een bosgebied langs de hier vrij meanderende Boven-Slinge, dat begin negentiende eeuw spontaan bebost is geraakt.
Het bos dat in het laaggelegen deel van het gebied ligt, loopt bij hoge waterstanden onder en is beekbegeleidend vogelkers-essenbos. Er zijn overgangen naar het eikenhaagbeukenbos en het wintereiken-beukenbos en naar elzenbroekbos. Het grootste deel van het gebied bestaat uit eiken-beukenbossen en naaldbos, deels met hulst in de ondergroei. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor habitattypen [lit. 1]. Een overzicht van deze habitattypen en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage I.
4.1.2
Effecten en conclusie
Fysieke effecten Het plangebied ligt op relatief grote afstand (tenminste 5,2 kilometer) van omliggende Natura 2000gebieden. Als gevolg van deze afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten dat effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Stikstofdepositie Op 1 juli 2021 zijn de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Besluit natuurbescherming (Bnb) op onderdelen gewijzigd. Eén van deze onderdelen is de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningsplicht op grond van artikel 2.9a Wnb, welke geldt voor de volgende activiteiten (artikel 2.5 Bnb): - het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; - het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. De werkzaamheden voor de uitbreiding bij WSL vallen onder bovenstaande activiteiten. Concreet betekent dit dat de werkzaamheden onder de vrijstelling vallen en de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden als gevolg van de werkzaamheden niet vergunningplichtig zijn.
Deze gevolgen hoeven om deze reden ook niet verder onderzocht te worden. De vrijstelling geldt echter niet voor de gebruiksfase. Om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden van de gebruiksfase in beeld te brengen dient een stikstofberekening in AERIUS uitgevoerd te worden. Als uit deze berekening volgt dat er geen sprake is van een meetbare projectbijdrage (<0,005 mol/ha/jr), dan is de nodige juridische zekerheid verschaft dat de werkzaamheden kunnen plaatsvinden zonder Wnb-vergunning.
14 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
In het geval er toch een hogere projectbijdrage optreedt zijn nadere vervolgstappen nodig (Voortoets en/of Passende Beoordeling en vergunning. Overige indirecte effecten Indirecte effecten kunnen een zeer grote reikwijdte hebben. Voorbeelden van mogelijke indirecte effecten zijn ‘verzuring’, ‘verzoeting’, ‘verzilting’, ‘verontreiniging’, ‘verdroging’ of ‘vernatting’. De realisatie van de uitbreiding bij WSL zorgt niet voor één van deze effecten binnen de omliggende Natura 2000-gebieden omdat de werkzaamheden geen effect hebben op de waterhuishouding of verontreiniging veroorzaken.
4.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
4.2.1
Gegevens
In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Gelderland. In Gelderland wordt dit Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd waarbij ook Groene Ontwikkelingszones (GO) zijn aangeduid. Het dichtstbijzijnde perceel GNN is gelegen op een afstand van 410 meter. Het GO ligt op grotere afstand. Het GNN en GO nabij het plangebied maakt onderdeel uit van het deelgebied ‘Baakse Beek en Lievelde’. De kernkwaliteiten voor dit deelgebied zijn weergegeven onder de onderstaande afbeelding met de ligging van het GNN en GO.
Afbeelding 4.2 Gelders Natuurnetwerk inclusief Groene ontwikkelingszones nabij het plangebied1
1
Kaart gemaakt in QGIS. GNN en GO gebieden afkomstig uit dataset: https://data.overheid.nl/dataset/8765-omgevingsvisie-ecologische-verbindingszones--provincie-Gelderland.
15 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
Kernkwaliteiten natuur en landschap Voor het deelgebied ‘Baakse Beek en Lievelde’ gelden de volgende kernkwaliteiten: - overwegend kleinschalig kampenlandschap op dekzand in het oosten en grootschalig ontginningslandschap in het westen, met de Baakse Beek ontspringend in beekjes op het OostNederlands Plateau, vandaar snelstromend afdalend naar het vroegere moeras; - oostelijk deel (Oost-Nederlands Plateau) onderdeel van Nationaal Landschap Winterswijk; - de evz Baakse Beek - Veengoot vormt de verbinding tussen Winterswijk en de Graafschap; modellen: kamsalamander, hagedis, vuurvlinder en winde; - spoordijk Winterswijk - Zutphen van belang als leefgebied en migratiezone voor reptielen, m.n. zandhagedis; - Parel Lievelderveld: natte heide met karakteristieke en bijzondere soorten; - Parel Koolmansdijk: blauwgrasland, door natuurontwikkeling sterk uitgebreid en spectaculair hersteld; - leefgebied steenuil en boomkikker; - kleinschalig en onregelmatig essen- en kampenlandschap op de rand van het Oost-Nederlands Plateau met duidelijk herkenbaar hoogteverschil; Lievelde en Vragender als esdorpen, snelstromende beken; - kleinschalig kampenlandschap met intensieve groen-blauwe en recreatieve dooradering: klompenpaden Zieuwent; - zichtbare en gerestaureerde resten van de Circumvallatielinie uit 1627 Beleg van Grol: o.a.
Lievelder Schans; - cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de beken, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels en boerderijen; - abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir aardkundige waarden.
4.2.2
Effecten & conclusie
Het plangebied grenst niet aan en is geen onderdeel van een GNN- of GO-gebied. Het dichtstbijzijnde perceel waarop de verschillende kernkwaliteiten aanwezig zijn ligt op circa 410 m ten noorden van het plangebied. Aangezien het plangebied buiten de grenzen van het GNN ligt, en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig.
4.3
Houtopstanden
Binnen het plangebied zijn bomen aanwezig die in het kader van de werkzaamheden voor de realisatie van de uitbreiding bij WSL. Wanneer bekend is welke bomen gekapt worden in het kader van de realisatie van de uitbreiding, wordt aanbevolen een bomenonderzoek uit te voeren bestaande uit een bureaustudie en een inventarisatie in het veld. De bureaustudie is bedoeld om na te gaan welke voorwaarden van kracht zijn op de te kappen bomen. Zo wordt nagegaan of de te kappen bomen zijn opgenomen in het bomenstructuurplan van de gemeente (bv. als structuurbepalende of waardevolle boom) en of de gemeente bijkomende voorwaarden stelt aan het kappen van deze specifieke exemplaren. Op basis hiervan kunnen de noodzakelijke vervolgstappen in relatie tot de natuurwetgeving betreft houtopstanden worden beschreven. Hieruit kan volgen dat één of meerder van volgende aanvragen/handelingen nodig zijn; - omgevingsvergunning - kappen; - melding Wnb - Houtopstanden. De inventarisatie in het veld is bedoeld om de soort, diameter en locatie van de te kappen bomen te onderzoeken en registreren. Deze informatie is immers nodig voor het in een latere fase aan kunnen vragen van een eventuele omgevingsvergunning/melding/et cetera.
16 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
5 SOORTENBESCHERMING
5.1
Methode
Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestaat uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 3]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor is, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het plangebied zich op een afgesloten terrein bevindt waarop geen waarnemingen kunnen worden gedaan zonder toestemming van het WRIJ en/of WSL. Dit geeft een vertekent beeld van de aanwezigheid van soorten op het terrein. De directe omgeving van het plangebied is wel toegankelijk. Ter verificatie van- en als aanvulling op de bureaustudie is door een ecoloog van Witteveen+Bos een veldbezoek uitgevoerd op 17 augustus 2021. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd.
Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.
5.2
Beschrijving per soortgroep
5.2.1
Planten
Bureaustudie Uit de database van de NDFF [lit. 3] blijkt dat de afgelopen vijf jaar binnen drie kilometer van het plangebied geen beschermde plantsoorten zijn waargenomen. Het plangebied biedt geen geschikte habitat aan de beschermde soorten onder de wet natuurbescherming. Dit is geverifieerd tijdens het veldbezoek van 17 augustus 2021. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren.
17 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantsoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit een klein bos (met name bestaand uit zomereik en hazelaar) en een klein deel van het terrein van WRIJ met wat bouwwerken. Daarbij zijn er algemeen voorkomende plantensoorten aanwezig zoals braam, klein springzaad, robertskruid, brandnetel, hondsdraf en klimop. Zie afbeelding 5.1 voor een selectie van de aangetroffen soorten in het plangebied.
Afbeelding 5.1 Impressie van de aangetroffen vegetatie in het plangebied
Het plangebied en de directe omgeving bieden geen geschikt biotoop aan beschermde (vaat)planten. Op basis van de ligging en de aard van het plangebied (klein bos met een voedselrijke bodem en deels verhard deel van de rwzi) is het daardoor uitgesloten dat er binnen het plangebied beschermde plantsoorten voorkomen. Effecten en conclusie Uit de database van de NDFF [lit. 3] blijkt dat er in de wijdere omgeving (circa 3 km) van het plangebied gedurende de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen zijn gedaan van de onder de Wnb beschermde flora. De aanwezige vegetatie binnen het plangebied bestaat uit algemeen voorkomende soorten. Op basis van de aangetroffen vegetatietypen en de aanwezige biotopen binnen het plangebied kan het voorkomen van onder de Wnb beschermde plantensoorten worden uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soortgroep niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.2
Grondgebonden zoogdieren
Bureaustudie Op basis van de NDFF databank [lit. 3] zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving (circa 3 km) van het plangebied waarnemingen bekend van in de provincie Gelderland vrijgestelde ‘Andere soorten’: bosmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn en ree. Daarnaast zijn enkele waarnemingen van de niet vrijgestelde ‘Andere soorten’ boommarter, eekhoorn en steenmarter bekend. Van de Habitatrichtlijnsoorten geen waarnemingen bekend. De waarnemingen van de beschermde en niet vrijgestelde soorten bevinden zich alle op ruime afstand buiten het plangebied. In afbeelding 5.2 zijn de waarnemingen uit het NDFF weergegeven.
18 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
Afbeelding 5.2 Waarnemingen van beschermde zoogdieren in de ruime omgeving van het plangebied (rode contour) [lit. 3]1
De biotoopeisen van deze soort worden in onderstaand kader beschreven. Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. Bij de boommarter wordt al gauw gedacht aan oud (loof)bos. In Nederland klopt dat beeld in ieder geval niet; de boommarter komt hier in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolders en in Moerasbossen in Overijssel en Utrecht [lit. 4]. Eekhoorn Het verspreidingsgebied van de eekhoorn strekt zich uit over heel Europa en Noord-Azië. Ze leven tot op een hoogte van 2.000 meter. De eekhoorn komt in grote delen van Nederland voor, vooral in Drenthe, Overijssel, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Ook in de duinen van Noord- en Zuid-Holland komen eekhoorns voor. Tussen 1960 en 1970 brak een virusziekte uit waardoor de eekhoorn in het hele land zeldzaam werd. Na 1970 heeft herstel plaatsgevonden. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40 - 80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is [lit. 4].
Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een 1
Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
19 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt [lit. 4]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van, onder de Wnb, beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Het plangebied biedt wel geschikt biotoop aan verschillende voorkomende ‘Andere soorten’ als egel, haas, konijn, ree en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Doordat het terrein grotendeels omheind is met een hekwerk is uit te sluiten dat ree gebruik maakt van het plangebied. Ook voor haas is het om die reden de vraag of ze op het terrein voorkomen, al zouden ze via de poort wel het terrein op kunnen lopen. Konijnenholen zijn daarnaast ook niet aangetroffen. Wel is een grote hoeveelheid aan muizenholen in het plangebied aanwezig (zie afbeelding 5.3).
Afbeelding 5.3 Muizenholen
Voor boommarter, een echte bosbewoner, vormt het noordelijk deel van het plangebied in potentie geschikt biotoop. Datzelfde geldt voor eekhoorn, hoewel verblijfplaatsen van eekhoorn (bolvormige nesten van takken) niet zijn waargenomen. Ook biedt het plangebied met zijn ruime hoeveelheid aanwezige schuilplaatsen (rommelige randen, houtstapels) en de aanwezigheid van prooi (met name muizen) geschikt foerageergebied aan steenmarter en kleine marterachtigen (met name wezel. Hermelijn en bunzing zijn veel meer watergebonden, maar tevens niet uit te sluiten). Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen van deze soorten aangetroffen. Effecten en conclusie Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten (bijlage A Wnb) binnen het plangebied is op basis van aanwezige biotopen en ligging van het plangebied ten opzichte van de bekende verspreiding van deze soorten niet uit te sluiten. Voor het verstoren van deze algemeen voorkomende soorten geldt binnen de provincie Gelderland een algemene vrijstelling. Wel geldt de algemene zorgplicht (zie paragraaf 3.1.2). Rondom het plangebied zijn voldoende alternatieve leefgebieden en uitwijkmogelijkheden. Het plangebied biedt potentieel geschikt foerageergebied voor eekhoorn.
Vaste verblijfplaatsen van deze soort waren als gevolg van het dichte bladerdek niet waarneembaar tijdens het veldbezoek, maar zijn tevens niet uit te sluiten. Bij het kappen van de bomen en het realiseren van de uitbreiding is er daardoor mogelijk sprake van het vernietigen van verblijfplaatsen van eekhoorn in deze bomen en het verstoren van verblijfplaatsen van eekhoorn in de omgeving. Het plangebied biedt potentieel geschikt foerageergebied en leefgebied aan boommarter, steenmarter en kleine marterachtigen. Negatieve effecten op deze soortgroepen kunnen op voorhand niet uitgesloten
20 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
worden. Ten aanzien van deze soortgroepen is overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb als gevolg van geplande werkzaamheden niet uit te sluiten. Voor de overige soorten binnen deze soortgroep is overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb als gevolg van de geplande werkzaamheden wel uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb (zie paragraaf 3.1.2). Er dient nader onderzoek naar het voorkomen van boommarter, steenmarter en kleine marterachtigen in het plangebied uitgevoerd te worden. Dit onderzoek bestaat uit het plaatsen van enkele wildcamera’s in daarvoor bestemde Mostela’s en Struikrovers, waarmee door middel van foto’s en video’s de aanwezigheid van de marterachtigen wordt onderzocht. Deze camera’s dienen binnen de optimale periode (maart t/m augustus) minimaal zes weken actief te zijn. Buiten deze periode moeten de camera’s minimaal twaalf weken actief zijn. Indien uit het onderzoek blijkt dat het plangebied onderdeel is van essentieel leefgebied van (enkele van) deze soorten, dan is een ontheffing Wnb nodig voor de uitbreiding. Daarnaast dient er in de periode waarin de bomen niet in het blad staan gecontroleerd te worden of er verblijfplaatsen van eekhoorn in het plangebied aanwezig zijn.
Indien deze verblijfplaatsen aanwezig zijn en deze worden vernietigd of verstoord als gevolg van de werkzaamheden dan is een ontheffing Wnb nodig voor de uitbreiding.
5.2.3
Vleermuizen
Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR). Volgens de NDFF database [lit. 3] komen er tenminste drie soorten vleermuizen voor in de directe omgeving van het plangebied. Het betreft waarnemingen van overvliegende en/of foeragerende individuen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Er zijn geen waarnemingen van vleermuizen in (de directe omgeving van) het plangebied bekend. Zie afbeelding 5.4 voor de waarnemingen van vleermuizen uit het NDFF.
21 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
Afbeelding 5.4 Waarnemingen van vleermuizen in de ruime omgeving van het plangebied (rode contour) [lit. 3]1
De biotoopeisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Gewone dwergvleermuis (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 5]. Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw.
In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten [lit. 5]. Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In Midden-Europa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. Met behulp van ringonderzoek 1
Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
22 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek. Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden [lit. 5]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van (sporen van) vleermuizen. Het plangebied bestaat voor een deel uit een klein bosgebied. Het plangebied zelf vormt mogelijk geschikt foerageergebied voor vleermuizen en ook langs de randen van het bosje bevinden zich luwe gebieden die mogelijk foerageergebied vormen of onderdeel zijn van een vliegroute (boven de rwzi en langs de Baakse Beek). Mogelijk bieden de bomen in het plangebied geschikte verblijfplaatsen aan verschillende boom bewonende vleermuizen (bijvoorbeeld rosse vleermuis). Geschikte holtes en spleten in de bomen (verblijfplaatsen) waren als gevolg van het dichte bladerdek niet waarneembaar tijdens het veldbezoek, maar zijn tevens niet uit te sluiten. De bouwwerken in de omgeving van het plangebied zijn niet geschikt als verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het betreffen procesinstallaties en gebouwen voor procesinstallaties waarin geen gaten, kieren of open stootvoegen zijn waargenomen.
Effecten en conclusie Foerageergebied en vliegroutes In de omgeving foeragerende en overvliegende vleermuizen en in het plangebied verblijvende vleermuizen kunnen worden verstoord, wanneer de werkzaamheden zorgen voor geluid, licht of trillingen in het gebied. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot februari). Waar verlichting nodig is dient gebruik te worden gemaakt van efficiënt lichtbeheer. Dit kan door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht); - gebruikt te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel op 1 bepaalde kant (en weg van het foerageergebied/de vliegroute) richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen.
Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. Na de kap van een deel van de bomen in het plangebied, blijft er voor vleermuizen geschikt foerageergebied aanwezig tussen of rondom de resterende bomen. Daarnaast is er in de omgeving voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Verblijfplaatsen De aanwezigheid van verblijfplaatsen in de bomen in het plangebied is niet op voorhand uit te sluiten. Verstoring of vernietiging van verblijfplaatsen is een overtreding volgens de Wnb. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied dient daarom nader onderzocht te worden. Dit kan door in eerste instantie de aanwezigheid van geschikte holten te onderzoeken in de bladloze periode (winter). Indien gedurende deze controle de aanwezigheid van holten kan worden uitgesloten, zijn geen vervolgstappen nodig. Indien gedurende de controle tijdens de bladloze periode wel potentiële verblijfplaatsen worden aangetroffen, dan dient aan de hand van een gericht vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021 worden bepaald of daadwerkelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn in de te kappen bomen. Als tijdens de controle slechts enkele geschikte holtes worden waargenomen dan kan als tussenstap ook gekozen worden voor een extra check van deze holtes met een camera.
Blijkt daaruit dat deze holtes bijvoorbeeld te ondiep zijn voor vleermuizen, of om andere redenen niet geschikt, dan hoeft mogelijk geen nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Kunnen verblijfplaatsen alsnog niet uitgesloten worden, dan is het nader onderzoek naar vleermuizen wel nodig. Een vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021 betekent dat in de periodes tussen 15 mei en 15 juli en 15 augustus en 1 oktober onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd moet worden. Indien uit het onderzoek volgt
23 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
dat er in het plangebied verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan is voor de werkzaamheden in het plangebied een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.
5.2.4
Vogels
Bureaustudie Op basis van de NDFF database [lit. 3] werden de afgelopen vijf jaar in de wijdere omgeving (circa 3 km) van het plangebied verschillende algemeen voorkomende vogelsoorten waargenomen. Hierbij valt te denken aan soorten als tjiftjaf, winterkoning, putter, zanglijster, koolmees en merel. Daarnaast werden in de wijdere omgeving van het plangebied ook verschillende soorten waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn [lit. 6]. Het betreft voornamelijk waarnemingen van soorten die geen nestindicerend gedrag vertonen, zoals overvliegende en foeragerende soorten. Er zijn echter ook waarnemingen van soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is die nestindicerend gedrag vertoonden. Het betreft de soorten buizerd, huismus, slechtvalk en steenuil. De dichtst bij het plangebied bekende waarneming van een soort met jaarrond beschermd nest die nestindicerend gedrag vertoonde, betreffen buizerd en steenuil, zie afbeelding 5.5.
Afbeelding 5.5
Waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest die nestindicerend gedrag vertonen in de ruime omgeving van het plangebied (rode contour) [lit. 3]1
1
Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
24 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
De biotopeneisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal [lit. 6]. Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. De huismus heeft 2 tot 3 legsels per broedseizoen met elk 4 - 6 eieren. Broedduur: 11 - 12 dagen. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten, Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen [lit. 6]. Slechtvalk Broedt op kliffen en op bergwanden, in nissen en op richels; ook in oude nesten van roofvogels en kraaien. Steeds vaker in nestkasten. In Nederland in steden (kantoorgebouwen, torens) en in open boerenland in hoogspanningsmasten. Soms op de grond (Waddeneilanden). Jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen met veel vogels. Buiten de broedtijd meestal in open landschappen, in boerenland, uiterwaarden op kwelders e.d.
Zit vaak op de grond of op een paaltje, maar ook op een hoog uitkijkpunt (masten). Groot aanbod aan prooien cruciaal [lit. 6]. Steenuil Veelal kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. In grootschalige landbouwgebieden is de steenuil afhankelijk van gevarieerde erven bij boerderijen of vrijstaande huizen. Jachtgebied bestaat uit open terrein met het hele jaar door lage vegetatie (beweiding). Voorts zijn er voldoende zitplaatsen van één tot anderhalve meter hoogte (paaltjes bijvoorbeeld) om vanuit te jagen. Er zijn schuilplaatsen en broedholen in oude bomen, schuren, gebouwen en dergelijke [lit. 6]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn in en nabij het plangebied verschillende algemeen voorkomende vogels zoals merel, ekster en koolmees aangetroffen. De grote bomen en lage vegetatie onder deze bomen in het plangebied vormen geschikt broedgebied aan verschillende algemeen voorkomende broedvogelsoorten. De koolmees heeft een categorie 5 jaarrond beschermd nest. Dit betekent dat het nest alleen jaarrond beschermd is als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Er werden verder geen waarnemingen gedaan van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1 t/m 4).
In het plangebied werden verschillende vogelnesten waargenomen, waarbij er mogelijk ook nesten niet zichtbaar waren doordat de bomen volop in het blad staan.
25 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
Afbeelding 5.6 Waargenomen vogelnesten in het plangebied
Omdat het plangebied deels bestaat uit een klein bos, met in de directe omgeving open gebied (akkers/weilanden), wordt het gebied geschikt geacht als broedplaats voor buizerd, sperwer en ransuil. Jaarrond beschermde nesten zijn daarom op voorhand niet uit te sluiten. Voor huismus is het plangebied niet geschikt doordat er geen huizen met dakpannen of andere voor huismus geschikte gaten en kieren aanwezig zijn. Ook van steenuil worden geen nesten verwacht. Deze soort broed voornamelijk in nestkasten, die niet in het plangebied werden aangetroffen. Effecten en conclusie Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd onder artikel 3.1 van de Wnb. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (artikel 3.1 Wnb). Vogels met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek is koolmees waargenomen, welke een categorie 5 jaarrond beschermd nest heeft. Categorie 5 betekent dat de nesten buiten het broedseizoen niet beschermd zijn, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden een jaarronde bescherming rechtvaardigen. Voor koolmees geldt dat er in de omgeving voldoende broedgelegenheid aanwezig is. De mogelijk in het plangebied aanwezige nesten zijn daardoor niet beschermd buiten het broedseizoen.
De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van buizerd, sperwer en ransuil zijn op voorhand niet uit te sluiten. Bij het kappen van de bomen is er daardoor mogelijk sprake van het vernietigen van jaarrond beschermde nesten in deze bomen en het verstoren van jaarrond beschermde nesten in de omgeving. Er dient in de periode waarin de bomen niet in het blad staan een onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in en nabij het plangebied. Indien nesten gedurende deze controleronde worden aangetoond, dan dient gedurende het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) te worden onderzocht of het nest daadwerkelijk wordt gebruikt, en zo ja, door welke soort. Als blijkt dat er sprake is van de aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest die in gebruik is in een te kappen boom of binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden, is voor het voornemen een ontheffing Wnb nodig. Overige broedvogels Het onderzoeksgebied biedt leefgebied aan verschillende algemeen voorkomende broedvogels. Het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels gedurende het broedseizoen is dan ook aannemelijk.
26 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
Voor aanwezige broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats.
Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.
5.2.5
Amfibieën
Bureaustudie Op basis van de NDFF database [lit. 3] zijn in de afgelopen vijf jaar in de wijdere omgeving (circa 3 km) van het plangebied waarnemingen bekend van de algemeen voorkomende vrijgestelde ‘Andere soorten’ bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad. Er zijn geen waarneming bekend van niet vrijgestelde ‘Andere soorten’ of Habitatrichtlijnsoorten. Omdat er helemaal geen waarnemingen van beschermde en niet vrijgestelde amfibiesoorten in de omgeving van het plangebied in het NDFF bekend zijn, is ook de website van Ravon geraadpleegd. Op basis van Ravon bevindt het plangebied zich in een gebied waar amfibiesoorten als boomkikker, kamsalamander en poelkikker voorkomen [lit. 7]. De beschermde amfibiesoorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied. De biotoopeisen van boomkikker, kamsalamander en poelkikker worden in onderstaand kader beschreven. Boomkikker De boomkikker is te vinden in kleinschalige landschappen met poelen en andere kleine wateren, omgeven door struikgewas, hoge overblijvende kruiden en rietkragen. Ze zijn warmteminnend en verkiezen door de zon beschenen plaatsen. Men vindt ze vaak zonnend in braamstruiken, maar ze zijn vooral ’s nachts actief. De voortplanting vindt plaats in het water op een diepte van minder dan 10 cm. ‘s Zomers verblijven alle dieren op het land. Een klein aantal dieren is opvallend mobiel en trekt over afstanden van vele kilometers.
Ze overwinteren op het land tussen boomwortels, in een strooisel laag of tussen houtstapels [lit. 7]. Kamsalamander De kamsalamander komt verspreid over het gehele zuiden, midden en oosten van ons land voor. Hij is vrij zeldzaam en wordt landelijk gezien als een kwetsbare soort, die in zijn verspreiding achteruit gaat. Zijn voorkeur gaat uit naar kleinschalige landschappen met bospercelen, heggen en struwelen. De voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Veel vindplaatsen zijn beek- of rivierbegeleidend. De poel mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. Dat een poel visvrij is, wordt als belangrijk beschouwd. Buiten de voorplantingsperiode (eind maart tot half juli) bevindt de kamsalamander zich op het land. Het landschap waarin ze zich dan bevinden is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de omgeving [lit. 7].
27 | 37
Witteveen+Bos | 125555/21-016.571 | Definitief
Poelkikker De poelkikker komt in Nederland vooral in het Oosten en Zuiden voor. Het is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. En het water is vaak vrij omvangrijk of maakt deel uit van een groter complex van wateren. De Poelkikker is een kritische soort, die houdt van voedselarm, schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden, en in uiterwaarden. Poelkikkers overwinteren meestal op het land en niet in het water [lit. 7]. Veldbezoek Het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor de algemeen voorkomende vrijgestelde amfibiesoorten bruine kikker en gewone pad. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen amfibieën aangetroffen. Binnen het plangebied is geen ondiep oppervlaktewater (poel, ven) aanwezig. Het oppervlaktewater net buiten het plangebied (Baakse Beek) is vrij diep. De nattere strook vlak bij het plangebied stond tijdens het veldbezoek droog en is klein en ligt geïsoleerd. Er is geen sprake van geschikt voorplantingswater voor amfibieën die in of grenzend aan het plangebied voorkomen. De aanwezigheid van beschermde en niet vrijgestelde amfibiesoorten in het plangebied wordt uitgesloten op basis van de in het plangebied aanwezige biotopen.