vvgb boschlaan 18 bijlage 15a a en v beleid en ao-ic
Tekst van het document
A&V AO/IC
Acceptatie- en verwerkingsbeleid, administratieve organisatie en interne controle
WSL LICHTENVOORDE (BIR/AWZI)
13-6-2022
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ................................................................................................................................................ 4 1.1 1.2 1.3
2
DOELMATIGHEID VERWERKINGSROUTES ........................................................................................... 7 2.1 2.2 2.3
3.
ADMINISTRATIEVE CONTROLE INGAANDE STROMEN ................................................................................ 47 INWEGEN .................................................................................................................................. 48 TOELATEN TRANSPORT .................................................................................................................. 48 LOSSEN EN MONSTERNAME ............................................................................................................. 48 DEFINITIEVE ACCEPTATIE ............................................................................................................... 49 REGISTRATIE, RAPPORTAGE EN ARCHIVERING ....................................................................................... 49
VERWERKINGSBELEID ......................................................................................................................... 51 7.1 7.2 7.3 7.4
8
AFVALSTOFFENREGISTER, AFVALSTROOMOVERZICHT, DOELMATIGHEID EN TOELAATBAARHEID .............................. 42 ACCEPTATIEPROCES: VOORACCEPTATIE .............................................................................................. 42
ACCEPTATIEBELEID: ACCEPTATIE..................................................................................................... 47 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
OPBOUW AFVALSTOFFENREGISTER .................................................................................................... 36 OVERZICHTEN AFVALSTROOMNUMMERS .............................................................................................. 41 WIJZIGINGEN ............................................................................................................................. 41
ACCEPTATIEBELEID: VOORACCEPTATIE .......................................................................................... 42 5.1 5.2
6
TOELAATBAARHEID OPBULKEN ......................................................................................................... 32 TOELAATBAARHEID MENGEN ............................................................................................................ 32 MENGEN IN RELATIE TOT ZZS ......................................................................................................... 35
BEOORDELINGSKADER AFVALSTROMEN IN TOELICHTING OP AFVALSTOFFENREGISTER ........ 36 4.1 4.2 4.3
5
VERWERKINGSROUTE 1: ZUIVERING BEDRIJFSAFVALWATER (WATERLIJN) ........................................................ 7 VERWERKINGSROUTE 2: VERGISTING INDUSTRIËLE RESTSTROMEN .............................................................. 17 DOELMATIGHEID VERWERKINGSROUTES IN RELATIE TOT ZZS .................................................................... 29
TOELAATBAARHEID VERWERKINGSHANDELINGEN MET BETREKKING TOT MENGEN ................ 32 3.1 3.2 3.3
4
VERSIEBEHEER ............................................................................................................................. 4 ORGANISATIE ............................................................................................................................... 4 LIJST MET DEFINITIES EN AFKORTINGEN ............................................................................................... 4
VERWERKINGSKEUZE .................................................................................................................... 51 AFVOER VAN EINDPRODUCTEN ......................................................................................................... 52 CONTROLE KWALITEIT EINDPRODUCTEN ............................................................................................. 53 OVERIGE VRIJKOMENDE AFVALSTOFFEN .............................................................................................. 54
ADMINISTRATIEVE ORGANISATIE EN INTERNE CONTROLE............................................................. 55 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5
AWZI/BIR
ORGANISATIESTRUCTUUR ............................................................................................................... 55 TAAK EN FUNCTIEBESCHRIJVINGEN, COMMUNICATIE EN OVERLEGSTRUCTUUR .................................................. 55 PROCEDURES EN WERKINSTRUCTIES .................................................................................................. 56 PROCESBEHEERSING ..................................................................................................................... 56 BEHEERSING FINANCIËLE BEDRIJFSVOERING ......................................................................................... 57 2
8.6
AWZI/BIR
ADMINISTRATIEVE CONTROLE .......................................................................................................... 57
3
1
Inleiding
1.1
Versiebeheer Dit document beschrijft het Acceptatie- en Verwerkingsbeleid (A&V-beleid) voor de inrichting van Waterstromen Lichtenvoorde B.V. aan de Boschlaan 18b in Lichtenvoorde. De installatie is eigendom van Waterstromen B.V. met een deelneming van GMB BioEnergie B.V. Tevens beschrijft het de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC). Voorgaande versies & ontwikkelingen De eerste versie van dit document is opgesteld 26 oktober 2010 voor de vigerende revisievergunning d.d. 23-07-2010. Door de jaren hebben zich wijzigingen voorgedaan in de aanvoer van afvalstromen. Daarnaast zijn nieuwe inzichten ontstaan met betrekking tot het vergisten en het efficiënt zuiveren van afvalwater. Bij de aanvraag om een veranderingsvergunning (momenteel nog lopend, ontwerpbesluit d.d. 25 april 2019) is bovendien een appendix van de aanvraag gevoegd. Deze versie van het AV-beleid en de beschrijving van de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) betreft een revisie van het afvalbeleid van Waterstromen Lichtenvoorde B.V.
1.2
Organisatie De BIR en de industriële waterzuivering zijn ondergebracht in één inrichting volgens de Wabo. De inrichting is in beheer bij twee bedrijven: Waterstromen B.V. en Biologische Industriële Reststoffenverwerking B.V. BIR B.V. is een samenwerking van Waterstromen B.V. en GMB BioEnergie B.V.
1.3
Lijst met definities en afkortingen Afkorting/ begrip A&V – beleid Afvalstoffen AO/IC ASW AWZI BIR D.s.% EGW Eural Gevaarlijke afvalstoffen
AWZI/BIR
1)
Conform Lijst gebruikte termen LAP 3 Acceptatie- en Verwerkingsbeleid 1) Alle stoffen…waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zicht te ontdoen of zich moet ontdoen Administratieve Organisatie en Interne Controle AfnemerSignaleringswaarde Afvalwaterzuiveringsinstallatie Biologische Industriële Reststoffenverwerking Droge stof % Euralgrenswaarde Europese Afvalstoffenlijst 1) Afvalstoffen die een of meer van de in bijlage III bij 4
Afkorting/ begrip
H2S LAP 3 Mengen
Minimumstandaard
MAR Monostroom
MT MZS Nuttige toepassing
NVWA Opbulken Opslaan
Overslaan
Ov/Wab PT RWZI SP UT Vergisten Verwerken
Verwijderen
Voorbereidende handeling
AWZI/BIR
1)
Conform Lijst gebruikte termen LAP 3 de Kaderrichtlijn Afvalstoffen genoemde eigenschappen bezitten; zie Regeling Europese Afvalstoffenlijst (EURAL) Zwavelwaterstof Landelijk Afvalbeheer Plan 3 (2017-2029) 1) Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbaar zijn (o.a. verdunnen) 1) De minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën van afvalstoffen. De minimumstandaard vormt een referentie voor de maximale milieudruk die verwerking mag opleveren Milieu Aspect Register 1) Ruime uitleg: o.a. een éénduidige afvalstof bestaande uit een materiaalsoort of één type product die relatief eenvoudig gescheiden of afgescheiden kunnen worden. Management Team Management Zorg Systeem 1) Elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door….andere materialen te vervangen die anders…zouden zijn gebruikt.
Zie verder lijst Bijlage II kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98/EG (lijst met “R-handelingen”) Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit 1) Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn 1) alle handelingen waarbij afvalstoffen… in een zekere ruimte min of meer statisch worden gehouden (NIET sorteren, scheiden, spoelen, mengen) 1) Verrichten van alle handelingen op één locatie waarbij afvalstoffen vanuit een opberg- of transportmiddel in of op een ander opberg/transportmiddel worden overgebracht. Omgevingsvergunning/ Wabo Project Team Communale rioolwaterzuiveringsinstallatie Sectorplan LAP 3 Uitvoerders Team 1) Onder anaerobe omstandigheden biologisch afbreken van afvalstoffen (plantaardig of dierlijk) 1) Het nuttig toepassen of verwijderen van afvalstoffen met inbegrip van daaraan voorafgaande voorbereidende handelingen 1) Elke handeling met afvalstoffen die geen nuttige toepassing is…. Zie verder lijst Bijlage II kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98/EG (lijst met “D-handelingen”) 1) Handelingen met afvalstoffen waarop altijd nog een of meer volgende handelingen volgen…zowel 5
Afkorting/ begrip
WSL ZZS Zuiveringsslib
AWZI/BIR
1)
Conform Lijst gebruikte termen LAP 3 voorbereidende handelingen als een handeling die de verwerking voltooit. (m.n. voorlopige nuttige toepassing R12, R13 als voorlopige verwijdering D8, D9 D13-D15) Waterstromen Lichtenvoorde (gezamenlijk de AWZI en BIR) Zeer zorgwekkende stoffen 1) Slib dat ontstaat bij de biologische zuivering van communaal en industrieel afvalwater
6
2
Doelmatigheid verwerkingsroutes
De kernactiviteiten van WSL betreffen het zuiveren van bedrijfsafvalwater middels een afvalwaterzuiveringsinstallatie (kortweg AWZI-WSL) en verwerking van allerhande organische reststromen middels een vergistingsinstallatie (BIR). - Het bedrijfsafvalwater voor de AWZI-WSL betreft met name afvalwater van de leerlooierij in Lichtenvoorde en leerlooierijen elders. Het afvalwater afkomstig van de looierij in Lichtenvoorde wordt aangevoerd per persleiding. Het afvalwater afkomstig van elders wordt per as aangevoerd. - Ten behoeve van verbetering van de procesgang van de AWZI-WSL kunnen specifieke – met name C-houdende – afvalstromen per as worden aangevoerd. - Het effluent van de RWZI wordt per leiding aangevoerd. - Voor de BIR betreft het een breed spectrum aan organische reststoffen die geschikt zijn voor vergisting. De aanvoer geschiedt per as. De inrichting valt o.m. onder de volgende categorieën van BOR, bijlage 1, onderdeel C • 27.1 Inrichtingen voor het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater • 28.1 a20 v.w.b. het opslaan van bedrijfsafvalstoffen die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m3 of meer. • 28.4 c10 v.w.b.
het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen – anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit van minimaal 15 miljoen kg per jaar; De inrichting valt als IPPC bedrijf onder de volgende categorieën van de Richtlijn van Industriële Emissies (RIE 2010/75/EU): - cat 5.3a: verwijdering ongevaarlijke afvalstoffen D8, D9 met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag (AWZI); - cat. 5.3b: nuttige toepassing ongevaarlijke afvalstoffen, max 75ton/dag (BIR). Tevens is het bedrijf verplicht te rapporteren in het kader van de E-PRTR-Verordening (EG) nr 166/2006. In bijlage B020-03 is in een overzicht weergegeven welke verwerkingsroutes van toepassing zijn, afhankelijk van de sectorplannen. 2.1
Verwerkingsroute 1: zuivering bedrijfsafvalwater (waterlijn)
2.1.1 Doel De Afvalwaterzuivering Waterstromen (AWZI-WSL) is primair ontworpen voor anaeroobe en aeroobe behandeling van leerlooierij-bedrijfsafvalwater dat grotendeels met een persleiding wordt aangevoerd vanaf de looierij in het centrum van Lichtenvoorde. De oorspronkelijke leerlooierij is enige jaren geleden van eigenaar is gewisseld. Daarmee is ook die procesvoering inclusief de door WSL te behandelen looierij-afvalwaterstroom veranderd. Voor de verbetering van de zuiveringsprestaties van de AWZI-WSL is het daarom noodzakelijk geworden dat soms specifiek industrieel afvalwater van derden bijgedoseerd wordt. Deze stroom wordt per tankwagen aangevoerd en bijgedoseerd. Het aldus voorgezuiverde water (effluent) wordt direct op de daarnaast gelegen rioolwaterzuivering Lichtenvoorde (RWZI Lichtenvoorde) geloosd, waar het tezamen met AWZI/BIR
7
communaal afvalwater uit de regio wordt gezuiverd en vervolgens geloosd op oppervlaktewater. Tevens levert de AWZI-WSL biogas aan de vergistingsinstallatie van BIR. De waterzuivering van WSL bestaat uit een aantal achtereenvolgende hoofdzakelijk biologische zuiveringsstappen te weten: - ontvangst en voorbehandeling: het afvalwater van de leerlooierij wordt via een persleiding aangevoerd en opgevangen in een pomptank. Voor goede werking van de zuiveringsstappen wordt aan het looierijafvalwater zo nodig water van derden of RWZI effluent toegevoegd; - zuiveringsstap-1: na ontvangst en opwarming van het afvalwater, worden in een anaerobe reactor eerst eiwitten, met name koolstof uit het afvalwater omgezet in biogas, wordt sulfaat gereduceerd in sulfide en chroom (3+) geadsorbeerd aan het anaerobe slib. Het slibhoudende afvalwater wordt vervolgens in een anaerobe flotatieunit gescheiden in een sulfidehoudende waterstroom en een slibfractie (biomassa) met relatief veel chroom3+. Het water wordt doorgevoerd naar stap 2 .De slibfractie wordt in een vergister gestabiliseerd, het Cr rijke digestaat wordt al dan niet tezamen met het gevormde zwavel en kalkhoudende slib uit stap 2 gescheiden in een dikke en dunne fractie. De dikke fractie wordt per container afgevoerd naar een eindverwerker, de dunne fractie wordt teruggevoerd naar het begin van de zuivering.
Het biogas uit stap-1 en de WSL vergister wordt samen doorgevoerd naar de (BIR) vergisters en hier ontzwaveld. Tezamen met het (BIR) biogas wordt dit opgewerkt tot aardgaskwaliteit (groen gas); - zuiveringsstap-2: de sulfidehoudende afvalwaterstroom wordt naar een beluchte reactor geleid waar het sulfide biologisch geoxideerd wordt tot elementair zwavel. Daarna wordt het gevormde zwavel van de afvalwaterstroom gescheiden. Het afvalwater wordt doorgevoerd naar stap 3. Het afgescheiden zwavelslib wordt (samen met gevormde calciumverbindingen) al dan niet samen met het slib uit stap-1 gescheiden in een dikke en dunne fractie. De dikke fractie wordt per container afgevoerd naar een eindverwerker. De dunne fractie gaat terug naar het begin van de zuivering; - zuiveringsstap-3: het ontzwavelde water wordt in een stikstofoxidatiereactor gebracht, waarbij circa 50 % van de ammoniumstikstof onder toevoeging van zuurstof biologisch wordt omgezet naar nitriet (partiële nitrificatie); - zuiveringsstap-4: het nitrietrijke water wordt tenslotte in een anammoxreactor gebracht waarin het gevormde nitriet tezamen met het restant ammonium biologische omgezet wordt naar het onschadelijk stikstofgas en een gering deel nitraat. Het voorgezuiverd water wordt geloosd op de RWZI Lichtenvoorde, welke de laatste restanten (stikstof) verwijdert.
2.1.2 Afvalwaterzuivering als verwerkingshandeling R12 voorafgaand aan R1 De verwerkingsroute van de AWZI kent verschillende verwerkingshandelingen. De deelprocessen van de voorbehandeling en zuiveringsstap 1 (IC-reactor, flotatie-unit en vergistingsreactor) betreffen een voorbereidende handeling R12/D13, uitwisseling van afvalstoffen voorafgaand aan verdere verwerking (verwerkingshandeling R1). Hierbij wordt zowel in de IC-reactor als in de vergistingsreactor biogas geproduceerd. Deze stap is een voorbereidende handeling (R12) omdat het geproduceerde biogas in de BIRinstallatie (vergister) wordt opgewaardeerd tot groengas en gevoed op het net, hetgeen een R1 handeling is (zie figuur 1 & 2, waarbij de BIR-verwerkingsroute verder wordt toegelicht onder paragraaf 2.2.2).
AWZI/BIR
8
De slibfracties afkomstig uit de zuiveringsstappen 2 t/m 4 worden ontwaterd, gezamenlijk met de slibfractie uit zuiveringsstap 2. Hierdoor ontstaat een slibfractie die voorafgaand aan de stort zowel biologisch (verwijderingshandeling D8, biologische behandeling resulterend in mengsels die worden verwijderd) als fysisch (door middel van ontwatering, verwijderingshandeling D9, fysische behandeling resulterend in mengsels die worden verwijderd) is behandeld. Het voorgezuiverde afvalwater wordt direct geloosd op de RWZI Lichtenvoorde, alwaar het wordt gezuiverd voor lozing op oppervlaktewater. De juridische verankering hiervoor is gelegen in de Waterwet.
Figuur 1: Verhouding tussen verwerkingsroutes, verwerkingshandelingen met een overzicht van de belangrijkste product- en reststromen. De AWZI-lijn is in deze afbeelding weergeven als verwerkingsroute 1 (linkerzijde van de afbeelding)
2.1.3 Procesgang in relatie tot verwerkingshandelingen Van de in 2.1.1. genoemde processen, zijn als verwerkingshandelingen te beschouwen: - De voorbehandeling: voorbereidende handeling R12/D13, uitwisseling van afvalstoffen voorafgaand aan verdere verwerking (verwerkingshandeling R1). - Zuiveringsstap 1: R12, zie voorgaande paragraaf. - Zuiveringsstap 2 t/m 4: D8, D9, zie voorgaande paragraaf.
AWZI/BIR
9
2.1.4 Ingangsstromen
AWZI/BIR
Ingangsstroom
Sectorplan Lap 3
EURAL-codes
SP LAP3
Leerlooierij afvalwater Lichtenvoorde (persleiding)
SP 73 Sterk verontreinigde afvalstromen en baden
04 01 99 16 10 02 C SP 73 16 10 04 C SP 73
SP 73
Afvalcat. LAP3 Bijlage F.5 75B
Leerlooierij afval(water) derden (per as)
SP 73 Sterk verontreinigde afvalstromen en baden
04 01 99 16 10 02 c 16 10 04 c
SP 73 SP 73 SP 73
75B 75B 75B
Diverse C-bronnen ten behoeve van bacteriële voeding
SP3: Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen SP65: Dierlijk afval
SP 65 SP 65 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3 SP 3/SP 65 SP 3/SP 65 SP 3/SP 65
35 35 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10/35 10/35 10/35
Diverse c-bronnen, niet zijnde afvalstoffen of met
n.v.t., geen afvalstof
02 01 06 02 02 03 02 03 03 02 03 04 02 03 99 02 04 02 02 05 01 02 06 01 02 07 01 02 07 02 02 07 03 02 07 04 04 01 01 04 01 02 04 01 04 04 01 05 04 01 06 04 01 07 04 01 99 04 02 10 16 01 15 c 19 06 99 19 08 01 19 08 99 19 12 12 C 20 01 25 -
10
einde-afvalstatus Effluent RWZI Dunne fractie ontwatering BIR
AWZI/BIR
n.v.t., geen afvalstof n.v.t., geen afvalstof
-
11
2.1.5 Detail ingangsstromen: afvalwater leerlooierij via persleiding Het afvalwater dat met de persleiding wordt aangevoerd komt uit diverse processen van de leerlooierij ter plaatse. Deze is niet met één Euralcode uit subhoofdstuk 04.01 (Afval van de leer- en bontindustrie) te typeren, omdat in de leerlooierij op enig moment verschillende processen aan de orde kunnen zijn. Het afvalwater wordt niet gescheiden per proces. Volgens de Euralsystematiek is de daaropvolgende toepasbare categorie 16.10: waterig vloeibaar afval bestemd om elders te worden verwerkt. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in enerzijds een verdunde fractie (waterig vloeibaar afval, 16 10 02 c) en anderzijds waterige concentraten (16 10 04 c). Worstcase betreft het waterige concentraat (16 10 04 c), vandaar dat deze als uitgangspunt wordt genomen. De concentratie van ChroomIII in het via de persleiding ontvangen afvalwater betreft maximaal 30 mg per liter. Dit komt overeen met ca. 0,003% gewichtsprocent. Dit is ruim onder laagste drempelwaarde (0,1%) voor de meest gevaarlijke chroomIII-verbindingen waarboven sprake is van een gevaarlijk afval volgens de EURALsystematiek. De ingenomen stroom betreft derhalve een niet-gevaarlijke afvalstroom (16 10 02 c of 16 10 04 c, sectorplan 73).
Het leerlooierij afvalwater is te beschouwen als een afvalstroom die valt onder SP 73, omdat de concentratie van de som aan metalen hoger is dan 25 mg/l. De gemiddelde samenstelling van het afvalwater bedraagt (zie aanvraag, paragraaf 7.3.3.): Stof Influent effluent eenheid (maximaal) CZV 8000 <2000 Mg /liter N-totaal 650 <185 Mg N /liter Sulfaat 1500 <700 Mg SO4 /liter S-totaal 750 <300 Mg S /liter Chloride 3000 <3100 Mg Cl /liter III Chroom 30 <2 Mg Cr /liter De concentratie van ChroomIII in het via de persleiding ontvangen afvalwater betreft maximaal 30 mg per liter. Dit komt overeen met ca. 0,003% gewichtsprocent. Dit is ruim onder laagste drempelwaarde (0,1%) voor de meest gevaarlijke chroomIII-verbindingen waarboven sprake is van een gevaarlijk afval volgens de EURALsystematiek.
SP 73 Sterk verontreinigde afvalstromen en baden De minimumstandaardverwerking voor sterk verontreinigde afvalstromen (SP 73) betreft: Concentratie en afscheiden van de metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium, zink, cadmium en kwik) die de in paragraaf 1 vermelde concentratiegrenswaarden overschrijden, door ontgiften, neutraliseren en ontwateren (ONO), zodat: - diffuse verspreiding van de metalen wordt voorkomen; - en de lozing van het resterende afvalwater gelet op wet- en regelgeving, toepassen BBT; - de gevolgen voor het zuiveringstechnische werk en voor het ontvangende watersysteem (emissie/immissie-toets) acceptabel is.
AWZI/BIR
12
De afvalwaterbehandeling voorziet via biologische ONO in de bovenstaande minimum standaardverwerking. De verwerkingshandeling voorziet middels silbafscheiding, vergisting en ontwatering van het slib in de genoemde vereisten van ONO en bovendien in energieterugwinning via productie van biogas (R12). De slibfractie wordt uiteindelijk gestort (D1). Het voorgezuiverde afvalwater kan zonder problemen geloosd worden op de RWZI voor verdere afvalwaterzuivering. Voor de condities waaronder dit plaatsvindt, zie volgende paragraaf. Lozing voorgezuiverde afvalwater Voor wat betreft de wijze waarop met ZZS wordt omgegaan, zie paragraaf 2.3 (doelmatigheid verwerkingsroutes in relatie tot ZZS) en de aanvullingsnotitie bij de aanvraag. Ook wordt hier ingegaan op de wijze waarop restlozing van relevante schadelijke/vervuilende stoffen wordt geminimaliseerd doormiddel van bronaanpak en reductiemaatregelen (BBT). Zie voor de bemonsteringsfrequentie, schema bijlage B020-08 (paragraaf 6.4). Relevante Euralcode’s zijn: Leerlooierij afvalwater: 04 01 99 Waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt: 16 10 02 c, 16 10 04 c.
2.1.6 Detail ingangsstromen: afvalwater leerlooierij per as Samenstelling leerlooierij afvalwater Vanwege vakantiestops in de leerlooierij Lichtenvoorde kan het soms noodzakelijk zijn afvalwaterloze perioden te ondervangen middels aanvoer van leerlooierij-afvalwater van derden om de procescontinuïteit voor de biologie te garanderen. Daarnaast is het commercieel aantrekkelijk om deze stroom afvalwater in te nemen indien de AWZI beschikt over voldoende restcapaciteit, aangezien de AWZI dient voor het zuiveren van afvalwater van leerlooierijen. Dit water wordt per as aangevoerd. SP 73 Sterk verontreinigde afvalstromen en baden De minimumstandaardverwerking voor sterk verontreinigde afvalstromen (SP 73) betreft: Concentratie en afscheiden van de metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium, zink, cadmium en kwik) die de in paragraaf 1 vermelde concentratiegrenswaarden overschrijden, door ontgiften, neutraliseren en ontwateren (ONO), zodat: - diffuse verspreiding van de metalen wordt voorkomen; - en de lozing van het resterende afvalwater gelet op wet- en regelgeving, toepassen BBT; - de gevolgen voor het zuiveringstechnische werk en voor het ontvangende watersysteem (emissie/immissie-toets) acceptabel is. De afvalwaterbehandeling voorziet via biologische ONO in de bovenstaande minimum standaardverwerking.
De verwerkingshandeling voorziet middels silbafscheiding, vergisting en ontwatering van het slib in de genoemde vereisten van ONO en bovendien in energie terugwinning via productie van biogas (R12). De slibfractie wordt uiteindelijk gestort (D1). Het voorgezuiverde afvalwater kan zonder problemen geloosd worden op de RWZI voor verdere afvalwaterzuivering. Lozing voorgezuiverde afvalwater Voor wat betreft de wijze waarop met ZZS wordt omgegaan, zie paragraaf 2.3 (doelmatigheid verwerkingsroutes in relatie tot ZZS) en de aanvullingsnotitie bij de aanvraag. Ook wordt hier ingegaan op de AWZI/BIR
13
wijze waarop restlozing van relevante schadelijke/vervuilende stoffen wordt geminimaliseerd doormiddel van bronaanpak en reductiemaatregelen (BBT). Zie voor de bemonsteringsfrequentie, schema bijlage B020-08 (paragraaf 6.4). Relevante Euralcode’s zijn: Waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt: 16 10 02 c, 16 10 04 c, 04 01 99.
2.1.7 Detail ingangsstromen: c-bronnen De Afvalwaterzuivering Waterstromen (AWZI-WSL) is primair ontworpen voor anaerobe en aerobe behandeling van leerlooierij-bedrijfsafvalwater dat met een persleiding wordt aangevoerd vanaf de looierij in het centrum van Lichtenvoorde. Omdat deze leerlooierij enige jaren geleden van eigenaar is gewisseld en daarmee ook de daarmee gepaard gaande procesvoering, is het voor de processtabiliteit en verbetering van de zuiveringsprestaties van de AWZI-WSL soms noodzakelijk specifiek industrieel afvalwater (rijk aan koolstof t.b.v bacteriële voeding) van derden per tankwagen aan te voeren en bij te doseren. Het toevoegen van de Cbronnen zorgt voor een boost van het biologische proces. Ook antivriesvloeistoffen zonder gevaarlijke stoffen en/of entslibben kunnen voor ditzelfde doel worden ingezet. SP3: Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen De C-bronnen zijn te beschouwen als procesafhankelijk industrieel afval van voedings- en genotsmiddelenindustrie waarvoor SP 3 van toepassing is.
De minimumstandaardverwerking voor deze afvalstroom betreft: - Recycling; - Indien recycling niet mogelijk of te duur (> € 205,-/ton) o Verbranden (als vorm van verwijdering) voor afvalstoffen die niet gestort mogen worden o Verbranden (als nuttige toepassing) mits uitgevoerd binnen een inrichting waarin emissiebeperking is gereguleerd o Storten op een daarvoor geschikte stortplaats. De verwerkingshandeling voldoet aan de minimumstandaardverwerking omdat sprake is van chemische recycling (nuttige toepassing R3 en R12) waarbij de afvalstof op moleculair niveau wordt afgebroken in kleinere eenheden - te weten koolstof (C) - , met als oogmerk de verkregen kleinere eenheden in te zetten als voedingsbron voor de benodigde biologische activiteit van de AWZI. Relevante Euralcode’s zijn: Afval van de voedings- en genotsmiddelenindustrie 02 03 03, 02 03 04, 02 03 99, 02 04 02, 02 05 01, 02 06 01, 02 07 01, 02 07 02, 02 07 03, 02 07 04; Afval van de leerindustrie (lijmvlees/schraapafval): 04 01 01, 04 01 99; Afval van de leer- en bontindustrie: 04 01 02, 04 01 04, 04 01 05, 04 01 06 (mits mechanisch afgescheiden slib), 04 01 07 (mits mechanisch afgescheiden slib), 04 01 99.
Afval van de textielindustrie: 04 02 10; Antivriesvloeistoffen zonder gevaarlijke stoffen: 16 01 15 c Cellulose bevattend zeefgoed: 19 08 01 Putvetten, dierlijk/plantaardig, vrijgekomen bij mechanische verwerking: 19 08 99, 19 12 AWZI/BIR
14
12 C Overig van anaerobe behandeling van afval: 19 06 99 Vloeibare vetstromen/putvet: 19 08 99 (opgebulkt op locatie afvalinzamelaar), 20 01 25 (route inzameling).
SP65: Dierlijk Afval Voor dierlijke afvalstromen geldt sectorplan 65 met dien verstande dat de Europese Verordening dierlijke bijproducten hier leidend is (EG 1069/2009). Afvalstoffen onder de reikwijdte van dit sectorplan betreft categoriemateriaal. De minimumstandaardverwerking voor dierlijk afval betreft: verwerken conform de bepalingen uit Verordening dierlijke bijproducten, artikelen 12 t/m 14. De Verordening dierlijke bijproducten is leidend ten opzichte van de Wet milieubeheer (Wm), tenzij sprake is van verbranden, storten, composteren of vergisten van dierlijk afval. In dat geval zijn zowel de Verordening dierlijke bijproducten als de Wet milieubeheer van toepassing. De Uitvoeringsverordening dierlijke bijproducten geeft aan: - De verwerking van categorie 2-materiaal vergt sterilisatie (verwerking onder druk, 133°C, 3 Bar gedurende tenminste 20 minuten, onder erkenning van de NVWA). Dit is op dit moment op locatie niet het geval omdat de huidige stoomketel wordt verwijderd. Verwerking van categorie 2 materialen is daarom niet toegestaan, tenzij deze verwerking vooraf elders plaatsvindt of verwerking op locatie in de toekomst gaat plaatsvinden. Ook zijn enkele uitzonderingen op deze regeling genoemd in de Verordening (artikel 13), dit betreffen: mest, inhoud maag- darmkanaal, melk en melkproducten, biest, eieren en eiproducten.
Deze mogen derhalve in de AWZI (zuiveringsstap 1, vergisting) worden ingenomen.
Bron: Verordening dierlijke bijproducten (1069/2009), artikel 13, onder e (ii). -
De verwerking van categorie 3 materiaal ten behoeve van biogasproductie vergt pasteurisatie vooraf, dan wel achteraf in de keten (verhitting op 70°C, gedurende 60 minuten, deeltjesgrootte 12 mm, of vergelijkbaar, onder erkenning van de NVWA). Omdat het digestaat afkomstig uit de AWZI-vergister deels gestort wordt, vindt pasteurisatie niet plaats. Verwerking van categorie 3 materialen is daarom toegestaan, mits deze verwerking elders plaatsvindt of verwerking op locatie in de toekomst gaat plaatsvinden.
Bron: Uitvoeringsverordening dierlijke bijproducten (142/2011), bijlage V, hoofdstuk I Biogasinstallaties, 2.f(iii). Verspreiding overdraagbare ziekten De bovengenoemde uitzonderingen zijn toelaatbaar mits er geen risico bestaat dat ernstige overdraagbare ziekten zich kunnen verspreiden. De bedoelde koolstofrijke afvalwaterstromen worden uitsluitend ingezet om de biologische hoofdprocessen te ondersteunen. Dergelijke stromen worden nu reeds voorgezuiverd bij producenten of communale zuiveringen. In de vooracceptatie wordt altijd beoordeeld of de stroom potentiële ziekteverwekkende risico’s heeft. Zo ja dan wordt advies van controlerende instantie gevraagd (NvWA) Relevante Euralcode’s zijn: Afval van de land- en tuinbouw: 02 01 06; AWZI/BIR
15
Afval van vlees- en visbereiding: 02 02 03; Vloeibare vetstromen/putvet: 19 08 99 (opgebulkt op locatie afvalinzamelaar), 20 01 25 (route inzameling). Putvetten, dierlijk/plantaardig, vrijgekomen bij mechanische verwerking: 19 12 12 C
2.1.8 Ingangsstroom: diverse c-bronnen niet zijnde afvalstoffen Naast C-bronnen die onder het regime van de afvalstoffenwetgeving vallen, worden stoffen toegevoegd die geen afvalstoffen zij. Dit valt buiten het regime van het LAP3. 2.1.9 Ingangsstroom: effluent RWZI Tenslotte wordt ook effluent van de RWZI heringezet om de doorvoersnelheid op voldoende peil te houden en de processtabiliteit met het oog op de biologische omstandigheden te waarborgen. Het effluent wordt per leiding uit de RWZI teruggevoerd. De doorstroomsnelheid en het neutraliseren is nodig om de biologische activiteit van de zuivering te stabiliseren. Effluent, geschikt voor het oppervlaktewater, is geen afval. Sectorplannen zijn derhalve niet van toepassing op deze ingangsstroom. 2.1.10 Ingangsstroom: dunne fractie ontwatering BIR De dunne fractie van de ontwatering van de BIR wordt binnen de inrichting heringezet en is derhalve niet te kwalificeren als een afvalstof die aan een sectorplan moet voldoen.
AWZI/BIR
16
2.2
Verwerkingsroute 2: vergisting industriële reststromen
2.2.1 Doel In de installaties van de BIR worden organische afval en -reststromen van derden vergist voor energieopwekking. Het BIR biogas wordt samen met het biogas van de AWZI-WSL ontzwaveld en gedroogd. Hierna wordt het biogas opgewaardeerd naar groen gas en geïnjecteerd in het gasnet. Het slib (digestaat) wordt doorgevoerd naar drie navergisters waar de vergisting tot stilstand komt. Hierna kan het digestaat worden ontwaterd. Uit de dunne fractie worden nutriënten teruggewonnen (nuttige toepassing R5), waarna deze behandeld wordt in de AWZI, de dikke fractie wordt afgezet naar een slibverwerker.
2.2.2 Procesgang in relatie tot verwerkingshandelingen Vergisting met productie van biogas gevolgd door opwerking tot aardgaskwaliteit, kan worden opgevat als verwerkingshandeling R1, hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking. De stappen in de BIR zijn: • Ontvangst en opslag in opslagtanks (verwarmd): voorbereidende handeling R12 middels opbulken en impliciet mengen voorafgaand aan R1; • Vergisting (verwarmd): voorbereidende handeling R12 voorafgaand aan R1; • Indien nodig: verwerking dunne fractie uit vergister in AWZI (verwerkingsroute 1), voorbereidende handeling R12, voorafgaand aan R1 en R5. • Navergisting: voorbereidende handeling R12 voorafgaand aan R1; • Afvoer digestaat: o per tankwagen naar ontwatering en tunneldroging bij derden: voorbereidende handeling R12, voorafgaand aan R5 of D10 bij derden (huidige situatie); o inzet in de landbouw als bodemverbeteraar, R10 (toekomstig). • Biogasbehandeling (ontzwaveling, drogen en grotendeels ontdoen van CO2): voorbereidende handeling R12 voorafgaand aan R1; • Aflevering biogas op het net, hoofdgebruik als brandstof (R1).
AWZI/BIR
17
Figuur 2: Verhouding tussen verwerkingsroutes, verwerkingshandelingen met een overzicht van de belangrijkste product- en reststromen. De BIR-lijn is in deze figuur weergegeven als verwerkingsroute 2 (rechterzijde)
2.2.3 Ingangsstroom verwerkingsroute 2
AWZI/BIR
Ingangstroom vergister
Sectorplan LAP 3
EURAL-codes
Afvalcat. LAP3 Bijlage F.5
Organische reststromen
SP3 Procesafhankelijk industrieel afval
02 01 01 02 01 03 02 02 01 02 02 04 02 03 01 02 03 03 02 03 04 02 03 05 02 03 99 02 04 02 02 04 03 02 04 99 02 05 01 02 05 02 02 05 99 02 06 01 02 06 03 02 06 99 02 07 01 02 07 02 02 07 04
10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 18
SP 7 Gescheiden ingezameld/afgegeven organisch bedrijfsafval
SP 8: gescheiden ingezameld groenafval SP 16: Waterzuiveringsslib van biologische afvalwaterbehandeling
AWZI/BIR
02 07 05 02 07 99 03 03 10 03 03 11 03 03 99 04 01 01 04 01 09 04 01 99 04 02 10 04 02 15 C 04 02 20C 04 02 99 07 01 12 C 07 02 12 C 07 03 12 C 07 05 12 C 07 06 12 C 07 07 12 C 08 04 14 C 16 01 15 C 16 10 02 C 16 10 04 C 19 05 01 19 05 02 19 05 99 19 06 03 19 06 04 19 06 05 19 06 06 19 06 99 19 07 03 C 19 08 01 19 08 09 19 08 99 19 12 12 C 19 08 09 19 08 14 C 19 08 99 20 01 08 20 01 25 20 01 30 20 03 02 20 03 04 20 03 06 02 01 99 20 02 01 02 02 04 02 03 05 02 04 03 02 05 02 02 06 03 02 07 05
10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 13 109B 109B 13 109B 109B 12 12 16 16 16 16 16 16 19
SP 65: Dierlijk afval
SP 73: sterk verontreinigde waterstromen
03 03 11 04 02 20 C 07 01 12 C 07 02 12 C 07 03 12 C 07 05 12 C 07 06 12 C 07 07 12 C 19 08 01 19 08 05 19 08 12 C 19 08 99 02 01 02 02 01 06 02 01 99 02 02 02 02 02 03 02 02 99 19 08 99 19 12 12 C 20 01 25 16 10 02 C 16 10 04 C 19 08 14 C
109B 109B 109B 109B 109B 109B 109B 109B 16/109B 109B 109B 109B 35 35 35 35 35 35 35 35 35 75B 75B 75B
In de reguliere bedrijfsvoering streeft WSL ernaar afvalstromen te ontvangen die zoveel mogelijk gekwalificeerd worden als een afvalstroom onder een specifieke euralcode (lees: niet zijnde .99 codes), en aan te sluiten bij de benamingen zoals vastgelegd in het afvalstoffenregister, zie bijlage B020-02. Echter, er kunnen zich situaties voordoen waarbij het in het kader van het doelmatig beheer van afvalstoffen niet wenselijk/mogelijk is de afvalstroom te kwalificeren als een afvalstroom waarbij een specifieke euralcode van toepassing is. Dergelijke situaties doen zich voor op het moment dat potentiële ontdoeners over nietreguliere processpecifieke afvalstromen beschikken of te kampen hebben met onvoorziene omstandigheden of calamiteiten, waarvan afval afkomstig is dat niet gekwalificeerd kan worden onder een standaard euralcode. De rol van WSL is om in de keten op een goede een adequate manier met afval om te gaan, om te zorgen dat milieueffecten tot een minimum worden beperkt. Om potentiële ontdoeners in bovengenoemde gevallen te kunnen bedienen, is het noodzakelijk om – naast specifiek beschreven afvalstromen - reststromen te kunnen verwerken die vooraf niet specifiek omschreven zijn. Van de bovengenoemde stromen, worden derhalve de volgende afvalstromen met een ‘99’ code aangevraagd (vigerend vergund):
AWZI/BIR
Euralbeschrijving
Euralcodes
Sectorplan
Omschrijving
Niet elders genoemd afval Niet elders genoemd afval Niet elders genoemd afval
04 01 99
3/73
Afval van leerindustrie
19 06 99
3
02 01 99
65
Afval van de anaërobe behandeling van afval Afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw, jacht en visserij
Afvalcat. LAP3 10 / 75B 10 35
20
Niet elders genoemd afval
02 02 99
65
Afval van de bereiding en verwerking van vlees, vis en ander voedsel van dierlijke oorsprong Vloeibaar filtratieresidu van plantaardige olie Bleekaarde van plantaardige oorsprong Afval van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee, en tabak, de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse Afval van suikerindustrie Melasse Afval van zuivelindustrie
35
Niet elders genoemd afval
02 03 99
3
10
3
Afval van bakkerijen en banketbakkersindustrie Afval van de productie van alcoholische en nietalcoholische dranken (exclusief koffie, thee en cacao). Afval van de productie en de verwerking van pulp, papier en karton Afval van de leer- en bontindustrie Haarresidu;
04 02 99
3
Afval van de textielindustrie
10
19 05 99
3
10
19 06 99
3
19 08 99
16
Afval van de aerobe behandeling van vast afval Afval van de anaerobe behandeling van vast afval Niet elders genoemd afval van afvalwaterzuivering Verwerkt ingedikt putvet Ingedikte (put)vetten (categorie 3, conform verordening Dierlijke Bijproducten)
3 3
Niet elders genoemd afval Niet elders genoemd afval Niet elders genoemd afval Niet elders genoemd afval
02 04 99
3
02 05 99
3
02 06 99
3
02 07 99
3
Niet elders genoemd afval
03 03 99
3
Niet elders genoemd afval
04 01 99
3
Niet elders genoemd afval Niet elders genoemd afval Niet elders genoemd afval Niet elders genoemd afval
3 65
AWZI/BIR
10 10 10
10 10
10
10
10 10
10 109B 10 35
21
Om te waarborgen dat het verwerken van de reststromen in het kader van doelmatigheid van het beheer van afvalstoffen wenselijk is, hanteert WSL in dergelijke situaties het innameprotocol zoals beschreven onder hoofdstuk vooracceptatie, onder paragraaf 5.2.2. Acceptatie van reststromen die vallen onder de bovengenoemde euralcodes, behoren toe aan sectorplannen 3, 16, 65 of 73. Vooracceptatie en verwerking vindt plaats met inachtneming van de minimumstandaard conform LAP3 zoals per sectorplan getoetst onder de ingangsstromen (zie volgende paragraaf), en bij de vooracceptatie, zoals genoemd in hoofdstuk 5.
AWZI/BIR
22
2.2.4 Details ingangsstroom: procesafhankelijk industrieel afval (SP3) Samenstelling Het procesafhankelijk industrieel afval voor de BIR heeft met name betrekking op organische reststromen uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie. In mindere mate zijn ook stromen uit de maakindustrie afkomstig (papier, karton, textiel). Het gaat hierbij om koolstofrijke stromen met voldoende energetische waarde. Mimimumstandaardverwerking De minimumstandaardverwerking voor SP 3 is: - Recycling; - Indien recycling niet mogelijk of te duur (> € 205,-/ton) o Verbranden (als vorm van verwijdering) voor afvalstoffen die niet gestort mogen worden o Verbranden (als nuttige toepassing) mits uitgevoerd binnen een inrichting waarin emissiebeperking is gereguleerd o Storten op een daarvoor geschikte stortplaats. De vergistingsinstallatie voldoet aan de minimumstandaardverwerking omdat sprake is van chemische recycling waarbij de afvalstof in de vergistingstanks op moleculair niveau wordt afgebroken in kleinere eenheden methaan (biogas) - , met als oogmerk het verkregen biogas op te werken tot aardgaskwaliteit (verwerkingshandeling R1). Het digestaat uit de vergisters wordt vervolgens afgezet bij een daarvoor vergunde verwerker waar het vervolgens op aerobe wijze wordt gedroogd.
In deze verwerkingsstap wordt ongeveer 35% van de aanwezige stikstof teruggewonnen in de vorm van een 40%-ammoniumsulfaatoplossing. Bij het biologisch drogen is daarom sprake van het beschikbaar krijgen van materialen (stikstof) voor daadwerkelijke, nuttige toepassing elders (i.e. meststof in de landbouw) waarbij primaire anorganische materialen (i.e. met fossiele energie geproduceerde N-meststoffen) worden vervangen. Deze verwerkingsstap is als geheel vergund als recycling, gekwalificeerd als een R5 verwerkingshandeling. Het biologisch drogen van het digestaat en de N-terugwinning via zure wassers zijn te beschouwen als één geïntegreerde installatie met processen die in tijd en plaats niet gescheiden kunnen worden. Het aldus geproduceerde ammoniumsulfaat is erkend als meststof en wordt als zodanig verhandeld. Het restant van het tunnelgedroogde digestaat wordt afgezet bij een eindverwerker, waar het wordt verbrand als energiedrager (D10) dan wel ten behoeve van cementconversie (R5). De verwerking van procesafhankelijk industrieel afval (SP3) in de vergistingsinstallatie en het naderhand terugwinnen van materialen uit het tunnelgedroogde digestaat voldoet aan de kwalificatie van recycling zoals bedoeld LAP3/sectorplan 3 en daarmee aan de minimumstandaard voor deze groep reststromen.
Voor de risico’s met betrekking tot potentiële en occasionele aanwezigheid van ZZS, zie paragraaf 2.3. Toekomstig opwerken digestaat De mogelijkheid om verwerkt digestaat in te zetten als grondverbeteraar in de (buitenlandse) landbouw, wordt momenteel onderzocht. Het digestaat zal worden verwerkt tot compost dat voldoet aan de eisen van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet en/of vigerende regelgeving van het desbetreffende EU-lidstaat waar afzet van het compost plaatsvindt. In dat geval is eveneens sprake van recycling als bedoeld in LAP3/sectorplan 3 en voldoet de verwerkingshandeling aan de minimumstandaardverwerking als zijnde recycling.
AWZI/BIR
23
Relevante Euralcode’s zijn: Landbouw & tuinbouw: 02 01 01, 02 01 03; Vleesbereiding: 02 02 01; Voedings- en genotsmiddelenindustrie 02 03 01, 02 03 03, 02 03 04, 02 03 99; Suikerverwerking: 02 04 02 (schuimaarde), 02 04 99 (melasse); Zuivelindustrie: 02 05 01; Bakkerijen: 02 06 01; Alcoholindustrie: 02 07 01, 02 07 02, 02 07 04; Papier, pulp & karton: 03 03 10, 03 03 11, 19 08 01; Leer-, bont- en textielindustrie: 04 01 01, 04 01 09, 04 02 10, 04 02 15c, 04 02 20C; Lijm- en kitindustrie: 08 04 14 C; Antivries zonder gevaarlijke stoffen: 16 01 15 C Waterige concentraten (niet vallend onder SP 73): 16 10 02 C, 16 10 04 C; Afval van aerobe behandeling vast afval: 19 05 01, 19 05 02. Afval van anaerobe behandeling vast afval: 19 06 03, 19 06 04, 19 06 05, 19 06 06; Percolaatwater: 19 07 03 C; Verwerkt ingedikt putvet: 19 08 09, 19 08 99 Slibben van mechanische afvalwaterbehandeling bij voedingsmiddelen industrie: 02 02 04, 02 03 05, 02 04 03, 02 05 02, 02 06 03, 02 07 05 Slibben van mechanische afvalwaterbehandeling bij organische chemische processen: 07 01 12 C, 07 02 12 C, 07 03 12 C, 07 05 12 C, 07 06 12 C, 07 07 12 C Vigerend vergunde 99 codes: 04 01 99, 02 03 99, 02 04 99, 02 05 99, 02 06 99, 02 07 99, 03 03 99, 04 01 99, 04 02 99, 19 05 99, 19 06 99, 19 08 99.
2.2.5 Gescheiden ingezameld/afgegeven organisch bedrijfsafval (SP7) Samenstelling Deze stroom betreft organisch afval, vergelijkbaar met het organisch afval van de voedingsmiddelen- en maakindustrie (zie boven, SP3), echter gescheiden ingezameld en verwerkt door erkende afvalinzamelaars en/of -verwerkers. Mimimumstandaardverwerking De minimumstandaardverwerking voor SP 7 is: • Composteren met het oog op recycling of; • Vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door narijping (nacompostering of een andere vorm van aerobe droging) met het oog op recycling van het digestaat. De BIR-installatie voldoet aan de mimimumstandaardverwerking voor wat betreft het vergisten van het aangevoerde materiaal (verwerkingshandeling R12), waarna het geproduceerde biogas wordt opgewerkt tot aardgaskwaliteit (verwerkingshandeling R1). Sectorplan 7 vereist daarnaast dat digestaat zodanig wordt bewerkt, dat het als compost inzetbaar is als meststof. Op dit moment voldoet de BIR-installatie niet aan deze minimumstandaardverwerking. Het digestaat uit de vergisters wordt namelijk afgezet bij een daarvoor vergunde verwerker waar het vervolgens op aerobe AWZI/BIR
24
wijze wordt gedroogd met terugwinning van stikstof in de vorm van ammoniumsulfaat, vergund als een R5 verwerkingshandeling. Toekomstig opwerken digestaat De mogelijkheid om verwerkt digestaat in te zetten als grondverbeteraar in de (buitenlandse) landbouw, wordt momenteel onderzocht. Het digestaat zal worden verwerkt tot compost dat voldoet aan de eisen van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet en/of vigerende regelgeving van het desbetreffende EU-lidstaat waar afzet van het compost plaatsvindt. Op dat moment is sprake van recycling als bedoeld in sectorplan 7 en voldoet de verwerkingshandeling aan de minimumstandaardverwerking. Relevante Euralcode’s zijn: Plantaardige en dierlijke oliën en vetten uit afscheiders: 19 08 09; Drijflagen uit afvalwaterzuiveringen: 19 08 14 C; Marktafval: 20 03 02; Stedelijk afval: 20 01 08, 20 01 25, 20 01 30, 20 03 02, 20 03 04, 20 03 06 2.2.6 Gescheiden ingezameld groenafval (SP8) De minimumstandaardverwerking voor gescheiden ingezameld groenafval is: • Recycling in de vorm van: o composteren met het oog op recycling als compost, of o vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door narijping (nacompostering of een andere vorm van aërobe droging) gericht op recycling van het digestaat.
De BIR-installatie voldoet aan de mimimumstandaardverwerking omdat het aangevoerde materiaal wordt vergist (verwerkingshandeling R12), waarna het geproduceerde biogas wordt opgewerkt tot aardgaskwaliteit (verwerkingshandeling R1). Voor wat betreft de recycling van het digestaat voldoet de BIR-installatie op dit moment nog niet aan de minimumstandaardverwerking. Het digestaat uit de vergisters wordt namelijk afgezet bij een daarvoor vergunde verwerker waar het vervolgens op aerobe wijze wordt gedroogd met terugwinning van stikstof in de vorm van ammoniumsulfaat, vergund als een R5 verwerkingshandeling. Toekomstig opwerken digestaat De mogelijkheid om verwerkt digestaat in te zetten als grondverbeteraar in de (buitenlandse) landbouw, wordt momenteel onderzocht. Het digestaat zal worden verwerkt tot compost dat voldoet aan de eisen van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet en/of vigerende regelgeving van het desbetreffende EU-lidstaat waar afzet van het compost plaatsvindt. Op dat moment is sprake van recycling als bedoeld in sectorplan 8 en voldoet de verwerkingshandeling aan de minimumstandaardverwerking. Relevante Euralcode’s zijn: Biologisch afbreekbaar afval: 20 02 01 Vigerend vergunde 99 codes: 02 01 99
2.2.7 Slib van biologische afvalwaterbehandeling (SP16) AWZI/BIR
25
Waterzuiveringsslib afkomstig uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie De minimumstandaardverwerking voor biologisch waterzuiveringsslib (sectorplan 16, LAP 3) uit de voedings- en genotmiddelenindustrie is: • Recycling; • Inzet als hulpstof in Hydrostab voor toepassing op een stortplaats is eveneens toegestaan. • Voor slibben waarvoor recycling technisch niet mogelijk is of waarvoor de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan €205,-/ton, is de minimumstandaard ‘verbranden als vorm van verwijdering’ De vergistingsinstallatie voldoet aan de minimumstandaardverwerking omdat sprake is van chemische recycling waarbij de afvalstof in de vergistingstanks op moleculair niveau wordt afgebroken in kleinere eenheden methaan (biogas) - , met als oogmerk het verkregen biogas op te werken tot aardgaskwaliteit (verwerkingshandeling R1). Het digestaat uit de vergisters wordt vervolgens afgezet bij een daarvoor vergunde verwerker waar het vervolgens op aerobe wijze wordt gedroogd. In deze verwerkingsstap wordt ongeveer 35% van de aanwezige stikstof teruggewonnen in de vorm van een 40%-ammoniumsulfaatoplossing. Bij het biologisch drogen is daarom sprake van het beschikbaar krijgen van materialen (stikstof) voor daadwerkelijke, nuttige toepassing elders (i.e.
meststof in de landbouw) waarbij primaire anorganische materialen (i.e. met fossiele energie geproduceerde N-meststoffen) worden vervangen. Deze verwerkingsstap is als geheel vergund als recycling, gekwalificeerd als een R5 verwerkingshandeling. Het biologisch drogen van het digestaat en de N-terugwinning via zure wassers zijn te beschouwen als één geïntegreerde installatie met processen die in tijd en plaats niet gescheiden kunnen worden. Het aldus geproduceerde ammoniumsulfaat is erkend als meststof en wordt als zodanig verhandeld. Het restant van het tunnelgedroogde digestaat wordt afgezet bij een eindverwerker, waar het wordt verbrand als energiedrager (D10) dan wel ten behoeve van cementconversie (R5). De verwerking van biologisch waterzuiveringsslib (SP16) afkomstig uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de vergistingsinstallatie en het naderhand terugwinnen van materialen uit het tunnelgedroogde digestaat voldoet aan de kwalificatie van recycling zoals bedoeld LAP3/sectorplan 16 en daarmee aan de minimumstandaard voor deze groep reststromen. Voor de risico’s met betrekking tot potentiële en occasionele aanwezigheid van ZZS, zie paragraaf 2.3.
De verwerking van slib van biologische afvalwaterbehandeling (afkomstig van de VGM-industrie) in de vergistingsinstallatie en het naderhand terugwinnen van materialen uit het tunnelgedroogde digestaat voldoet aan de kwalificatie van recycling zoals bedoeld in sectorplan 16 en daarmee aan de minimumstandaard voor deze groep reststromen. Toekomstig opwerken digestaat De mogelijkheid om verwerkt digestaat in te zetten als grondverbeteraar in de (buitenlandse) landbouw, wordt momenteel onderzocht. Het digestaat zal worden verwerkt tot compost dat voldoet aan de eisen van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet en/of vigerende regelgeving van het desbetreffende EU-lidstaat waar afzet van het compost plaatsvindt. In dat geval is eveneens sprake van recycling als bedoeld in LAP3/sectorplan 3 en voldoet de verwerkingshandeling aan de minimumstandaardverwerking als zijnde recycling. Relevante Euralcode’s zijn: 02 02 04, 02 03 05, 02 04 03, 02 05 02, 02 06 03, 02 07 05
AWZI/BIR
26
Waterzuiveringsslib, niet afkomstig uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie De minimumstandaardverwerking voor biologisch waterzuiveringsslib (sectorplan 16, LAP 3) - niet afkomstig uit voedingsmiddelenindustrie- is thermische verwerking, al dan niet na voordrogen, leidend tot oxidatie van het organisch materiaal (verbranding in verschillende typen installaties al dan niet na biologische dan wel thermische voordroging). De vergistingsinstallatie voldoet voor wat betreft de verwerking van biologische waterzuiveringsslib uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie aan de mimimumstandaardverwerking omdat sprake is van chemische recycling waarbij de afvalstof in de vergistingstanks op moleculair niveau wordt afgebroken in kleinere eenheden - methaan (biogas) - , met als oogmerk het verkregen biogas op te werken tot aardgaskwaliteit (verwerkingshandeling R1). Het digestaat wordt bij een slibverwerker voorgedroogd, onder de terugwinning van stikstof in de vorm ammoniumsulfaat (R5), en uiteindelijk verbrand (D10, energieopwekking dan wel R5, cementconversie). Relevante Euralcode’s zijn: 03 03 11, 04 02 20 C, 07 01 12C, 07 02 12 C, 07 03 12 C, 07 05 12 C, 07 06 12 C, 07 07 12 C, 19 08 01, 19 08 05, 19 08 12 C. Vigerend vergunde 99 codes: 19 08 99
2.2.8 Dierlijk materiaal (SP65) Voor dierlijke afvalstromen geldt sectorplan 65 met dien verstande dat de Europese Verordening dierlijke bijproducten hier leidend is (EG 1069/2009). De minimumstandaardverwerking voor dierlijk afval betreft: verwerken conform de bepalingen uit Verordening dierlijke bijproducten, artikelen 12 t/m 14. De Verordening dierlijke bijproducten is leidend ten opzichte van de Wet milieubeheer (Wm), tenzij sprake is van verbranden, storten, composteren of vergisten van dierlijk afval. In dat geval zijn zowel de Verordening dierlijke bijproducten als de Wet milieubeheer van toepassing. De Uitvoeringsverordening dierlijke bijproducten geeft aan: - De verwerking van categorie 2-materiaal vergt sterilisatie (verwerking onder druk, 133°C, 3 Bar gedurende tenminste 20 minuten, onder erkenning van de NVWA). Dit is op dit moment op locatie niet het geval omdat de huidige stoomketel wordt verwijderd. Verwerking van categorie 2 materialen is daarom niet toegestaan, tenzij deze verwerking vooraf elders plaatsvindt of verwerking op locatie in de toekomst gaat plaatsvinden. Ook zijn enkele uitzonderingen op deze regeling genoemd in de Verordening (artikel 13), dit betreffen: mest, inhoud maag- darmkanaal, melk en melkproducten, biest, eieren en eiproducten. Deze mogen derhalve in de BIR (vergisting) worden ingenomen.
Bron: Verordening dierlijke bijproducten (1069/2009), artikel 13, onder e (ii). -
AWZI/BIR
De verwerking van categorie 3 materiaal ten behoeve van biogasproductie vergt pasteurisatie vooraf, dan wel achteraf in de keten (verhitting op 70°C, gedurende 60 minuten, deeltjesgrootte 12 mm, of vergelijkbaar, onder erkenning van de NVWA). Het digestaat afkomstig uit de BIR wordt in de keten bij de slibverwerker onder erkenning verwerkt. Verwerking van categorie 3 materialen is daarom toegestaan.
27
Bron: Uitvoeringsverordening dierlijke bijproducten (142/2011), bijlage V, hoofdstuk I Biogasinstallaties, 2.f(iii). Verspreiding overdraagbare ziekten De bovengenoemde uitzonderingen zijn toelaatbaar mits er geen risico bestaat dat ernstige overdraagbare ziekten zich kunnen verspreiden. Het vergistingsproces vindt plaats in afgesloten processen en leidingen. In de vooracceptatie wordt altijd beoordeeld of de stroom potentiële ziekteverwekkende risico’s heeft. Zo ja dan wordt advies van controlerende instantie gevraagd (NvWA) Relevante Euralcode’s zijn (categoriemateriaal): Afval van de land- en tuinbouw (mest): 02 01 02, 02 01 06 Afval van vlees- en visbereiding: 02 02 02, 02 02 03 Putvetten, dierlijk/plantaardig: 19 12 12 C Vloeibare vetstromen/putvet: 19 08 99 (opgebulkt op locatie afvalinzamelaar), 20 01 25 (route inzameling). Vigerend vergunde 99 codes: 02 01 99, 02 02 99, 19 08 99
2.2.9 Sterk verontreinigde afvalstromen en baden SP 73 De minimumstandaardverwerking voor sterk verontreinigde afvalstromen (SP 73) betreft: Concentratie en afscheiden van de metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium, zink, cadmium en kwik) die de in paragraaf I vermelde concentratiegrenswaarden overschrijden, door ontgiften, neutraliseren en ontwateren, zodat: - diffuse verspreiding van de metalen wordt voorkomen; - en de lozing van het resterende afvalwater gelet op wet- en regelgeving, toepassen BBT; - de gevolgen voor het zuiveringstechnische werk en voor het ontvangende watersysteem (emissie/immissie-toets) acceptabel is. Stromen die potentieel sterk verontreinigd kunnen zijn worden alleen geaccepteerd als ze qua zware metalen onder de concentratie grenswaarden voor gevaarlijke stoffen zitten. Dit is doorgaans het resultaat van chemische ONO. Voor wat betreft chroomconcentraties heeft verwerking in de AWZI-lijn de voorkeur, mits dit de biologie niet verstoort. Voor wat betreft alle andere zwaardere metalen is acceptatie alleen aan de orde als (1) de BIR-vergistingsbiologie er niet onder gaat lijden en (2) het daarnaast geen problemen geeft met de acceptatiecriteria van de afnemers van het digestaat. Het lozen van het resterende afvalwater wordt gereguleerd door de aangevraagde watervergunning.
Relevante Euralcode’s zijn: Waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt: 16 10 02 c, 16 10 04 c, 19 08 14 c.
AWZI/BIR
28
2.3
Doelmatigheid verwerkingsroutes in relatie tot ZZS
De ingenomen afvalstoffen verschillen in de mate waarin het aannemelijk is dat ze zzs bevatten. In deze paragraaf wordt de algemene wijze waarop inname en verspreiding van zzs beheerst wordt zowel vóór, tijdens als na het behandelen van afvalstromen en hulpstoffen in de genoemde verwerkingsroutes.
2.3.1 Waarschijnlijkheid voorkomen ZZS Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) betreft stoffen die kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voorplanting zijn resp. bioaccumulerend/hormoonverstorend (ZZS): het RIVM houdt een lijst bij die 2x per jaar wordt geactualiseerd en circa 1300 stoffen betreft. Om een indruk te krijgen welke type ZZS kunnen voorkomen in specifieke branches, is gebruik gemaakt van de ZZS-navigator (testversie Tauw 2017, v1.09). Vervolgens is getoetst of de AWZI WSL respectievelijk BIR (hierna: WSL) afvalstromen van deze branches innemen. Tenslotte zijn alleen die ZZS relevant die via de afvalwaterstroom van de ontdoener emitteren en vervolgens dus via de afgegeven water- dan wel slibfractie van die afvalstroom WSL terecht komen. Zoveel als mogelijk is een relatie gelegd met de Euralsystematiek. Hieronder een overzicht van stromen die mogelijk ZZS bevatten: Stoffen/ waterlozing Divers Divers Nonylfenolen; formamides, KWS-F Divers
Eural 07 01 xx 07 05 xx 03 03 xx
AWZI WSL -
04 02 xx
04 02 10
Afvalbeheer IPPC-installaties verwijderen/toepassen/opslag gevaarlijk afval
Divers
19 01 xx 19 02 xx 19 08 xx
-
Stortplaatsen / Voedingsmiddelenindustrie /maken dierlijke olien/vetten
KWS-Cl of KWS-Br; nikkel
19 07 xx 02 02 xx 02 03 xx
02 02 03 02 03 03
Diervoederindustrie
Diergeneesmiddelen
-
Rubber-/kunststof Mestbehandeling
Divers Chroom-VI
02 01 08/09 07 02 xx 02 01 06 19 02 xx 19 08 xx
BIR 07 01 12c 07 05 12C 03 03 10 03 03 11 04 02 10 04 02 15c 04 02 20 19 08 05 19 08 09c 19 08 12c 19 08 14c 19 07 03 02 02 01 02 02 03 02 02 04 02 03 01 02 03 04 02 03 05 02 03 99 -
02 01 06
07 02 12c 02 01 06
19 08 01
19 08 01 19 08 05 19 08 09c 19 08 12c 19 08 14c 16 03 06c 16 10 02c 16 10 04c
Basischemie/ productie organisch-chemisch Basischemie / Farmaceutisch Papier-/hout-/ textielindustrie: maken papierstof/pulp/vezelplaat Textielindustrie; voorbehandelen/verven textielvezels
Afvalbeheer/zuiveringstechnische werken
Overige
AWZI/BIR
Divers
16 10 02c 16 10 04c
29
Naast de bovengenoemde ZZS-navigator is in 2019 het SGS Intron rapport opgesteld. Hierin zijn per sectorplan de ZZS’en benoemd die aanwezig kunnen zijn in afvalstromen afkomstig van specifieke bronnen. In bijlage B020-06 is uitgewerkt om welke stoffen het gaat. Concluderend geldt voor WSL: 1. In de voedingsmiddelenindustrie is het voorkomen van ZZS onwaarschijnlijk. Voor deze herkomsten is het niet toelaatbaar zijn van mengen gelet op diffuse verspreiding van ZZS, dus niet relevant. Uitzondering hierop zijn afvalstromen afkomstig van het maken van dierlijke oliën of vetten. Hierin kan nikkel aanwezig zijn, zie verder onder 2. 2. In de aan WSL vergunde afvalstromen van de maakindustrie (bijv. chemie) loopt de kans op aanwezigheid van ZZS i.h.a. gelijk op met de aanwezigheid van complementaire stromen in die branche. Voor (voor-)acceptatie van complementaire code’s geldt de toetsing op gevaarlijke afval op grond van de grenswaarden genoemd in de Eural. a. De ontdoener wordt gevraagd te verklaren of en welke ZZS aanwezig kunnen zijn. Vervolgens kunnen de analyses daarop worden afgestemd. De van toepassing zijnde voorschriften van REACH, de POP-verordening en de beleidslijn ZZS van paragraaf B.14.4.3 worden betrokken bij de beoordeling. b. Voor een aantal ZZS geldt dat de stoffen niet aantoonbaar (d.w.z.
lager dan de detectiegrens) aanwezig mogen zijn: het gaat hierbij om pcb’s, dioxines, bestrijdingsmiddelen, organische tin en -fosforverbindingen en gebromeerde difenylethers. c. Voor alle overige ZZS worden de grenswaarden gehanteerd zoals vermeld in LAP3 tabel 17 bijlage F11; indien daarin niet genoemd, is de grenswaarde 0,1 gew. %. d. Voor alle metalen die ook ZZS zijn (kobalt, kwik, lood, nikkel, arseen, beryllium, cadmium, chroom-VI) zijn de concentraties in de betreffende complementaire afvalstromen die in aanmerking komen voor (voor-)acceptatie bekend. Daardoor kunnen de grenswaarden genoemd in c worden aangehouden: afvalstromen met concentraties van deze zware metalen boven de genoemde grenswaarden, worden niet - en mogen niet worden - ingenomen. Daarmee is verdere diffusie van ZZS dan ook niet meer aan de orde. e. Voor de grote en diverse groep niet-metalloïde ZZS geldt dat als bekend is waar de bron van de ZZS in de keten van de ontdoener is, de afvalstromen van deze bron qua herkomst en aard al onder de aandacht van het bronbedrijf en het bevoegd gezag staan. In combinatie met de verklaring die WSL van de ontdoener vraagt kan a.h.v. gerichte analyses vastgesteld worden of de afvalstroom specifieke ZZS bevat en op grond van toetsing van de betreffende grenswaarden door WSL mag worden ingenomen. Diffusie van deze stromen via WSL is dan ook niet aan de orde. 3.