CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

vvgb boschlaan 18 bijlage 1 toelichting op vergunningaanvraag

Raadscommissie 6 september 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen inzake aanvraag omgevingsvergunning WSL Lichtenvoorde10.967 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Uitbreiding Waterstromen Lichtenvoorde Toelichting op de vergunningaanvragen

Waterstromen Lichtenvoorde B.V. 24 november 2021

INHOUDSOPGAVE

1

ALGEMEEN

5

1.1

Gegevens aanvrager

5

1.2

Reden aanvraag

5

1.3

Aangevraagde activiteiten

5

1.4

Leeswijzer

6

2

BESCHRIJVING INRICHTING

7

2.1

Gegevens inrichting

7

2.2

Vergunningensituatie

9

2.3

Hoofdprocessen

10

2.3.1 2.3.2

10 13

AWZI BIR

2.4

Ondersteunende activiteiten

15

2.5

Proefnemingen

15

3

GEWENSTE WIJZIGINGEN - BEOOGDE SITUATIE

17

3.1

Voorgenomen veranderingen

17

3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6

17 17 18 18 18 18

Aangevraagde procesaanpassingen waterzuivering Procesuitbreiding vergistingsinstallatie BIR Aangevraagde nieuwe euralcodes Aangevraagde menghandeling stofcategorieën Activiteitenregeling Verandering verkeersbewegingen Installaties buiten gebruik en nieuwe installaties

3.2

Toekomstige ontwikkelingen

19

4

MILIEUASPECTEN

20

4.1

Aard van de inrichting

20

4.2

Geluid

21

4.3

Luchtkwaliteit

22

4.4

Geur

23

4.5

Bodem

24

4.5.1 4.5.2

Nulsituatie Bodembescherming

24 24

4.6

Externe veiligheid

24

4.7

Energie

26

4.8

Grond- en hulpstoffen

26

4.9

Afval

27

4.9.1 4.9.2

Verwerking afvalstromen van derden Overige vrijkomende afvalstromen

27 29

4.10

BBT

30

5

WATERASPECTEN

31

5.1

Bedrijfsomstandigheden en lozingen

31

5.2

Kwantitatief (hoeveelheid water)

31

5.3

Kwalitatief (samenstelling afvalwater)

31

5.3.1 5.3.2

32 32

Toelichting processen per hoofdcomponent Toelichting overige componenten

5.4

Meten en registreren

33

5.5

BBT

33

5.6

Preventie

34

5.7

Toekomstige ontwikkelingen

35

5.7.1 5.7.2

35 35

5.8

Klimaat en energie Circulariteit

Effluentkwaliteit

35

5.8.1

36

Afvalwatersamenstelling en lozing op rwzi Lichtenvoorde

6

BOUWEN + BESTEMMINGSPLAN

37

6.1

Te realiseren bouwwerken

37

6.2

Bestemmingsplan

41

6.3

Kantoorunits

43

Laatste pagina

43

1 ALGEMEEN

1.1

Gegevens aanvrager

Naam: KvK-nummer: Adres: Postcode/plaats: Postadres: Postcode/plaats: Contactpersoon: Functie: Telefoon: Email:

1.2

Waterstromen Lichtenvoorde B.V. (WSL) 08103172 Prins Bernardlaan 7 7241 DH Lochem Postbus 8 7240 AA Lochem de heer R. Haarhuis Manager exploitatie +31 (0)6 10 91 81 37 r.haarhuis@waterstromen.nl

Reden aanvraag

De afgelopen 15 jaar is veel ervaring opgedaan met het zuiveren van looierijafvalwater en het produceren van biogas uit organische reststromen en de productie van duurzame energie. In deze periode is veel inzicht verkregen in een verdere optimalisatie van de processen als wel in de gewijzigde wetgeving en administratieve processen. Hiervoor is WSL voornemens diverse wijzigingen door te voeren binnen de inrichting. Deze wijzigingen moeten leiden tot een toekomstige duurzame bestendigheid voor de productie van gezuiverd afvalwater en duurzame energie. De wijzigingen kunnen niet geheel binnen de huidige inrichtingsgrenzen worden gerealiseerd. Door middel van het vestigen van een extra opstalrecht wordt een del van de inrichting van de RWZI Lichtenvoorde (in eigendom van waterschap Rijn en IJssel), bij de inrichting van WSL getrokken. Een deel van de aldaar te realiseren bouwwerken zijn in strijd met het vigerende bestemmingsplan.

1.3

Aangevraagde activiteiten

Om de voorgenomen wijzigingen mogelijk te maken verzoekt de aanvrager om: - een omgevingsvergunning milieu ingevolge artikel 2.1, lid 1, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het veranderen en in werking hebben van de gehele inrichting (revisievergunning). Een aantal activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd, vallen onder het Activiteitbesluit Milieubeheer. Naast de regulier opgenomen regels in hoofdstuk 2 van het Activiteitenbesluit zijn dit: - lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, paragraaf 3.1.3 van het Activiteitenbesluit; - in werking hebben van een middelgrote stookinstallaties, paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit. In deze paragraaf van het Activiteitenbesluit zijn tevens de normen voor luchtemissies uit stookinstallaties opgenomen.

5 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Voor bovenstaande activiteiten dient de vergunningaanvraag omgevingsvergunning milieu tevens als melding Activiteitenbesluit te worden beschouwd overeenkomstig artikel 1.9b sub b en 1.10 van het Activiteitenbesluit. Daarnaast verzoekt de aanvrager om: - een watervergunning ingevolge artikel 6.2, lid 2 van de Waterwet voor het lozen van afvalwater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (revisievergunning); - een omgevingsvergunning bouwen ingevolge artikel 2.1, lid 1, onder a van de Wabo voor het realiseren van enkele bouwwerken; - een omgevingsvergunning strijdig gebruik bestemmingsplan ingevolge artikel 2.1, lid 1, onder c voor het afwijken van de (bouw)regels in het bestemmingsplan (buitenplanse afwijking). In een later stadium, maar voor realisatie zal de aanvrager nog verzoeken om: - een omgevingsvergunning vellen van houtopstanden ingevolge artikel 2.2, lid 1, onder g voor het kappen van enkele bomen en struikgewas.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 volgt een beschrijving van de inrichting en de vergunningensituatie. Dit wordt in hoofdstuk 3 gevolgd door een overzicht van de aangevraagde wijzigingen. In hoofdstuk 4 volgt dan een beschouwing van de relevante milieuaspecten voor de omgevingsvergunning en in hoofdstuk 5 de relevante aspecten voor de watervergunning. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 nader ingegaan op de te realiseren bouwwerken, de strijdigheid met het bestemmingsplan en het verwijderen van houtopstanden.

6 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

2 BESCHRIJVING INRICHTING

2.1

Gegevens inrichting

Naam: Adres: Postcode/plaats:

Waterstromen Lichtenvoorde B.V. (WSL) Boschlaan 18b 7131 RB Lichtenvoorde

Binnen de inrichting van WSL bevindt zich de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Lichtenvoorde voor het biologisch zuiveren van bedrijfsafvalwater, alsmede de Biologische Industriële Reststoffenverwerking (BIR)1 voor het verwerken van slib en andere organische reststromen door middel van een vergistingsinstallatie. Deze vormen de twee hoofdprocessen van WSL. Op hetzelfde adres is ook de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) gevestigd. Dat betreft een separate milieu-inrichting met een eigen omgevingsvergunning milieu. De RWZI vormt dus niet samen met WSL één inrichting. De inrichting is gelegen op een industrieterrein in het buitengebied ten noorden van de bebouwde kom van Lichtenvoorde (circa 500 meter), omringd door agrarische percelen. De locatie ligt tussen de Voshuttedijk (noordzijde), de Nieuwendijk (oostzijde), de Europaweg (zuidzijde) en de Boschlaan (westzijde). Direct grenzend aan de noordzijde van de inrichting ligt de Baakse Beek. De dichtstbijzijnde woning (aan de Boschlaan) ligt op 135 meter afstand van de inrichting.

1 De BIR wordt geëxploiteerd door GMB BioEnergie Zutphen B.V. maar vormt samen met de AWZI Lichtenvoorde één inrichting.

7 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Afbeelding 2.1 Globale ligging WSL

Kadastrale gegevens Kadastrale gemeente: Kadastrale sectie: Kadastrale percelen:

Lichtenvoorde N 1031, 1032, 1198, 1392, 1394, 1484 en 1485 (gebouwen en installaties WSL) 1355 gedeeltelijk (installaties WSL) 1196 gedeeltelijk (poort ingang + doorgaande route naar RWZI van WRIJ)

Een extra deel van de kadastrale percelen 1355 en 1196 wordt bij de inrichting van WSL gevoegd ten behoeve van de uitbreiding van de activiteiten en nieuwe installaties.

8 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Afbeelding 2.2 Kadastrale percelen

WSL huurt het terrein binnen de inrichting van WRIJ. BIR heeft voor een deel opstalrecht van WRIJ en deels een opstalrecht van WSL voor haar installaties. Het opstalrecht van WRIJ wordt uitgebreid ten behoeve van de voorgenomen wijzigingen, zoals in paragraaf 1.2. vermeld.

2.2

Vergunningensituatie

In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van alle verleende milieu- en lozingsvergunningen vanaf de oprichting.

Tabel 2.1 Overzicht verleende vergunningen Soort vergunning

Datum

Kenmerk

Bevoegd gezag

Vergunning Wet milieubeheer (Wm) oprichting

12-11-2002

MW 01.35115

Provincie Gelderland

Lozingsvergunning Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) - oprichting

12-11-2002

02.11840

Waterschap Rijn en IJssel

Wijzigingsvergunning Wm

25-05-2005

MPM 3778

Provincie Gelderland

Tijdelijke wijzigingsvergunning Wm

18-10-2007

MPM 11895

Provincie Gelderland

Tijdelijke lozingsvergunning Wvo

24-10-2007

07.07683

Waterschap Rijn en IJssel

Revisievergunning Wm

23-07-2009

MPM17741

Provincie Gelderland

9 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Soort vergunning

Datum

Kenmerk

Bevoegd gezag

Watervergunning Waterwet - revisie

23-07-2009

10.09901

Waterschap Rijn en IJssel

Milieuneutrale wijziging

06-03-2014

MPM27656

Provincie Gelderland (ODA)

Omgevingsvergunning milieu Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) - verandering

08-07-2021

W.Z18.103341.03

Provincie Gelderland (ODRN)

Waterververgunning Waterwet verandering

08-07-2021

WRIJVERG-2100284

Waterschap Rijn en IJssel (ODRN)

2.3

Hoofdprocessen

Zoals in paragraaf 2.1 al kort aangeduid, omvat de inrichting van WSL twee hoofdprocessen, te weten afvalwaterzuivering (AWZI) en de vergisting van organische reststromen (BIR). De synergie van deze twee hoofdprocessen en de nabijgelegen RWZI maakt het mogelijk bijzonder efficiënt te werken. Het ontwerp van de totale installatie is gebaseerd op duurzame biologische technologieën. Zelfs na 15 jaar is vooral de toegepaste zuiveringstechnologie beter dan de bestaande BBT. Al meer dan 15 jaar wordt duurzame energie gemaakt voor circa 5.000 huishoudens. Sinds enkele jaren wordt restwarmte teruggewonnen en als aardgasvervanger ingezet voor de verwarming van onder meer het zwembad en het gemeentehuis in Lichtenvoorde. Het concept bestaat in de basis vooral tussen een optimale afstemming tussen verschillende technieken en samenwerkingen. De zuiveringstechniek is weliswaar primair ontworpen voor de behandeling van afvalwater van een leerlooierij, maar werkt op het gebied van bediening, energie en stikstof nauw samen met de vergister, welke primair is ontworpen voor de verwerking van organische reststromen die van buiten de locatie worden aangevoerd. Om de processen beheersbaar en optimaal te laten verlopen vindt nauwe communicatie met de looierij en het waterschap plaats. Een deskundige accountmanager zorgt voor de juiste en gecontroleerde aanvoer van organische reststromen.

In Bijlage 6 van de vergunningaanvraag is de onderlinge samenhang tussen AWZI en BIR in een processchema weergegeven.

2.3.1

AWZI

De AWZI van WSL is primair ontworpen voor anaerobe en aerobe behandeling van looierij afvalwater dat met een persleiding wordt aangevoerd vanaf de looierij in het centrum van Lichtenvoorde. De leerlooierij is enige jaren geleden van eigenaar gewisseld en daarmee zijn ook looiprocessen enigermate gewijzigd. Ter behoud van de processtabiliteit wordt specifiek afvalwaterwater van derden toegevoegd als het proces er om vraagt. Dit water wordt per as en/of als dunne fractie uit de naastgelegen vergister per leiding aangevoerd. Gezuiverd water (effluent) van de naastgelegen RWZI wordt ingezet om de doorvoersnelheid op voldoende peil te houden en de mogelijk te hoge (zout)concentraties te minimaliseren. Het effluent wordt per leiding aan de RWZI onttrokken. Gebleken is dat bij de nieuwe leerlooierij de afvalwatersamenstelling fors kan fluctueren door wisselende klanten (looiprocessen) en klantwensen. Rekening wordt gehouden met onregelmatige aanvoer vanwege onder andere bedrijfsstops of productiefluctuaties. Daarnaast is gebleken dat de destijds beoogde maximale wateraanvoer (> 400.000 m3/jr.) niet wordt bereikt door onder meer waterbesparingen. De maximale hoeveelheid te handelen afvalwater van de looierij bedraagt ook in de toekomst niet meer dan 300.000 m3/jr. De wisselende samenstelling en aanvoerhoeveelheid leidt tot moeilijker beheersbare biologische

10 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

zuiveringsprocessen. Inmiddels is echter voldoende ervaring opgebouwd om te kunnen voldoen aan de lozingseisen. Het voorgezuiverde water van WSL wordt direct op de naastgelegen RWZI geloosd, waar het tezamen met communaal afvalwater uit de regio wordt gezuiverd en vervolgens wordt geloosd op de Baakse Beek. De waterzuivering en vergisters hebben onder andere processamenwerkingen ten aanzien van bediening, energie (elektriciteit, biogas, warmte) en N-rijk water en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De waterzuivering van WSL bestaat uit een aantal achtereenvolgende hoofdzakelijk biologische zuiveringsstappen te weten: - ontvangst en voorbehandeling: het afvalwater van de leerlooierij wordt via een persleiding aangevoerd en opgevangen in een pomptank. Voor goede werking van de zuiveringsstappen wordt aan het looierijafvalwater zo nodig water van derden of RWZI effluent toegevoegd; - zuiveringsstap-1: na ontvangst en opwarming van het afvalwater, worden in een anaerobe reactor eerst eiwitten, met name koolstof uit het afvalwater omgezet in biogas, wordt sulfaat gereduceerd in sulfide en chroom (3+) geadsorbeerd aan het anaerobe slib. Het slibhoudende afvalwater wordt vervolgens in een anaerobe flotatieunit gescheiden in een sulfidehoudende waterstroom en een slibfractie (biomassa) met relatief veel chroom3+.

Het water wordt doorgevoerd naar stap 2 .De slibfractie wordt in een vergister gestabiliseerd, het Cr rijke digestaat wordt al dan niet tezamen met het gevormde zwavel en kalkhoudende slib uit stap 2 gescheiden in een dikke en dunne fractie. De dikke fractie wordt per container afgevoerd naar een eindverwerker, de dunne fractie wordt teruggevoerd naar het begin van de zuivering. Het biogas uit stap-1 en de WSL vergister wordt samen doorgevoerd naar de (BIR) vergisters en hier ontzwaveld. Tezamen met het (BIR) biogas wordt dit opgewerkt tot aardgaskwaliteit (groen gas); - zuiveringsstap-2: de sulfidehoudende afvalwaterstroom wordt naar een beluchte reactor geleid waar het sulfide biologisch geoxideerd wordt tot elementair zwavel. Daarna wordt het gevormde zwavel van de afvalwaterstroom gescheiden. Het afvalwater wordt doorgevoerd naar stap 3. Het afgescheiden zwavelslib wordt (samen met gevormde calciumverbindingen) al dan niet samen met het slib uit stap-1 gescheiden in een dikke en dunne fractie. De dikke fractie wordt per container afgevoerd naar een eindverwerker.

De dunne fractie gaat terug naar het begin van de zuivering; - zuiveringsstap-3: het ontzwavelde water wordt in een stikstofoxidatiereactor gebracht, waarbij circa 50 % van de ammoniumstikstof onder toevoeging van zuurstof biologisch wordt omgezet naar nitriet (partiële nitrificatie); - zuiveringsstap-4: het nitrietrijke water wordt tenslotte in een anammoxreactor gebracht waarin het gevormde nitriet tezamen met het restant ammonium biologische omgezet wordt naar het onschadelijk stikstofgas en een gering deel nitraat. Het voorgezuiverd water wordt geloosd op de RWZI Lichtenvoorde, welke de laatste restanten (stikstof) verwijdert. De waterzuivering bestaat uit de in onderstaande tabel opgenomen hoofdonderdelen en utilities:

Tabel 2.1 Onderdelen AWZI Onderdeel installatie

Inhoud in m3

pomptank/egalisatietank

300

anaerobe-bioreactor

300

flotatie-unit

60

zwavel bioreactor

102

flocculatietank (zwavelverwijdering)

16

TPS lamellenafscheider

60

aerobe bioreactor (partiële ammonium oxidatie)

188

anammox bioreactor (stikstofverwijdering)

100

11 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Onderdeel installatie

Inhoud in m3

vergister

330

afvalwaterontvangsttanks

2x50m3

biogasscrubber AWZI

100m3/h

biogasbuffer AWZI

5

slibbuffer uitgegist slib

150 5m3/h

decanter t.b.v. ontwatering slibkoekcontainer ontwaterd slib

20 /container

slibkoekcontainer ontwaterd slib AWZI vergister

20 /container

lavakiesfilter

10m2

Egalisatie Voor de biologische processen is het belangrijk te streven naar een zo constant mogelijke voeding. Naast egalisatie bij de looierij, beschikt de waterzuivering over een egalisatietank, waarin tevens overig water wordt verzameld. Cyclonage Om te voorkomen dat haren en andere grove delen verstoppingen veroorzaken, wordt het afvalwater gecycloneerd voordat het in de egalisatietank komt. De haren en overige delen worden direct naar de slibbuffer afgevoerd. Slibbehandeling slibfractie zuiveringsstap 1 en 2 De chroomhoudende slibfractie uit stap-1 wordt gestabiliseerd in een eigen vergister (O) bij een verblijftijd van circa 20 dagen bij 35˚ C. Het gestabiliseerde slib wordt afgevoerd naar de slibopslag/indikker (P), waar het

verder wordt ingedikt en periodiek separaat of continue tezamen met het slib van stap-2 wordt ontwaterd. Het centraat van de ontwatering wordt via egalisatietank teruggevoerd in het proces. Biogasbehandeling Het biogas wordt in een 2-tal biogasscrubbers voorontzwaveld, dus deels ontdaan van H2S. Het biogas wordt in een eigen buffer opgeslagen. Vanuit deze buffer wordt het biogas naar een BIR-vergister afgevoerd. En tezamen met het BIR biogas ontzwaveld. Recirculatie sulfide-arm water Om de doorvoersnelheid op voldoende peil te houden en remming door te hoge sulfide-concentraties te voorkomen, wordt zwavel arm water afkomstig van de zwavelverwijdering (stap-2) teruggevoerd naar stap 1. Aan deze stroom wordt warmte toegevoegd om het gehele systeem op circa 30 °C te houden. Chemicaliëndosering Op verschillende locaties in het proces worden chemicaliën gedoseerd om: - de afscheiding van water/slib te bevorderen (polymeren, aluminiumzouten); - de pH van de gaswasser of een processtroom te corrigeren (zuren/logen/CO2); - nutriënten t.b.v. een gezonde biomassa; - schuimvorming te beheersen (antischuim middelen); - H2S bestrijding (Fe-zouten).

12 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Verwarmen Om de biologische processen optimaal te laten verlopen wordt het afvalwater circa 10 ˚C opgewarmd. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van een nieuw te realiseren warmte centrale, bestaande uit een CV ketel in combinatie met een warmtepomp.

2.3.2

BIR

In de vergistingsinstallatie worden organische reststromen omgezet naar biogas. Dit biogas wordt opgewerkt tot aardgaskwaliteit en in het aardgasnet gebracht. De organische reststromen worden per as aangevoerd en in verschillende voorraadtanks opgeslagen. Vanuit deze voorraadtanks worden drie vergisters gevoed. De hoofdstappen van de vergistingslijn zijn: - ontvangst verpompbare stromen / en eventueel verpompbaar maken van vaste stromen; - vooropslag t.b.v. constante voeding van de vergisters; - vergisting door omzetting van organische stof naar biogas; - navergisting om het vergistingsproces te stoppen; - dik – dun scheiding van de uitgegiste stroom (= digestaat); - de dikke fractie wordt per as afgevoerd naar een eindverwerker of eindgebruiker; - uit de dunne fractie wordt een groot deel van de stikstof terug gewonnen als kunstmestvervanger, het restant van de stikstof wordt in de waterzuivering verwijderd. Het biogas wordt ontzwaveld, gedroogd en grotendeels van het CO 2 ontdaan, waarna het wordt geïnjecteerd in het nabijgelegen aardgasnet. De benodigde warmte voor het vergistingsproces wordt geleverd met een CV ketel in combinatie met een warmtepomp, waarmee tevens wordt voorzien in de warmtebehoefte van de zuivering en het externe warmtenet van Energiek B.V. (voor onder andere het zwembad, de sportverenigingen en het gemeentehuis in Lichtenvoorde).

Tabel 2.2 Onderdelen BIR Onderdeel installatie

Inhoud

vooropslag organische reststromen

2x100 2x25 2x150 2x500

vergister organische reststromen/ biogasvorming

2x 800 4.250

navergister

2x 300 2x 530 incl. 350 m3 biogasopslag

biogasopslag BIR/totaal biogas opwaardering

300 m3 ca. 1.000 m3 biogas/h

nutriëntenterugwinning warmwateropslag

20 m3

biogasfakkel

1.500 m3/h

loog opslag

40 m3

zuur opslag

40 m3

herwonnen stikstof opslag

150 m3

13 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Onderdeel installatie

Inhoud

actiefkoolfilter

8 m3 H=25m

ventilatieluchtafvoer warmtecentrale

ca. 750 kWth ca. 1.140 kWth

Losplaats en voorraadtanks De aangevoerde organische stromen worden naar keuze opgeslagen in één van de voorraadtanks. De voorraadtanks worden vanuit tankwagens gevuld op de losplaats via slangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de pomp van de tankwagens. Speciale vrachten lopen via cutter/stenenvanger alvorens het naar de voorraadtanks wordt afgevoerd. Stortbunker (inpandig) Eventuele steekvaste reststromen en putvetten worden gelost in een inpandige stortbunker, waar deze in een bewerkingsinstallatie verpompbaar worden gemaakt en van grove delen worden ontdaan. De voorbewerkte reststroom wordt afgevoerd naar een van de voorraadtanks. Chemicaliëndosering Op verschillende locaties in het proces kunnen chemicaliën worden gedoseerd om: -

de afscheiding van water/slib te bevorderen (polymeren in combinatie met Fe zouten); schuimvorming te beheersen (antischuim middelen); H2S bestrijding (Fe-zouten); pH correcties met CO2 en/of basische middelen; Zuur voor binding van herwonnen stikstof.

Vergisters De vergisters zijn in staal (2 stuks) en beton (1 stuks) uitgevoerd en voorzien af- en aanvoerleidingen, isolatie, menger en een inwendig verwarmingssysteem. Navergisters De navergisters zijn in staal (2 stuks) en beton (1 stuks) uitgevoerd en voorzien af- en aanvoerleidingen en menger. De betonnen navergister is voorzien van een membraandak die tevens als biogasbuffer dient. De biogasleidingen van de hoofd- en navergisters zijn met elkaar verbonden. Groen gas opwekking en CO2 vervloeiing Het biogas wordt uit de buffer afgevoerd naar de groengasinstallatie. Water, H 2S en andere onzuiverheden worden verwijderd door koeling en filtratie (actief kool). Hierna wordt het biogas gecomprimeerd en door selectieve membranen geleid. Hierdoor ontstaat een geconcentreerde CO2 stroom en een groen gas stroom met aardgaskwaliteit. Een deel van de CO2 wordt ingezet in de waterzuivering ten behoeve van de pH beheersing. Het grootste deel van het CO2 wordt vloeibaar gemaakt, opgeslagen en per tankwagen afgevoerd. Indien er onvoldoende vraag naar vloeibaar CO2 is, wordt deze naar de buitenlucht afgevoerd. Warmte productie en warmtenet De benodigde warmte voor de processen wordt met een warmtepomp in combinatie met een (bio)gas verbrandingsketel geproduceerd.

De warmte wordt via een centraal warmtenet gedistribueerd naar de verschillende gebruikers, waaronder ook het externe warmtenet van Energiek. Dik/dunscheiding digestaat Het digestaat kan via een mechanische scheiding worden gescheiden in een dikke en dunne fractie. De dunne stikstofhoudende stroom wordt na terugwinning van stikstof in de zuivering behandeld, de dikke fractie wordt afgevoerd of teruggebracht naar de vergister.

14 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

N-terugwinning De dunne fractie is rijk aan stikstof in de vorm van ammonium. Dit ammonium wordt teruggewonnen als een ammoniumzoutoplossing via een ammoniakstripper. Het teruggewonnen product wordt als kunstmestvervanger ingezet. Om het proces efficiënt te laten verlopen wordt de temperatuur en pH gereguleerd. Fakkel Tijdens het stilvallen en bij onderhoud van de biogasopwerking wordt het biogas afgefakkeld met een capaciteit van maximaal 1.500 m3/h.

2.4

Ondersteunende activiteiten

Ten behoeve van de hoofdprocessen bevinden zich in vijf proceshallen ondersteunende apparatuur zoals pompen, pomptanks, blowers, warmteopwekking, voorbehandeling, chemicaliëndoseringen, meet-en regelapparatuur, schakelkasten, bedienings- en labruimte, et cetera. Luchtbehandeling Alle vooropslagen en beluchte reactoren van zowel de vergisterslijn als de waterzuivering zijn afdekt en worden op onderdruk gehouden. Het drietrapsbehandelingssysteem bestaat uit scrubber, lavafilter en een actiefkoolfilter, waarna de lucht op 25 meter hoogte wordt geëmitteerd. Opslagvoorzieningen chemicaliën De installatie is voorzien van verschillende chemicaliënopslagen ter ondersteuning van de processen en de opslag van teruggewonnen stikstof. Condensput Een deel van het biogas wordt in ondergrondse leiding gekoeld, waarbij het condenswater via een aantal condensputten wordt afgevoerd naar de waterzuivering. Trafo’s en aardgasstation Op het terrein bevinden zich twee trafo’s en een aardgas aanvoerstation. Kantoorunit Direct bij de ingang is een kantoorunit aanwezig met een paar werkplekken, een vergaderruimte/kantine, sanitaire voorzieningen en een klein keukentje.

2.5

Proefnemingen

De locatie staat bekend om z’n innovatieve processen en wil hier op door ontwikkelen. Komende jaren moeten meer technologieën worden ontwikkeld in het kader van de circulaire economie (terugwinnen grondstoffen), de klimaatdoelstellingen (energie en CO2 reductie) en de waterkwaliteit (ZZS) en kwantiteit (droogte, hergebruik). Voor de proefnemingen zijn daarom voorschriften nodig om een zo hoogwaardig mogelijke toepassing van be-/verwerking van afvalstoffen te realiseren, en waartoe onder voorwaarden instemming kan worden verleend. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in twee situaties: - het beproeven van niet eerder toegepaste techniek, dus ook niet expliciet vergunde techniek, waarvan verwacht wordt dat deze leidt tot een in milieuhygiënisch opzicht betere verwijdering (minder afvalstoffen en/ of afname van de milieubelasting); - het be- of verwerken van andere afvalstoffen dan die zijn vergund (proefverwerking).

15 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

De proefneming en -verwerking voldoen inhoudelijk aan de volgende voorwaarden: -

-

de proefneming verschaft inzicht dat niet op andere wijze vergaard kan worden op het gebied van potentieel hoogwaardige producten en bijbehorende milieueffecten; het draagt bij aan ontwikkeling van BBT; kleinschalig qua omvang en qua milieueffecten (verbruik van energie, water, grond- hulpstoffen); de proefneming is van bepaalde duur tot circa twee jaar. De proefneming verschaft informatie op basis waarvan bij succesvol verloop, na beëindiging van de proef, kan eventueel een passende vergunningsprocedure worden gestart t.b.v. een definitieve toepassing.

16 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

3 GEWENSTE WIJZIGINGEN - BEOOGDE SITUATIE

3.1

Voorgenomen veranderingen

3.1.1

Aangevraagde procesaanpassingen waterzuivering

Het proces zelf blijft gelijk, maar er vinden veranderingen plaats in de ingaande afval- en afvalwaterstromen. Zo is WSL voornemens om afvalwater van derden en effluent van de RWZI te verwerken. De totale hoeveelheid aan inkomende stromen neemt iets af. De maximale hydraulische capaciteit blijft met 50 m 3/h gelijk. In onderstaande tabel zijn de wijzigingen weergegeven.

Tabel 3.1 Wijzigingen in ingaande afval- en afvalwaterstromen Vigerende m3 per jaar

Aanvraag m3 per jaar

persleiding

438.000

300.000

overig afvalwater van derden

per as

40.000

40.000

dunne fractie vergister

leiding

95.000

effluent RWZI

persleiding

40.000

Inkomende stromen

Aanvoer

afvalwater looierij

TOTAAL

3.1.2

478.000

475.000

Procesuitbreiding vergistingsinstallatie BIR

In de huidige situatie wordt het geproduceerde biogas omgezet in elektriciteit en warmte door middel van twee WKK-installaties. Voor een toekomstbestendige situatie moet de elektriciteitsproductie worden vervangen door een groengas productie. Voor dergelijke toepassing is een minimum schaal nodig van circa 1.000 m3 biogas/uur. Op basis van de BIR ervaringen is hier maximaal 100.000 ton organische reststromen per jaar voor nodig.

Tabel 3.2 Wijziging te verwerken organische reststromen in de vergistingsinstallatie Inkomende stromen

Aanvoer

organische reststromen

per as

Vigerende m3 per jaar

Aanvraag m3 per jaar

40.000

100.000

Vigerend (m3/jaar)

Aanvraag (m3/jaar)

5.000.000

9.000.000

Tabel 3.3 Wijziging biogasproductie

biogasproductie

17 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Vigerend (m3/jaar)

Aanvraag (m3/jaar)

groen gas productie

3.1.3

6.500.000

Aangevraagde nieuwe Euralcodes

In bijlage 14 bij de vergunningaanvraag is een lijst met Euralcodes opgenomen voor zowel de AWZI-WSL als de vergister (BIR). Een groot aantal is reeds vergund. Een aantal is nieuw. Tevens is per Euralcode aangegeven welk sectorplan van LAP 3 betrokken is. In het A&V-beleid en AO/IC (zie bijlage 15 bij de vergunningaanvraag) is in hoofdstuk 2 een verantwoording gegeven of de installaties de betreffende Euralcode onder het geldende sectorplan mag verwerken gezien de vereiste minimumstandaardverwerking.

3.1.4

Aangevraagde menghandeling stofcategorieën Activiteitenregeling

Bij de AWZI en vergister worden onder de vigerende vergunning stoffen gemengd die op grond van bijlage 11 van de Activiteitenregeling vallen onder: - categorie 10 (procesafhankelijk afval van industriële processen, vergelijkbaar met SP3); - categorie 13 (gescheiden ingezameld bioafval, vergelijkbaar met SP7 ); - categorie 16 (slib van biologische zuivering uit voedingsmiddelenindustrie, vergelijkbaar met SP16); - categorie 35 (afval dat valt onder Verordening dierlijke bijproducten, vergelijkbaar met SP65); - categorie 75B (metaalhoudende afvalwateren, vergelijkbaar met SP3 en/of 73). Nieuw is de stoffencategorie 12 (groenafval, vergelijkbaar met SP8). De Activiteitenregeling geeft aan dat stoffen gemengd mogen worden indien zij zijn aangewezen onder overeenkomende nummers, onderscheiden met een A of B. Dit is niet het geval. Het mengen zonder vergunning is niet toegestaan. Het mengen van de in de Eurallijst genoemde stoffen uit bovengenoemde stofcategorieën wordt derhalve hierbij aangevraagd. Zie verder paragraaf 4.9 met betrekking tot de verschillende mengcondities binnen de inrichting van WSL.

3.1.5

Verandering verkeersbewegingen

Voor de jaarlijkse aanvoer van maximaal 100.000 ton reststoffen en 40.000 m3 overig afvalwater zijn maximaal 4.000 tankwagentransporten per jaar nodig. Voor de afvoer van producten (ontwaterd digestaat, N-meststof en vloeibaar CO2) zijn maximaal 1.000 transporten per jaar nodig. Voor de aanvoer van ondersteunende chemicaliën en overige dienstverlening zijn maximaal 1.000 transporten per jaar nodig. Totaal vinden maximaal 6.000 transporten per jaar plaats. Door een gedeeltelijk combinatie van aan- en afvoer vinden maximaal 10.000 transportbewegingen plaats per jaar. Dat is een toename van 25 % ten opzichte van de vigerende (akoestische) situatie, die uitgaat van maximaal 8.000 transportbewegingen per jaar.

3.1.6

Installaties buiten gebruik en nieuwe installaties

Bij WSL vinden de volgende wijzigingen in installaties plaats: - de stoomketel wordt buiten gebruik gesteld; - de sanitatietanks komen te vervallen; - WKK1 en WKK2 worden buiten gebruik gesteld en vervangen door een groengasinstallatie; - de biogasscrubber vervalt; - een derde BIR met bijbehorende vooropslagen, vergister en navergister worden geïnstalleerd; - Installaties t.a.v. nutriëntenterugwinning (stikstof) worden geplaatst; - de noodzuivering van de AWZI wordt buiten gebruik gesteld.

18 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

3.2

Toekomstige ontwikkelingen

Meer en meer worden activiteiten afgestemd om invulling te geven aan het klimaatakkoord en de circulaire economie. WSL wil hier, waar mogelijk, zoveel mogelijk invulling aangeven. Thema’s die de komende jaren belangrijk worden zijn o.a. grondstofterugwinning, energie efficiëntie en waterkwaliteit en -kwantiteit.

19 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

4 MILIEUASPECTEN

4.1

Aard van de inrichting

De inrichting valt onder meer onder de volgende categorieën van Besluit omgevingsrecht (Bor), bijlage 1, onderdeel C: - 27.1 Inrichtingen voor het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater; - 28.1 a 20 v.w.b. het opslaan van bedrijfsafvalstoffen die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m3 of meer; - 28.4 c 10 v.w.b. het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen – anders dan verbranden - van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit van minimaal 15 miljoen kg per jaar. IPPC+E-PRTR De inrichting valt als IPPC bedrijf onder de Richtlijn van Industriële Emissies (RIE 2010/75/EU), categorie 5.3 verwijdering ongevaarlijke afvalstoffen D8, D9 met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag. Tevens is het bedrijf verplicht te rapporteren in het kader van de E-PRTR-Verordening (EG) nr. 166/2006. M.e.r.-beoordeling Een m.e.r.-beoordeling is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit, waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen mogelijk optreden. De vraag is of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden, staat ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r.

aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van bijlage I van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). Voor activiteiten die genoemd zijn in onderdeel C geldt direct een m.e.r.-plicht, waarbij een uitgebreide milieueffectrapportage opgesteld moet worden. Ook zijn in het besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze zijn beschreven in onderdeel D van bijlage I van het Besluit m.e.r. Om te bepalen of er bij deze activiteiten uit onderdeel D sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen, dient hiervoor een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Wanneer uit de m.e.r.beoordeling volgt dat belangrijke nadelige milieugevolgen niet uit te sluiten zijn, dan geldt een m.e.r.-plicht, waarbij een uitgebreide milieueffectrapportage opgesteld moet worden. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling is noodzakelijk voor de voorgenomen wijzigingen ter plaatse van WSL.

Conform categorie D18.1 ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval …’ van het Besluit milieueffectrapportage is een m.e.r.-beoordeling verplicht wanneer meer dan 50 ton per dag aan niet gevaarlijke afvalstoffen worden verwijderd. Binnen de inrichting worden afvalstromen op biologische wijze behandeld, hierbij worden slib en andere organische reststromen verwerkt middels een vergistingsinstallatie. Dit dient juridisch beschouwd te worden als de verwijdering van niet gevaarlijke afvalstoffen. Omdat voor de wijzigingen van de inrichting een omgevingsvergunning (revisie) is vereist, moet voorafgaand een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd.

20 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

De m.e.r.-beoordeling is als bijlage 3 bij de vergunningaanvraag gevoegd.

4.2

Geluid

Met de voorgenomen ontwikkelingen worden zowel geluidsbronnen verwijderd als toegevoegd aan de bestaande situatie. De laag rendement warmtekrachtkoppelingen (WKK’s) worden vervangen door een hoog rendement groen gas installatie. De toevoeging van mobiele bronnen op het terrein van de inrichting bestaan uit extra vrachtwagens en personenauto’s. Op het terrein van de inrichting vinden activiteiten plaats die leiden tot piekgeluid. Het gaat hierbij om remontluchting van vrachtwagens en het slaan van autodeuren. Deze mobiele bronnen zijn alleen in de dagperiode actief van maandag tot en met vrijdag en incidenteel op zaterdag(ochtend). Gemeentelijk geluidbeleid In de gemeente Oost Gelre is gemeentelijk geluidbeleid vastgesteld in februari 2020. De onderhavige aanvraag voor de omgevingsvergunning ‘milieu’ moet hieraan worden getoetst. In het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen dat onder andere voor deze type inrichting de algemene geluidsregels van toepassing zijn, als bedoeld in tabel 2.17a van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. In het kader van dit project is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7 bij de vergunningaanvraag). Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) In onderstaande tabel zijn de geluidniveaus afkomstig van de inrichting weergeven ter plaatse van de omliggende woningen.

Tabel 4.1 Resultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Punt

Omschrijving

hoogte (m)

Geluidsniveau in dB(A) * Dagperiode

01_A

Boschlaan 12

1,5

01_B

Boschlaan 12

5

02_A

Europaweg 9A

1,5

02_B

Europaweg 9A

5

03_A

Europaweg 9

1,5

03_B

Europaweg 9

5

04_A

Voshuttedijk 2

1,5

04_B

Voshuttedijk 2

5

05_A

Boschlaan 20

1,5

05_B

Boschlaan 20

5

08_A

Boschlaan 18A

1,5

08_B

Boschlaan 18A

5

Avondperiode

Nachtperiode

23/45--

22/40--

16/45--

16/40--

14/45--

14/40--

14/45--

14/40--

22/45--

22/40--

29/45--

29/40--

29/50/--

9/50--

14/50--

14/50--

26/50--

37/50--

* Berekende waarde/grenswaarde geluidbeleid/overschrijding.

Uit de tabel blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de grenswaarden van het geluidbeleid van gemeente Oost Gelre.

21 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Maximale geluidniveau (LAmax) In tabel 3.2 zijn de maximale geluidniveaus weergegeven in de dagperiode. In de avond- en nachtperiode treden geen duidelijke pieken op, zodat altijd voldaan zal worden aan het geluidbeleid.

Tabel 4.2 Resultaten maximale geluidsniveaus Punt

Omschrijving

Hoogte (m)

Maximaal geluidsniveau dagperiode in dB(A)

01_A

Boschlaan 12

1,5

42/70/--

02_A

Europaweg 9A

1,5

20/70/--

03_A

Europaweg 9

1,5

27/70/--

04_A

Voshuttedijk 2

1,5

28/70/--

05_A

Boschlaan 20

1,5

37/70/--

08_A

Boschlaan 18A

1,5

47/70/--

* Berekende waarde/grenswaarde geluidbeleid/overschrijding.

Uit de tabel blijkt dat er overal ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden. Indirecte hinder Het geluidsniveau bedraagt 43 dB(A) in de dagperiode bij Boschlaan 18A. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

4.3

Luchtkwaliteit

Voor WSL worden van de in de Wet luchtkwaliteit opgenomen stoffen alleen emissies van NO2, PM10 en PM2,5 verwacht. In de gewenste situatie is er sprake van enkele wijzigingen in de installaties. Daarnaast vindt er een toename in vrachtwagenbewegingen plaats. De invloed op de luchtkwaliteit van de beoogde situatie is bepaald in de Notitie Luchtkwaliteit, dat als bijlage 8 is opgenomen bij de vergunningaanvraag. Uit eerder onderzoek bij een qua activiteiten vergelijkbare inrichting (RWZI Deventer) is uit berekeningen gebleken dat een NOx-emissie van circa 10.000 kg/jaar per etmaal een bijdrage van een enkele μg NO2/m3 geeft en minder dan 0,1 μg PM10/m3 (en PM2,5) geeft op de terreingrens. De bijdragen van de emissies van WSL zijn daarom naar verwachting nog lager, zeker aangezien de NO x-emissie op basis van uitgevoerde stikstofdepositieberekeningen 2.878 kg/jaar bedraagt. De situatie voldoet in zeer ruime mate aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer titel 5.2. Stikstofdepositie Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ ligt op circa 5,2 km van WSL. In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijke effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Overige effecten (zoals verstoring door licht of geluid) zijn uitgesloten, gezien de grote afstand van de gebieden ten opzichte van de inrichting.

In de vigerende milieuvergunning 2010 van WSL is geconcludeerd dat gezien de ligging van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Korenburgerveen geen vergunning Natuurbeschermingswet (nu Wet natuurbescherming) nodig was voor de effecten op beschermde gebieden. In het kader van de huidige revisievergunningaanvraag en om te bepalen of er een vergunning Wet natuurbescherming nodig is zijn stikstofberekeningen uitgevoerd (zie bijlage 9 bij de vergunningaanvraag). Voor de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling zijn de emissies voor de beoogde situatie en referentiesituatie gemodelleerd in AERIUS Calculator. De resultaten laten zien dat voor geen enkel Natura 2000-gebied een depositietoename wordt berekend van meer dan 0,005 mol/ha/jaar. Daarmee is er geen sprake van een aanhaakplicht van de

22 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

deelactiviteit ‘natuur - gebiedsbescherming’ als bedoeld in 2.2aa, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht en artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming.

4.4

Geur

In het kader van het voornemen is een geuronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 10 bij de vergunningaanvraag). De exacte effecten van deze wijzigingen op de geuremissie zijn niet bekend, aangezien de installatie nog niet is gerealiseerd. Echter, gelet op de zeer ruime marge in de gemeten emissies, wordt er vanuit gegaan dat de huidig vergunde emissie van 14,5 miljoen ouE/uur niet wordt overschreden. Ondanks dat niet wordt verwacht dat de vergunde emissie wordt overschreden, is ook berekend bij welke maximale geuremissie de streefwaarde van 0,15 ouE/m³ als 98-percentiel in de omgeving niet wordt overschreden. In onderstaande afbeelding zijn de contouren weergegeven van een emissie van 28,8 miljoen ouE/uur. Op basis van deze contour kan worden geconcludeerd dat de maximale geuremissie, waarbij de streefwaarde op geen enkel geurgevoelig object in de omgeving wordt overschreden, 28,8 miljoen ouE/uur bedraagt. Dit is bijna het dubbele van de huidig vergunde emissie. Daarnaast worden alle potentiële geuremitterende procesonderdelen afgedekt en op onderdruk gehouden. De lucht wordt in het bestaande overgedimensioneerde drietrapszuiveringssysteem gezuiverd.

Afbeelding 4.1 Geurcontour 0,15 ouE/m 3 als 98-percentiel

WSL is voornemens om de capaciteit van de vergisting van organische reststromen te verhogen, middels een extra BIR. Daarnaast zal de samenstelling van inkomende afvalwaterstromen naar de afvalwaterzuivering wijzigen. In de huidige situatie ligt de maximale gemeten geuremissie van 1,7 miljoen ouE/uur ruim onder de vergunde waarde. De beoogde wijzigingen hebben mogelijk invloed op de geuremissie, maar de huidig vergunde emissie van 14,5 miljoen ouE/uur wordt niet overschreden. Een berekening toont aan dat de streefwaarde bij de omliggende woningen pas wordt overschreden bij een geuremissie hoger dan 28,8 miljoen ouE/uur. Van negatieve effecten op het aspect geur is daarom geen sprake.

23 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

4.5

Bodem

4.5.1

Nulsituatie

Op het terrein waar de uitbreiding van WSL is gepland heeft WRIJ in 2009 een nulsituatie bodemonderzoek uit laten voeren (zie bijlage 11 bij de vergunningaanvraag). Er zijn onder andere monsters genomen ter plaatse van de huidige (door WRIJ te verplaatsen) slibbuffer, waar de nieuwe vooropslagen, vergister en navergister komen te staan. Op deze locatie zijn geen verontreinigingen aangetroffen boven de interventiewaarde. Sindsdien hebben er geen andere werkzaamheden plaatsgevonden dan ten tijde van het onderzoek het geval was. Het is dan ook niet aannemelijk dat de bodemsituatie ter plaatse is veranderd. Op het huidige deel van het terrein van WSL is de bodemsituatie ten opzichte van de vigerende vergunning niet gewijzigd. Ook hier vinden nog steeds dezelfde werkzaamheden plaats. Daarmee is de bodemkwaliteit (nulsituatie) bij WSL van de gehele inrichting, inclusief uitbreiding, voldoende vastgelegd.

4.5.2

Bodembescherming

Binnen de inrichting van WSL vinden verschillende activiteiten plaats die potentieel bodembedreigend zijn: - opslag en behandeling van gevaarlijke stoffen, zuiveringsslib en organische reststromen; - opslag en verwerken van afvalwater; - het verpompen van vloeistoffen via leidingsystemen. Ook in de gewenste situatie blijven deze activiteiten plaatsvinden. Om te bepalen of er in de gewenste situatie sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico, is een voor de huidige situatie in 2010 opgestelde bodemrisicoanalyse op basis van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) geactualiseerd (Bodemrisicoanalyse op basis van de NRB, Haukes Inspectiediensten B.V. d.d. 1-2-2010). Bij de actualisatie van de NRB-analyse is geconstateerd dat ook voor de gewenste situatie sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico (zie bijlage 12 bij de vergunningaanvraag). Met de aanwezige c.q. getroffen BRCL (bodemrisicochecklist)-voorzieningen en maatregelen ter plaatse van de potentieel bodembedreigende activiteiten wordt een verwaarloosbaar bodemrisico verkregen.

4.6

Externe veiligheid

In het kader van de uitbreiding van WSL is een onderzoek uitgevoerd voor het thema Externe Veiligheid (zie bijlage 13 bij de vergunningaanvraag). Aangezien het voornemen is om bouwwerken ten behoeve van een BIR te realiseren valt het voornemen niet onder definitie van artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee wordt het voornemen niet beschouwd als een beperkt kwetsbaar object of kwetsbaar object. Uit de risicokaart (zie afbeelding 3.2) blijkt dat binnen en in de directe nabijheid van de locatie Lichtenvoorde geen risicobronnen gelegen zijn, waarvan de risicocontouren of het invloedsgebied van derden over het terrein van WSL zijn gelegen. De relevante risicobronnen voor gehele inrichting van WSL zijn: - de drie vergisters; - de drie navergisters; - de opslag van het biogas.

24 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Afbeelding 4.2 Uitsnede risicokaart

Afbeelding 3.3 geeft een schematische weergave van de bestaande PR 10-6 contouren van de betreffende risicobronnen. Afbeelding 3.4 geeft een schematische weergave van de contouren voor de te realiseren risicobronnen.

Afbeelding 4.3 Bestaande situatie: de opslag van het biogas, twee vergisters en de twee navergisters zijn ingetekend met de bijbehorende PR 10-6 contour (25 m, opslag (egalisatietank) en 5 m voor de vergisters en navergisters)

25 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Afbeelding 4.4 Toekomstige situatie: biogasopwerking, vergister en de navergister zijn ingetekend met de bijbehorende PR 10-6 contour (30 m biogasopwerking en 5 m voor de vergister en navergister)

Uit afbeelding 3.4 blijkt dat de risicocontour van de biogasopwerking net iets over de noordelijke grensafscheiding valt. Het aangrenzende perceel is aangemerkt als landbouwgrond. Het woonhuis op dit perceel ligt op een afstand van 570 m van de risicobron (biogasopwerking). Het perceel met woonhuis is niet aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object. Ten westen van WSL is eveneens een woonhuis gesitueerd (160 m van de risicobron (egalisatietank)). De PR 10-6 contour valt niet over de westelijke terreingrens van WSL en is daarom niet beschouwd. De PR 10-6 contouren van de vergisters en navergisters vallen binnen het terrein van WSL. Uit het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de procesvoering en de daarbij behorende installaties van WSL geen gevolgen heeft voor de Externe Veiligheid.

4.7

Energie

In de bestaande situatie worden er binnen de inrichting al organische reststromen vergist om dit om te zetten in biogas. In de gewenste situatie wordt er door optimalisaties in het proces en het bijplaatsen van een derde vergister een grotere hoeveelheid organische reststromen verwerkt, waarbij er ook meer biogas wordt geproduceerd. In de huidige situatie wordt er circa 5 miljoen m3 biogas/jaar geproduceerd. Het gas wordt ingezet ten behoeve van de elektriciteitsproductie in twee WKK’s (Warmte Kracht Koppeling), waarbij slechts een gedeelte van de restwarmte nuttig wordt ingezet. In de gewenste situatie wordt de gasproductie verhoogd (9 miljoen m3 biogas/jaar) en wordt het gas door middel van een groengasinstallatie direct in het aardgasnet gebracht (6,5 miljoen m 3 groen gas/jaar). Naast de biogastoename, neemt ook het energierendement aanzienlijk toe.

4.8

Grond- en hulpstoffen

Bij WSL is sprake worden verschillende reststromen ingenomen en verwerkt. In het proces van de verwerking worden verschillende chemicaliën gebruikt. Dit is zowel in de huidige als in de gewenste situatie het geval. Inkomende reststromen voor de AWZI-WSL betreffen: - afvalwater leerlooierij (persleiding); - overig afvalwater van derden (per as);

26 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

-

dunne fractie vergister (leiding); effluent RWZI (persleiding).

Inkomende reststromen voor de BIR betreffen: - organische reststromen verpompbaar/vast (per as). Op verschillende locaties in het proces worden chemicaliën gedoseerd (zie paragraaf 2.3.1 en 2.3.2).De opslag van deze chemicaliën vindt plaats in onderstaande opslagvoorzieningen.

Tabel 4.3 Overzicht gebruikte hulpstoffen Locatie

Aard

Opslagmedium

Opslagcapaciteit

buiten nabij fakkel

ijzerchloride

dubbelwandige tank

50 m3

buiten bij proceshal 1

koolstofdioxide

50 L flessen

1 ton

in proceshal 1

flocculant

IBC

4 ton

in proceshal 1

PAC (polymeer)

IBC

3 ton

in proceshal 1

natronloog

IBC

2 ton

in proceshal 1

antischuim

drum

1 ton

in proceshal 1

nutriënten

IBC

2 ton

in proceshal 1

diversen (klein) - o.a. olie en smeermiddelen

jerrycans

in proceshal 4

CIP-unit

IBC

6 m2

in proceshal 4

zwavelzuur

dubbelwandige tank

40 m3

in proceshal 4

loog

dubbelwandige tank

40 m3

buiten bij proceshal 4

Ammoniumsulfaat (40 %)

dubbelwandige tank

150 m3

0,5 ton

Bij de op- en overslag en de verwerking van de grond- en hulpstoffen wordt met bodembeschermende maatregelen en voorzieningen voldaan aan een verwaarloosbaar bodemrisico, zoals beschreven in de paragraaf ‘Bodem’. Daarnaast is de opslag gerealiseerd conform de geldende PGS 15 en PGS 31.

4.9

Afval

4.9.1

Verwerking afvalstromen van derden

In bijlage 14 van de vergunningaanvraag is een lijst met Euralcodes opgenomen voor zowel de AWZI-WSL als de vergister (BIR). Een groot aantal daarvan is reeds vergund. Een aantal is nieuw. Tevens is per Euralcode aangegeven welk sectorplan van LAP 3 betrokken is. In het A&V-beleid en AO/IC (zie bijlage 15 van de vergunningaanvraag) is in hoofdstuk 2 een verantwoording gegeven of de installaties de betreffende Euralcode onder het geldende sectorplan mag verwerken gezien de vereiste minimumstandaardverwerking. In paragraaf 3.1.3 zijn menghandelingen aangevraagd. Mengen is ons inziens vergunbaar gezien de hieronder verder uitgewerkte condities.

27 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Condities mengen AWZI Mengen ten behoeve van een constantere samenstelling Dit is het geval bij het samenvoegen van het afvalwater afkomstig van de leerlooierij in Lichtenvoorde, met het overige afvalwater van derden. Tijdens laag belaste periodes of tijdens bedrijfsstops, wordt de procesactiviteit op peil gehouden met geschikt afvalwater van derden. RWZI effluent wordt ingenomen ten behoeve van drinkwaterbesparingen en ter ondersteuning van de processtabiliteit. Mengen ten behoeve van een hogere transportefficiëntie Het mengen van de leerlooierij afvalwaterstroom met de dunne fractie van de bij de BIR ontwaterde digestaat stroom, zorgt er tevens voor dat minder transporten van de BIR naar de slibverwerker hoeven plaats te vinden. Mengen ten behoeve van gunstiger overall milieueffect Het mengen dient vooral voor de instandhouding van de procescontinuïteit van de zuivering en de benodigde zuiveringsprestaties. Mengen buiten de inrichtingen Hiervan is geen sprake. Bij geen van de ontdoeners vindt scheiding plaats, gevolgd door mengen. Het afval komt rechtstreeks uit de betreffende processen vrij, al dan niet voorafgaand aan opbulken. Mengen beschreven in de aanvraag Hierin is bij deze voorzien. Mengen met eigen afval Hiervan is geen sprake, met uitzondering van het mengen van de dunne digestaatfractie met het looierijafvalwater.

Zie hiervoor onder ‘mengen ten behoeve van constantere samenstelling’. Mengen en blootstelling aan ZZS Mengen leidt niet tot blootstelling van mens en milieu aan ZZS. Er worden geen gevaarlijke afvalstromen ingenomen. De EURAL-grenswaarden voor veel bekende ZZS (zware metalen) worden dus niet overschreden, waardoor er geen gezondheidsproblemen optreden. Overigens bevat het leerlooierijafvalwater chroomIII, hetgeen geen ZZS betreft. Voor het beleid ten aanzien van ZZS, zie paragraaf 3.3 in het A&V-beleid en AO/IC (bijlage 15 bij de vergunningaanvraag). Mengen conform minimaal standaardverwerking Landelijk Afvalbeheerplan Alle componenten (te weten looierijafvalwater, overig afwater, dunne fractie digestaat en RWZI effluent) die gemengd worden, worden verwerkt conform de minimum standaardverwerking, zie beschrijving in paragraaf 2.1 in het A&V-beleid en AO/IC (bijlage 15 bij de vergunningaanvraag). Mengen met onaanvaardbare gevolgen voor milieu, veiligheid en gezondheid Het mengen leidt niet tot onaanvaardbare gevolgen voor milieu, veiligheid en gezondheid. Er vinden geen chemische reacties plaats. Eventuele vorming van H2S wordt bestreden door middel van ijzerchloridedosering en wordt afgezogen naar de luchtbehandelingsinstallatie. Het mengen vindt plaats in een gesloten proces, er vindt daardoor geen emissie plaats naar werkomgeving dan wel milieu.

De werknemers en de omgeving lopen daardoor geen gevaar op blootstelling. Potentieel hoog risico locaties zijn voorzien van continue H2S-monitoring en alarmering. Mengen voorafgaand aan storten Cr-houdende slibben uit de waterzuivering worden gezamenlijk of separaat ontwaterd, waarbij de dikke fractie naar een erkend verwerker wordt afgevoerd. Deze komen niet in aanraking met het digestaat uit de vergistingslijn.

28 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

Condities mengen BIR Mengen ten behoeve van een constantere samenstelling Het mengen van de verschillende organische reststromen heeft tot doel fluctuaties in samenstelling te voorkomen die een negatief effect op het verwerkingsproces hebben. Uiteindelijk wordt hiermee een constantere samenstelling verkregen. Mengen buiten de inrichtingen Hiervan is geen sprake. Bij geen van de ontdoeners vindt scheiding plaats, gevolgd door mengen. Het afval komt rechtstreeks uit het betreffende proces vrij, al dan niet voorafgaand aan opbulken. Mengen beschreven in de aanvraag Hierin is bij deze voorzien. Mengen met eigen afval Hiervan is geen sprake. Mengen en blootstelling aan ZZS Mengen leidt niet tot blootstelling van mens en milieu aan ZZS. Er worden geen gevaarlijke afvalstromen ingenomen, dus ook geen afvalstromen die op basis van ZZS gevaarlijk afval betreffen. Voor het beleid ten aanzien van ZZS, zie paragraaf 3.3 in het A&V-beleid en AO/IC (bijlage 15 bij de vergunningaanvraag). Mengen conform minimaal standaardverwerking Alle componenten die gemengd worden, worden verwerkt conform de minimum standaardverwerking, zie beschrijving in paragraaf 2.1 in het A&V-beleid en AO/IC (bijlage 15 bij de vergunningaanvraag). Mengen met onaanvaardbare gevolgen voor milieu, veiligheid en gezondheid Het mengen leidt niet tot onaanvaardbare gevolgen voor milieu, veiligheid en gezondheid.

Er vinden geen chemische reacties plaats. Eventuele vorming van H2S wordt bestreden door middel van ijzerchloridedosering en wordt afgezogen naar de luchtbehandelingsinstallatie. Het mengen vindt plaats in een gesloten proces. Er vindt daardoor geen emissie plaats naar werkomgeving dan wel milieu. De werknemers en de omgeving lopen daardoor geen gevaar op blootstelling. Mengen voorafgaand aan storten Niet aan de orde, aangezien het digestaat niet wordt gestort. Mengen gevaarlijk/niet-gevaarlijk overeenkomstig activiteitenregeling Het mengen van niet-gevaarlijk afval met gevaarlijk afval is bij de BIR-lijn niet aan de orde.

4.9.2

Overige vrijkomende afvalstromen

Binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen beperken zich tot huishoudelijk afval en verpakkingsmateriaal (papier/karton en plastic). Deze stromen worden gescheiden ingezameld. Het betreft relatief kleine hoeveelheden. Deze afvalstromen worden afgevoerd via de periodieke ophaaldienst. Wel is sprake van (rest)producten die per as worden afgevoerd. Het gaat daarbij o.a. om ontwaterd digestaat, stikstofhoudende meststoffen en vloeibaar CO2, die voor nuttige toepassing elders worden afgevoerd. Andere vrijkomende reststoffen, zoals de natte fractie uit de vergisters, worden teruggevoerd in de waterlijn van de AWZI voor verdere behandeling. Zie ook paragraaf 4.9.1.

29 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

4.10

BBT

De activiteiten en installaties binnen de inrichting van WSL voldoen (ruim) aan BBT. In bijlage 18 bij de vergunningaanvraag is een BBT-toets opgenomen, waarbij voor alle relevante activiteiten en installaties getoetst is aan de daarvoor van toepassing zijnde BREF’s

30 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

5 WATERASPECTEN 5.1

Bedrijfsomstandigheden en lozingen

In onderstaande afbeelding is op hoofdlijnen de waterbalans weergegeven. Daarin zijn de in- en uitgaande stromen van zowel AWZI als BIR weergegeven.

Afbeelding 5.1 Waterbalans

Waterbalans op hoofdlijnen Bron

transportmiddel

m3/jr

looierij

persleiding

300.000

effluent rwzi L'voord

persleiding

40.000

m3/jr m3/jr verwerking dunne fractie verwerking dunne fractie MAX MIN

Waterzuivering

rwzi L'voorde 455.000

afvalwater overig

tankwagen

40.000

dunne fractie

interne leiding

75.000

organische reststromen

tankwagen

100.000

380.000

eindverwerker vergister

25.000

100.000

Het hemelwater van het terrein wordt afgevoerd naar de omliggende terreinen ter infiltratie. Hemelwater van procesgebouwen en sanitair afvalwater wordt direct op de terreinriolering geloosd en afgevoerd naar de RWZI.

5.2

Kwantitatief (hoeveelheid water)

De waterzuivering heeft een maximale pompcapaciteit van 50 m 3/h a 1.200 m3/dag.

5.3

Kwalitatief (samenstelling afvalwater)

Het basisontwerp van de zuivering en de zuiveringscapaciteit stamt uit 2002 en is primair bedoeld voor de behandeling van leerlooierij afvalwater. De installatie is 2003 in bedrijf genomen en is tot op heden nagenoeg onafgebroken in bedrijf geweest. In de afgelopen ruim 15 jaar is veel ervaring opgedaan met de verschillende biologische behandelingen met dit specifieke afvalwater. De laatste jaren is de afvalwatersamenstelling enigermate gewijzigd door aangepaste looiprocessen. Om continue over voldoende stabiele processituaties te kunnen beschikken wordt gebruik gemaakt van de volgende inkomende stromen: 1 looierij afvalwater als primaire bron voor het zuiveringssysteem; 2 RWZI effluent om een minimale opstroomsnelheid te borgen en ter verdunning van tijdelijk verhoogde concentraties; 3 overig afvalwater, waarmee voldoende koolstof beschikbaar is voor een goede menging van de 1e reactor en vergaande reductie van sulfaat;

31 | 43

Witteveen+Bos | 125555/21-017.742 | Definitief

4

dunne fractie om altijd voldoende stikstof aan te kunnen bieden voor behoud van de stikstofverwerkingscapaciteit. De hoeveelheid stikstof die nodig is wordt geregeld met het rendement van de N-terugwininstallatie.

De grootte van stroom 1 hangt af van de capaciteit en type looiprocessen van de looierij. Stroom 2, 3 en 4 worden naar behoefte bijgevoegd. De oorspronkelijke capaciteit en werking van de installatie wijzigt niet.

5.3.1

Toelichting processen per hoofdcomponent

CZV en Chroom (Cr) In de eerste zuiveringsstap wordt CZV omgezet in biogas en gebruikt als energie donor voor de reductie van sulfaat naar sulfide. De biogasproductie dient voldoende hoog te zijn voor een goede menging van de reactorinhoud, zodat de processen optimaal kunnen plaatsvinden. Zo nodig wordt extra CZV via overig afvalwater toegevoegd. In deze stap vindt tevens de grootste verwijdering van Cr plaats. Opgelost Cr wordt grotendeels omgezet naar een onoplosbare Cr-zout, die worden geadsorbeerd aan de slibdeeltjes. Uitspoelende Cr houdende slibdeeltjes worden door een nageschakelde (biogas)flotatie afgescheiden, separaat van de industriële reststromen vergist, ontwaterd en afgezet. Zwavel (S) Het in stap-1 gevormde sulfide (S2-) wordt in de 2e stap, onder toevoeging van lucht biologisch omgezet naar vast elementair zwavel (S0) . Samen met de gevormde calciumverbindingen, een restant Cr en biologisch materiaal, wordt dit afgescheiden in een nageschakelde bezinker en al dan niet in combinatie met het slib uit stap-1, ontwaterd en afgevoerd voor eindverwerking. Door een geringe overmaat aan lucht te gebruiken, wordt sulfide grotendeels omgezet naar S 0. Het restant zwavel, wordt als sulfaat (SO4) naar de volgende stap afgevoerd. Stikstof (N) De stikstofverwijdering vindt plaats in stap-3 en 4.

In stap 3 wordt onder toevoeging van lucht ongeveer de helft van de ammoniumstikstof (NH4) biologisch omgezet naar nitriet (NO2). In de 4e stap wordt NH4 + NO2 door het biologische anammox proces grotendeels omgezet naar stikstofgas (N2) en een klein deel naar nitraat (NO3). Beide stappen worden als opstroomreactor gebruikt, waardoor de biomassa zich als korrels in de reactor bevinden. De geringe groei van biomassa wordt periodiek afgevoerd via stap-1 of als entmateriaal voor andere installaties ingezet. Bij een te lage aanvoer van N wordt naar behoefte (voorbehandelde) dunne fractie van de vergistingsinstallatie toegevoegd. Organische reststromen voor vergistingslijn Organische reststromen worden per tankwagen aangevoerd en in de vergistingslijn verwerkt die, behalve de dunne fractie verwerking, geen andere waterverbindingen heeft met de waterzuivering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11757555/1