ruimtelijke onderbouwing + erfinpassing
Tekst van het document
Met dit plan wordt bijgedragen aan het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving, doordat de intensieve veehouderij – die een relatief hoge milieubelasting kent op het gebied geluid – wordt beëindigd. Dit resulteert in een verbetering van de leefomgevingskwaliteit voor omwonenden en omliggende functies. Na de functiewijziging naar ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’ en het in gebruik nemen van de beoogde bedrijfsgebouwen als caravanstalling zal er naar verwachting geen hinder zijn met betrekking tot het aspect ‘Geluid’. Conform de handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’ van de VNG uit 2024, valt opslag van kampeermiddelen (opslag ten behoeve van vervoer, opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) in milieucategorie 2 met betrekking tot geluidsemissies. Hierbij hoort een richtafstand van 30 meter. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige object (Vragenderweg 63) is een woonbestemming. Deze woonbestemming ligt direct naast de perceelsgrens van het plangebied. Daarnaast ligt de beoogde nieuw te bouwen woning (Vragenderweg 65) tevens binnen 30 meter van het beoogde bedrijfsgebouw. In de onderhavige situatie is een akoestisch onderzoek derhalve noodzakelijk. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn opgenomen in bijlage 5.
Concluderend Er wordt op de onderhavige planlocatie in de beoogde situatie voldaan aan de waarden voor geluid zoals genoemd in het Omgevingsplan. Het aspect geluid levert geen belemmeringen op voor het beoogde planvoornemen.
6.2 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
25
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Onderzoek Het planvoornemen betreft het oprichten van bedrijfsgebouwen ten behoeve van het stallen van caravans en kampeermiddelen, alsmede het oprichten van een woning met bijgebouw.
In de regeling NIBM wordt deze ontwikkeling niet genoemd onder de standaardgevallen. Voor de additionele vervoersbewegingen ten behoeve van het onderhavige planvoornemen is worst-case scenario uitgegaan van een weekdaggemiddelde van 700 voertuigbewegingen voor de caravanstalling (het verplaatsen van alle 350 beschikbare caravanplekken) en 25 voertuigbewegingen ten behoeve van de woning. Gezien de oriëntatie van het bedrijfsgebouw op caravans en kampeermiddelen is worst-case uitgegaan van een 10% aandeel van vrachtverkeer. In werkelijkheid zal het extra aantal verkeersbewegingen vele malen lager uitvallen, omdat op de locatie een intensief agrarisch bedrijf (met bijbehorende transportbewegingen) wordt beëindigd. Deze referentiesituatie is niet meegenomen in de NIBM berekening. De berekening uit de NIBM tool stelt dat de bijdrage van het extra verkeer in niet betekende mate bijdraagt, derhalve is er geen nader onderzoek nodig. De uitkomst van deze berekening is hieronder weergegeven. De berekening is opgenomen in bijlage 5.
Afbeelding 11. NIBM tool berekening In het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties is naast de NIBM berekening de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied in kaart gebracht. Volgens de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2024 68 (13.73
/m3, om precies te zijn).
26
De concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2024 646 om precies te zijn). Zie ook navolgende afbeeldingen. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende.
Afbeelding 12. PM2,5 concentratie 2025 op basis van gegevens 2024 (Bron: RIVM)
Afbeelding 13. PM10 concentratie 2025 op basis van gegevens 2024 (Bron: RIVM)
27
Afbeelding 14. NO2 concentratie 2025 op basis van gegevens 2024 (Bron: RIVM) Concluderend Resumé, het aspect kwaliteit van de buitenlucht vormt geen belemmering voor het plan.
6.3 Geur Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.
Onderzoek Het plan betreft het beëindigen van een intensief agrarisch bedrijf op de planlocatie en het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing, waarna de initiatiefnemer vervolgens op deze locatie twee bedrijfsgebouwen ten behoeve van stalling van caravans en kampeermiddelen wenst op te richten Met dit plan wordt bijgedragen aan het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving, doordat de intensieve veehouderij – die een relatief hoge milieubelasting kent op het gebied van geur – wordt beëindigd. Dit resulteert in een verbetering van de leefomgevingskwaliteit voor omwonenden en omliggende functies. Na de functiewijziging naar ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’ en het in gebruik nemen van de beoogde bedrijfsgebouwen als caravanstalling zal er naar verwachting geen hinder zijn met betrekking tot het aspect ‘Geur’. Conform de handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’ van de VNG uit 2024, valt opslag van kampeermiddelen (opslag ten behoeve van vervoer, opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) in milieucategorie FunctieMenging met betrekking tot geuremissies. Hierbij hoort een richtafstand van 0 tot 10 meter.
28
Een bedrijfsgebouw betreft geen geurgevoelig object, derhalve vormt het oprichten van een stalling voor kampeermiddelen geen belemmering voor de bedrijfsvoerings- c.q. ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. De beoogde woning (met bijgebouw) is echter wel aangemerkt als geurgevoelig object. Derhalve moeten omliggende bedrijven voldoen aan de voorgeschreven normen en afstanden met betrekking tot het aspect geur. Voor woningen gebouwd in relatie tot de sloop en herbestemming van een veehouderijlocatie (voormalige functionele binding tot stallen) wordt conform Artikel 22.102 van het Omgevingsplan een vaste afstand voorgeschreven van 50 meter. De afstand gemeten vanaf het bestemmingsvlak van de woning tot aan het dichtstbijzijnde bouwvlak van omliggende (agrarische) bedrijven (Vragenderweg 67) bedraagt circa 63 meter. Aan de voorgeschreven beschermingsafstand uit het Omgevingsplan kan in de onderhavige beoogde situatie derhalve ruimschoots worden voldaan. Concluderend Resumé, vanuit het aspect geur bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen plan.
6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
Onderzoek Onderhavige plan betreft het beëindigen van een intensief agrarisch bedrijf (incl. garagebedrijf), het slopen van de aanwezige bebouwing op het perceel en vervolgens het oprichten van twee bedrijfsgebouwen ten behoeve van het stallen van kampeermiddelen en het realiseren van een nieuwe woning met bijgebouw. Bij een bestemmingsplanprocedure geldt een verplichting om te toetsen of de bodemkwaliteit past bij de gevraagde ontwikkeling. Hiervoor is een bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het bodemonderzoek zijn opgenomen in bijlage 7. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem niet is verontreinigd en dat deze geschikt is voor de gewenste functies. Enkele resultaten, specifiek gesproken de gewogen asbestgehalten in de mengmonsters van DZ1 en DZ3, geven formeel aanleiding tot het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Aangezien de afwatering van het asbesthoudende dak duidelijk de bron van de verontreiniging is, wordt een nader onderzoek naar de omvang echter niet noodzakelijk geacht. Doordat in het verkennend onderzoek al reeds inspectiesleuven zijn gegraven en het aantal sleuven overeenkomt met nader onderzoek voor kleinschalige locaties is tevens voldaan aan de voorwaarden voor een nader onderzoek. Concluderend Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
29
6.5 Water Artikel 5.3.7 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregel met betrekking tot: 1. Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied, en; 3. Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Onderzoek Wateradvies In de beoogde situatie is er planologisch gezien sprake van de toevoeging van verharding. De ‘weging van het waterbelang’ (voorheen: watertoets) is digitaal doorlopen op de site van het waterschap Rijn en IJssel. De zogenaamde intensiteit (korte of uitgebreide procedure) van het watertoets- proces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. In bijlage 8 is een uitdraai van de het waterbelang opgenomen. Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat bij voorliggend initiatief de normale procedure van toepassing is.
In het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te borgen dat het plan geen negatieve effecten heeft op het bestaande watersysteem. Op de planlocatie worden hemelwater en vuilwater separaat afgevoerd. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Voor het onderhavige planvoornemen is een hemelwatercompensatie van 80 mm per m2 verhard oppervlak meegenomen in de landschappelijke inpassing in de vorm van een wadi. Het verhard oppervlak wordt vergroot met circa 11.500 m2, derhalve is voor de planlocatie 920 m3 aan waterinfiltratie benodigd. Voor de benodigde infiltratie van het nietverontreinigde hemelwater wordt een wadi gerealiseerd op het achtererf. De wadi heeft als doel het opgevangen hemelwater vertraagd en gecontroleerd in de bodem te infiltreren. Hiermee wordt piekbelasting op het watersysteem en wateroverlast in het plangebied en de omgeving voorkomen. Daarnaast ondersteunt het ook het herstel van de natuurlijke grondwaterstand. Door het oprichten van een wadi en het afkoppelen van hemelwater wordt invulling gegeven aan de uitgangspunten van de weging van het waterbelang. Klimaatadaptatie Met de klimaatveranderingen worden extremere buien verwacht en langere droge en warme perioden. Het watersysteem (o.a.
rivieren, beken, watergangen en het grondwater) zal te maken krijgen met hogere waterstanden. Niet alleen bij langere, natte perioden of extremere buien, maar ook om water vast te houden voor drogere periodes. Afbeelding 15 en 16 presenteren de voorspelde effecten van heftige en langdurige buien op het plangebied. Bij twee korte piekbuien van 70 mm/1uur (afbeelding 15) is er in het plangebied sprake van enige wateroverlast, de gebouwen zijn aangemerkt als klein risico. De wegen tot aan het plangebied zijn bereikbaar. Na langdurige extreme neerslag van 120 mm/48uur (afbeelding 16) blijven alle wegen goed begaanbaar en is er geen sprake van wateroverlast. De gebouwen zijn aangemerkt als klein risico op kwetsbaarheid door overstroming of wateroverlast. De tijdsduur van plasvorming op het maaiveld (Afbeelding 17) is naar verwachting tussen de 1 en 6 uur.
30
Afbeelding 15. Waterdiepte bij 2 piekbuien – bij 70mm/1uur (Bron: Klimaatatlas Oost Gelre)
Afbeelding 16. Waterdiepte bij langdurige extreme regen – bij 120mm/48 uur (Bron: klimaatatlas Oost Gelre)
Afbeelding 17. Tijdsduur plasvorming op maaiveld – bij 120mm/48uur (Bron: Klimaatatlas Oost Gelre)
31
Afbeelding 18. Droogtegevoeligheid 2050 (Bron: Klimaatatlas Oost Gelre)
Afbeelding 19. Natuurbrandgevoeligheid 2050 (Bron: Klimaatatlas Oost Gelre) Op basis van de klimaatatlas Oost Gelre, kan gesteld worden dat het plangebied zowel hedendaags als naar verwachting in 2050 (Afbeelding 18) beperkt droogtegevoelig is. In 2050 is er naar verwachting een matig risico op natuurbranden (Afbeelding 19).
Afbeelding 20. Overstroming vanuit zee, meer of rivier (blauwe pin = plangebied)(Bron: Atlasleefomgeving.nl)
32
Binnen het plangebied zijn er geen voorspelde risico’s op overstromingen vanuit zee, meer of rivier (Afbeelding 20). Ter beperking van het risico op wateroverlast zal de grond onder de gebouwen worden opgehoogd tot een voldoende drooglegging. Daarnaast zal er binnen het plangebied een wadi worden gerealiseerd, als bergings- en infiltratievoorziening, waarmee het afstromend hemelwater van daken en verhardingen zo spoedig mogelijk zal afstromen naar lagere gronden en daar zal infiltreren in de bodem. Concluderend Geconcludeerd wordt dat vanuit het omgevingsaspect water verder geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het beoogde plan.
6.6 Mobiliteit en parkeren Een nieuwe functie mag niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling of tot parkeeroverlast. Bij planontwikkeling moet dan ook worden aangetoond dat er geen negatieve gevolgen zijn. Onderzoek Het projectgebied wordt in de beoogde situatie via twee uitwegen ontsloten op de Vragenderweg, zijnde een doorgaande weg. De Vragenderweg en de nabijgelegen Hamelandroute (provinciale weg N313) zijn van voldoende omvang om het bestemmingsverkeer ten behoeve van de beoogde functies zonder problemen te verwerken. Daarnaast is het van belang om op te merken dat het intensieve agrarisch bedrijf wordt beëindigd. Hiermee vervallen tevens de transportbewegingen behorende bij deze functie (o.a. aan- en afvoer van voer, mest en dieren met vrachtwagens). In de beoogde situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen en zal daarnaast het percentage zwaar (vracht)verkeer sterk dalen. Daarnaast is op de gronden het ‘Facetbestemmingsplan parkeren’ (vastgesteld d.d. 5 juni 2018) van toepassing. Conform artikel 4 sub a.
wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Voor het berekenen van de vereiste capaciteit parkeerplaatsen, wordt gebruikgemaakt van de nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre. Parkeren zal plaatsvinden op het eigen (buiten)terrein van het bedrijf en de nieuwe woonbestemming. Ter plaatse is sprake van een stalling van kampeermiddelen en geen sprake van een “werklocatie”. Ter plaatse worden alleen kampeermiddelen gebracht en opgehaald, waardoor van parkeren slechts zeer beperkt sprake zal zijn. Op het terrein is afdoende ruimte beschikbaar om de betreffende vervoermiddelen te parkeren. Concluderend Er kan voldoende parkeergelegenheid geboden worden op eigen terrein. Derhalve zal aan de voorwaarden van het Facetbestemmingsplan parkeren kunnen worden voldaan. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect mobiliteit en parkeren geen belemmering vormt voor het beoogde planvoornemen.
6.7 Omgevingsveiligheid De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
33
• Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Onderzoek Met voorliggend plan wordt geen risicobron mogelijk gemaakt. Het plangebied is niet gelegen binnen de risicocontouren van omliggende wegen en ligt op meer dan 500 meter afstand van de dichtstbijzijnde brandstofopslag. Het plangebied valt echter wel binnen de potentiële gifwolkcontour (vastgesteld op 1.500 m) van de Seveso inrichting Lesli Vuurwerk B.V. In navolgende afbeelding is een kaartuitsnede opgenomen van de landelijke risicokaart. Deze vormt echter geen belemmering voor de beoogde functies (stalling kampeermiddelen en herbouw van een bestaande woning).
Afbeelding 21 . Uitsnede risicokaart (Blauwe pin = plangebied) (Bron: Risicokaart.nl) Concluderend Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het onderhavig planvoornemen.
34
6.8 Natuur Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000- gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen het Gelders NatuurNetwerk of Natura2000 gebieden.
Gelet op de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied (> 500 meter), kan een negatief effect op dit Natura2000 gebied, als gevolg van emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen ook worden uitgesloten. De herontwikkeling van de locatie Vragenderweg 65 draagt bij aan een verbetering van de natuurkwaliteit door de beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse en de daarmee gepaard gaande aanzienlijke reductie van stikstof. De beoogde herontwikkeling van het erf, betreffende de sloop van de agrarische bebouwing en het oprichten van twee bedrijfsgebouwen ten behoeve van caravanstalling met woning en bijgebouw, kent een realisatie- en gebruiksfase Het stikstofeffect van het onderhavige planvoornemen is inzichtelijk gemaakt in de stikstofrapportage met AERIUS berekening in bijlage 9. Het betreft een projectberekening, deswege is er geen sprake van salderen in onderhavige situatie. Daarnaast is uitgezocht of er door sloop en nieuwbouw geen schadelijke planten- en diersoorten verdwijnen of worden verstoord. Hiervoor is een inventariserend flora en fauna-onderzoek (quickscan) uitgevoerd.
Op 27 september en 5 december 2024 is het plangebied onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De resultaten zijn opgenomen in Bijlage 10. Hierna is tevens vervolgonderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, huismussen, steenmarters en steenuilen, de rapportage hiervan is bijgevoegd in Bijlage 11. Uit dit onderzoek is gebleken dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt en er geen ontheffing behoeft te worden aangevraagd. Concluderend De aspecten stikstof en natuur vormen geen belemmering voor onderhavig plan.
6.9 Gezondheid Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Onderzoek Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben.
35
De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem. In voorgaande paragrafen is gemotiveerd op welke wijze wordt voldaan aan de instructieregels. Concluderend Vanuit het oogpunt van de kwaliteit van de leefomgeving kan worden gesteld dat het beoogde plan de leefomgeving niet (onevenredig) verslechtert.
6.10 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuivering technisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.
In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld. Onderzoek De beoogde activiteiten van het bedrijf van de initiatiefnemer (stalling van caravans en kampeermiddelen) alsmede een woonbestemming, vallen niet onder de in het Bal aangewezen milieubelastende activiteiten. Concluderend Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen ontstaan.
36
7
Uitvoerbaarheid
7.1
Economische uitvoerbaarheid
7.1.1 Financieel economische haalbaarheid De kosten voor het realiseren van voorliggend plan zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. De gronden zijn in eigendom van het bedrijf en niet belast met beperkt zakelijk recht van derden. 7.1.2 Kostenverhaal De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1 Participatie In het kader van een vooroverleg is het plan reeds voor besproken met gemeente Oost Gelre (zie ook paragraaf 1.1). De omliggende bewoners zijn op de hoogte van het onderhavige planvoornemen, de buren begrijpen de beweegredenen van initiatiefnemers en hebben dan ook geen bezwaar tegen de voorgenomen planontwikkeling, derhalve vormt het aspect ‘participatie’ derhalve geen belemmering. Initiatiefnemer heeft een inloopavond georganiseerd, waarbij alle omliggende buren zijn uitgenodigd. Op de inloopavond zijn de plannen uitgebreid toegelicht, en zijn tevens de tekeningen van de beoogde situatie gedeeld. De meest nabije buren zijn tevens persoonlijk benaderd. Navolgend zijn de reacties van de bewoners / gebruikers van omliggende locaties opgenomen:
Adres Vragenderweg 67 Vragenderweg 63 Vragenderweg 70 Vragenderweg 72 Vragenderweg 68
Reactie Positief Positief Positief Positief Positief
Aanwezig inloopavond Ja en persoonlijk benaderd Nee, persoonlijk benaderd Ja Ja Ja
7.2.2 Advies en instemming De gemeenteraad van Oost Gelre heeft voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een lijst opgesteld waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies/instemming moet worden gevraagd; met daarbij aandacht voor de wijze waarop deze advisering kan worden ingepast in het besluitvormingsproces bij Bopa’s. Op basis van het artikel 16.15a Omgevingswet heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om zichzelf als adviseur aan te wijzen met recht van instemming. Indien gebruik wordt gemaakt van het advies-/ instemmingsrecht bedraagt de beslistermijn twaalf weken. Het planvoornemen wordt voor advies naar de raad gestuurd, de beslistermijn bedraagt twaalf weken.
37
7.2.3 Vaststellingsprocedure De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op afwijken van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. 7.2.4 Bezwaar/ Beroep De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. In de uitgebreide procedure is bezwaar niet nodig. Daar bestaat namelijk de mogelijkheid om zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In bijlage 2 artikel 2 van de Algemene wet bestuursrecht staan besluiten opgenomen waarbij er geen beroepsmogelijkheid is. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.
38
8
Conclusie
Op basis van voorliggende “Goede Onderbouwing van de effecten op de Fysieke Leefomgeving” is uitgebreid gemotiveerd dat de gevraagde planactiviteiten leiden tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij zijn de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving, waaronder ruimtelijke kwaliteit, milieubelangen, gezondheid, veiligheid, mobiliteit en sociaal-maatschappelijke effecten, integraal meegewogen. In de beoogde situatie wordt een intensief agrarisch bedrijf beëindigd, waarmee tevens de bijbehorende emissies (geur, geluid, stikstof etc.) van dit bedrijf wegvallen, hetgeen ten goede komt aan het woon- en leefklimaat in de omgeving. De beoogde situatie voorziet in het oprichten van stalling voor caravans en kampeermiddelen en de herbouw van een woning (woonbestemming), wat zal resulteren in een aanzienlijk lagere milieubelasting dan in de huidige situatie aan de orde is. Omliggende bedrijven van derden worden niet gehinderd in bedrijfsvoerings- c.q. ontwikkelingsmogelijkheden. Uit de analyse blijkt dat het onderhavige planvoornemen op de beoogde locatie aansluit bij de bestaande en gewenste ruimtelijke structuur en functies in de omgeving. De aanvraag buitenplanse omgevingsvergunning (BOPA) kan dan ook worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl).
39
Bijlagen 1. Kernkwaliteiten en Ontwikkeldoelen Achterhoek 2. Beoogde situatie 3. Erfinpassingsplan 4. Archeologisch onderzoeksrapport 5. Akoestisch onderzoeksrapport 6. NIBM Berekening 7. Bodemonderzoek 8. Weging van het waterbelang 9. Stikstofrapportage 10. Quickscan Flora & Fauna 11. Nader onderzoek vleermuis, huismus, steenmarter en steenuil 12. Asbestinventarisatierapport 13. Overzichtsblad loods + erf en perspectief 14. Overzichtsblad woning 15. Plattegrond loods 16. Plattegrond loods 2 17. Situatietekening functie 'Wonen' 18. Overzichtsblad + Plattegrond woning 19. Doorsneden woning
40
Bijlage 1: Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Achterhoek 1
2
3
4
5
6
Kernkwaliteiten Een karakteristieke en identiteitsrijke streek in Oost Gelderland. Met het Oost-Nederlands Plateau als een bijzonder en hoger gelegen deelgebied (met een duidelijke terrasrand in het westen). Oude IJssel is grens met Liemers. Een aanééngesloten en zacht glooiend dekzandlandschap (microreliëf) doorsneden door talrijke van oost naar west stromende, al dan niet gekanaliseerde, beken. De Berkel en de Oude IJssel zijn markante rivieren met langs gelegen, min of meer open rivierweiden. Aanwezigheid van rivierduinen langs de Oude IJssel.
Rijke afwisseling van grondgebruik resulteert in een half-open coulisselandschap: weide en akkergronden, oude bouwlanden (grote en kleine open essen), houtwallen, hagen en singels, landgoederen en landgoederenzones, bos- en natuurterreinen, beken, laken en weteringen. Een landschap van dorpen, kleine kernen en buurtschappen. Doetinchem als centrumplaats. Zutphen en Doesburg zijn historische Hanzesteden met het gezicht naar de IJssel. Talrijke landgoederen als samenhangende ruimtelijke eenheden bestaande uit een statig huis, (oprij) lanen, historische tuin, bos en landerijen. Zelfstandig of in zones gegroepeerd. Oost-Nederlands Plateau: kleinschalig, organisch gegroeid halfopen coulisselandschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, meanderende beken, boerderijen; oostelijke helft kleinschaliger dan westelijke helft. Tevens rijk aan microreliëf: o.a. steilranden, essen, eenmansessen.
Ontwikkeldoelen Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening met en dragen zo mogelijk bij aan de kernkwaliteiten van de Achterhoek en de te onderscheiden deelgebieden.
Zoveel mogelijk het microreliëf respecteren. De regionale waterhuishouding vormt de basis voor verdere ruimtelijke ontwikkeling. Herstel van dynamisch rivier- en beekdallandschappen met landschapsbouw en het klimaatbestendig maken van het watersysteem om droogte en wateroverlast te voorkomen. Dit heeft een nauwe relatie met de transitie naar duurzame (kringloop)landbouw. Behouden en versterken van de kleinschaligheid en bijdragen aan herstel en onderhoud van structurerende en bijzondere groene landschapselementen. Bij inplaatsen van nieuwe functies, bijvoorbeeld voor energietransitie, het coulisselandschap versterken. Bij stedelijke opgaven is het behoud van het karakteristieke dorpenlandschap van belang, met aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van de stadsranden. Het monumentaal karakter van Doesburg en Zutphen bewaren, herstellen en beleefbaar maken. Behouden en versterken van de landgoederen en landgoederen-structuren. Op gepaste wijze de economische basis en de recreatieve toegankelijkheid van landgoederen verbeteren. Het bijzondere coulisselandschap behouden en versterken door aanleg en beheer van groene landschapselementen, natuurontwikkeling langs beken en betere recreatieve toegankelijkheid beleefbaarheid. Recreatie meer gericht op het verhaal van de plek. Zorgvuldig openhouden van de oude bouwlanden en de bestaande steilranden niet schaden.
Introduceren van passende nieuwe grondgebruiksvormen zoals duurzame landbouw (kringloop-landbouw, natuurinclusief etc.), voedselbossen, beleefplekken en kleinschalige energieopwekking.
41
7
8
Het van oudsher natte en vlakke middengebied is relatief open en kent een jonge ontginning met een rationele verkaveling. Overgang naar IJsselvallei via kleinschalig oeverwallenlandschap.
9
Samenhangende eenheid van hooggelegen beboste en besloten stuwwalkern van Lochemerberg met flankerend een reeks van open essen en bijzondere panorama’s.
10
Ecologische waarden met name langs riviertjes en beken, in landgoederen. Andere Natura 2000 gebieden zijn o.a. Korenburgerveen, Bekendelle, Willinks Weust, Wooldse Veen (alle rond Winterswijk) en Stelkampsveld (nabij Barchem) Circumvallatielinie: historische verdedigingslinie rond Groenlo, uit de 17e eeuw. Markante Scholteboerderijen: beeldbepalende herenboerderijen in de omgeving van Winterswijk in bosrijke setting. Drager van een sterke sociaal-culturele identiteit, met een geheel eigen waarde voor recreatie en toerisme. Ligging in de relatieve luwte van de Gelderse en Nederlandse dynamiek. In noordoosten stille gebieden.
11
12
13
Beleefbaarheid van cultuurhistorische, geologische en aardkundige waarden vergroten. Aandacht voor kernkwaliteiten donkerte en stilte. Ruimtelijke ontwikkelingen in dit middengebied sturen op ruimtelijke kwaliteit om verrommeling te voorkomen. Inzetten op aantrekkelijke landschapsbouw. Behouden en versterken van de kleinschaligheid door o.a. aanleg, herstel en beheer van groene landschapselementen. Zoveel mogelijk het zicht op de IJsselvallei bewaren. Het versterken van de stuwwalkern door natuurontwikkeling. Zorgvuldig openhouden van de oude bouwlanden. De panorama’s niet schaden met storende elementen en mogelijk belvedères toevoegen. Intensief inzetten op het verder aanleggen van ecologische verbindingszones vooral langs riviertjes, beken en laken. Beschermen van Natura 2000 waarden. Waar mogelijk combineren met klimaatadaptie en recreatieve toegankelijkheid. Circumvallatielinie behouden en markante onderdelen herstellen en recreatief toegankelijk maken. Karakteristieke streekarchitectuur behouden, restaureren en ontwikkelen o.a. door nieuwe functies, passend bij de omgeving. Ruimtelijke en economische dynamiek dragen op passende wijze bij aan een levendige identiteit van de Achterhoek. Handhaven van de stiltegebieden.
42
VRAGENDERWEG 65 TE LICHTENVOORDE GEMEENTE OOST GELRE
BUREAU- EN INVENTARISEREND VELDONDERZOEK, VERKENNEND BOORONDERZOEK
Opdrachtgever
Projectleider
Van Westreenen B.V.
T.J.H. van Essen
Versie 1.0
Varsseveldseweg 65d 7131 JA Lichtenvoorde
Projectnummer
Autorisatie
Datum
Synthegra Rapport S250057
Drs. F. Stevens
24-04-2025
Synthegra B.V., Plantageweg 12, 3833 AZ Leusden Telefoon +31 (0)88 81 81 981, Website: www.synthegra.nl
Doc versie 2023-01 1 van 34