ruimtelijke onderbouwing + erfinpassing
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit Vragenderweg 65 te Vragender
27 januari 2026
Inhoud 1
2
Inleiding ..................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding en doel........................................................................................................................3
1.2
Projectgebied ...............................................................................................................................3
1.3
Geldende regeling ........................................................................................................................3
1.4
Leeswijzer ....................................................................................................................................4
Huidige situatie .......................................................................................................................................5 2.1
3
4
5
6
7
8
Beschrijving huidige situatie .........................................................................................................5
Voorgenomen ontwikkeling ....................................................................................................................6 3.1
Beschrijving nieuwe ontwikkeling .................................................................................................6
3.2
Beschrijving strijdigheid................................................................................................................7
3.3
Proces ......................................................................................................................................7
Toetsing aan beleid ................................................................................................................................9 4.1
Toetsing rijksbeleid ......................................................................................................................9
4.2
Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening ................................................................ 13
4.3
Toetsing regionaal beleid .......................................................................................................... 18
4.4
Toetsing gemeentelijk beleid..................................................................................................... 19
Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden ............................................. 20 5.1
Landschappelijke waarden........................................................................................................ 20
5.2
Ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit ....................................................................................... 22
5.3
Cultuurhistorie ........................................................................................................................... 23
5.4
Archeologie ............................................................................................................................... 24
Fysieke leefomgeving.......................................................................................................................... 25 6.1
Geluid ........................................................................................................................................ 25
6.2
Luchtkwaliteit ............................................................................................................................. 25
6.3
Geur .......................................................................................................................................... 28
6.4
Bodemkwaliteit .......................................................................................................................... 29
6.5
Water ......................................................................................................................................... 30
6.6
Mobiliteit en parkeren ................................................................................................................ 33
6.7
Omgevingsveiligheid ................................................................................................................. 33
6.8
Natuur........................................................................................................................................ 35
6.9
Gezondheid ............................................................................................................................... 35
6.10
Milieubelastende activiteiten ................................................................................................. 36
Uitvoerbaarheid ................................................................................................................................... 37 7.1
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................... 37
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................ 37
Conclusie ............................................................................................................................................. 39 Bijlagen ................................................................................................................................................ 40
2
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft bij gemeente Oost Gelre een verzoek ingediend voor het ontwikkelen van nieuwe caravanstallingen (nieuwbouw) , alsmede het oprichten van een nieuwe burgerwoning aan de Vragenderweg 65 te Vragender. Het college van B&W heeft in de vergadering van 9 juli 2024 besloten in principe in te stemmen met het verzoek (d.d 17 juli 2024, zaaknummer 15073-2023). Concreet betekent dit dat ter plaatse functieverandering zal plaatsvinden waarbij de huidige bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ zal wijzigen naar de bestemming ‘Bedrijf’ & ‘Wonen’. Naar aanleiding van bovenstaande is voorliggende omgevingsvergunningsaanvraag opgesteld, in de vorm van een ‘BOPA-procedure’. De BOPA-procedure staat voor de aanvraag van een omgevingsvergunning Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit. Middels onderhavig buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Het is aan de initiatiefnemer om te motiveren dat de beoogde planactiviteit in overeenstemming is met een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL) en dat deze activiteit ook uitvoerbaar is. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin. 1.2 Projectgebied Het projectgebied is gelegen aan de Vragenderweg 65 te Vragender. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie S, nummers 327, 696 en 1024.
Het plangebied bevindt zich nabij de Hamelandroute (N313) en de bedrijventerreinen van Oost Gelre. Het plangebied zelf is gelegen in het buitengebied met naast de agrarische hoofdfunctie afwisselend woon-, bedrijfs- en natuurbestemmingen. In navolgende afbeelding is een luchtfoto van het projectgebied en de topografische ligging opgenomen. Het specifieke projectgebied is rood omlijnd aangeduid.
Afbeelding 1. Projectgebied Omgevingsplan Vragenderweg 65 (Bron: Streetsmart.cyclomedia.com)
1.3 Geldende regeling Het projectgebied bevindt zich binnen de werkingssfeer van het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011’ (vastgesteld d.d. 18-12-2012) met bijbehorende reparatieplannen, het ‘Parapluplan Archeologie’ (vastgesteld d.d. 22-02-2022), het facetbestemmingsplan parkeren (vastgesteld 05-06-2018) en het consolidatieplan ‘Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018’ (vastgesteld d.d. 21-06-2018). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vallen de genoemde plannen onder het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van gemeente Oost Gelre.
3
Het perceel is voorzien van de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden - landschapswaarden’ met bijbehorend bouwvlak. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt circa 1,2 hectare. Daarnaast kent het perceel ten dele de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde 1’, alsmede ten dele de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde 2’. Het perceel betreft daarnaast de functieaanduidingen ‘Intensieve Veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – nevenactiviteit’. Navolgend is een kaartuitsnede van de plankaart opgenomen, het projectgebied is rood omlijnd aangeduid
Afbeelding 2. Uitsnede Plankaart Vigerend Omgevingsplan (Bron: Omgevingsloket – Regels op de kaart)
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een beschrijving opgenomen van de huidige situatie. Gevolgd door een beschrijving van de beoogde situatie c.q. voorgenomen ontwikkeling in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat een toetsing aan het relevante omgevingsbeleid, gevolgd door de landschappelijke, cultuurhistorische waarden in hoofdstuk 5 en een toetsing aan de omgevingsaspecten in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 gaat in op o.a. de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Deze motivering sluit af met een conclusie in hoofdstuk 8.
4
2
Huidige situatie
2.1 Beschrijving huidige situatie Initiatiefnemer is eigenaar van de percelen Vragenderweg 65b (incl. 65 en 65a) en het achterliggende perceel (kadastraal; Gemeente Lichtenvoorde Sectie S, nummers 327, 696 en 1024), met een totale oppervlakte van 19.265m2. Op de onderhavige projectlocatie is vanaf circa 1955 bebouwing gesitueerd. Op de locatie is decennia een agrarisch bedrijf bestaande uit een intensieve veehouderij met daarnaast een neventak in de vorm van een garagebedrijf geëxploiteerd. Op het perceel zijn twee stallen gesitueerd, alsmede bedrijfsbebouwing ten behoeve van het garagebedrijf. Daarnaast is er een bedrijfswoning aanwezig. Het erf kent een traditionele inrichting met de bedrijfswoning op de kop van het perceel naar de weg gekeerd en de bedrijfsbebouwing en stallen gesitueerd op het achtererf. Het perceel is ontsloten middels één in-/uitrit op de Vragenderweg. Er geldt voor de locatie een melding op grond van het vm. Activiteitenbesluit milieubeheer voor het houden van (melk)rundvee, vleeskalveren en ouderdieren van vleeseenden (geaccepteerd in december 2021). Daarnaast is procedure voor een MER-beoordeling doorlopen voor de realisatie van een pluimveehouderij en de bouw van twee nieuwe stallen voor het houden van 84.000 vleeskuikens. Navolgende afbeelding toont de huidige situatie binnen het plangebied in vogelvlucht.
Afbeelding 3. Luchtfoto in vogelvlucht Plangebied Vragenderweg 65 (Bron: Streetsmart.cyclomedia.com)
5
3
Voorgenomen ontwikkeling
3.1 Beschrijving nieuwe ontwikkeling De initiatiefnemer exploiteert op meerdere locaties een bedrijf voor de verkoop en onderhoud van caravans en kampeermiddelen. Op de bestaande bedrijfslocaties is echter slechts zeer beperkt ruimte voor de stalling van caravans beschikbaar. Initiatiefnemer wenst zijn bedrijf, met oog op de toekomst, duurzaam te ontwikkelen en op het onderhavige plangebied aan de Vragenderweg 65 te Vragender stalling voor caravans en kampeermiddelen op te richten. Hiermee wenst de initiatiefnemer de capaciteit van de stallingsruimte ten behoeve van het bedrijf te vergroten en het mogelijk te maken om een grotere (werk)voorraad aan te leggen ten behoeve van de verkoop. Daarnaast kan de initiatiefnemer klanten aanbieden om buiten het recreatieseizoen hun kampeermiddel te stallen, waarmee de dienstverlening en service voor haar klantenkring wordt vergroot en versterkt. Uit ervaring en vraag uit de markt is gebleken dat er in de omgeving / Achterhoek een groot gebrek is aan stallingsruimte voor kampeermiddelen. Gelet op het voornoemde voorziet de gewenste stallingsruimte in zowel de eigen behoefte aan meer stallingscapaciteit/werkvoorraad alsmede in de behoefte van de klantenkring om buiten het seizoen doelmatig te stallen.
Op de onderhavige planlocatie wenst de initiatiefnemer alle bestaande (agrarische) bebouwing te slopen, en het agrarisch bedrijf op de locatie te beëindigen. Vervolgens wenst initiatiefnemer twee bedrijfsgebouwen ten behoeve van stalling van caravans en een woning met bijgebouw op te richten. Daarnaast wenst de initiatiefnemer een woning met bijgebouw op te richten. De initiatiefnemer wenst voor de locatie tevens een functiewijziging van ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’ naar ‘Bedrijf’, voor de woning zal er sprake zijn van een woning in het buitengebied met de functie ‘Wonen’. De beoogde stallingsruimte voor caravans en kampeermiddelen heeft een oppervlakte van circa 7.000m2 en bestaat uit twee bedrijfsgebouwen, respectievelijk 90x35 meter en 110x35 meter, die naast elkaar worden gebouwd en met de voorgevels naar de weg worden gesitueerd. De hoogte van de stalling (gebouw met een zadeldak) bedraagt maximaal 10 meter. In de beoogde bedrijfsopzet kunnen ongeveer 300-350 stuks kampeermiddelen doelmatig worden gestald. Het manoeuvreren van de kampeermiddelen geschiedt normaliter alleen in de dagperiode en zal daarnaast hoofdzakelijk inpandig plaatsvinden. Inpandig wordt ten behoeve van de service & dienstverlening tevens een wasplaats voor de kampeermiddelen ingericht. Het betreft hier derhalve in hoofdzaak een statische opslag/stalling van kampeermiddelen.
De initiatiefnemer is voornemens om de stallingsruimte uit te voeren in een landelijke (bouw)stijl. Het beeldplan en de plattegronden zijn opgenomen in bijlagen 13 t/m 16. Daarnaast wenst de initiatiefnemer een woning met bijgebouw op te richten. Initiatiefnemer is woonachtig in Lichtenvoorde in de directe omgeving van de bedrijfslocatie. Op de locatie aan de Vragenderweg 65 bestaat hierdoor geen directe behoefte voor het realiseren van een bedrijfswoning. Derhalve is het wenselijk om ter plaatse een nieuwe woning op te richten voor woondoeleinden (wonen buiten de bebouwde kom). De beoogde situatie zal worden voorzien van een passende en doelmatige landschappelijke inrichting. Onderstaande afbeelding toont de beoogde situatie aan de Vragenderweg 65. De beoogde situatie is tevens op groot formaat toegevoegd als bijlage 2. De beoogde situatie van de functie 'Wonen' is toegevoegd in bijlage 17, bijbehorende plattegronden en beeldplannen van de woning zijn opgenomen in bijlagen 18 en 19.
6
Afbeelding 4. Beoogde situatie Vragenderweg 65
3.2 Beschrijving strijdigheid Het exploiteren van een niet-agrarisch bedrijf op de onderhavige planlocatie is gezien de geldende bestemmingsregels (bovenstaand beschreven in hoofdstuk 1.3) strijdig met het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Oost Gelre. Derhalve wordt voor de beoogde situatie gevraagd voor een wijziging van het omgevingsplan, waarbij (onder andere) de functie van het plangebied wordt gewijzigd van ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ naar ‘Bedrijf’, voor de woning zal er sprake zijn van een woning in het buitengebied met de functie ‘Wonen’. 3.3 Proces De afgelopen jaren heeft initiatiefnemer diverse malen overleg gevoerd met de gemeente en omwonenden om de onderhavige planlocatie aan de Vragenderweg in gebruik te nemen als bedrijfslocatie voor het stallen van caravans en kampeermiddelen. Uit dit overleg is naar voren gekomen dat de locatie alleen in gebruik kan worden genomen voor agrarische doeleinden. In navolging hiervan heeft initiatiefnemer in 2022 in overleg met een mogelijke exploitant een plan uitgewerkt voor de realisatie van een duurzaam pluimveebedrijf en het realiseren van twee nieuwe stallen voor het houden van 84.000 vleeskuikens. Vervolgens is hiervoor een procedure voor de noodzakelijke MER-beoordeling opgestart.
Uit de beoordeling van de ODA is gebleken, dat deze opzet past binnen de geldende wet- en regelgeving op het gebied van milieu en stikstof, en tevens past binnen de geldende (voornoemde) regels van het geldende bestemmingsplan. Het opstellen van een MER werd niet nodig geacht. In 2023 is voornoemde
7
nogmaals besproken met de gemeente en is initiatiefnemer in het kader van een heroverweging uitgenodigd om alsnog een (alternatief) plan in te dienen voor de realisatie van een bedrijfsbestemming voor het stallen van caravans en kampeermiddelen. In navolging hiervan is door de initiatiefnemer een principeverzoek ingediend. Het college van B&W heeft in de vergadering van 9 juli 2024 besloten in principe in te stemmen met dit verzoek (d.d 17 juli 2024, zaaknummer 15073-2023).
8
4
Toetsing aan beleid
4.1
Toetsing rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem en de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: Een onderwerp nationale baten en/ of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valley’s; Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld over het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.
Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen afgewogen te worden. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van de toekomstige generaties. Onderzoek Met het wijzigen van het omgevingsplan zijn geen nationale belangen in het geding. Deelconclusie De NOVI vormt daarmee geen belemmering voor het beoogde planvoornemen. 4.1.2 Instructieregels Rijk (Amvb’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse
9
omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen
en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Onderzoek Met betrekking tot de Amvb’s, is per instructieregels het toepassingsbereik bepaald. Voor onderhavige planactiviteit zijn hierdoor niet alle thema’s waarvoor het Bkl instructieregels bevat, relevant. Ten aanzien van onderhavig planactiviteit zijn de regels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4 en paragraaf 5.1.5 van toepassing. Toetsing aan de aspecten waarvoor het Bkl instructieregels bevat vindt plaats in respectievelijk hoofdstuk 5 en 6 van onderhavige onderbouwing. Deelconclusie De Amvb’s vormen naar verwachting geen belemmering voor het beoogde planvoornemen.
4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
10
De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; • bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend. Om een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Bij het beschrijven van de behoefte moet worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Onderzoek In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. In het onderhavige planvoornemen wordt een stalling voor caravans en kampeermiddelen opgericht, betreffende een oppervlakte van 7.000 m2, alsmede een woning met bijgebouw.
De beoogde ontwikkeling kan gezien de beoogde bedrijfsoppervlakte (meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlak) worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Derhalve moet worden gemotiveerd dat er behoefte is aan de beoogde ontwikkeling, alsmede een motivering voor de locatiekeuze buiten bestaand stedelijk gebied. Uit ervaring en vraag uit de markt is gebleken dat er in de omgeving / in de Achterhoek een groot gebrek is aan stallingsruimte voor kampeermiddelen. Gelet op het voornoemde alsmede de beschrijving in hoofdstuk 3.1 voorziet de gewenste stallingsruimte in zowel de eigen behoefte aan meer stallingscapaciteit/werkvoorraad alsmede in de behoefte van de klantenkring om buiten het seizoen doelmatig te stallen. Er is onvoldoende ruimte beschikbaar voor de stalling van caravans en kampeermiddelen in Lichtenvoorde en omstreken en de planlocatie voorziet hiermee in een vraag. Op de huidige bedrijfslocatie van de initiatiefnemer binnen de kern van Lichtenvoorde is onvoldoende ruimte beschikbaar om de gewenste stalling te realiseren. In eerste instantie is onderzocht of in omliggende locaties binnen het stedelijk gebied de stallingbehoefte kan worden opvangen.
Echter in nabijheid van de hoofdlocatie aan de Mercatorstraat is geen / onvoldoende beschikbare ruimte aanwezig (binnen het bestaande stedelijke gebied) die voldoet aan de criteria van initiatiefnemer voor een doelmatige stalling van kampeermiddelen. Gezien deze bevindingen en de ligging van het plangebied in de directe nabijheid van het dorp, alsmede de goede bereikbaarheid van de planlocatie middels bestaande infrastructuur (doorgaande weg) is gekozen voor het ontwikkelen van de beoogde caravanstalling op de onderhavige planlocatie. Daarnaast wordt met dit initiatief een voor deze locatie minder gewenste functie wegbestemd
11
(intensieve veehouderij gelegen op korte afstand van woningen en een supermarkt). De beoogde ontwikkeling vervangt deswege de bestaande agrarische bouwmogelijkheden, de gronden betreffen geen braakliggend terrein. Onderhavige planlocatie is gelegen in het buitengebied, en valt derhalve buiten bestaand stedelijk gebied. Echter is het plangebied gelegen op slechts 230 meter van de kern van Lichtenvoorde (Afbeelding 5).
Afbeelding 5. Ligging plangebied t.o.v. kern Lichtenvoorde (Bron: Regels op de kaart)
Deelconclusie Conclusie is dat kan worden voldaan aan de eisen van artikel 5.129g Bkl, omdat voor de in dit bestemmingsplan vervatte stedelijke ontwikkeling wordt voorzien in een lokale en regionale behoefte. Er is onvoldoende ruimte beschikbaar voor de stalling van caravans en kampeermiddelen in Lichtenvoorde en omstreken en de planlocatie voorziet hiermee in een vraag. Op de huidige bedrijfslocatie van de initiatiefnemer binnen de kern van Lichtenvoorde is onvoldoende ruimte beschikbaar om de gewenste stalling te realiseren. In eerste instantie is onderzocht of in omliggende locaties binnen het stedelijk gebied de stallingbehoefte kan worden opvangen. Echter in nabijheid van de hoofdlocatie aan de Mercatorstraat is geen / onvoldoende beschikbare ruimte aanwezig (binnen het bestaande stedelijke gebied) die voldoet aan de criteria van initiatiefnemer voor een doelmatige stalling van kampeermiddelen. Gezien deze bevindingen en de ligging van het plangebied in de directe nabijheid van het dorp, alsmede de goede bereikbaarheid van de planlocatie middels bestaande infrastructuur (doorgaande weg) is gekozen voor het ontwikkelen van de beoogde caravanstalling op de onderhavige planlocatie. Daarnaast wordt met dit initiatief een voor deze locatie minder gewenste functie wegbestemd (intensieve veehouderij gelegen op korte afstand van woningen en een supermarkt).
12
De locatie is omsloten door bebouwing en groen, alleen de voorkant is goed zichtbaar. De beoogde functie kan stedenbouwkundig en landschappelijk op de onderhavige planlocatie goed worden ingepast. De ladder voor duurzame verstedelijking vormt gezien voornoemde argumenten geen belemmering voor het beoogde plan.
4.2
Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening
4.2.1 Omgevingsverordening Gelderland Op 5 februari 2025 is door provinciale staten van Gelderland de ‘Omgevingsverordening Gelderland’ vastgesteld (in werking getreden d.d. 25 april 2025). Voor het beschermen van provinciale belangen bevat de provinciale omgevingsverordening verschillende typen regels. De belangrijkste drie typen regels zijn de algemene regels, de instructieregels en de beoordelingsregels. Uitgangspunt voor de gestelde regels en de toepassing daarvan vormen de ambities van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, de vertaling van die ambities in de Kadernota Gaan voor Gaaf en de maatschappelijke doelen, genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet. De verordening bevat regels over: de fysieke leefomgeving; activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen; de uitoefening van taken of bevoegdheden door bestuursorganen om te voldoen aan doelstellingen voor de fysieke leefomgeving. Niet aan alle ambities, doelen, taken of maatschappelijke opgaven kan effectief worden bijgedragen met regels over de fysieke leefomgeving. Zo lenen regels zich vaak beter voor bescherming van belangen dan voor effectuering van concrete beleidsvoornemens. Sommige ambities of doelen lenen zich ook qua aard meer voor toepassing van andere instrumenten.
De ambities en doelen krijgen een uitwerking in concrete uitvoering via maatregelen (programma, projectbesluit), via regels (omgevingsverordening en omgevingsvergunning) en via geld (subsidies, aanbesteding). De omgevingsverordening maakt, net als die andere instrumenten, onderdeel uit van de beleidscyclus, die door de Omgevingswet in gang wordt gezet om de maatschappelijke doelen van die wet en - op provinciaal niveau - de ambities uit de omgevingsvisie te bereiken. In de Kadernota Gaan voor gaaf worden vijf provinciale belangen of kwaliteiten genoemd, waarop de focus ligt in de omgevingsverordening: a. natuur en landschap en (wereld)erfgoed; b. (grond-, drink- en zwem-)water en waterveiligheid; c. milieu, inclusief energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie; d. bereikbaarheid; en e. kwaliteit van de inrichting van de fysieke leefomgeving. Onderzoek Onderhavige casus wordt derhalve niet als zodanig genoemd in de verordening. Ter hoogte van het projectgebied zijn geen specifieke regels opgenomen welke dienen te worden toegepast bij functieverandering. De beleidsmatige uitwerking laat de Provincie over aan de gemeenten. De kernkwaliteiten van de Provincie Gelderland zijn uitgewerkt tot regels in de Omgevingsverordening. Onderstaand zijn de artikelen welke van toepassing zijn op het onderhavige planvoornemen opgenomen.
Nationale Landschappen Artikel 5.33 (beschermen landschap algemeen) 1. Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen.
13
2. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: o per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en o de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. Het plan is voorzien van een afgestemde landschappelijke inpassing (Bijlage 3). Derhalve is dat het te verwachten dat de onderhavige ontwikkeling geen belemmering vormt voor de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Nationale landschappen. De landschappelijke waarden op het erf zijn besproken in Hoofdstuk 5. Gelderse streken Het projectgebied is gelegen binnen de Gelderse streek ‘Achterhoek’. Voor dit gebied zijn kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen vastgelegd. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken.
Artikel 5.34 (beschermen landschap Gelderse streken: Achterhoek) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Achterhoek wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei. Voor het gebied ‘Achterhoek’ zijn kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen aangemerkt, deze zijn opgenomen in Bijlage 1. Het planvoornemen is voorzien van een afgestemde landschappelijke inpassing (Bijlage 2), waarmee bijgedragen wordt aan de te onderscheiden deelgebieden en de kernkwaliteiten van de achterhoek (kernkwaliteit 1). Hierbij is uitgegaan van de ligging van het plangebied binnen het Oost Nederlands Plateau (kernkwaliteit 6). Het plangebied maakt deel uit van het landschapstype Essen- en hoevenlandschap. De landschappelijke inrichting van het perceel grijpt terug naar omstreeks 1900, waarin ook kleine ‘kamers’ in het landschap aanwezig waren. Deswege is de verwachting dat onderhavige ontwikkeling geen belemmering vormt voor de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Geldersestreek Achterhoek. Het plangebied is niet gelegen binnen de aangewezen stiltegebieden. De landschappelijke waarden op het erf zijn navolgend besproken in Hoofdstuk 5.
Regionaal programma werklocaties In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen met oog op een evenwichtig en toekostbestendig aanbod van bedrijven en de locatiekeuze van werklocaties in Gelderland. Paragraaf 5.7.2 beschrijft de gestelde voorwaarden. Artikel 5.70 (doorwerking regionaal programma werklocaties) Een omgevingsplan laat een uitbreiding of wijziging van een bestaande werklocatie of een nieuwe werklocatie alleen toe als die ontwikkeling past binnen het vastgestelde regionaal programma werklocaties. Als een ontwikkeling niet past binnen het regionaal programma werklocaties, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van het programma die ontwikkeling toch toelaten als: o gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en o Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen. Als in een regionaal programma werklocaties afspraken zijn gemaakt over het terugbrengen van overcapaciteit aan een type werklocaties:
14
wordt binnen een jaar na vaststelling van die afspraken bepaald op welke locaties dit type werklocaties boventallig zijn; en o wordt binnen drie jaar na vaststelling van die afspraken de bestaande functie van die boventallige werklocaties gewijzigd. In een regionaal programma werklocaties kunnen andere termijnen worden opgenomen als de omstandigheden in een regio daartoe aanleiding geven. o
Artikel 5.72 (solitaire bedrijvigheid) Een omgevingsplan kan in het buitengebied een bedrijfsmatige activiteit toelaten, tenzij die activiteit naar huidige planologische inzichten thuishoort op een bedrijventerrein. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een nieuwe bedrijfsmatige activiteit in het buitengebied toelaten als: o sprake is van functieverandering; of o die ontwikkeling past binnen de in het regionaal programma werklocaties gemaakte afspraken over solitaire bedrijvigheid. Een omgevingsplan kan in het buitengebied uitbreiding van solitaire bedrijvigheid die leidt tot bedrijfsbebouwing groter dan 1.000 vierkante meter en waarbij de uitbreiding zelf groter is dan 250 vierkante meter bedrijfsbebouwing toelaten als in de toelichting bij het omgevingsplan wordt: o gemotiveerd dat de uitbreiding past in regionale functieveranderingsafspraken of het regionaal programma werklocaties; of o aangetoond dat: de uitbreiding qua aard en schaal past bij de omgeving; verplaatsing naar een bedrijventerrein niet wenselijk is; en de uitbreiding een maatbestemming krijgt. In paragraaf 4.3.2 van voorliggende onderbouwing zal worden getoetst aan het Regionaal Programma Werklocaties (RPW) Regio Achterhoek 2024-2028. Met het beoogde plan is rekening gehouden met de gestelde voorwaarden uit het RPW, er is op de locatie tevens sprake van functieveranderingsafspraken.
Daarmee zal in paragraaf 4.3.2 aangetoond worden dat kan worden voldaan aan het eerste lid van artikel 5.70 en artikel 5.72 van de Omgevingsverordening. Deelconclusie De provinciale omgevingsverordening vormt geen belemmering voor het plan. 4.2.2 Omgevingsvisie Op d.d. 19 december ’18 is de omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: omgevingsvisie) door provinciale staten vastgesteld. De omgevingsvisie is d.d. 1 maart ’19 in werking getreden. In de visie wordt beschreven dat men zich op een cruciaal punt in de tijd bevindt, de wereld verandert ingrijpend. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van de grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering en internationalisering, stuks voor stuk onderwerpen die ook Gelderland raken en druk zetten op de leefomgeving. Aangezien de Gelderse leefomgeving in omgang beperkt is in combinatie met vele uiteenlopende belangen en zichten dienen gewogen keuzes gemaakt te worden aangaande de inrichting van de provincie. Provinciale Staten zetten in op een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland (kernvisie).
15
Afbeelding 6. Ambities en kernvisie Gelderland (Bron: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland) Onderzoek Voorliggend planinitiatief wordt niet als zodanig beschreven in de omgevingsvisie. Dit laat onverlet dat gekeken dient te worden hoe voorliggend plan past binnen de kernvisie van provincie Gelderland. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de doelstelling (§ 6 Vestigingsklimaat) dat er bij het ontbreken van andere mogelijkheden voor de situering van een bedrijfslocatie gekozen wordt voor het uitbreiden aan de randen van steden of dorpen. Deelconclusie Resume, de beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de kernvisie en ambities van de provincie en is niet strijdig met het omgevingsbeleid. 4.2.3 Gelders Actieplan Geluid Op 22 november 2024 is het ‘Gelders actieplan geluid’ in werking getreden. Provincie Gelderland wil haar inwoners een gezonde leefomgeving bieden. Een gezonde leefomgeving voor iedereen in Gelderland en voor volgende generaties. Dat draagt bij aan het zijn van een aantrekkelijke provincie. Geluid speelt een belangrijke rol in de kwaliteit van de leefomgeving, zowel in positieve als in negatieve zin. Met name het geluid van verkeer op onze wegen heeft invloed op die gezonde leefomgeving.
Het Gelders actieplan Geluid doelt derhalve ook tot het verminderen van geluid van de Gelderse (provinciale) wegen, hierbij wordt tevens het geluid van andere bronnen zoals industrieterreinen en snelwegen afgewogen. Voor het behalen van deze doelen zijn geluidproductieplafonds vastgesteld. Het actieplan geluid sluit zich hierbij aan op de ambities uit de omgevingsvisie Gelderland. Onderzoek Het onderhavig planvoornemen betreft geen wijziging aan een (provinciale) weg. Tevens valt de locatie niet binnen de geluidzone van gezoneerde industrieterreinen of overige bedrijven waar het Gelders Actieplan Geluid bevoegd gezag is (Afbeelding 7).
16
Afbeelding 7. Plangebied t.o.v. Geluidzone gezoneerde industrieterreinen (Bron: Overheid.nl) Deelconclusie Het plan is niet strijdig met het Gelders Actieplan Geluid.
17
4.3
Toetsing regionaal beleid
4.3.1 Achterhoek Visie 2030 De ‘Achterhoek Visie 2030’ is door de gemeenteraden in september 2022 vastgesteld. De visie focust op de thema’s; - Slimme productieve regio - Breed gekwalificeerde regio - Goed bereikbare regio - Duurzaam schone regio - Aantrekkelijke woonregio - Leven lang gezonde regio In de visie zijn de laatste economische en maatschappelijke ontwikkelingen verwerkt. De visie is opgesteld als richtinggevend document waarmee regionale afstemming is beoogd in de keuzes in de ruimtelijke ontwikkeling op lokaal niveau. Onderzoek Het planinitiatief wordt niet als zodanig beschreven binnen de Achterhoek Visie 2030. De visie bespreekt wel de opgave met betrekking tot de herontwikkeling van vrijkomende agrarische bebouwing op erven, waar onderhavig planinitiatief onderdeel van uitmaakt. Deelconclusie Het plan is niet strijdig met de Achterhoek Visie 2030.
4.3.2 Regionaal Programma Werklocaties (RPW) Regio Achterhoek 2024-2028 Het Regionaal Programma Werklocaties Regio Achterhoek 2024-2028 (vastgesteld d.d. 28 februari 2024), bevat de regionale afspraken tussen gemeentes in de Achterhoek, met als doel te voorzien in toekomstbestendige bedrijventerreinen om vanuit een ruimtelijk-economisch perspectief bij te dragen aan een sterk en toekomstbestendige regionale economische structuur. De afspraken gelden voor de periode 2024 tot en met 2028 en zijn bedoeld om te voorzien in de ruimtebehoefte voor de periode 2023 tot en met 2030, en kijken tevens vooruit naar de periode tot en met 2040. Met ruimtebehoefte wordt gedoeld op zowel de kwantiteit – de omvang van de ruimtebehoefte per werkmilieu in hectare – als de kwalitatieve ruimtebehoefte – de uitstraling en toekomstbestendigheid van de bedrijventerreinen. De afspraken hebben eveneens betrekking op de wijze waarop de gemeenten onderling afstemmen over initiatieven op en ontwikkeling van bedrijventerreinen. De economie van de Achterhoek kenmerkt zich door sterke, lokaal gewortelde bedrijven die dankzij hun innovatiekracht vaak nationale en internationale spelers zijn. De gemeenschapszin in de Achterhoek is ook terug te zien in de vele lokale en regionale toeleveranciersrelaties en de sterke regionale organisatiegraad van ondernemers.
De economie van de Achterhoek is een dynamische mix van innovatieve bedrijven in de maakindustrie, agrifoodsector, bouw, zorg en handel. Bedrijven zijn vooruitstrevend en dragen op verschillende manieren bij aan de maatschappelijke en ruimtelijkeconomische transities. In ruimtelijke zin bestaat de Achterhoek uit zeven gemeenten die gecentreerd zijn rondom een of meerdere grotere kernen met daaromheen enkele dorpen. De grotere kernen hebben vrijwel allemaal meerdere bedrijventerreinen met sterke lokaal gewortelde bedrijven die variëren in schaalgrootte. Dit zijn de lokale bedrijventerreinen. Daarnaast is in zowel de Oost-Achterhoek als de West-Achterhoek een regionaal bedrijventerreinen voor bedrijven die de schaal en aard van het lokale bedrijventerrein ontgroeien en voor bedrijven die zich van buiten de regio in de Achterhoek willen vestigen. Dit zijn respectievelijk de Laarberg en A18-Bedrijvenpark. De programmering bestaat uit twee delen: de regionale beleidsafspraken en de programmering. Bij regionale beleidsafspraken is vastgelegd onder welke voorwaarden nieuwe initiatieven en nieuwe ontwikkelingen uitgevoerd kunnen worden, op welke wijze daar regionale afstemming over plaatsvindt en hoe dit wordt vastgelegd.
18
Naast het voorzien in de kwantitatieve uitbreidingsbehoefte investeren gemeenten samen met ondernemers in de opgaven die bijdragen aan de toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen op het gebied van energievoorziening, circulaire economie, groen en water, en mobiliteit. Onderzoek Onderhavig plan is in het kader van het RPW besproken in overleg met RPW Oost. Conclusie uit dit overleg is dat deze casus niet regionaal besproken hoeft te worden en daarmee een gemeentelijk afweging is. Deelconclusie Het Regionaal programma werklocaties vormt geen belemmering voor het onderhavige plan.
4.4
Toetsing gemeentelijk beleid
4.4.1 Omgevingsvisie Groen en Verbonden Oost Gelre 2040 De omgevingsvisie Groen en Verbonden Oost Gelre 2040 is vastgesteld op 19-04-2023. In deze omgevingsvisie beschrijft de gemeente hoe ze kijkt naar de ontwikkeling van de gemeente, en welke kansen én uitdagingen er zijn. En hoe we daarmee om willen gaan. Verkeer, werken, openbare ruimte, wonen, natuur en milieu, gezondheid, landelijk gebied: alles wat te maken heeft met de fysieke leefomgeving komt voorbij. De visie voor Oost Gelre 2040 heeft vijf doelen. “In 2040 zijn we als Oost Gelre meer dan ooit een groene gemeente. We wonen, werken en brengen onze vrije tijd door in verbinding met het landschap en elkaar. Op weg naar 2040 doen we moeite voor een sterk netwerk van kernen met een rijk en sociaal verenigingsleven. En dat binnen een afwisselend en duurzaam landschap.” Deze ambitie is samengevat in 5 doelen: Oost Gelre in 2040. - Heeft hechte en leefbare kernen - Geeft ruimte aan ondernemen - Blijft dichtbij en bereikbaar - Is een gezonde en veilige leefomgeving - Heeft een aantrekkelijk landelijk gebied vol leven Hiervoor zijn 4 gebiedstypen gerealiseerd; grote kernen, kleine kernen, plekken waar u werkt en het buitengebied.
Onderzoek Het plangebied is gelegen aan de Vragenderweg 65 te Vragender, op circa 230 meter van de kern van Lichtenvoorde en in dichte nabijheid van de bedrijventerreinen van Oost Gelre (binnen de invloedssferen van het economisch cluster van het bedrijventerrein ‘De Kamp’). Echter valt het projectgebied onder het gebiedstype; ‘Buitengebied’. De doelen en ambities voor dit gebiedstype beschrijven dat er bij agrarische bedrijfsbeëindiging gezamenlijk wordt gezocht naar een passende en duurzame invulling van de vrijkomende agrarische bebouwing en gronden. Hiermee worden kansen gecreëerd om het buitengebied te verreiken met nieuwe functies. De gemeente gaat voor een gebalanceerde verweving tussen natuur, cultuur, recreatie, duurzame energie opwekking, wonen en werken. Deelconclusie Het plan wordt niet als zodanig beschreven binnen de Omgevingsvisie Groen en Verbonden Oost Gelre 2040. Het plan sluit echter wel aan bij de ambities van de gemeente voor vrijkomende agrarische bedrijfslocaties, zoals beschreven binnen de visie. Het plan is niet strijdig met de omgevingsvisie.
19
5
Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden
Dit hoofdstuk gaat in op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Thema’s als ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit (welstand), landschappelijke waarden, cultuurhistorie (monumenten) en archeologie kunnen hier aan de orde komen.
5.1 Landschappelijke waarden Ruimtelijke initiatieven hebben in meerdere of mindere mate invloed op het landschap. Een landschappelijke inpassing voorziet in het behouden (en versterken) van de waarden van het landschap. Hierbij moet worden ingespeeld op de waardevolle kwaliteiten van het plangebied en de omgeving. Daarnaast kan het plan op deze wijze bijdragen aan de biodiversiteit op de locatie, alsmede het realiseren van ecologische meerwaarde. Onderzoek Binnen het grondgebied van de gemeente Oost Gelre zijn 3 landschapstypen waarneembaar. Onderhavig plangebied is gelegen binnen het landschapstype ‘Essen- en hoevenlandschap’, volgend uit de folder landschappelijke inpassing (Afbeelding 8). Het essen- en hoevenlandschap is een kleinschalig landschap. Het beplantingspatroon van houtwallen, houtsingels, kleine bosopstanden en erfbeplantingen zorgt voor opdeling van het landschap in zowel kleine als grote ‘kamers’. Het is een groen raamwerk met daartussen open ruimtes die wisselend van vorm en grootte zijn. Er is ook reliëf aanwezig in het landschap. De essen (oude akkers) liggen op gronden die van oorsprong al hoger lagen en door het bemesten met potstalmest en heideplaggen nog verder opgehoogd zijn en een bolle vorm hebben gekregen. De weidegronden liggen op de lagere delen langs de beekjes.
Afbeelding 8. Ligging plangebied folder Landschappelijke Inpassing Oost Gelre In het landschapsontwikkelingsplan ‘Groen licht voor het landschap’ (Hierna: LOP), is het plangebied gelegen in het landschapsensemble ‘Het dorp Lichtenvoorde’. Alhoewel het LOP niet leidend is voor het onderhavig plan kan het wel ter inspiratie worden gebruikt. In het LOP wordt namelijk opgemerkt dat een kleinschalige compartimentering van het gebied, met de vroegere situatie van 1900 als inspiratiebron, niet alleen een vervanging kan zijn voor veelsoortige kavelafscheidingen, maar ook andere functies kan inbedden.
20
Op basis van oude kaarten is het heersende landschapstype duidelijk zichtbaar (Afbeelding 9). Daarnaast is het ook zichtbaar dat het landschap door de jaren heen sterk is veranderd, onder andere door schaalvergroting, ruilverkaveling en kanalisering van beken.
Afbeelding 9. Ligging plangebied in veranderend landschap (1900-1950-1975-2000) (Bron: Topotijdreis.nl) Een van de voorwaarden voortvloeiend uit het principebesluit is het opstellen van een erf- en landschappelijke inpassing. Passend binnen het gedachtegoed van het Essen- en hoevenlandschap, is er gekozen voor navolgende erf- en landschappelijke inpassing. Deze erf- en landschappelijke inpassing is tevens uitgebreid gemotiveerd opgenomen in het erfinpassingsplan in Bijlage 3. - De bestaande houtsingel aan de oost- en westzijde worden waar nodig aangevuld en versterkt; - De houtwal aan de oostzijde wordt richting de Vragender beek over de gehele perceellengte verder aangeplant. Dit breekt het zicht op de beoogde bedrijfsbebouwing; - Aan de achterzijde van het perceel, langs de Vragender beek, wordt beek begeleidende beplanting aangelegd. Ter versterking van de bestaande bossingel; - De beek begeleidende beplanting mondt uit in een geriefbosje in de noordoosthoek. Hiermee wordt ruimte geboden voor meerdere soorten en het versterken van de biodiversiteit; - Er wordt kruidenrijk grasland ingezaaid met inheemse bloemenmengsels; - In het kruidenrijk grasland wordt een poel (infiltratievijver t.b.v.
compensatie verharding) gerealiseerd; - Het kruidenrijk grasland loopt uit in ‘natuurlijk grasland’, wat botanisch zal worden beheerd met oog voor fauna; - Er worden twee boomgroepen aangeplant met daaromheen een robuust hekwerk, hierbij wordt rekening gehouden met de toekomstige boomkroonprojecties. Het natuurlijk grasland krijgt tussen het hekwerk vrij spel, waardoor extra ruigte ontstaat; - Aan de voorzijde van het erf wordt een vogelbosje aangeplant, aansluitend op de westelijke houtwal; - Tussen de twee opritten worden enkele fruitbomen aangeplant.
21
De inrichting van het perceel grijpt terug naar omstreeks 1900, waarin ook kleine ‘kamers’ in het landschap aanwezig waren. De erf- en landschappelijke inpassing is passend bij het heersende landschapstype. Onderstaand is een visualisatie van de erf- en landschappelijke inpassing opgenomen.
Afbeelding 10. Erf- en landschappelijke inpassing Concluderend Het onderhavige plan is voorzien van een erf- en landschappelijke inpassing, passend bij het versterken van het op de planlocatie vigerende landschapstype. Er kan worden geconcludeerd dat landschappelijke waarden niet worden belemmerd door onderhavige plan.
5.2 Ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit In 2017 heeft de Gemeente Oost Gelre het welstandsbeleid vastgesteld. Hierin zijn de regelsopgenomen die de gemeente heeft opgesteld voor het behoud of het sterker maken van het karakter van de omgeving. Met de laatste herziening is het welstandsbeleid flink vereenvoudigd en grote delen van Oost Gelre zijn welstandsluw. Het inspiratiedocument vormt de basis voor het welstandsbeleid, daar worden de kernkwaliteiten beschreven. Met ruimtelijke kwaliteit wordt een omgeving of een bouwwerk bedoeld, dat optimaal gebruikt kan worden voor het beoogde doel, dat bovendien robuust en duurzaam is en daarbij aangenaam en aantrekkelijk om te zien. Of in andere woorden, een omgeving of bouwwerk met de volgende kenmerken: Gebruikswaarde: functioneel, doelmatig, bereikbaar; Belevingswaarde: identiteit, diversiteit, herkenbaarheid; Toekomstwaarde: uitbreidbaar, aanpasbar en flexibel. Onderzoek Het onderhavige planvoornemen past niet binnen het vigerende bestemmingsplan (tijdelijk deel van het Omgevingsplan), derhalve geldt voor de ontwikkeling de uitgebreide procedure en is een beeldkwaliteitsplan benodigd voor de beoogde ontwikkeling. De ‘Oost Gelrese Aanpak’ is van toepassing.
Voor initiatieven in het buitengebied gekozen voor de volgende gereedschappen: - Het hoofdgebouw vormt samen met de bijgebouwen een helder ensemble, de gebouwen zijn dicht bij elkaar rond een collectieve ruimte gesitueerd; - In de erfopzet is duidelijk hiërarchie te zien. Het hoofdgebouw is dominant in vorm en massa en situering. De bijgebouwen zijn eenvoudiger in vorm, hebben minder massa en staan achter het hoofdgebouw geplaatst; - Een toegang tot het erf, waardoor het erf een ruimtelijke eenheid is.
22
Voor werklocaties in het buitengebied gelden daarnaast de navolgende gereedschapstools: - Materiaal, kleur en detaillering samenhangend. - Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande architectuur. - Bestaande gevelritmes, goothoogten en nokhoogten in hoofdzaak respecteren. - Nieuwbouw-uitbreiding past qua maat en schaal in het desbetreffende landschap. Er wordt daarbij veel aandacht besteedt aan het visueel verkleinen van de bouwmassa’s (geleding). - Toepassing van damwand bij bedrijfsbebouwing bij voorkeur in een donkere kleur (antraciet of groen). - Geen glimmende materialen: gevel- en dakplaten zijn voorzien van profilering. - Geen nieuwe buitenopslag in het buitengebied. - Rustige gedekte kleuren op grote vlakken, geen sterk met de omgeving contrasterende kleuren. - Bij bestaande recreatieve voorzieningen blijft het hoofdvolume duidelijk herkenbaar. - Bij meerdere recreatievoorzieningen (bijv. vakantiehuisjes) is er sprake van vormverwantschap tussen de voorzieningen onderling. Concluderend Onderhavige plan is voorzien van bouwtekeningen (bijlagen 13 t/m 16) die zijn gebaseerd op het Welstandsbeleid Oost Gelre. Het plan is ter beoordeling voorgelegd aan de Welstandscommissie en door hen geaccordeerd. Ruimtelijke kwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Bij de inrichting van plangebieden voor nieuwe functies of met nieuwe bouwwerking, moet rekening worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden of mogelijk bijdragen aan het versterken of herstel van deze waarden. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • verplaatsing van beschermde monumenten; • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • aantasting van de omgeving van een beschermend monument; • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Onderzoek In het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Voor de te beschermen cultuurhistorische waardevolle gebouwen heeft de gemeente Oost Gelre een inventarisatie opgesteld.
Zowel het perceel, omliggende gronden, boerderij of overige (agrarische) bedrijfsgebouwen zijn niet op deze inventarisatie opgenomen. Concluderend Daar waar het plangebied zelf geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen omvat is er vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmering te verwachten. Wellicht ten overvloede wordt benoemd dat er in de directe omgeving ook geen gebouwen aanwezig zijn met cultuurhistorische aanduiding waarop de ontwikkeling mogelijk invloed zou kunnen hebben.
23
5.4 Archeologie Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologische erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 1’. Gronden met deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en vaststelling van archeologische waarden.
Voor de beoogde situatie geldt conform Artikel 5.2 van het Parapluplan Archeologie een vergunningsplicht voor werkzaamheden dieper dan 30cm onder het maaiveld én een oppervlakte gelijk aan of groter dan 250 m2. Bij overschrijden van deze drempelwaarde is een archeologische onderzoek benodigd. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 1,93 hectare, de toekomstige bodemverstoring zal tot maximaal 1 meter beneden maaiveld reiken voor het oprichten van het huis, de bedrijfsbebouwing en de wadi. Derhalve is er een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd en een archeologische rapportage opgesteld voor onderhavige ontwikkeling. Concluderend Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek wordt voor de voorgenomen herinrichting van het plangebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. De volledige archeologische onderzoeksrapportages is opgenomen in Bijlage 4. Het aspect Archeologie vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige plan.
24
6
Fysieke leefomgeving
6.1 Geluid De Omgevingswet kent een stelsel van normen om geluidhinder te voorkomen door wegverkeer, railverkeer en industrieterreinen met een GGP (geluidproductieplafond). Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Onderzoek Het plan betreft het beëindigen van een intensief agrarisch bedrijf op de planlocatie en het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing, waarna de initiatiefnemer vervolgens op deze locatie twee bedrijfsgebouwen ten behoeve van stalling van caravans en kampeermiddelen wenst op te richten.