CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke motivering Groenlo, Eefseler Esch

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Omgevingsplan, Eefseler Esch en Molenberg Groenlo: locatie Eefseler Esch19.318 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het wijzigen van de Oude Papendijk zorgt voor een afname van het geluid bij bestaande geluidgevoelige gebouwen. De wet stelt geen aanvullende eisen ten aanzien van de wijziging van deze weg. De realisatie van het plan zorgt niet voor indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer.

Door het wegdek van de N319 nabij de planlocatie te vervangen door een stil wegdek (akoestisch geoptimaliseerd SMA) kan bereikt worden dat op de woningen zonder dove gevels aan de grenswaarde van 60 dB(A) voldaan wordt. Ook kan dan in principe iedere woning een geluidluwe gevel krijgen. Voor het appartementengebouw aan de noodwestzijde van het plan is dit afhankelijk van de situering van de afzonderlijke appartementen. Voor alle woningen met een geluidbelasting van meer dan 53 dB is akoestisch onderzoek nodig om gevelmaatregelen te bepalen die het binnenniveau beperken tot 33 dB. Bij de geluidongevoelige gevels moet in de akoestische berekeningen uitgegaan worden van een geluidbelasting die 3 dB hoger is dan de waarde die uit het akoestisch onderzoek blijkt (art. 103b lid 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving). Geluid door industrieterreinen Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar geluidhinder afkomstig van industrieterreinen kan dan ook achterwege blijven. Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009.

In 2024 is er een nieuwe handreiking uitgebracht ‘Activiteiten en milieuzonering’. De nieuwe handreiking 'Activiteiten en Milieuzonering' is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid - en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Aangezien het plangebied zich in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre bevindt, wordt uitgegaan van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen een rol: • •

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Bij de externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie wonen werkt niet milieubelastend op omliggende milieugevoelige functies. Bij de interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande milieubelastende functies in de omgeving of dat de ontwikkeling leidt tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van de bestaande functies. De dichtstbijzijnde milieubelastende functies betreffen de agrarische bedrijfspercelen in de omgeving. Ten zuidoosten, op circa 105 meter, bevindt zich het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak. Ten oosten en noordoosten, op respectievelijk 220 en 250 meter, bevinden zich twee intensieve veehouderijen. Voor (intensieve) agrarische bedrijven geldt de grootste richtafstand voor het aspect ‘geur’. Voor het aspect ‘geluid’ geldt voor deze bedrijven een richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Het voornemen ondervindt daarmee geen geluidhinder van omliggende geluidbelastende activiteiten en omgekeerd belemmert het voornemen de bedrijfsvoering van deze bedrijven niet. 5.1.3

Conclusie

Om een akoestisch aanvaardbare situatie te bereiken voor een deel van de te realiseren woningen, zijn maatregelen buiten het plangebied benodigd. Deze maatregelen worden nog onderzocht. In de regels van dit omgevingsplan wordt de maximale geluidbelasting op de gevels opgenomen als beoordelingsregel voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Hiermee is juridisch geborgd dat de woningen worden gerealiseerd met een aanvaardbare geluidbelasting.

5.2

Luchtkwaliteit

5.2.1

Wettelijk kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO 2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 5.2.2

Onderzoek

Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •

één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 5.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3

Geur

5.3.1

Wettelijk kader

Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 5.3.2

Onderzoek

Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre. In de directe omgeving bevinden zich meerdere veehouderijen, waaronder een aantal intensieve veehouderijen. Om de geurhinder die wordt veroorzaakt door deze milieubelastende activiteiten te beoordelen op de te realiseren geurgevoelige gebouwen, is een geuronderzoek uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 4. Hieronder worden de resultaten behandeld. Resultaten geuronderzoek In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient het woon- en leefklimaat voor nieuwe geurgevoelige gebouwen te worden beoordeeld. De Omgevingsdienst Achterhoek heeft in een vooradvies reeds onderzocht welke bedrijven mogelijk geurhinder kunnen veroorzaken. Uit het vooronderzoek van de Omgevingsdienst blijkt dat de woonwijk buiten de wettelijke richtafstanden ligt van deze omliggende bedrijven. Tevens wordt er volgens de Omgevingsdienst voldaan aan de geurnorm met betrekking tot de voorgrondbelasting van de individuele veehouderijen en werkt de ontwikkeling niet belemmerend voor de veehouderijen. Volgens het vooradvies is uitsluitend aanvullend onderzoek benodigd naar de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) ten gevolge van alle veehouderijen tezamen om aan te tonen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

In opvolging van het advies van de Omgevingsdienst Achterhoek wordt in onderhavig onderzoek de achtergrondbelasting berekend. Vervolgens wordt het percentage geurgehinderden vertaald naar een kwalificatie van de milieukwaliteit en het woon- en leefklimaat.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld Op basis van de berekende achtergrondbelasting wordt geconcludeerd dat er een acceptabel woonen leefklimaat gerealiseerd kan worden ter plaatse van de nieuwe woningen. Er worden op basis van de achtergrondbelasting geen belemmeringen voorzien voor de doorgang van het initiatief. Tevens wordt opgemerkt dat de mogelijkheden voor een intensieve veehouderij aan de Oude Papendijk 4 worden verwijderd als gevolg van deze omgevingsplanwijziging. Dit heeft een positieve invloed op de geurbelasting op omliggende geurgevoelige gebouwen. 5.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4

Trillingen

5.4.1

Wettelijk kader

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. 5.4.2

Onderzoek

In dit geval bevindt de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op ruim 11 kilometer afstand van het plangebied. Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor. Een onderzoek trillinghinder is dan ook niet noodzakelijk. 5.4.3

Conclusie

Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

5.5

Bodemkwaliteit

5.5.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld 5.5.2

Onderzoek

Om te beoordelen of de bodemkwaliteit toereikend is om het voornemen te realiseren, is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in bijlage 5 van deze ruimtelijke motivering. Hieronder worden de resultaten nader toegelicht. Verkennend bodemonderzoek Deellocatie A: Erf De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie ten aanzien van metalen en PAK aanvaard en wordt ten aanzien van minerale olie en PCB verworpen. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Ter verkrijging van een indicatie van de eindsituatie zijn enkele bestaande peilbuizen opnieuw bemonsterd. Hierbij zijn (behalve barium, cadmium en zink) in het algemeen geen verhoogde waarden aangetoond. Deellocatie B: Overig terrein De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, niet geheel bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de aankoop en bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie.

De onderzoeksresultaten komen overeen met de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Deellocatie C: Inspoelzone schuurtje De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie ten aanzien van PCB als "plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Deellocatie D: Inspoelzone westelijke stal De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie ten aanzien van PCB als "plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Verkennend onderzoek asbest in bodem Deellocatie A: Erf Geadviseerd wordt een (beperkt) nader onderzoek uit te voeren om de aard en de omvang van de plaatselijk vastgestelde asbestverontreinigingen in bodem/puin vast te stellen. Deellocatie B: Overig terrein Uit het vooronderzoek is gebleken dat voor deze deellocatie geen onderzoek asbest in bodem noodzakelijk is. Deellocatie C: Inspoelzone schuurtje Zintuiglijk zijn in de toplaag geen verontreinigingen waargenomen. In de toplaag is geen asbest aangetoond. De ondergrond is niet specifiek onderzocht. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie ten aanzien van asbest als "plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Deellocatie D: Inspoelzone westelijke stal Zintuiglijk zijn in de toplaag geen verontreinigingen waargenomen.

In de toplaag is ter indicatie asbest boven de norm voor aanvullend onderzoek aangetoond. De ondergrond is niet specifiek onderzocht. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie ten aanzien van asbest als "plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Mogelijk zijn er op het terrein nog andere druppelzones op onverharde grond, die nu nog niet zijn meegenomen, waarvoor hetzelfde geldt. De omvang is waarschijnlijk beperkt tot ± 50 m2. Geconcludeerd wordt dat de inspoelzone(s) gesaneerd moet(en) worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld Conclusie Voor deellocatie A, het Erf, wordt geadviseerd een (beperkt) nader onderzoek uit te voeren om de aard en de omvang van de plaatselijk vastgestelde asbestverontreinigingen in bodem/puin vast te stellen. Voor deellocatie D geldt dat de inspoelzone, met een beperkte omvang van circa 50 m², dient te worden gesaneerd. 5.5.3

Conclusie

Voor een klein deel van het plangebied dient aanvullend bodemonderzoek te worden uitgevoerd om de aard en omvang van de verontreinigingen te bepalen en te kunnen saneren. Na uitvoering van deze werkzaamheden voldoet de bodem aan de wettelijke eisen voor de bodemkwaliteit. De borging hiervan vindt plaats in de omgevingsplanregels. In de bouwvoorschriften is onder de vergunningplicht voor bouwactiviteiten een algemene bepaling opgenomen. Deze voorkomt overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zodat met onderzoek dan wel sanerende of beschermende maatregelen aangetoond moet worden dat er voldaan kan worden aan de geldende bodemkwaliteit.

5.6

Water

5.6.1

Wettelijk kader

5.6.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.6.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 5.6.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Gelderland wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld en kwaliteit van gronden oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.6.1.4 Beleid Waterschap Rijn en IJssel Het waterschap Rijn en IJssel brengt in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (d.d. 13 januari 2022) tot uitdrukking hoe zij haar rol in de omgeving ziet als doorvertaling van de Watervisie 2030. in het waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de contouren van de ambities van het Waterschap Rijn en IJssel opgenomen om daar samen met partners invulling aan te gaan geven. Daarmee wordt duidelijk welke richting en positie het waterschap inneemt om beleidsdoelen na te streven en op welke manier de daadwerkelijke uitvoering plaatsvindt. De werkzaamheden, bovenop de wettelijke taken van het waterschap, zijn gevat in 4 thema's: • • • •

5.6.2

Klimaat robuust gebied: gericht op het jaarrond bereiken van een optimale balans tussen te nat en te droog en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied: gericht op de bescherming tegen hoog water als randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken. Circulaire economie en energietransitie: gericht op het zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering door grondstofbehoefte te beperken en emissie van broeikasgassen te verminderen. Gezonde leefomgeving: gericht op het zorgen voor een schoon en gezond watersysteem voor mens en natuur, waarbij het water geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en geen risico's op levert voor de volksgezondheid. Onderzoek

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Om de waterhuishouding in kaart te brengen en om een basis te leggen voor de civiele uitwerking, is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Hierin zijn de elementen en principes gepresenteerd die kunnen dienen als basis voor een verdere uitwerking van de Eefseler Esch. Hieronder volgen de conclusies voor de thema’s grondwater, hemelwater en afvalwater. Het waterhuishoudkundig plan is opgenomen in bijlage 6 van deze motivering. Grondwater: 1.

Op basis van de uitgevoerde metingen is het niveau 24,20 m NAP vastgesteld als representatieve waarde voor de GHG in het lage deel van het plangebied. Er is gekozen voor infiltratie middels wadi’s. Het is noodzakelijk dat de bodem van de wadi’s 50 cm boven de GHG worden aangelegd, dit betekent op 24,70 m NAP. De wegen in het lage deel moeten bij een wadidiepte van 50 cm minimaal een wegpeil van 25,20 m NAP hebben om te voorkomen dat water op straat ontstaat als onderdeel van de invulling van de bergingsopgave. Voor de laagste delen betekent dit een ophoging van circa 1,30 m. 2. Het inpassen van de bestaande en te behouden greppel/sloot langs de Oude Papendijk is een aandachtspunt in de verdere planuitwerking, omdat deze effect heeft of kan hebben op de grondwaterstand ter plekke van de bestaande woningen langs de oude Papendijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld Hemelwater: 1. Het plangebied bergt zowel de bergingsopgave als gevolg van een toename aan verharding binnen het plangebied (4.577 m³) als een regionale opgave als gevolg van het verdwijnen van bergingsruimte door ophoging (1.300 m³). De totale opgave is daarmee 5.877 m³. 2. De regionale wateropgave van 1.300 m³ berging vereist dat een systeem van communicerende vaten wordt aangelegd waarbij alle wadi’s in het lage watersysteem met elkaar verbonden zijn. Daardoor kan de overcapaciteit in de verschillende deelgebieden gebruikt worden voor de regionale opgave. Bij een waterdiepte van 50 cm en voor kleinere wadi’s 40 cm wordt voldaan aan de waterbergingseis van 80 mm. Er is dan een bergingsoverschot van 490 m³. 3. Als het systeem van wadi’s geheel gevuld is kan het overlopen in de GRS56.005.010.196 langs de Oude Papendijk en richting het noordoosten langs de N319. 4. Bij het bepalen van de benodigde bergingscapaciteit is conservatief gerekend, geen rekening houdend met berging op particulier terrein en infiltratie tijdens de bui. Aangezien een ophoging van het lager gelegen plangebied nodig is, zal een greppel/droog vallende sloot worden gedempt. Omdat deze sloot nu een drainerend effect heeft en komt te vervallen, wordt een nader grondwateronderzoek geadviseerd.

In bijlage 7 is een memo opgenomen waarin wordt ingegaan op de mogelijke gevolgen van het functioneren van de grondwaterhuishouding van de bestaande bebouwing noordelijk en oostelijk van het plangebied. Hieruit wordt geconcludeerd dat: •

•

de nieuw aan te leggen wadi’s de te dempen zaksloot in het plangebied voor zover nodig compenseren. Veranderingen in het functioneren van de grondwaterhuishouding van bestaande bebouwing noordelijk en oostelijk van het nieuwbouwplan worden derhalve niet verwacht bij de ontwikkeling van de Eefseler Esch. De wadi’s en de in stand te houden bermsloten zullen afwateren op de watergang langs de Oude Papendijk ten zuiden van het plangebied en/of in de noordwesthoek naar de watergang langs de N319. Met deze afvoermogelijkheden is een goede beheersing van de grondwaterhuishouding nu en in de toekomst geborgd.

Afvalwater: 1. Op basis van het verwachte aantal gerealiseerd woningen bedraagt de DWA-afvoer vanuit de wijk 6,63 m3/uur. Afvalwater stroomt onder vrij verval naar het rioolgemaal aan de Oude Papendijk 13. In de verdere uitwerking moet worden gekeken of de capaciteit van het gemaal en het verhang in combinatie met de putdiepte voldoende zijn om de extra opgave te kunnen afvoeren. 5.6.3

Conclusie

In het waterhuishoudkundig plan zijn de opgaven voor de relevante waterhuishoudkundige aspecten gepresenteerd. Het waterschap is betrokken geweest bij het opstellen van dit plan en heeft aangegeven akkoord te zijn met de inhoud. Binnen de verdere uitwerking van het plan zal met de gepresenteerde opgaven rekening worden gehouden, in nauw contact met het waterschap Rijn en IJssel. Het voornemen houdt daarmee in voldoende mate rekening met de waterhuishouding.

5.7

Mobiliteit en parkeren

5.7.1

Wettelijk kader

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeerplaatsen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen. De gemeentelijke parkeernormen zijn vastgelegd in het “Facetbestemmingsplan Parkeren”. De huidige parkeernormennota is vastgesteld in 2017. Waar mogelijk is gebruik gemaakt van de geldende parkeernormen. Voor de sociale koopwoningen is een afwijkende norm gebruikt, dit omdat dit een nieuwe vorm van woningbouw is. Deze benaming heeft geen eigen parkeernorm, waardoor voor deze categorie de norm ‘koop, tussen/hoek’ is toegepast. De norm ‘koop, tussen/hoek’ sluit het meest aan bij de beschrijving van een sociale koopwoning. Voor afwijkingen van de parkeernormen wordt gebruik gemaakt van parkeerkencijfers van het CROW. Ditzelfde geldt voor de ritgeneratie van de woonwijk, binnen de parkeernormennota zijn geen gegevens voor ritgeneratie vastgesteld. De meest actuele ritgeneratiecijfers van het CROW zijn opgenomen in de publicatie “Parkeerkencijfers parkeren 2024”. 5.7.2

Onderzoek

5.7.2.1 Parkeren De parkeerbehoefte is onderzocht in de in bijlage 8 opgenomen memo. De parkeervraag is hierin bepaald op basis van het functionele programma, de parkeernormen en de aanwezigheidspercentages. De toe te passen parkeerkencijfers zijn afhankelijk van de stedelijkheidsgraad, de stedelijke zone waarin de ontwikkeling zich bevindt en het type woning. Hiervoor zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Stedelijkheidsgraad: weinig stedelijk; Stedelijke zone: rest bebouwde kom.

Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. Voor de te realiseren woningen zijn onderstaande normen gehanteerd. Hierin zit een aandeel van 0,3 per woning voor bezoekers. Onderdeel Sociale huur Sociale koop (starters) Tussen/hoek woningen Twee onder één kap Vrijstaand Appartementen, huur, duur Appartementen, huur, midden/goedkoop Totaal

Omvang 40 54 56 42 26 13 13

Parkeernorm 1,6 2,0 2,0 2,2 2,3 1,9 1,4 244

Op basis van de te hanteren uitgangspunten is de parkeervraag inzichtelijk gemaakt. Tevens is rekening gehouden met aanwezigheidspercentages om zo de mate van dubbelgebruik inzichtelijk te maken. In onderstaande tabel is het totaaloverzicht weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld

De totale parkeervraag bestaat uit 424 parkeerplaatsen. Zoals eerder genoemd bestaat de toekomstige woonwijk Eefseler Esch uit drie deelgebieden. In verband met acceptabele loopafstanden voor wonen en een correcte verdeling van het aantal parkeerplaatsen over het gebied is de parkeerbalans opgesplitst. • • •

Parkeervraag De Es: 189 parkeerplaatsen, waarvan 136 openbaar moeten worden aangelegd; Parkeervraag Kampenlandschap: 215 parkeerplaatsen, waarvan 159 openbaar; Parkeervraag Het Erf: 24 parkeerplaatsen, waarvan 3 openbaar.

In De Es zijn 136 parkeerplaatsen benodigd. In het deelgebied De Es zijn 120 parkeerplaatsen ingetekend. Dit gebied voldoet momenteel niet aan de parkeervraag. In het Kampenlandschap zijn 159 parkeerplaatsen benodigd. In het deelgebied zijn 177 parkeerplaatsen ingetekend. Dit gebied voldoet ruim aan de parkeervraag. In Het Erf zijn vier parkeerplaatsen ingetekend terwijl er drie nodig zijn. Dit gebied voldoet ook. Er vanuit gaande dat de twee-onder-één-kap en vrijstaande woningen alle twee parkeerplaatsen op eigen terrein bevatten, zijn er voldoende parkeerplaatsen in het plangebied om te voldoen aan de gestelde parkeernormen. 5.7.2.2 Verkeersgeneratie De te realiseren woningen in de Eefseler Esch gaan nieuw verkeer realiseren op de Oude Papendijk. Om in te schatten hoeveel verkeer gebruik gaat maken van de Oude Papendijk en de inrit van de woonwijk zijn ritgeneratienormen gebruikt. Deze ritgeneratienormen staan in de publicatie “Parkeerkencijfers parkeren 2024” van het CROW. Omdat er geen specifieke redenen zijn om uit te gaan van het minimum of maximum van de bandbreedte gesteld door het CROW, is als uitgangspunt de gemiddelde waarde van de bandbreedte toegepast. Binnen deze normen vallen niet alleen het woon-werk verkeer, maar ook bezorgers, bezoek en overige dienstverlening aan huis. In de onderstaande tabel is de ritgeneratie weergegeven.

Op een weekdag zal de woonwijk 1665 verkeersbewegingen genereren. Op een werkdag zal de woonwijk 1831 verkeersbewegingen genereren.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld

Om inzichtelijk te maken hoe deze verkeersbewegingen zijn verdeeld, is de ritgeneratie op het ontwerp geprojecteerd. Dit is weergegeven in afbeelding 5.1.

Afbeelding 5.1: Verdeling verkeersgeneratie op het wegennet (Bron: Gemeente Oost Gelre)

De verkeersintensiteit van de Oude Papendijk zal waarschijnlijk toenemen naar +/- 3.600 mvt/etmaal. Dit blijft binnen het maximaal aantal verkeer voor een erftoegangsweg (+/- 4.000 mvt/e). Gezien de aanwezigheid van openbaar vervoer is een breed profiel hier wenselijk. De toename van het verkeer zal worden afgewikkeld op de bestaande rotonde. Hoewel de huidige verkeersafwikkeling door middel van een rotonde aan de N319 aan de normen voldoet, heeft de gemeente de ambitie om de oversteek richting Groenlo voor langzaam verkeer te optimaliseren. Dit hangt samen met de ligging van de Eefseler Esch, die sterk leunt op voorzieningen aan de overzijde van de Rondweg, Conform de gemeentelijke mobiliteitsvisie wordt deze woonwijk ontworpen vanuit het STOMP-principe. Hiermee wordt een woonwijk gerealiseerd waar het Stappen (voetgangers) en Trappen (fietsers) centraal staan. Met het STOMP-principe in gedachten zoekt de gemeente naar een veilige maar ook vlotte fiets- en wandelverbinding tussen het plangebied en de kern Groenlo. Hierdoor worden de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld voorzieningen in de kern Groenlo voor de nieuwe wijkbewoners goed bereikbaar met de fiets of te voet. Dit sluit aan bij de gemeentelijke beleidsambities op het gebied van gezondheid en het terugdringen van autoverkeer, zoals deze zijn gepresenteerd in het Mobiliteitsplan 2025-2040. Hierin worden 11 duidelijke ambities geformuleerd, waaronder: • • • •

Kinderen moeten vanaf 8 jaar veilig zelfstandig naar school kunnen fietsen; De centra van Lichtenvoorde en Groenlo worden vriendelijker gemaakt voor fietsers en voetgangers; Voor wegen binnen de bebouwde kom geldt een maximumsnelheid van 30 km/u, tenzij het echt niet anders kan. Er wordt slim omgegaan met ruimte en verschillende vormen van vervoer en deze worden goed op elkaar afgestemd.

Tijdens een intensief participatietraject hebben omwonenden nadrukkelijk hun zorgen geuit over de huidige én toekomstige oversteek richting de kern van Groenlo. Veel ouders laten hun kinderen hier niet zelfstandig oversteken vanwege het onveilige gevoel. De gemeente Oost Gelre vindt het essentieel dat een veilige, logische en aantrekkelijke fietsroute een integraal onderdeel vormt van de Eefseler Esch. Concreet vertaalt zich dit in het realiseren een ongelijkvloerse kruising voor fietsers, waarbij met name wordt gedacht aan een fietstunnel (ten noordoosten van het plangebied). Dit hangt onder andere samen met de bestaande fietsbrug in de naastgelegen wijk Hartreize, die als te steil en slecht bereikbaar wordt ervaren. Uit recente tellingen blijkt verder dat het fietsgebruik in dit gebied al aanzienlijk is en dus mogelijk om meer infrastructuur vraagt. Voor het realiseren van een dergelijke fietstunnel is medewerking van de provincie nodig. De gemeente Oost Gelre is hiervoor in overleg met de provincie. Het omgevingsplan houdt hierop voorsorterend rekening met een situatie waarin de fietstunnel kan worden gerealiseerd. 5.7.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Omgevingsveiligheid

5.8.1

Wettelijk kader

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 5.8.2

Gemeentelijk extern veiligheidsbeleid

De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. 5.8.3

Onderzoek

5.8.3.1 Risicobronnen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode contour) en omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld

Afbeelding 5.2: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)

Uit de inventarisatie blijkt dat zich in de nabijheid van het plangebied enkele buisleidingen bevinden. De woningen worden in het geheel buiten de bijhorende risicocontouren voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (aandachtsgebieden) gerealiseerd. De omliggende risicobronnen vormen daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen. In het noordwesten van het plangebied wordt een ontsluiting gerealiseerd voor langzaam verkeer en voor calamiteitenverkeer. Deze wordt ook als zodanig vastgelegd in de regels van het omgevingsplan. Hiermee is het plangebied bereikbaar voor hulpdiensten in geval van een noodgeval. De Veiligheidsregio heeft geadviseerd om deze middels een SOS toegang af te sluiten van het overige verkeer. 5.8.3.2 Niet gesprongen explosieven (NGE) Naast de risicobronnen in de directe omgeving is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE’s). Dit aangezien er in deze regio gevechten hebben plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog waarbij munitie en explosieven zijn achtergebleven. Het onderzoek is bijgevoegd in bijlage 9. Hieronder worden de resultaten toegelicht. Resultaten NGE Euroradar heeft het opsporingsgebied zorgvuldig onderzocht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.

Hieruit zijn een aantal verstoringen naar voren gekomen waardoor niet met zekerheid is te zeggen in hoeverre er oorlogsresten aanwezig zijn. Deze dienen door een opsporingsteam te worden onderzocht middels realtime detectie en benadering, met ondersteuning van een graafmachine. De voorbereiding van dit onderzoek is inmiddels in gang gezet en staat de vaststelling van dit wijzigingsbesluit niet in de weg. 5.8.4

Conclusie

Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd. Om te borgen dat er niet met werkzaamheden wordt aangevangen alvorens voldoende is aangetoond dat het gebied vrij is van niet-gesprongen explosieven, is een vergunningplicht opgenomen in de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld planregels. De vergunningplicht is niet van toepassing wanneer voldoende is aangetoond dat eventuele aanwezige niet-gesprongen explosieven voldoende zijn verwijderd en het gebied vrij is gegeven.

5.9

Natuur

5.9.1

Wettelijk kader - Gebiedsbescherming

5.9.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

5.9.1.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor – overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld 5.9.1.3 Houtopstanden Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • •

5.9.2

De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Wettelijk kader - Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.9.3

Onderzoek

5.9.3.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich op 5,2 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’. Gelet op de ruimte afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd, zie bijlage 10. Hieronder worden de resultaten nader beschreven. De geplande activiteiten leiden tot zeer geringe en tijdelijke stikstofdeposities in het stikstofgevoelig habitattype H7120 in het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’. Het betreft maximaal 0,01 mol/ha/jaar. Uit de voortoets is gebleken dat significant negatieve effecten ten gevolge van de zeer geringe deposities zijn uitgesloten voor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied en gestelde instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelig habitattype. De depositiebijdrage vanuit het plan heeft, als gevolg van de tijdelijke aard en verwaarloosbare omvang, met zekerheid geen invloed op de huidige situatie of de mogelijkheden om een verbetering van de instandhouding te bereiken.

Het kunnen behalen van de instandhoudingsdoelstellingen wordt derhalve ook niet bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt door de bijdrage van het project, doordat de zeer geringe deposities vanuit het project niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied. 5.9.3.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO. De dichtstbijzijnde gronden die tot het GNN behoren bevinden zich op ruim 560 meter afstand. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling, kan worden gesteld dat er geen sprake is van enige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN en/of het GO.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld 5.9.3.3 Houtopstanden In het plangebied worden mogelijk houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed. 5.9.3.4 Soortenbescherming Om te beoordelen of het plangebied momenteel wordt gebruikt door beschermde flora en fauna, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Uit de quickscan soortenbescherming is gebleken dat niet uitgesloten kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling gepaard gaat met negatieve effecten op de huismus, kerkuil, steenuil, vleermuizen, marterachtigen. Om deze reden is door Econsultancy een nader onderzoek naar deze soorten uitgevoerd. De quickscan flora en fauna en de resultaten van het nader onderzoek zijn opgenomen in bijlage 11 van deze motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen uit het nader onderzoek. Functie van het plangebied voor beschermde soorten Op de onderzoekslocatie zijn 13 nestlocaties aangetroffen van de huismus. De groenstructuren in tuin rondom de woning en boerderij op de onderzoekslocatie vormen essentieel leefgebied voor de huismus. De conclusie van het steenuil onderzoek is dat er een broedgeval van de steenuil aanwezig is in de bebouwing (de deel van de boerderij) op de planlocatie en dat de planlocatie zelf onderdeel is van het territorium van deze steenuilen.

Het is niet uit te sluiten dat de planlocatie onderdeel uitmaakt van het functionele leefgebied van een kerkuil. Het onderzoek heeft vastgesteld dat de onderzoekslocatie intensief wordt gebruik is door de steenmarter en bunzing. Aangenomen wordt dat er op de onderzoekslocatie een vaste rust- en/of voortplantingsplek aanwezig is van beide soorten en dat de onderzoekslocatie gedeeltelijk essentieel leefgebied betreft van deze marters. 5.9.3

Conclusie

Het plan gaat niet gepaard met negatieve effecten op beschermde gebieden. Ten aanzien van soortenbescherming dient een omgevingsvergunning voor de flora en fauna activiteit te worden aangevraagd bij de provincie ten aanzien van de huismus en steenuil. De maatregelen dienen uitgewerkt te worden in een ecologisch activiteitenplan en ter goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag via het aanvragen van een omgevingsvergunning. De aanvraag omgevingsvergunning is een separate procedure en staat de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan niet in de weg. Indien de omgevingsvergunning wordt verkregen, houdt het plan in voldoende mate rekening met het aspect ‘natuur’.

5.10

Landschap

5.10.1 Wettelijk kader De waardering van de landschappelijke kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke kwaliteit maakt integraal onderdeel uit van de taak van overheden om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor het beschermen van de landschappelijke (en stedenbouwkundige) kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld. 5.10.2 Onderzoek Het realiseren van een groene woonwijk, met respect voor het landschap, is een belangrijke drijfveer achter de ontwikkeling van Eefseler Esch. De naam ‘Eefseler’ komt van het buurtschap Eefsele. ‘Esch’ is gekozen omdat de wijk deels hoger in het landschap ligt. De hoofdgroenstructuur van de wijk wordt ontwikkeld op basis van de landschappelijke onderlegger, dit wil zeggen gebaseerd op de bestaande landschappelijke kenmerken in het gebied. Bij de inrichting van de wijk worden uitsluitend inheemse boom- en plantensoorten toegepast. De inrichting van Eefseler Esch nodigt uit om naar buiten te gaan,

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld elkaar te ontmoeten, te wandelen, te spelen en de rust te vinden in het groen. De bomen, struiken, bloemen, het water en de houtwallen zijn divers en dragen bij aan een natuurlijke leefomgeving. 5.10.3 Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate met het benutten van de lokale landschappelijke kwaliteiten.

5.11

Cultureel erfgoed en archeologie

5.11.1 Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 5.11.2 Onderzoek 5.11.2.1 Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

Zoals in paragraaf 1.3 is beschreven, gelden er binnen het plangebied op basis van het tijdelijk omgevingsplan meerdere dubbelbestemmingen ter bescherming van de archeologische waarden. De hierin opgenomen onderzoeksgrenzen worden als gevolg van de realisatie van het voornemen overschreden, waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Hierom is door Econsultancy een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 12. Hieronder worden de resultaten nader beschreven.

Archeologisch onderzoek Op basis van de aangetroffen bodemopbouw wordt geconcludeerd dat binnen het merendeel van het plangebied gelegen binnen agrarische percelen sprake is van een deels intacte oorspronkelijke bodemopbouw. Het archeologisch potentiële vondstniveau zal zijn aangetast, maar het potentiële sporenniveau is zeker nog intact aanwezig. Archeologische sporen, indien aanwezig kunnen direct onder het plaggendek worden aangetroffen en bewaard zijn gebleven in het resterende deel van de van nature gevormde veldpodzol-/holtpodzolbodem. Dit betekent dat eventuele vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars (Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) zullen zijn verstoord, maar dat sporen van permanente bewoning (landbouwers) nog wel intact kunnen worden aangetroffen. Archeologische sporen zullen meest zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont. Tevens kan de aanwezigheid van ondergrondse restanten van historische bebouwing in de zuidoosthoek en het noordoostelijke deel van het plangebied niet worden uitgesloten.

In het uiterst centraal-oostelijk gelegen perceel akkerland, de zuidelijke strook van het huidige agrarisch bedrijfsterrein aan de Oude Papendijk 4 en het meest oostelijke en noordoostelijke deel van het plangebied (Oude Papendijk en de kruising/rotonde met de Rondweg N319 en de weg Marskramer), hebben diepgaande moderne bodemverstorende ingrepen plaatsgevonden, waardoor hier zowel het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau waarschijnlijk geheel is verstoord. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het merendeel van het plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek en nadat alle bebouwing en verhardingen binnen (het zuidwestelijke deel van) het plangebied zijn verwijderd. Ook in de zuidoosthoek en het noordoostelijke deel van het plangebied dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd, met de proefsleuven gericht op de locaties waar historische bebouwing heeft gestaan. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. In afbeelding 5.3 is het adviesgebied voor het vervolgonderzoek opgenomen.

Afbeelding 5.3: Resultaten booronderzoek en adviesgebied/-zone voor vervolgonderzoek (Bron: Econsultancy)

5.11.2.2 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland zijn in of nabij het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten en/of monumenten aanwezig. Er is daarmee geen sprake van enige aantasting van cultuurhistorische objecten. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Groenlo, Eefseler Esch Vastgesteld 5.11.3 Conclusie Zoals uit het archeologisch onderzoek is gebleken, kan een deel van het plangebied worden vrijgegeven. Voor het andere deel zal een archeologisch vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Vanwege het benodigde vervolgonderzoek worden de regels voor ten behoeve voor de bescherming van de archeologische waarden overgenomen in deze omgevingsplanwijziging. Na uitvoering van het vervolgonderzoek en de vaststelling van de nieuwe archeologische waarden zullen de regels op dit onderdeel worden herzien. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.

5.12

Duurzaamheid

5.12.1 Wettelijk kader Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan het omgevingsaspecten ‘duurzaamheid’ getoetst. 5.12.2 Onderzoek De gemeente Oost Gelre heeft in haar woonvisie de ambitie geformuleerd hoe in woningbouwplannen rekening dient te worden gehouden met de aspecten duurzaamheid, natuur en klimaat. De voorliggende ontwikkeling sluit hier naadloos bij aan. De te realiseren woningen worden conform de geldende BENG eisen gerealiseerd, waarbij zoveel mogelijk wordt ingezet op circulair bouwen en de inzet van duurzame materialen. Een groot deel van het plangebied, circa 40%, wordt verder groen ingericht. Hiermee wordt ingezet op een klimaatadaptieve openbare ruimte. In paragraaf 4.2.2.3 is uitgebreider ingegaan hoe het voornemen rekening houdt met de opgaven vanuit klimaatadaptatie. 5.12.3 Conclusie Het project houdt in voldoende mate rekening met duurzaamheid.

5.13

Gezondheid

5.13.1 Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 5.13.2 Onderzoek Gezondheid is bij de ontwikkeling van Eefseler Esch een belangrijk thema geweest voor de inrichting van het plangebied. De inrichting van Eefseler Esch nodigt uit om naar buiten te gaan, elkaar te

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16333714/1