CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgevingsplan ETFAL omgeving gemeentehuis

Gemeenteraad 14 oktober 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Omgevingsplan, beeldkwaliteitsplan en uitvoeringskredieten omgeving gemeentehuis Lichtenvoorde14.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Op deze manier kan een klimaatadaptieve, hittestressebestendige gezonde leefomgeving worden gecreëerd. 4.10.2

Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur en geluid is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − In het besluitgebied is geen geluidhinder te verwachten; − In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; − In het besluitgebied is geen geurhinder te verwachten. Bovendien vormt de herinrichting van de openbare ruimte een positieve bijdrage aan de gezondheid van gebruikers. Doordat het gebied een groenere inrichting krijgt, wordt het aantrekkelijker voor omwonenden om hier gebruik van te maken. Een groene leefomgeving draagt daarnaast ook positief bij aan de mentale gezondheid. Doordat de beoogde woningen nabij voorzieningen liggen, worden lopen en fietsen aantrekkelijk voor bewoners.

4.10.3

Conclusie Er is in het project rekening gehouden met het aspect gezondheid.

31

4.11

Water

4.11.1

Algemeen Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027

Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: − een veilige en klimaatbestendige delta; − een concurrerende, duurzame en circulaire delta; − een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de Rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en EemsDollard en de kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor,

32

hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgettaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.

Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022 – 2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater.

33

Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: − Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; − Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; − Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie. Het programma is, naast in deze thema’s, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven. Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 4.11.2

Toetsing Het projectgebied is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard. In de eerder genoemde Ruimtelijke Visie is het doel geformuleerd om een duurzame en klimaatadaptieve verbetering te realiseren, om zo een toekomstbestendige omgeving te creëren. De hoeveelheid verharding wordt gereduceerd, door onder andere de openbare ruimte klimaatadaptief in te richten. Een deel van het gebied wordt ingericht als groen ‘parkplein’ en zoekt de aansluiting met het groene parkje aan de overzijde van de Varsseveldseweg (bij Antoniushove). Het parkplein wordt ingericht als plantsoen met groen en bomen, waardoor groen de boventoon voert. Bovendien worden parkeerplekken groen en klimaatadaptiever vormgegeven (halfverharding of grastegels). In het kader van de beoogde ontwikkeling is de Leggerkaart van het Waterschap Rijn en IJssel geraadpleegd . Hieruit blijkt dat in de directe omgeving het projectgebied geen waterstaatkundige werken of waterwegen aanwezig zijn. Over de Raadhuisstraat en Middachtenstraat ligt de grens tussen twee stroomgebieden. Het projectgebied ligt niet in een risicogebied. Geconcludeerd kan worden dat de Legger geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

34

Voor het project is daarnaast ‘Het wateradvies’ ingevuld5. Hieruit is gebleken dat er waterschapsbelangen worden geraakt en dat de normale procedure gevolgd kan worden. Dit betekent dat er overleg moet plaatsvinden over het project met het waterschap. Navolgend is het advies van het waterschap uiteengezet. Kwaliteit oppervlaktewater

Hemelwater dat van verhard oppervlak direct afstroomt naar het oppervlaktewater kan verontreinigd raken door specifieke activiteiten binnen een plan. In voorliggend gebied vinden geen activiteiten die zorgen voor een vervuiling van water én er is geen oppervlaktewater in de nabijheid van het gebied. Er zijn daarom geen aanvullende voorzorgsmaatregelen nodig om verontreiniging van oppervlaktewater te voorkomen. Afvalwaterketen

Doordat de verharding in het gebied afneemt, kan hemelwater in de toekomstige situatie langer in de bodem van het gebied worden vastgehouden. Dit vergroot de efficiëntie van de waterzuivering en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater wordt teruggedrongen. Een toename van afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. De nieuwe woningen worden aangesloten op het (gemeentelijk) rioolstelsel, maar de toename is dermate beperkt dat de toename verwerkt kan worden in het huidige systeem, zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Grondwaterbeheer

Nieuwe functies dienen aan te sluiten bij het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime. Hiermee dient structurele overlast door te hoog grondwater voorkomen te worden en verdroging door te laag grondwater tegengegaan. De toekomstige inrichting en gebruik van het gebied is niet van invloed op de grondwaterstand in het gebied. Klimaatadaptatie

Met de klimaatveranderingen worden extremere buien verwacht en langere droge en warme perioden. Het watersysteem (o.a. rivieren, beken, watergangen en het grondwater) zal te maken krijgen met hogere waterstanden. Niet alleen bij langere, natte perioden of extremere buien, maar ook om water vast te houden voor drogere periodes. Bij de inrichting van het project dient er rekening gehouden te worden met eventuele waterproblemen en -risico’s voor de toekomstige bewoners en gebruikers in het gebied, de directe omgeving en het watersysteem. Zoals eerder reeds aangegeven, is hier nadrukkelijk rekening mee gehouden door de oppervlakte verharding te minimaliseren. Er is sprake van een aanzienlijke afname ten opzichte van de huidige situatie, onder andere door het terugbrengen van groen, grastegels en halfverharding.

5

De digitale watertoets, ingevuld op 23 januari 2025.

35

4.11.3

Conclusie Het aspect water vormt met inachtneming van de aanbevelingen in het bovenstaande geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.12

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

4.12.1

Algemeen De toetsing van duurzaamheid en klimaatadaptatie is afhankelijk van het beleid op dit gebied. Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie Het kader van klimaatadaptatie is geregeld in het landelijk Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Hierin wordt aangegeven welke projecten en maatregelen ervoor zorgen dat Nederland richting 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht, zodat het beter voorbereid is op de gevolgen van klimaatverandering. Bij nieuwe ontwikkeling dient gekeken te worden in hoeverre maatregelen en voorzieningen getroffen kunnen worden om risico's te voorkomen of te beperken en een afweging gemaakt te worden ten aanzien van wateroverlast, overstroming, hitte, watertekort, verzilting, verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit. Kader voor leefbare verstedelijking in Gelderland In het ‘Kader voor leefbare verstedelijking in Gelderland’ worden een aantal thema’s en doelen besproken. Deze worden navolgend toegelicht. − Hitte: Tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving en aantrekkelijke leefomgeving. − Droogte: Langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing funderingen, wegen, groen, water en vitale en kwetsbare functies. − Wateroverlast: hevige neerslag en hoge grondwaterstanden leiden niet tot schade aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar.

− Gevolgbeperking overstromingen: De gebouwde omgeving is via gevolgbeperking voorbereid op overstromingen vanuit het regionale. − Biodiversiteit en gezonde leefomgeving: Groenblauwe structuren versterken de gebiedseigen biodiversiteit, stimuleren Bewegen, Ontmoeten, Spelen en Sporten en creëren een prettige leefomgeving. − Bodemdaling: Bodemdaling van gebouwd gebied en de gevolgen ervan blijven nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar − Open bodem: Vergroten van de leefbaarheid van en verminderen van hittestress en droogte in de gebouwde omgeving door de hoeveelheid verharding te beperken en meer groen toe te passen. Ambitiedocument programma Klimaat gemeente Oost Gelre De gemeente Oost Gelre heeft een ambitiedocument gepubliceerd in het kader van duurzaamheid, energietransitie en klimaatadaptatie. Hierin zijn de criteria beschreven om tot een klimaatrobuuste gemeente Oost Gelre te komen. Om klimaatrobuust te worden moet worden ingespeeld op de gevolgen van klimaatverandering. 36

Dit kan door mitigerende en adaptieve maatregelen te treffen. In het document worden zes categorieën benoemd met daarbij behorende criteria. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn de volgende categorieën met bijbehorende ambities van belang: Nieuwe woningen en gebouwen − Alle nieuwbouwwoningen en -gebouwen worden energieneutraal gerealiseerd. − Op eigen terrein wordt bij elke ontwikkeling 20 tot 40 mm regenwater geborgen. − Gebouwen worden voorbereid op de opvang en het hergebruik van regenwater. − Bij de gebouwontwikkeling wordt minimaal 40-50% van de oppervlakken uitgevoerd in warmtewerende materialen. − Er wordt natuurinclusief gebouwd, met aandacht voor biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. − Minimaal 25% van de parkeerplaatsen wordt direct voorzien van laadpunten; 100% van de parkeerplaatsen is voorbereid op de installatie van laadpalen. − Indien parkeren op maaiveld plaatsvindt, wordt dit zoveel mogelijk waterdoorlatend en met groene elementen ingericht. Bestaande openbare ruimte − In de aanleg van verharding wordt Warm Mix Asfalt toegepast. − Regenwater wordt op eigen terrein geborgen, met een capaciteit van 20 tot 40 mm per perceel. − Regenwaterinfiltratie wordt gerealiseerd over de gehele verharding met een capaciteit van 20 tot 40 mm, via de bodem, groenstructuren en wadi’s.

− Op buurtniveau is minimaal 30 tot 50% van het oppervlak groen, met op minder dan 300 meter loopafstand voor iedere bewoner een koele plek en minimaal 30% schaduw op straatniveau. − Elke woning ligt op maximaal 300 meter afstand van een openbare groenvoorziening en op maximaal 1000 meter van een park. Voor kwetsbare inwoners is binnen 150 meter loopafstand altijd een koele plek beschikbaar. Duurzaamheidskaarten nieuwe woningbouw Oost Gelre De duurzaamheidskaarten bevatten per thema maatregelen die kansen bieden die bijdragen aan een gezonde, duurzame en veilige leefomgeving. Navolgend worden de thema’s benoemd: − Biodiversiteit: behouden biodiversiteit in de woonomgeving. − Water & klimaatadaptatie: voorkomen van wateroverlast, droogte en het bieden van voldoende schaduw. − Welzijn & leefomgeving: creëren van een inclusieve openbare ruimte, stimuleren van een gezonde levensstijl en een veilige leefomgeving. − Energie en mobiliteit: energieneutrale nieuwbouw, duurzame vormen van beweging door lopen, fietsen, OV, elektrisch rijden en deelmobiliteit te stimuleren, minimaliseren uitstoot CO2 en energiegebruik − CE & materialen: circulair bouwen en gebruik maken van duurzame materialen

37

4.12.2

Toetsing In het project wordt de omgeving van het gemeentehuis te Lichtenvoorde opnieuw ingericht. In dit project wordt op verschillende wijzen rekening gehouden met duurzaamheid. Dit uit zich in een klimaatadaptieve inrichting, het hergebruik van bestaande gebouwen en de realisatie van energieneutrale nieuwbouw. Door bestaande gebouwen te hergebruiken zijn minder CO2-uitstoot-veroorzakende bouwwerkzaamheden nodig. Daarnaast is voorliggende ontwikkeling aan het kader voor leefbare verstedelijking in Gelderland en aan het gemeentelijke ambitiedocument getoetst, waarbij onder andere is gekeken naar aspecten zoals hittestress, droogte en wateroverlast. Navolgend worden de verschillende thema’s uiteengezet: − Hitte: De nieuwbouw wordt goed geïsoleerd, waardoor ook bij hitte een prettig werk- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. De buitenruimte krijgt een veel groenere inrichting, wat bijdraagt aan het realiseren van schaduw op verblijfsplekken en fiets- en looproutes om hittestress te verminderen. − Droogte: De oppervlakte verharding wordt geminimaliseerd. Er is sprake van een afname in verharding ten opzicht van de huidige situatie. Dit wordt gerealiseerd door het terugbrengen van groen, grastegels en halfverharding. De bodem zal hierdoor meer water kunnen infiltreren en vasthouden en droogte wordt tegengegaan. Hiermee wordt structurele schade aan bebouwing en wegen voorkomen.

− Wateroverlast: Door de groene inrichting van het terrein kan hemelwater in de bodem worden geïnfiltreerd en geheel worden opgevangen op eigen terrein. In het geval van hevige neerslag zal er geen sprake zijn van overlast of schade ontstaan aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Vitale functies en voorzieningen zullen beschikbaar blijven. − Gevolgbeperking overstromingen: In het projectgebied is geen overstromingsgevaar. − Biodiversiteit en gezonde leefomgeving: Doordat het terrein een groenere inrichting krijgt dan in de huidige situatie, wordt de biodiversiteit versterkt en beweging gestimuleerd. − Bodemdaling: Bodemdaling van gebouwd gebied en de gevolgen ervan blijven nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar. − Open bodem: Voor de parkeerplaatsen wordt halfverharding toegepast, het verhard oppervlakte zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie en het terrein wordt groen ingericht. De hiervoor genoemde aspecten dragen bij aan het vergroten van de leefbaarheid en het verminderen van hittestress en droogte in de gebouwde omgeving van Lichtenvoorde.

4.12.3

Conclusie De aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

38

4.13

Natuur

4.13.1

Algemeen Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het projectgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: − er soorten aanwezig zijn; − welke soorten dat zijn; − wat de functie is van het gebied in relatie tot het gedrag van beschermde soorten (bijvoorbeeld, foerageren, nest- broedplaats, zomer- winter- kraamverblijf e.d.).

Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied 39

plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. Bescherming houtopstanden Ook voor beschermde houtopstanden geldt een specifieke zorgplicht (artikel 11.116 Bal). Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie (artikel 11.126 Bal). Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant (artikel 11.129 Bal). Deze bescherming geldt niet voor alle houtopstanden.

De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap liggen. Deze bebouwingscontour is opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. 4.13.2

Toetsing In het kader van voorliggend project is een quick scan natuur uitgevoerd in het projectgebied.6 De bevindingen uit deze quick scan worden navolgend uiteengezet. Beschermde soorten Wet Natuurbescherming Uit de quick scan blijkt dat de volgende vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen en kunnen nestelen: − Gierzwaluw − Huismus Verder blijkt uit de quick scan dat vleermuizen in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen. Om uitsluitsel te krijgen over de aanof afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen, nestplaatsen of andere essentiële elementen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de

6

SAB: Quick scan natuur gemeentehuis Lichtenvoorde, 18 maart 2025.

40

werkzaamheden dan waarschijnlijk een vergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Dit nader onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. De rugstreeppad komt nu niet voor in het besluitgebied, maar kan bouwterreinen wel makkelijk koloniseren. Er wordt geadviseerd om vestiging van deze soort te voorkomen. Hetzelfde geldt voor niet-jaarrond beschermde vogelnesten. Ook hier worden preventieve maatregelen geadviseerd. Meer informatie hierover is te vinden in het rapport. Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Natura 2000

Natura 2000-gebied Korenburgerveen, Willinks Weust en Bekendelle liggen in de omgeving van het besluitgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Korenburgerveen, Willinks Weust en Bekendelle is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. Voor andere storingsfactoren is dat wel uit te sluiten. Nader onderzoek naar stikstofdepositie in de vorm van een AERIUS-berekening is daarom noodzakelijk. Het onderzoek stikstofdepositie 7 behandeld zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Uit de berekening volgt dat de maximale projectbijdrage van de aanleg en gebruik van de projectlocatie 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000gebieden is. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen Natuurnetwerk Nederland

Verder blijkt uit de quick scan dat het besluitgebied geen onderdeel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland of ander provinciaal beschermd natuurgebied aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Houtopstanden In het besluitgebied bevindt zich een monumentale beuk waarvoor een vergunningplicht geldt. De boom wordt door bedrijf jaarlijks gecontroleerd door een extern bedrijf. Voor het laatst is deze Treurbeuk gecontroleerd op 12 september 2024. Op basis van de controle zijn een aantal gebreken geconstateerd, zoals o.a. kroonsterfte, maar dit is met snoei te verhelpen. Echter is de gemeente zeer terughoudend met snoeien bij deze Treurbeuk. Kijkend naar de toekomstverwachting dan is hier 5 tot 15 jaar voor meegegeven. 4.13.3

Conclusie De aanwezigheid van beschermde soorten in het projectgebied is niet uitgesloten. Nader onderzoek naar gebouw bewonende dieren is noodzakelijk en wordt uitgevoerd. De resultaten van het nader onderzoek worden in de herfst van 2025 verwacht.

7

SAB (2025) Onderzoek stikstofdepositie Gemeentehuis Lichtenvoorde e.o., 25 april 2025.

41

4.14

Archeologie

4.14.1

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied, moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden.

4.14.2

Toetsing Het projectgebied kent op basis van het Parapluplan Archeologie grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 2’, waarvoor geldt dat, indien werkzaamheden worden uitgevoerd die een oppervlakte groter dan 250 m2 betreffen en dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld gaan, een archeologisch onderzoek nodig is. Daarnaast kent het zuidelijke deel van het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch waardevol gebied 1’. Hier geldt dat bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld een archeologisch onderzoek nodig is. Met voorliggend initiatief is daar sprake van. Daarom is in mei 2025 is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek8 uitgevoerd . Daarbij is uitsluitend gekeken naar de gebieden binnen de projectlocatie waar grondroerende activiteiten plaats zullen vinden (zie navolgende afbeelding).

Bureau voor Archeologie (2025) Raadhuisstraat 7 e.o., Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre: bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Rapport: 1575, 27 mei 2025. 8

42

Ligging van het onderzoeksgebied, aangeduid met rode lijn (Bron: Bureau voor Archeologie).

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het projectgebied op een dekzandrug ligt die vanaf het Laat-Paleolithicum bewoond kan zijn geweest. Het projectgebied ligt 50 meter ten westen van de historische kern van Lichtenvoorde. In de 18 e en eerste helft van de 19e eeuw is het landgebruik bouwland. In het noordoosten van het projectgebied, langs de Raadhuisstraat, wordt in 1849 een villa gebouwd, gevolgd door een bankgebouw uit 1969 die in 2020 is gesloopt. Het postkantoor is tussen 1940 en 1982 gebouwd. Tijdens het booronderzoek zijn zeven boringen gezet tot in de C-horizont. Hieruit blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand, waarin een podzolgrond is gevormd. De natuurlijke bodem wordt afgedekt door een restant van een bouwlanddek. Dit intacte bodemprofiel is aanwezig in het westen en oosten van het projectgebied. Hier kunnen in de top van de natuurlijke afzettingen archeologische sporen aanwezig zijn (zie navolgende afbeelding). Het wordt daarom geadviseerd voor de oostelijke zone een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren indien ingrepen dieper gaan dan 30 cm onder het maaiveld (rode zone). Gezien de beperkte omvang van de westelijke zone is de kans klein dat hier behoudenswaardige archeologische resten verstoord gaan worden. In de rest van het projectgebied is de bodem diep verstoord vanwege de (voormalige) bebouwing en afgravingen.

Hier worden geen archeologische resten meer verwacht. Voor beide zones (gele en groene zone op de advieskaart) adviseert Bureau voor Archeologie vrijgave.

43

Resultaten vooronderzoek met advies (Bron: Bureau voor archeologie).

In een later stadium zal het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd worden. In voorliggend plan wordt ter plaatse van de rode zone een archeologische waarde opgenomen op de verbeelding, met een regeling hieraan gekoppeld. 4.14.3

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. Het gebied is grotendeels vrijgegeven. Voor de niet vrijgegeven rode zone wordt een archeologische waarde opgenomen op de verbeelding van voorliggend plan.

4.15

Cultuurhistorie

4.15.1

Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat, voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen, onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar zoveel mogelijk rekening mee houden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

44

4.15.2

Toetsing In voorliggend project wordt de omgeving van het raadhuis te Lichtenvoorde heringericht. In het projectgebied zijn geen beschermde monumenten aanwezig. Omdat de gemeente een aantal gebouwen echter wel als cultuurhistorisch waardevol beschouwt, zijn hier specifiek cultuurhistorische waardestellingen voor opgesteld91011. Deze gebouwen krijgen het werkingsgebied ‘karakteristiek’. Op deze manier worden deze gebouwen beschermd tegen aantasting. De aantasting van cultuurhistorische waarden elders in het projectgebied is op voorhand uitgesloten.

4.15.3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.16

Verkeer en parkeren

4.16.1

Algemeen Verkeer

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom (ASVV). Parkeren

Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Hiertoe heeft de gemeente Oost Gelre op 15 juni 2018 ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ vastgesteld. 4.16.2

Toetsing Verkeer

Om tot een inzicht te komen ten aanzien van verkeersgeneratie als gevolg van voorliggende ontwikkeling, zijn kengetallen van het CROW12 geraadpleegd. De beoogde ontwikkeling betreft de toevoeging van twee vrijstaande woningen, twee twee-onder-één-kap-woningen en 20 koopappartementen met een grootte van 75 tot 100m2. Hierbij worden de normen voor ‘rest bebouwde kom’ en ‘schil centrum’ aangehouden en Oost Gelre is aangeduid als ‘weinig stedelijk’. In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt in de toekomstige situatie.

Gelders genootschap stad en land (2024) Waardestelling Raadhuisstraat 6, 22 oktober 2024. Gelders genootschap stad en land (2024) Waardestelling Raadhuisstraat 7-9, 22 oktober 2024. 11 Gelders genootschap stad en land (2017) Redengevende beschrijving Varsseveldseweg 8-10-12, 8 augustus 2017. 12 CROW: Parkeerkencijfers 2024: Basis voor parkeernormering, 2024. 9

10

45

Verkeersgeneratie in de toekomstige situatie

Categorie

aantal

Vrijstaande woning Twee-onder-één-kap-woning 2

Koopappartement 75m – 100m

2

Max verkeersgenera-

Verkeers-

tie per woning

generatie

2

8,3

16,6

2

8,0

16,0

20

6,2

124,0

Totaal

156,6

De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een toename van afgeronde maximaal 157 verkeersbewegingen. Deze toename is beperkt. Het is hierdoor op voorhand uit te sluiten dat verkeersafwikkelingproblemen ontstaan. De locatie ligt aan een doorgaande weg, De omliggende infrastructuur heeft voldoende capaciteit voor deze hoeveelheid verkeer. Voor wat betreft verkeer worden daarom geen negatieve milieueffecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid. Parkeren woningen

De parkeerbehoefte is berekend op basis van de Nota parkeernormen van de gemeente Oost Gelre. In navolgende tabel is de parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt. Categorie

aantal

Parkeernorm per woning

Parkeerbehoefte

Vrijstaande woning

2

2,1

4,2

Twee-onder-één-kap-

2

2,0

4,0

20

1,7

34

woning Koop, etage, midden Totaal

42,2

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de bruto parkeerbehoefte ten gevolge van de ontwikkeling 42,2 parkeerplaatsen zal betreffen. Zowel de vrijstaande woning als de twee-onder-1-kap woningen krijgen een eigen oprit. Voor het appartementengebouw wordt een parkeervoorziening aangelegd, met voldoende parkeerplaatsen voor de bewoners en bezoekers van de appartementen. Voor alle nieuwe woningen zal het parkeren dus op eigen terrein worden voorzien. Parkeren overige functies

In de Ruimtelijke Visie zijn een aantal uitgangspunten ten aanzien van parkeren opgenomen. De gemeente hanteert in verband met de bereikbaarheid normen voor parkeren. Dat betekent dat de volgende aantallen als uitgangspunt worden gehanteerd: − Gemeentehuis: min. 80 parkeerplekken (inclusief bezoekersparkeren, laadplekken, politie en mindervaliden) − Gemeentelijk wagenpark: 12 parkeerplekken − Nieuwe functies voormalige school: 10 parkeerplekken Totaal behoefte volgens normering: 102 parkeerplekken

46

Voorwaarde is dat zoveel mogelijk van de parkeerbehoefte rond het gemeentehuis wordt opgelost, mits ruimtelijk kwalitatief ingepast. Als uit onderzoek blijkt dat er bij de kwalitatieve inpassing alsnog een tekort aan parkeren is bij het gemeentehuis, dan kan een klein deel van de resterende parkeerbehoefte opgelost worden bij het bestaande parkeerterrein bij de sportvelden van Longa. Zo wordt voorkomen dat er in de omliggende straten geparkeerd wordt door bezoekers van de voorzieningen in het projectgebied. Fietsparkeren Het beoogde gebied moet op basis van de Ruimtelijke Visie uiteraard voldoende parkeergelegenheid bieden voor fietsers. De fietsenstallingen worden integraal opgenomen in het ontwerp voor de herinrichting van het gebied. Openbaar vervoer Tegenover de Sint Ludgerusschool ligt een bushalte. Hiermee is de locatie is per openbaar vervoer bereikbaar. Fietsers en voetgangers De ontwikkellocatie is op verschillende manieren te bereiken voor fietsers en voetgangers. Het projectgebied ligt in het centrum van het dorp. 4.16.3

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.17

Omgevingskwaliteit

4.17.1

Algemeen Een goede omgevingskwaliteit is een van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet (artikel 1.3). De Omgevingswet legt zowel initiatiefnemers als overheden een zorgplicht op voor verbetering van de omgevingskwaliteit. Om de omgevingskwaliteit te waarborgen zijn gemeenten verplicht dit aspect op te nemen in het omgevingsplan. Initiatiefnemers moeten het aspect opnemen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Er is geen heldere definitie van het begrip omgevingskwaliteit. Onderdelen die bijdragen aan een goede omgevingskwaliteit zijn het stedenbouwkundige plan, architectuur, natuur en landschap. Wanneer deze losse aspecten kwaliteit hebben leidt dat tot ’omgevingskwaliteit’. De gemeente is op basis van de artikelen 2.4 en 4.2 van de Omgevingswet verplicht dit aspect mee te nemen bij de ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (etfal). De gemeente is vrij om dit te doen door middel van beleid of door regels. Of het aspect omgevingskwaliteit getoetst moet worden aan het omgevingsplan of aan de omgevingsvisie is daarom afhankelijk van de keuze van de gemeente.

47

4.17.2

Toetsing In het project wordt de omgeving van het gemeentehuis van Lichtenvoorde heringericht. Het projectgebied wordt ingericht op een doordachte manier en met aandacht voor omgevingskwaliteit. Per saldo zorgt het project voor een verbetering van de plaatselijke omgevingskwaliteit.

4.17.3

Conclusie Het aspect omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

48

5 Uitvoerbaarheid 5.1

Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: − aangewezen bouwactiviteiten − aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De gemeente is zelf initiatiefnemer. Ze kan daardoor zelf de ruimtelijke procedure begeleiden en heeft genoeg financiële middelen om de plankosten te dragen.

5.2

Maatschappelijk uitvoerbaarheid

5.2.1

Participatie Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Omwonenden zijn meegenomen in de verschillende fasen van de ontwikkeling van het gebied. Op 28 november 2023 en 28 maart 2024 zijn twee inloopbijeenkomsten georganiseerd. Daarnaast worden regelmatig digitale nieuwsbrieven verstuurd waar inwoners zich voor kunnen aanmelden en worden de omwonenden op de hoogte gehouden via de gemeentepagina en de website. Inloop 28 november 2023 Deze bijeenkomst is georganiseerd voor omwonenden en belanghebbenden in de buurt en het centrum. Er zijn 40 huishoudens uitgenodigd. De bijeenkomst is ook bekendgemaakt in de projectgroep Geef Lichtenvoorde Kleur. Tijdens deze eerste inloopbijeenkomst waren de verschillende studiemodellen te zien die zijn gemaakt door het stedenbouwkundig adviesbureau. Er waren modellen met vrijstaande woningen, appartementen voor jongeren en ouderen, zorgappartementen en met meer en minder parkeergelegenheid.

49

Aanwezigen konden reageren op de modellen. Deze reacties zijn meegenomen bij de verdere uitwerking van de modellen. Van de vijf modellen bleven er uiteindelijk twee over. Inloop 28 maart 2024 Bij deze bijeenkomst zijn de twee overgebleven voorkeursmodellen gepresenteerd. Zo’n 35 mensen hebben de modellen bekeken en een toelichting gekregen van projectmedewerkers. Digitale nieuwsbrief Tevens zijn op de volgende momenten digitale nieuwsbrieven verstuurd: •

20 januari 2025

•

13 november 2024

•

4 april 2024

•

8 maart 2024

•

1 december 2023

Deze zijn nog steeds te lezen via de website: https://www.oostgelre.nl/ontwikkeling-omgeving-gemeentehuis. Hier zijn ook modellen en plannen in te zien. Inmiddels is er ook gesproken met de bewoners die uitkijken op het huidige parkeerterrein (voormalige Rabobank). 5.2.2

Overlegpartners Burgemeester en wethouders dienen bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het project in het geding zijn. In dit kader wordt de ruimtelijke onderbouwing voor advies toegezonden aan betrokken instanties. De stukken zijn voorgelegd aan de Omgevingsdienst, de GGD, de provincie en het waterschap. De opmerkingen hebben niet tot inhoudelijke aanpassing geleid,

5.2.3

Zienswijzen Het ontwerp-omgevingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit omgevingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

50

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16087575/1