CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

ETFAL motivering wijziging omgevingsplan, De Molenberg, Groenlo (vastgesteld 4 november 2025)

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Omgevingsplan, Eefseler Esch en Molenberg Groenlo: locatie Molenberg22.228 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief Het grootste goed van de gemeente zijn onze inwoners. Een fijne fysieke en sociale leefomgeving speelt een belangrijke rol bij de mentale en fysieke gezondheid van onze inwoners. Dit willen we koesteren en verder versterken. Met input vanuit de Sociale Raad Oost Gelre, de gemeenteraad en het werkveld zijn we gekomen tot een integraal plan voor het gehele sociaal domein. Net als bij het vorige beleidsplan kijken we over de grenzen van de wetten en beleidsterreinen heen. Zo doen we wat écht nodig is om ondersteuning te bieden aan onze (kwetsbare) inwoners. 4.3.4.2 Zorg dichtbij Het aantal ouderen in Oost Gelre neemt toe en daarmee ook de vraag naar zorg. Deze zorg en voorzieningen organiseren we samen met onze netwerkpartners in de nabije omgeving van onze inwoners. Daarnaast helpen we ouderen, om zo lang als men wil en kan, zelfstandig te blijven wonen. Eigen regie is hierbij het uitgangspunt. De voor dit plan meest relevante ambitie is: “Inwoners kunnen met ondersteuning/zorg zo lang mogelijk thuis blijven wonen en deelnemen aan het dagelijks leven.” Hieronder valt het doel: “Doel 3.2: Het aanbod van wonen met zorg sluit aan op de lokale vraag” Het aanbod van intramurale woonvoorzieningen sluit aan bij de lokale vraag. Het aanbod biedt een woonkwaliteit die aansluit bij de huidige vraag.

Hierbij werken we samen met lokale zorginstellingen. De woonvormen worden in het centrum van de kernen gerealiseerd, tenzij er voor de doelgroep een reden is elders te huisvesten. Woonvoorzieningen zijn bedoeld voor inwoners met een lokaal netwerk. Het aanbod van woonvoorzieningen als het gaat om beschermd wonen, intramurale zorg voor ouderen en intramurale zorg voor inwoners met een verstandelijke beperking moet aansluiten bij de lokale vraag. Ook moet het bijdragen aan een dekkend zorglandschap in de regio en moet het passen binnen het beleid van Oost Gelre. Wij werken mee aan het realiseren van vervangende huisvesting gedurende de tijd die nodig is voor het realiseren van nieuwbouw. Indien woonzorgvoorzieningen voor ouderen vernieuwd moeten worden denken wij mee over vervangende tijdelijke huisvesting. 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan het beleidsplan Dit plan gaat uit van de herontwikkeling en vernieuwing van een bestaand woon-zorgcomplex. In de beoogde situatie is er voldoende ruimte voor (zorggeschikte)woningen voor ouderen en andere (gedeeltelijk) zorgbehoevenden. Door de vernieuwing van deze locatie en het complex wordt bijgedragen aan het realiseren en behouden van voldoende woon-zorgvoorzieningen in het centrum van de gemeentelijke kernen, in dit geval Groenlo.

Deze ontwikkeling past hiermee bij de ambitie om inwoners met ondersteuning/zorg zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen laten wonen en deelnemen aan het dagelijks leven. Dit plan is in overeenstemming met het beleidsplan. 4.3.5

Programma Stad Groenlo 2012-2027

4.3.5.1 Algemeen Programma Stad Groenlo is een lange termijnvisie voor de binnenstad van Groenlo. Het programma versterkt de bedrijvigheid en levendigheid van Groenlo. We werken aan een stad waarin het goed wonen, werken en leven is. En voor de toerist aan een aantrekkelijke stad waar je je kunt vermaken en voldoende activiteiten zijn. Een levendige bourgondische vestingstad waar de geschiedenis zichtbaar is. Het horizonpunt voor Programma Stad Groenlo ligt in 2027. Groenlo is dan 750 jaar oud.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief 4.3.5.2 Pijlers De gebiedsontwikkeling De Molenberg komt voort uit het Programma Stad Groenlo 2012-2027. In dat Programma hebben we een aantal belangrijke onderwerpen benoemd, waaraan ontwikkelingen in de stad Groenlo moeten voldoen. Met deze ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de volgende pijlers uit het Programma Stad Groenlo: •

•

•

•

Leefbaarheid en voorzieningen o De mooie groene singel en gracht gebruiken we onvoldoende. Huisvesting voor ouderen laat nog te wensen over. o We werken aan betaalbare woningen. De huisvesting voor ouderen krijgt extra aandacht. o Betaalbare woningen voor ouderen en een hoogwaardige combinatie van wonen en zorg in het centrum van Groenlo zorgen ervoor dat het ook aan het einde van je carrière goed toeven is in Groenlo. Leefbaarheid en werkgelegenheid: o We hebben een goed woon- en welzijnsklimaat nodig. Hier vallen in ieder geval de (gezondheids)zorg en het verenigingsleven onder. o project 6 Comfortabel wonen voor ouderen met zorg: ▪ Een belangrijke opgave is het realiseren van goede woningen waar we wonen en zorg kunnen combineren. Deze woningen realiseren wij zo veel mogelijk binnen of aan de gracht. Daardoor zijn voorzieningen in het centrum op loopafstand bereikbaar. ▪ De gemeente heeft een positieve grondhouding voor plannen van aanbieders van woningen met zorg op genoemde locaties. De zorgaanbieder zorgt voor de realisatie van de woonvoorziening en regelt de gevraagde en benodigde zorg. Historische beeldkwaliteit en openbare ruimte: o project 9 verbetering beeldkwaliteit o project 10 Beleefbare invalsroutes vesting: ▪ We kunnen de beleving van de vesting versterken door de overgang van buiten de vesting naar binnen de oude vesting te benadrukken.

Die overgang ligt bij de gracht. In de huidige situatie is dat vaak nauwelijks herkenbaar. Door het aanbrengen van duidelijke accenten op die plaatsen, wordt de vesting meer herkenbaar. Vrijetijdseconomie en cultuur: o project 12 beleving op en rond de gracht; o project 13 realisatie cultuurrondje in de vesting.

4.3.5.3 Toetsing van het initiatief aan het programma Met de ontwikkeling van De Molenberg wordt aangesloten op verschillende van de pijlers uit het programma. Dit plan is in overeenstemming met het Programma Stad Groenlo 2012-2027. 4.3.6

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Het initiatief is in overeenstemming met de uitgangspunten uit het relevante gemeentelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief

HOOFDSTUK 5

FYSIEKE LEEFOMGEVING

Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze dit plan rekening houdt met de hiervoor relevante onderwerpen.

5.1

Geluid

5.1.1

(Wettelijk) kader

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);

•

geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);

•

geluid door civiele buitenschietbanen, springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

militaire

buitenschietbanen

en

militaire

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.1.2

Onderzoek

Deze ontwikkeling maakt de realisatie van (zorg(geschikte))woningen mogelijk. Deze functies zijn aan te merken als nieuwe geluidsgevoelige gebouwen/functies. Hierdoor moet worden onderzocht of het plangebied zich binnen het geluidaandachtsgebied van (spoor)wegen of gezoneerde industrieterreinen bevindt. 5.1.2.1 Geluid door wegen en spoorwegen Geluid door wegen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere wegen. Op de onderstaande uitsnede is te zien dat het plangebied zich niet bevindt binnen het geluidaandachtsgebied van rijks- (rood) en/of provinciale (oranje) wegen.

Afbeelding 5.1

Uitsnede CVGG – Geluidregister (Bron: geluidgegevens.nl)

Voor de gemeentewegen en spoorwegen in de omgeving van het plangebied gelden de volgende afstanden: •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m;

•

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en

•

voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het plangebied bevindt zich in het stadscentrum van Groenlo. Dit centrumgebied betreft een 30 km/uur zone. Op relatief korte afstand ten noordwesten van het plangebied bevindt zich echter de overgang naar een 50 km/uur gebied nabij de rotonde aan de Ruurlosestraat. Het plangebied bevindt zich hiermee binnen het geluidaandachtsgebied van meerdere gemeentelijke wegen. Voor dit plan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten en -conclusies. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 2. Het geluid op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 55 Lden als gevolg van de gemeentewegen. Als gevolg van de gemeentewegen treedt een overschrijding op van de standaardwaarde van 53 Lden. Deze overschrijding vindt alleen plaats ter hoogte van enkele appartementen bij één van de gebouwen. De grenswaarde van 70 Lden wordt niet overschreden. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Voor de woningen waarbij sprake is van een overschrijding dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de bouw van deze woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.

Gezien de kleine overschrijding is het gewenste binnenniveau naar verwachting relatief eenvoudig te realiseren met bijvoorbeeld aanvullende gevelmaatregelen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief Geluid door spoorwegen Het plangebied bevindt zich op grote afstand van spoorwegen en valt niet binnen een bijbehorend geluidaandachtsgebied. Een akoestisch onderzoek naar het geluid door spoorwegen is niet noodzakelijk. 5.1.2.2 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Wat betreft de invloed van de in de omgeving aanwezige individuele bedrijvigheid/voorzieningen wordt verwezen naar onderstaande alinea’s. 5.1.2.3 Solitaire bedrijvigheid Naast de eerder genoemde aspecten is ook geluid van individuele (solitaire) bedrijven belangrijk. Hiervoor wordt op deze plek verwezen naar paragraaf 5.13. 5.1.3

Conclusie

De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.

5.2

Luchtkwaliteit

5.2.1

Wettelijk kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • • • 5.2.2

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Onderzoek

In navolgende tabel de luchtkwaliteit in de nabijheid van het plangebied weergegeven. Deze gegevens zijn afkomstig van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) (monitoringsronde 2024, jaartal 2025). Waarde in 2025

Grenswaa rde Bkl

NO2 μg/m3 jaargemiddeld

≈ 13,4

40

PM10 μg/m3 jaargemiddeld

≈ 13,5

40

PM²,5 μg/m3 jaargemiddeld

≈ 7,3

25

Uit voorgaande tabel blijkt dat in het plangebied voor de stoffen NO2 (stikstofdioxide) en fijnstof (PM10 en PM²,5) ruimschoots wordt voldaan aan de Wettelijke grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan al worden gesteld dat het project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Desondanks is gebruik gemaakt van de NIBM-Tool om dit nader in beeld te brengen. Deze geeft het volgende beeld wanneer het aantal bij de te ontwikkelen functies behorende verkeerbewegingen wordt aangehouden (zie ook paragraaf 5.7).

Dit plan betreft een luchtverontreiniging.

ontwikkeling

die

'niet

in

betekenende

mate

bijdraagt'

aan

de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief 5.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3

Geur

5.3.1

Wettelijk kader

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat);

•

Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat);

•

Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat);

•

Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: •

Geurnormen in het omgevingsplan

•

Rekenen

•

Afstandseisen

•

Randvoorwaarden

5.3.2

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen. Er wordt voldaan aan de vaste afstanden geldend ten opzichte van veehouderijen waar landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Voor de toetsing van eventuele geurhinder afkomstig van overige bedrijven wordt verwezen naar paragraaf 5.13.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief 5.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4

Trillingen

5.4.1

Wettelijk kader

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 5.4.2

Onderzoek

Het plangebied ligt op ruim 3 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorweg. Een onderzoek naar trillingshinder is niet noodzakelijk. Er hoeven geen extra maatregelen te worden genomen. 5.4.3

Conclusie

Het aspect trillingshinder vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.5

Bodemkwaliteit

5.5.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

•

evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief •

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.

•

Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.

•

Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.

•

Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.5.2

Onderzoek

Voor dit plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna worden de belangrijkste uitkomsten en conclusies kort weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek kan geconcludeerd worden dat de aangetroffen verontreinigingen geen aanleiding vormen voor het uitvoeren van een nader onderzoek. Daarentegen wordt het eerder afgegeven advies van de Omgevingsdienst Achterhoek bevestigd om aanvullend bodemonderzoek uit te voeren ter plaatse van de te slopen bebouwing. Hierbij adviseert Econsultancy om een aanvullend onderzoek conform de NEN 5740 uit te voeren waarbij in ieder geval de dieseltank in de souterrain als separate deellocatie in de onderzoeksopzet opgenomen dient te worden. Verder zijn er bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten, namelijk het aantreffen van lagen met beton(puin) en puin als bodemvreemde bijmengingen. Hierdoor Econsultancy adviseert een verkennend onderzoek asbest in bodem en puin conform de NEN 5707 en NEN 5897 uit te voeren. Deze aanvullende onderzoeken zullen worden uitgevoerd voorafgaand aan de sloop/nieuwbouw. Op basis van de huidige uitkomsten van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt echter verwacht dat de bodemkwaliteit passend is, of te maken is, bij het beoogde gebruik.

5.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6

Water

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding. 5.6.1 5.6.1.1

Wettelijk kader Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.6.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering;

•

We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte;

•

Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 5.6.1.3 Provinciaal beleid De provincie Gelderland onderscheidt 3 speerpunten als het gaat om waterbeleid. 1. Ruimte voor water De provincie streeft hier bij voorkeur rivierkundige maatregelen na waarin ruimte voor de rivier wordt gekoppeld aan andere ruimtelijke ontwikkelingen. Indien ruimte voor de rivier noodzakelijk is zal binnendijks gebied aan het winterbed worden toegevoegd. Hiervoor zullen planologische reservering worden ingesteld. Het bovenstaande geldt niet voor de twee locaties. 2. Regionale berging Waterbergingsgebieden zijn een belangrijk onderdeel van het watersysteem. Voornamelijk zijn deze gebieden bedoeld voor het tijdelijk bergen van water uit regionale watersystemen ten tijde van extreme neerslaghoeveelheden. In deze gebieden wordt verstedelijking, de aanleg van bedrijventerreinen etc. uitgesloten. Gemeenten dienen deze waterbergingsgebieden vast te leggen in hun omgevingsplannen.

De percelen vallen niet binnen een dergelijk zoekgebied zoals deze staan weergegeven in het Streekplan Gelderland 2005. 3. Drinkwater In Gelderland zijn een aantal gebieden aangewezen als grondwaterbeschermingsgebieden. Het doel van deze gebieden is er voor te zorgen dat het grondwater op eenvoudige wijze, zonder ingrijpende en kostbare zuivering ervan, kan worden gebruikt voor de bereiding van drinkwater. De locaties liggen niet nabij of binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 5.6.1.4 Beleid Waterschap Het waterschap Rijn en IJssel brengt in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (d.d. 13 januari 2022) tot uitdrukking hoe zij haar rol in de omgeving ziet als doorvertaling van de Watervisie 2030. in het waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de contouren van de ambities van het Waterschap Rijn en IJssel opgenomen om daar samen met partners invulling aan te gaan geven. Daarmee wordt duidelijk welke richting en positie het waterschap inneemt om beleidsdoelen na te streven en op welke manier de daadwerkelijke uitvoering plaatsvindt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief De werkzaamheden, bovenop de wettelijke taken van het waterschap, zijn gevat in 4 thema's: •

Klimaatrobuust gebied: gericht op het jaarrond bereiken van een optimale balans tussen te nat en te droog en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

•

Veilig gebied: gericht op de bescherming tegen hoog water als randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken.

•

Circulaire economie en energietransitie: gericht op het zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering door grondstofbehoefte te beperken en emissie van broeikasgassen te verminderen.

•

Gezonde leefomgeving: gericht op het zorgen voor een schoon en gezond watersysteem voor mens en natuur, waarbij het water geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en geen risico's op levert voor de volksgezondheid.

5.6.2

Wateraspecten

Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt de watertoets. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Daarbij gaat het om plannen in zowel stedelijk als landelijk gebied. De waterhuishoudkundige belangen hebben betrekking op waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit. De watertoets is niet alleen een toets achteraf, maar vooral een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan met de waterbeheerder(waterschap) in gesprek gaat in een zo vroeg mogelijk stadium. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Waterschappen kijken of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geven een wateradvies. Het waterschap is dus verplicht betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen, zij zit als adviseur aan tafel en toetst het plan op de effecten op het watersysteem. Ondersteund de gemeente voor het thema water en geeft aan of er zaken spelen waarbij het waterschap bevoegd gezag is. Dit is het geval als er sprake is van een lozingsvergunning of een watervergunning. Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buien. 5.6.3

Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het digitale wateradvies. Op basis van vooroverleg met het waterschap is de waterparagraaf zoals opgenomen in de volgende paragraaf tot stand gekomen. 5.6.4

Waterparagraaf

Beleid gemeente Oost-Gelre t.a.v. water en klimaat De gemeenteraad heeft op 6 februari 2024 het water en rioleringsprogramma 2024-2028 vastgesteld. In dit plan worden de watertaken van de gemeente beschreven ook wel zorgplichten genoemd, de afvalwaterzorgplicht, de hemelwaterzorgplicht en de grondwaterzorgplicht. Deze zorgplichten vormen de basis van het gemeentelijk beleid rondom afval-, hemel- en grondwater. Verder heeft de gemeente een programma van eisen Riolering en water opgesteld op 29 november 2022.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief Hemelwater Het GRP schrijft voor:

•

In verband met de stedelijke wateropgave moet er in de openbare ruimte voldoende mogelijkheid zijn voor (tijdelijke) berging van hemelwater. De voorzieningen en het hoogteontwerp moeten hierop aangepast zijn. Waar mogelijk wordt hemelwater in eerste instantie afgevoerd naar groenvakken om droogteschade te beperken. Groenvakken maximaal inzetten voor waterberging in de openbare ruimte. Indien de berging in groenvakken onvoldoende is, aanvullende berging elders binnen plangebied realiseren.

•

Bij nieuwbouw moet hemelwater maximaal worden geïnfiltreerd op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt dat de perceeleigenaar bij nieuwbouw zorgt voor een infiltratievoorziening (bijvoorbeeld kratten of een laagte in de tuin) met een inhoud van minimaal 40 mm over het verhard oppervlak op eigen terrein. Onder verhard oppervlak wordt verstaan alle daken en verharding die het infiltreren van hemelwater in de bodem tegengaan.

•

Bij nieuwbouw waarvan het perceel aan oppervlaktewater grenst, moet schoon verhard oppervlak van bijvoorbeeld de daken zoveel mogelijk afvoeren naar dit oppervlaktewater (rekening houdend met een infiltratievoorziening van 40 mm). De oppervlaktewaterbeheerder (doorgaans waterschap) kan eisen stellen aan het lozen van hemelwater op oppervlaktewater. Hier moet rekening mee worden gehouden.

•

Lozingspunten mogen het beheer en het onderhoud van watergangen niet belemmeren. Het aantal lozingspunten moet daarom zo klein mogelijk zijn.

Voor het klimaatneutraal inrichten van een gebied dient rekening worden gehouden met het volgende: Herinrichting maatgevend)

(bui

van

70 mm Nieuwbouw (bui van 70 mm maatgevend) Of T100 plus 10% , 111 mm in 48 uur

20 mm in voorziening (minimaal) *)

20 mm in voorziening

2-4 mm afstroom/infiltratie

2 mm afstroom/infiltratie

7 mm berging in gemengd stelsel eventueel plus 4 mm berging op randvoorzieningen 15 mm afvoer gemengd stelsel 20 mm bergen binnen projectgrens, buiten 42mm binnen projectgrens, buiten bebouwing bebouwing *) *) Dit is samen 40 mm

Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt ervoor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Rijn en IJssel. Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft. Bij de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Rijn en IJssel en de gemeente leidend. Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken. Bij ontwikkelingen geeft het waterschap een aanleghoogte advies vanwege de kans op overstromingen. Grondwater en ontwatering In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwateringdiepte is de minimale afstand van het maaiveld tot de hoogst toelaatbare/optredende grond- waterstand. De ontwateringdiepte is afhankelijk van het type stedelijk gebied, waarmee het minimale bouwpeil behaald kan worden. Richtinggevende waarden per type stedelijk gebied zijn vermeld, het gaat om de minimale ontwateringdiepte ten opzichte van de as van de weg:

•

bestaand stedelijk gebied wegen: 70 cm

•

hoofdwegen: 100 cm

•

nieuwe bebouwing met minimale ontwatering: 50 cm

•

nieuwe standaard bebouwing met kruipruimte: 70 cm

•

tuinen, openbaar groen, sportvelden en dergelijke: 50 cm

De minimale ontwateringsdiepte mag niet structureel worden overschreden, en niet langer dan 3 maanden per jaar. De gemeente kan voor een gebied een specifieke norm vastleggen.

Afwatering Om op perceel niveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes:

•

Het vloerpeil minimaal 0,30 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse);

•

Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen;

•

De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen.

Waterhuishoudingsplan van de Molenberg. De waterhuishouding wordt ingrijpend gewijzigd. In de huidige situatie loost het dak- en straatwater op het gemengde riool en gedeeltelijk op de grachten. In de toekomstige situatie wordt vuil en schoon water gescheiden. Het vuile water wordt aangesloten op het riool en het schone water op de aan te leggen wadi’s. Deze geven het water af aan de bodem, afhankelijk van de technische uitwerking van de wadi (verwerkingscapaciteit van de bodem onder de wadi) maken we een overloop op het schoonwaterriool of de gracht. In het geval van de keuze van de gracht valt deze onder de watervergunningsplicht. Op de tekeningen die zijn opgenomen in bijlage 4 zijn de oude en nieuwe situatie in beeld gebracht en is het watersysteem weergegeven. - verhard oppervlak Het verhard oppervlak beslaat totaal zo’n 1,8 ha waarvan het overgrote deel op de riolering is aangesloten. Dit is ongewenst omdat het riool en de zuivering gebaat is bij vuilwater en niet bij schoon regenwater. Met dit plan halen we alle verharding van het vuilwaterriool, brengen de verharding terug met 30% en bergen het overige water conform de wettelijke eisen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief Deze hoeveelheden zijn als volgt verdeeld: ZMK 01-00 Molenberg Groenlo oude situatie

nieuwe situatie

Verschil

M²

M²

M²

bebouwing privé

7836

5800

2036

verharding privé

4002

2135

1867

half verharding

0

671

-671

Totaal verharding privé

11838

8606

3232

verharding openbaar

6875

4393

2482

Totaal privé en openbaar

18713

12999

5714

Vereiste berging conform gemeentelijk beleid: 8606 m2 * 0,04 = 344 m³

De vereiste berging van de privégronden is voor verantwoordelijkheid van de ontwikkelpartij, de gemeente verplicht haar daartoe. De vereiste berging van de openbare gronden is een verplichting die de gemeente aan zichzelf oplegt. - hemelwaterafvoer Het hemelwater dat afstroomt van dak en straat stroomt (zoveel als technisch mogelijk) oppervlakkig af naar de geplande wadi’s. in de tekening is dit principe uitgewerkt. De bergingsvoorzieningen dienen een grootte van 344 m³ te hebben gerekend over het nieuw te realiseren verhard oppervlak(dak- en straat). De geplande wadi’s bergen 603 m³. Hierdoor kan het hemelwater in dit systeem worden geborgen. Lediging vindt plaats via infiltratie in de bodem. Voor noodgevallen (hoosbuien die de infiltratiesnelheid overtreffen) is een overloop op de gracht voorzien. Het ontwerp voorziet hiermee ruim in de benodigde berging van 40 mm / 344 m³. Het verhard oppervlak in de openbare ruimte neemt af en het oppervlak openbaar groen neemt toe. In de Ziekenhuisstraat gaat berging gecreëerd worden in het openbaar groen, maar er wordt ook berging gecreëerd onder de straat. Hierdoor geeft de gemeente Oost Gelre invulling aan de bergingseisen. In paragraaf 4.2.2.2 onder waterveiligheid en wateroverlast is hier reeds specifieker op ingegaan.

De concreter invulling hiervan stemt de gemeente nog nader af met het waterschap in het kader van het (civieltechnisch)ontwerp voor de openbare ruimte. Ook voldoen we hiermee zoveel als mogelijk aan de wens van het waterschap om rekening te houden met zwaardere buiten en daarvoor 80 mm te bergen. In de verdere detaillering nemen we deze wens van het waterschap mee in de keuzes die nog gemaakt moeten worden. - grondwater Door de hoge ligging van het gebied en de ontwatering van de Gracht is de ontwatering overeenkomstig het gemeentelijk beleid. De bouwpeilen liggen voldoende hoog t.o.v. de grondwaterstanden overeenkomstig het beleid. - afvalwaterafvoer Binnen het plangebied wordt de vuilwaterafvoer aangesloten op de bestaande riolering van de gemeente in de straat conform de eisen van de gemeente.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief - oppervlaktewater Het plangebied ligt naast oppervlaktewater welke onderdeel is van de legger van het waterschap Rijn en IJssel. De werkzaamheden vallen binnen de beschermingszone van de watergang waar het waterschap bevoegd gezag over heeft, een zgn. ‘Leggerwatergang’. Het waterschap heeft aangegeven dat voor werkzaamheden in de beschermingszone een watervergunning noodzakelijk is. Op het oppervlaktewater bevinden zich in de huidige situatie diverse lozingen van o.a. dakwater, deze worden opgeheven en het water ter plekke geborgen. Er is geen dus geen sprake van toename van lozingen maar van afname. Om deze redenen is de ontwikkeling niet verplicht tot een lozingsvergunning. 5.6.5

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterbelangen voldoende zijn beschermd en voldoen aan het beleid.

5.7

Mobiliteit en parkeren

5.7.1

Wettelijk kader

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering, publicatie 744 (augustus 2024)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: •

Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk;

•

Stedelijke zone: ‘centrum’;

5.7.2

Parkeren

Voor dit plan is een parkeerkundig onderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten en -conclusies. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 5. Op basis van het gehouden onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken en aanbevelingen worden gedaan. Autoparkeren Op basis van het gemeentelijk beleid: • • • • •

Zijn er maximaal 137 parkeerplaatsen nodig voor de huidige functies op het maatgevende moment (werkdagavond en koopavond). Zijn er maximaal 173 parkeerplaatsen nodig voor de toekomstige functies op het maatgevende moment (werkdagavond). Het grootste planeffect valt op de werkdagnacht, waar 51 parkeerplaatsen extra nodig zijn ten opzichte van de huidige situatie. Deze 51 parkeerplaatsen kunnen worden toegevoegd op eigen terrein en binnen de openbare ruimte binnen loopafstand van de Molenberg. Daarmee is de autoparkeerbalans sluitend.

Op basis van het geldende parkeerbeleid worden 51 parkeerplaatsen toegevoegd aan het plan, dit terwijl volgens de meeste recente CROW publicatie maximaal 29 parkeerplaatsen nodig zijn. Zodra de gemeente haar nieuwe parkeerbeleid heeft vastgesteld, kan worden overwogen om niet 51 maar

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief 29 parkeerplaatsen aan te leggen. Om te voorkomen dat een overschot aan parkeerplaatsen wordt gerealiseerd. Fietsparkeren Binnen het plan worden voldoende fietsparkeerplaatsen aangelegd om te voldoen aan de verwachte behoefte. Deze fietsvoorzieningen worden dicht bij de nieuwe gebouwen aangelegd, waardoor overlast van foutief gestalde fietsen minimaal is. 5.7.3

Verkeersgeneratie

Uitgangspunten Er zijn geen kencijfers voor verkeersgeneratie vastgesteld in de gemeentelijke parkeernota. Daarom is voor het berekenen van de verkeersgeneratie gebruik gemaakt van de meest recente CROW kencijfers. Binnen deze kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheidsgraad en stedelijke zone. Vervolgens wordt een bandbreedte gegeven. De gemeente Oost Gelre gaat voor dit plan uit van weinig stedelijk gebied (stedelijkheidsgraad), centrum (stedelijke zone). Hierbij wordt uitgegaan van het gemiddelde kencijfer. Dit leidt tot de verkeersgeneratie die in tabel 5.1 is weergegeven.

Status

Huidig (te vervallen)

Functie plan

Functie CROW

Kencijfer verkeersgeneratie

Eenheid

Omvang/Aantal

Totale verkeersgeneratie

Huisarts

Huisartsenpraktijk

20,25

Per behandelkamer

2

40,5

Aanleunwoning, serviceflat en (zelfstandige woning met 2,35 beperkte zorgvoorzieningen)*

Per woning

225

528,75

Kantoor

Kantoor (zonder baliefunctie) 6,35

100 m² bvo

1.500

95,25

Horeca

Café/bar/cafetaria**

100 m² bvo

240

60

Aanleunwoning, serviceflat Studio’s in verzorgingstehuis (zelfstandige woning met 2,35 beperkte zorgvoorzieningen)

Per woning

167

392,45

Huur, appartement, sociale Woon-/zorgeenheden fase 3 3 huur < 75 m² bvo

Per woning

75

225

Verpleegverzorgingstehuis

664,5

Toekomstig

25

677,45

Tabel 5.1

Verkeersgeneratie plan (Bron: CROW, BJZ.nu)

* Voor de functie Verpleeg- en verzorgingstehuis kent de CROW publicatie geen kencijfers voor de verkeersgeneratie. Daarom is aangesloten bij de kencijfers voor de functie ‘Aanleuningwoning, serviceflat (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen). ** Voor de horecafunctie (café, bar, cafétaria en restaurant) kent de CROW publicatie geen kencijfers voor de verkeersgeneratie. Voor deze functies is een inschatting gemaakt van 50 verkeersbewegingen per100 m² bvo per weekdagetmaal. De horecafunctie wordt in de toekomst ondersteunend aan de zorgfunctie en zal daarom beperkt solitair verkeer van buitenaf aantrekken. Omdat het voor passanten wel mogelijk blijft om van deze horecafunctie gebruik te maken is ervoor gekozen om uit te gaan van 50% van deze verkeersgeneratie. De ingeschatte norm van 50 is daarmee verlaagd tot 25 mvt / 100 m² bvo. Overigens wordt opgemerkt dat hiermee naar verwachting een worst-case scenario in beeld is gebracht. Op basis van praktijkervaring van de initiatiefnemer is de verwachting dat er niet tot nauwelijks sprake zal zijn van een verkeersaantrekkende werking van buitenaf. De praktijk wijst namelijk uit dat een dergelijke horecafunctie bijna uitsluitend wordt gebruikt door bewoners en hun bezoekers en personeel.

Op basis van de berekening van de verkeersgeneratie is er sprake van een toename van de verkeersgeneratie met circa 13 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De hoofdontsluiting voor de verschillende gebouwen verloopt net als in de huidige situatie grotendeels via de Ziekenhuisstraat. Een deel van de gebouwen krijgt een directe aansluiting van en naar de nieuwe parkeervoorziening via de Molenweg. Deze aansluiting wordt gemaakt op korte afstand van de Ziekenhuisstraat via waar de verdere verkeersafwikkeling zal plaatsvinden. Hier wordt het openbaar gebied ter plaatse op aangepast. Er zijn verder geen (grootschalige) ingrepen nodig om te kunnen (blijven) voorzien in een overzichtelijke en verkeersveilige wijze van ontsluiten van de verschillende functies binnen het plangebied. De omliggende infrastructuur kan deze beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen naar verwachting eenvoudig afwikkelen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief 5.7.4

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Omgevingsveiligheid

5.8.1

Wettelijk kader

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);

•

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) 5.8.2

Onderzoek

Aan de hand van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de signaleringskaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.2 is een uitsnede weergegeven. Het plangebied is met de rode omlijning aangeduid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief

Afbeelding 5.2 Risicobronnen rondom het plangebied (Bron: Atlas Leefomgeving)

Zoals te zien op de uitsnede van het plangebied op de Atlas Leefomgeving externe veiligheid, valt het plangebied niet binnen een, voor externe veiligheid relevant aandachtsgebied. Daarnaast voorziet de gewenste ontwikkeling niet in nieuwe risicovolle activiteiten. Niet Gesprongen Explosieven (NGE) Op basis van de gemeentelijke kansenkaart NGE blijkt dat het plangebied overwegend in een onverdachte locatie voor NGE ligt. Aan de uiterste zuidoostzijde grenst het gebied aan verdacht gebied. Hier zal bij de planuitvoering rekening mee worden gehouden. Een en ander is te zien op onderstaande afbeelding.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief Afbeelding 5.3

5.8.3

Gemeentelijke kansenkaart NGE (Bron: gemeente Oost Gelre)

Conclusie

Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

5.9

Natuur

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. 5.9.1

Gebiedsbescherming

5.9.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: •

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;

•

Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en

•

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

5.9.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.9.1.3 Situatie plangebied Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich op ruim 5 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Van directe effecten zoals trillingen, lichthinder of geluid is geen sprake. Echter dient ook rekening gehouden te worden met eventuele indirecte hinder (stikstof).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief Voor dit plan is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hierna worden de belangrijkste uitkomsten en conclusies kort weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6. Het projecteffect op de Nederlandse Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal de beoogde ontwikkeling niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunningsaanvraag bij het college van Gedeputeerde Staten noodzakelijk is voor het aspect stikstofdepositie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN zijn gelegen op circa 600 meter afstand. Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten een NNN-gebied en de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. 5.9.2

Soortenbescherming

5.9.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: •

er soorten aanwezig zijn; en

•

welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.9.2.2 Situatie plangebied Voor dit plan is een ecologische quickscan en bijbehorende actualisatie uitgevoerd. Hierna worden de belangrijkste uitkomsten en conclusies kort weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 en 8 (actualisatie). Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Vleermuizen Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie (als verblijfplaats en als vliegroute) voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.

Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Algemene grondgebonden zoogdieren

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Ruimtelijke motivering, De Molenberg, Groenlo Definitief Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Het verwijderen van groen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uitgevoerd te worden. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de periode september tot en met november. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. 5.9.2.3 Nader onderzoek vleermuizen Op basis van de uitkomsten van de ecologische quickscan blijkt dat er nader onderzoek nodig is naar gebouwbewonende vleermuizen. Dit onderzoek is uitgevoerd en is opgenomen in bijlage 9. Hierna worden de belangrijkste uitgangspunten en conclusies weergegeven. Op 9 januari 2023 is onderhavig project besproken met de provincie Gelderland. Naar aanleiding van het vooroverleg is in samenspraak besloten om minder onderzoek te doen en meer standaard mitigerende maatregelen te treffen. Dit vanwege onder andere de lange periode waarin gefaseerd gesloopt en nieuwgebouwd wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16338088/1