CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp vossenburcht toelichting

Raadscommissie 30 november 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Herziening Vossenburcht Lievelde' en beeldkwaliteitsplan ‘Woonpark Vossenburcht Lievelde’19.086 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uitgevoerd bodemonderzoek Door het onderzoeksbureau Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn verwoord in een bodemonderzoeksrapport met projectnummer MT-200265 van 15 september 2020. Het bodemonderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd. Naar aanleiding van dit verkennend bodemonderzoek is er een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn verwoord in een aanvullend bodemonderzoeksrapport met projectnummer MT-210108 van 6 juli 2021. Dit aanvullend bodemonderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd. Beide bodemonderzoeken zijn beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). Zij hebben hierover advies uitgebracht. Dit advies is verwoord in een rapportage met nummer 2021EA0407, d.d. 15 juli 2021 welke als bijlage is bijgevoegd.

Advies ODA In haar rapportage adviseerd de ODA het volgende: "Gezamenlijk voldoen de bodemonderzoeken aan de gestelde kwaliteitseisen. De bodemkwaliteit is niet geschikt voor een gebruik als Wonen. Met het onderzoek zijn sterk verhoogde gehaltes aan PAK en minerale olie in de grond aangetoond, asbest in puin aangetoond en een matig verhoogd gehalte aan nikkel in het grondwater. Het uitvoeren van aanvullend asbest in puin onderzoek en bodemsanering is nodig. Voor de bodemsanering is de provincie Gelderland het bevoegd gezag ingevolge de Wbb. Geadviseerd wordt om aan de bestemmingsplanprocedure onderstaande voorwaarden te verbinden, zodat de bodemsituatie wordt gemaakt voor een gebruik als Wonen. De hiervoor genoemde voorwaarden hebben betrekking op de in onderstaande kaart aangegeven locaties.

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

Deellocaties A, B en D (Bron: bodemonderzoeksrapport Rouwmaat)

Voorwaarden uit advies van de ODA: Ter plaatse van de deellocaties B. en D: - Bij de provincie Gelderland dient een saneringsplan (BUS-melding) te worden overgelegd, waarmee de bodemverontreiniging wordt verwijderd tot minimaal de waarden behorende bij de kwaliteit Wonen (=saneringsdoelstelling). - Niet eerder, dan nadat de provincie Gelderland haar goedkeuring heeft gegeven over de bodemsanering en het daarbij behorende evaluatieverslag, is voldaan aan de saneringsdoelstelling en voldoet de bodemkwaliteit aan het beoogde gebruik. De gemeente Oost Gelre dient uiterlijk binnen een maand, nadat de provincie Gelderland haar beoordeling over de uitgevoerde sanering heeft gegeven, een kopie van die beoordeling te ontvangen.

Ter plaatse van de puinverharding (oostelijk terreindeel): - dient een aanvullende asbest in puin onderzoek te worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de NEN5897, waarmee de gehalten en omvang van de asbestverontreiniging worden vastgesteld; - Nadat het betreffende bevoegd gezag haar goedkeuring heeft gegeven over de sanering van de asbest-puinverharding (> 100 mg/kg.ds) en over het evaluatieverslag van de sanering, is het toegestaan om ter plaatse werkzaamheden uit te voeren.

Ter plaatse van het overig deel van de locatie (niet zijnde de aanvullend onderzochte deellocaties zoals hiervoor beschreven): - De bovengrond wordt verwijderd en ontdaan van puin, baksteen en beton, of duurzaam afgedekt met een aaneengesloten verharding en/of voorzien van een leeflaag met een dikte van 1 meter met de kwaliteit Wonen; - Grondwater wordt niet gebruikt voor consumptie en/of besproeiing van gewas voor consumptie.

De ODA is bij haar beoordeling van de uitgevoerde bodemonderzoeken ervan uitgegaan dat het gehele

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde terrein van de voormalige Vion voor wonen wordt bestemd. Dit is niet geheel juist. Slechts een deel van het terrein wordt bestemd voor woningbouw. Woningbouw Het gaat hierbij om het oostelijk deel van het terrein. Deze locatie is niet op bovenstaande kaart afgebeeld. Uit bovenstaande advies van de ODA valt dit deel van het terrein onder de noemer 'ter plaatse van de puinverharding (oostelijk terreindeel)'. Op dit deel van het terrein zijn dus de woningen gepland. De ODA geeft hierbij aan dat er onderzoek naar asbest in puin moet plaatsvinden. Deze puinlaag met asbestverontreiniging is gelegen in de onderlaag en alleen bereikbaar door eerst de bovengrond af te graven. Dit afgraven van de bovenlaag is momenteel nog niet toegestaan in het kader van de Wet Natuurbescherming nu hier eerst een ontheffing Wet natuurbescherming voor de vlindersoort 'grote vos' nodig is. Pas na de verkregen ontheffing kan met afgraven worden begonnen en aanvullend onderzoek naar asbest in puin plaatsvinden en/of de puinlaag verwijderen. Overige verontreiniging De overige geconstateerde verontreiniging op het terrein blijft binnen de huidige bestemming 'Groen' en wordt niet voor realisatie van gevoelige objecten gebruikt. Een saneringsverplichting geldt hier dan ook niet voor. Wel zal worden bezien of sanering van deze verontreinigingen wenselijk is.

Daarnaast geeft de ODA aan dat voor het overige deel van het terrein geldt dat de bovengrond wordt verwijderd en ontdaan van puin, baksteen en beton, of duurzaam afgedekt met een aaneengesloten verharding en/of voorzien van een leeflaag met een dikte van 1 meter met de kwaliteit Wonen (waarbij laatstgenoemde alleen geldt indien er gevoelige objecten zoals woningen op deze grond wordt gerealiseerd). Grondwater mag niet worden gebruikt voor consumptie en/of besproeiing van gewas voor consumptie.

Conclusie In een deel van het voormalige terrein van de VION is verontreiniging geconstateerd. Op de locatie waar de woningen zijn gepland ligt in de ondergrond een puinverharding met asbestverontreiniging. Pas na het verkrijgen van de ontheffing Wnb kan de bovenlaag worden verwijderd en de puinlaag met asbest worden gesaneerd. Nu er op het overige terrein, waar verontreinigingen zijn geconstateerd, geen gevoelige objecten zoals woningen zijn voorzien geldt hiervoor geen saneringsverplichting.

4.4

Water

Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen).

Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.

Thema

Toetsvraag

Relevant

Hoofdthema's Veiligheid

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale Nee waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?

Riolering afvalwaterketen

en 1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?

Nee Ja

2. Ligt in het plangebied een persleiding van Waterschap Rijn en Nee IJssel? 3. Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie Nee van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. Is sprake van toename van verhard oppervlak?

Ja

2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard Nee oppervlak? 3. Bevinden zich in of nabij het plangebied natte en laaggelegen Nee gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de Nee ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of Nee IJssel?

Oppervlaktewaterkwaliteit

3. Is in het plangebied sprake van kwel?

Nee

4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?

Nee

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater Nee geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

Nee

3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een strategisch Nee actiegebied? Grondwaterkwaliteit

1. Ligt in het plangebied een beschermingszone van een Nee drinkwateronttrekking?

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het Nee gemengde of verbeterde gescheiden stelsel? 2. Bevinden zich of komen er functies in of nabij het plangebied die Nee milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in beïnvloedingsgebied voor natte land natuur?

een

hydrologisch Nee

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte ecologische Nee verbindingzone? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte landnatuur?

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom Nee of beheer zijn van het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

Nee

Aandachtsthema's Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in Nee beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Cultuurhistorie

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied Nee aanwezig?

Tabel: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's

Door Anacon Infra bv is een waterhuishoudingsplan opgesteld om te bezien of het vuilwater en het hemelwater op een verantwoorde wijze wordt en kan worden afgevoerd zq. geborgen of infiltreren in de bodem. Het waterhuishoudingsplan is als bijlage bijgevoegd. De gemeentelijke uitgangspunten hiervoor zijn: Vuilwatersysteem (lozen op de riolering): Leidingdiameter 250 mm; materiaal kunststof; Leidingverhang 1:250 tot maximaal 1:500. Hemelwatersysteem (niet lozen op de riolering):

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde Bewoners moeten het dakwater op eigen terrein bergen en infiltreren; a. Bergingseis T=10+10% (40 mm) statisch. b. Bij voorkeur bovengrondse afstroming van hemelwater. Aanleg van een wadi centraal in het plan in combinatie met een overloop aan de noordzijde van het plan naar de groenzone met een wadi en vijverpartij; a. Bergingseis T=10+10% (40 mm) statisch van het aangesloten verhardingsoppervlak openbare ruimte. b. Bui T=100+10% volgens de maatgevende bui van het Waterschap Rijn & IJssel (74 mm statisch van het aangesloten verhardingsoppervlak openbare ruimte en dak- en terreinwater) dient bij voorkeur geheel in de centrale groenstrook te worden geborgen. c. Noodoverlaat op wadi's en vijverpartij ten noorden van het plan, bij voorkeur bovengronds. Daarnaast stelt het Waterschap Rijn & IJssel eisen aan de afvoer van het hemelwater. In het beheergebied van het Waterschap is de gemiddelde landelijke afvoercoëfficiënt bepaald op 0,8 l/s/ha. De maatgevende bui T=100+10% die hierbij hoort heeft een omvang van 101 mm en valt in 48 uur. De afvoer via het oppervlaktewater zou in dat tijdsbestek 28 mm bedragen. Het restant (74 mm) dient tot aan het maaiveld geborgen te kunnen worden.

In het waterhuishoudingsplan zijn bovengenoemde gemeentelijke- en waterschapseisen beschreven en wordt het volgende geconcludeerd: De voorzieningen zijn voldoende groot om bui T=100+10% volledig te bergen. Aandacht bij uitwerking van het hemelwaterontwerp is aanleg van voldoende 'leegloop' door aanleg drainage en mogelijke infiltratie. De wadi's hebben in totaal voldoende inhoud om bui T=10+10% (statisch) te bergen. De waterdiepte in de wadi's bij bui T=10+10% is ongeveer 16 cm. Voor bui T=100+10% hebben de (geprojecteerde) wadi's onvoldoende inhoud. Echter met de wadi en de boomgaard in het parkgebied is er meer dan voldoende inhoud. Indien er geen berging op particulier terrein wordt gerealiseerd is er ook voldoende berging. Kanttekening: in de opgestelde berekeningen zijn de wadi's tussen de woonstraten optimaal vorm gegeven (maximaal benutten van de groenzones). Een speelse invulling met groen en speelaanleidingen gaan ten koste van de berging. Kans: in de Bergstraat wordt wateroverlast ervaren bij hevige neerslag. Dit project bied de mogelijkheid om een bovengrondse noodoverlaat te maken voor de Bergstraat. Hier is in het hoogteplan van de woonstraten rekening mee gehouden. Het plateau in de Bergstraat bij de aansluiting van de westelijke woonstraat vormt nog een blokkade. Vanuit het oogpunt 'wateroverlast' zou deze moeten komen te vervallen.

Beoordeling waterschap waterhuishoudingsplan In het kader van vooroverleg is een voorontwerp bestemmingsplan toegezonden aan het waterschap Rijn en IJssel. Zij geven hierbij de volgende reactie op het waterhuishoudingsplan: "Het plan Vossenburcht gaat uit van 40 mm berging op de percelen van de woningen. Daarnaast wordt de aanvullende berging voor T100 in de openbare ruimte gezocht, samen met de berging voor de verhardingen in de openbare ruimte. Dit gebeurt in de wadi's in de hofjes. De wadi's worden voorzien van een drainageleiding welke overloopt naar het HWA stelsel onder de Bergstraat. In de Bergstraat is op dit moment al sprake van wateroverlast bij hevige neerslag. De wadi's hebben ook een overloop over maaiveld naar het noordelijker gelegen park. Daar is veel ruimte voor berging, maar daar komt het water nu feitelijk niet of nauwelijks terecht. Het plan heeft 159 m3 waterberging nodig, maar maakt eigenlijk alleen gebruik van de 92 m3 in de wadi's in de hofjes. De anderen twee wadi's die genoemd staan in de notitie - en welke zorgen voor een overcapaciteit aan berging - worden nauwelijks gebruikt omdat het water hier niet vaak naartoe zal overlopen. Het stelsel onder de Bergstraat is een hemelwaterstelsel en zorgt ook voor infiltratie van hemelwater. Dit

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde kan een prima oplossing zijn. Maar er wordt aangegeven dat hier nu al problemen zijn met wateroverlast. Daarmee klinkt het niet logisch om het water uit Vossenburcht nog aanvullend op het stelsel in de Bergstraat aan te sluiten terwijl er aan de noordzijde een park ligt waar veel ruimte is voor waterberging. Met het oog op klimaatverandering en droogte is in dit park extra water in de zomer ook zeker welkom verwacht ik. De keus voor de aansluiting op de Bergstraat zou zijn gemaakt in verband met beheer. Vanuit het waterschap adviseren wij om dit te heroverwegen omdat er duidelijke voordelen zitten aan het afvoeren van het water naar het park aan de noordzijde. Het plan zoals het er nu ligt is wel akkoord wanneer het stelsel in de Bergstraat ruimte overheeft voor de aanvullende m3 water die hier nu op uitkomen. Maar wij zien ook opties voor betere en -in onze ogenlogischer invulling door gebruik te maken van de mogelijke berging in het park. Wij vragen dit te heroverwegen". Algehele conclusie Geconcludeerd kan worden dat met de aanleg van de geprojecteerde wadi's en een lage afwerking van de boomgaard voldoende berging is te creëren en geen wateroverlast in de openbare ruimte optreedt. Het systeem voldoet aan de gestelde ontwerpuitgangspunten.

Wel zal bij de verdere uitwerking van het plangebied worden bekeken of de voorgestelde berging in de wadi's in het plangebied kan worden uitgebreid zodat de Bergstraat kan worden ontzien. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Geluid

Wettelijk kader In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Gemeente Oost Gelre heeft eigen geluidsbeleid ontwikkeld om zo richting te kunnen geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke. Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden. Akoestischonderzoek In de directe omgeving van het plangebied is een spoorlijn aanwezig alsmede wegen. Daarnaast grenst het Bernard Vos Clubhuus aan het plangebied. Voornoemde zijn akoestische bronnen die nader onderzocht moeten worden. Hierdoor heeft Adviesbureau Van der Boom een akoestisch onderzoek uitgevoerd en verwoord in het rapport 'Geluidbelasting wegverkeer, railverkeer, buitenactiviteiten en parkeren locatie Vossenburcht te Lievelde' met kenmerk 20-312 d.d. 30 maart 2021, dat als bijlage bij het bestemmingsplan is opgenomen. Voornoemd akoestisch rapport is beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). De beoordeling is opgenomen in een rapport met nummer 2021EA0393, d.d. 14 april 2021. Dit rapport van de ODA is ook als bijlage bijgevoegd. DE ODA geeft in haar rapport het volgende aan: 1. Het akoestisch onderzoek is akkoord. 2. De Wet geluidhinder is vanwege wegverkeers- en railverkeerslawaai van toepassing. Voldaan wordt aan de voorkeurgrenswaarden. Een hogere waarde is niet van toepassing. 3. Het woon- en leefklimaat vormt geen belemmering. 4. Voldaan wordt aan de standaardwaarden van het geluidbeleid m.u.v.

piekgeluiden van dichtslaande

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde portieren op het parkeerterrein. Deze piekgeluiden voldoen wel aan de grenswaarden van het geluidbeleid. Ook aan het vereiste geluidniveau in de woningen wordt voldaan. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5". Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.

Situatie plangebied Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van 18 nieuwe woningen en enkele tiny houses. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens van 1.500 woningen en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd. Wel dient te worden bezien of de luchtkwaliteit in het projectgebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Hiervoor heeft de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) advies uitgebracht. Deze is opgenomen in een rapport met nummer 2020EA2005, d.d. 18 december 2020, welke als bijlage is bijgevoegd. De ODA geeft aan dat het onderwerp Luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgemomen ontwikkeling. Een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

4.7

Natuurwaarden

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een Quickscan Natuurtoets (27 maart 2020, rapportnummer 2109) door Staring Advies uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd. Het doel hiervan is om in te schatten of er in het plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

Soortenbescherming Om te bepalen of er beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn heeft het onderzoeksbureau gebruik gemaakt van literatuur- en gericht veldonderzoek. De resultaten van beide onderzoeken zijn in bovengenoemd onderzoeksrapport aangegeven. Er wordt geconcludeerd dat er een aanvullend onderzoek noodzakelijk is voor de volgende soort(groep)en: kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel; steenmarter; vleermuizen (verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroute); kamsalamander; poelkikker; levendbarende hagedis; grote weerschijnvlinder; teunisbloempijlstaart. Er moet verder rekening worden gehouden met broedvogels. Activiteiten als het kappen en verwijderen van bomen en struiken moeten zoveel mogelijk buiten het broedseizoen (15 maart - 15 juli) worden uitgevoerd.

Aanvullend onderzoek Het door Staring Advies uitgevoerd aanvullend onderzoek is opgenomen in een onderzoeksrapport met nummer 2192, d.d. 3 november 2020 welke als bijlage is bijgevoegd. Staring Advies concludeert in dit onderzoeksrapport dat "door de geplande ruimtelijke ontwikkeling verdwijnt (essentieel) leefgebied van de grote vos (vlindersoort). Er moeten voor deze soort mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen worden. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk voor de grote vos.

Aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming Een ontheffing Wet natuurbescherming voor de vlindersoort 'grote vos' is bij de provincie Gelderland aangevraagd. Bij deze aanvraag is in een Activiteitenplan een beschrijving gegeven van compenserende en mitigerende maatregelen voor de beschermde soort. Dit Activiteitenplan is door de provincie beoordeeld.

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

Op basis hiervan heeft de provincie Gelderland een ontwerp ontheffing Wet Natuurbescherming afgegeven welk ontwerp beoogd is om te verlenen. Aan deze ontheffing zijn voorwaarden verbonden waarbij mitigerende maatregelen getroffen moeten worden om de grote vos in het plangebied te behouden. Er zijn al maatregelen getroffen zoals in het voornoemde Activiteitenplan zijn beschreven. De overige te treffen maatregelen cq. voorzieningen zijn realiseerbaar en worden uitgevoerd cq. daar wordt rekening mee gehouden. De ontwerp ontheffing Wet Natuurbescherming is als bijlage bijgevoegd.

Algemeen Voor de (algemene) broedvogelsoorten die mogelijk op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie broeden geldt dat, indien de vegetatie buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) plaats zal vinden met betrekking tot deze soorten. De nesten mogen alleen worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. Daarom wordt geadviseerd om eventuele snoeiwerk- en graafwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan de periode maart tot half augustus als broedseizoen worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien toch binnen het broedseizoen wordt gewerkt, dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. Voor de op de onderzoekslocatie incidenteel te verwachten algemene zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren worden verwond of gedood en verblijfplaatsen kunnen worden vernietigd. Dit houdt normaliter een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in.

Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Zorgplicht Bij de uitvoer van werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het leefgebied van (overige) vogels, grondgebonden zoogdieren en amfibieën. De werkwijze dient in een ecologisch werkprotocol vastgelegd te worden.

Gebiedsbescherming NATURA 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op 4 kilometer afstand ten oosten van het plangebied (Korenburgerveen). In het bovengenoemd rapport van Staring Advies wordt geconcludeerd dat "er geen ruimtelijke ingrepen plaatsvinden in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de fysieke afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Narura 2000-gebieden 'Korenburgerveen' en 'Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld' worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven door directe verstoringsfactoren verwacht. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Significante negatieve effecten door stikstofdepositie op gevoelige habitats van de Natura 2000-gebieden 'Korenburgerveen' en 'Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld' in de kap-, sloop-, bouw- en gebruiksfase van het plangebied zijn

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde niet op voorhand uit te sluiten. Een AERIUS-berekening is daarom noodzakelijk.

Stikstof De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde voor stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Gevolg hiervan is dat alle ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de omgeving ook maar enigszins verhogen in principe niet zijn toegestaan. Ondanks de relatief grote afstand van circa 8 km tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, kan een verhoging van de stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op dit gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve wordt geadviseerd om een stikstoftoets uit te laten voeren. Met het rekenmodel AERIUS kan de stikstofuitstoot van een planontwikkeling worden berekend. Op 15 oktober 2020 is een nieuwe versie van het rekenmodel AERIUS beschikbaar gesteld. Heeft de planontwikkeling geen toename van stikstof op nabij gelegen natuurgebieden tot gevolg dan kan aan de planontwikkeling worden meegewerkt. Met het rekenprogramma AERIUS is een berekening gemaakt van het plangebied in de fase van bouwrijp maken van het plangebied, het uitgraven van de funderingen voor de woningen, het bouwen van de woningen inclusief het daarbij behorend bouwverkeer en in de gebruiksfase van de woningen.

Het rekenprogramma geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Nu de toename van stikstof in de nieuwe situatie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar kan aan het verzoek worden meegewerkt. De berekeningen zijn verwerkt in een stikstofnotitie die als bijlage is bijgevoegd. De berekeningen zijn ook als bijlage bijgevoegd.

Ligging plangebied (rood) ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen), bron: rapport Staring Advies met originele bron Provincie Gelderland 2020.

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

Ligging plangebied (rood) ten opzichte van nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebieden (blauw gearceerd), bron: rapport Staring Advies met originele bron European Environment Agency (2020). 1. Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld. 2. Berkel. 3. Schwattel Gatt. 4. Burlo-Vardingholter Venn und Entenschlatt.

NATUURNETWERK NEDERLAND De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). In onderstaande kaart is de ligging van de onderzoekslocatie (rode marker) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en Gelders Groene Ontwikkelingszone (licht groen) weergegeven. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot het meest nabijgelegen gebied aangewezen als GNN in combinatie met de aard en de omvang van de voorgenomen ingreep (nieuwbouw) niet te verwachten. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande inrichting. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

Ligging onderzoekslocatie (rood) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) (bron: geconsolideerde omgevingsverordening 31 maart 2021 Provincie Gelderland).

Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Lievelde. Van beschermde houtopstanden, zoals hierboven genoemd, is geen sprake. Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.

Conclusie Een ontheffing Wet natuurbescherming voor de vlindersoort 'grote vos' is bij de provincie Gelderland aangevraagd. De provincie heeft een ontwerp ontheffing afgegeven welke beoogd is te worden verleend. De hieraan verbonden voorwaarden worden uitgevoerd. Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de ontheffing Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen realiseerbaar is. Er dient daarnaast rekening te worden gehouden met het volgende: snoei- en graafwerkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen van maart tot half augustus; snoei- en graafwerkzaamheden uitvoeren binnen het broedseizoen alleen na een broedvogelinspectie door een ter zake kundige.

44

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.

Situatie plangebied De omgeving van het te ontwikkelen plangebied aan de Bergstraat bestaat hoofdzakelijk uit woningen en is hierdoor aan te merken als woongebied. Ten noord-oosten van het plangebied is nog een in werking zijnde agrarisch bedrijf gevestigd (Kloosterstraat 3). Daarnaast bevindt zich ten noord-oosten een gebouw voor het houden van paarden. Ten oosten van het plangebied is een kleinschalig bedrijf aanwezig welke zich bezig houdt met de bewerking van natuursteen. In de directe omgeving van het plangebied zijn verder het Bernard Vos Clubhuus, de Christus Koningkerk en het horecabedrijf Loco aanwezig.

Agarisch bedrijf Kloosterstraat 3 Lievelde Het agrarisch bedrijf Kloosterstraat 3 te Lievelde is een intensieve veehouderijbedrijf. Het bedrijf is voorzien van een agrarisch bouwvlak. Gemeten vanaf de rand van het agrarisch bouwvlak tot aan de rand van het plangebied bedraagt de afstand 200 meter. Ingevolge de handboek "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor een intensieve veehouderijbedrijf een grootste afstand van 200 m, waarbij het aspect 'geur' hierbij deze grootste afstand maakt. De dichtstbijzijnde te realiseren woning in het plangebied komt te liggen op ongeveer 210 meter. De intensieve veehouderijbedrijf voldoet hiermee aan de richtafstand uit het handboek "Bedrijven en milieuzonering". Het aspect 'Geur' afkomstig van het intensieve veehouderijbedrijf aan de Klooosterstraat 3 wordt nog

Toelichting (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde nader omschreven in paragraaf 4.10.

Gebouw met paarden Op ongeveer 90 meter van de dichtstbijzijnde te realiseren woning in het plangebied bevindt zich een gebouw waarin enkele paarden worden gehouden. Ingevolge de handboek "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor het fokken en houden van graasdieren, waaronder een paardenfokkerij valt, een grootste afstand van 50 meter, waarbij het aspect 'geur' deze grootste afstand maakt. De woningen worden dan ook op voldoende afstand gerealiseerd ten opzichte van dit gebouw met paarden zodat hiermee wordt voldaan aan de richtafstand uit het handboek "Bedrijven en milieuzonering".

Natuursteen bewerking Op ongeveer 60 meter van de dichtstbijzijnde te realiseren woning in het plangebied bevindt zich een natuursteenbewerkingsbedrijf. Ingevolge de handboek "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor een natuursteenbewerkingsbedrijf, zonder breken, zeven en drogen met een oppervlakte < 2.000 m2 een grootste afstand van 50 meter. waarbij het aspect 'geluid' deze grootste afstand maakt. De woningen worden dan ook op voldoende afstand gerealiseerd ten opzichte van dit natuursteenbewerkingsbedrijf zodat hiermee wordt voldaan aan de richtafstand uit het handboek "Bedrijven en milieuzonering".

Religie Aan de achterzijde van de rooms-katholieke Christus Koningkerk ligt de begraafplaats. Ingevolge de handboek "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor een 'begraafplaats' een richtafstand van 10 m waarbij 'geluid' de bepalende afstandsfactor is. Een kerk heeft een richtafstand van 30 meter. De woningen in het te ontwikkelen plangebied komen op een afstand van ongeveer 85 m te liggen vanaf de begraafplaats van de Christus Koningkerk. De kerk zelf komt te liggen op ongeveer 130 m van het plangebied. In het plangebied is ruimte voor enkele tiny houses. Deze tiny houses worden in de nabijheid van de begraafplaats gesitueerd, waarbij de dichtstbijzijnde tiny house op ongeveer 15 m van de begraafplaats komt te staan. De kerk komt te liggen op ongeveer 30 m van de tiny houses. De begraafplaats en de kerk voldoen hiermee aan de richtafstand uit het handboek "Bedrijven en milieuzonering".

Maatschappelijk clubhuus Het Bernard Vos Clubhuus aan de Bergstraat is een maatschappelijke voorziening welke wordt gebruikt voor diverse maatschappelijke doeleinden. Maatschappelijke voorzieningen zijn divers van aard en worden dan ook niet met name genoemd in het handboek "Bedrijven en milieuzonering". Wel wordt in het Handboek genoemd 'Theaters, schouwburgen, concertgebouwen en evenementenhallen' welke een grootste afstand hebben van 30 m, waarbij 'geluid' deze grootste afstand maakt. Het Bernard Vos Clubhuus komt te liggen op minimaal 30 m van de dichtstbijzijnde te realiseren woning in het plangebied. Hiermee wordt dan ook voldaan aan de richtafstand uit het handboek "Bedrijven en milieuzonering".

Horecabedrijf Loco Het horecabedrijf Loco is gelegen op ongeveer 75 m van de dichtstzijnde tiny house in het plangebied. De beoogde woningen aan de Bergstraat komen te liggen op ongeveer 210 meter van het horecabedrijf.

46

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde In het horecabedrijf vinden bijeenkomsten plaats, kan worden gegeten waarbij het voedsel in eigen keuken wordt bereid en vinden er feesten en partijen plaats. Ingevolge het handboek "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor hotels en pensions met eigen keuken en restaurants een grootste afstand van 10 meter. Voor muziekcafe's geldt een grootste afstand van 30 meter. Nu de te realiseren woningen dan ook op grotere afstand van het horecabedrijf zijn gelegen wordt voldaan aan de richtafstand uit het handboek "Bedrijven en milieuzonering".

Algemeen Zoals hierboven omschreven worden de nieuwbouwwoningen en tiny houses in het plangebied geprojecteerd op voldoende afstand van de omliggende functies. Hierbij dient te worden vermeld dat de hierboven genoemde richtafstanden voor rustige woongebieden zijn. Door de aanwezigheid van deze functies zou er ook sprake kunnen zijn van een 'gemengd gebied' waardoor de richtafstanden naar beneden kunnen worden bijgesteld. Nu al aan de richtafstanden voor een rustig woongebied wordt voldaan is bijstelling van de richtafstanden voor een gemengd gebied niet noodzakelijk en ook niet toegepast.

Conclusie Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.9

Externe veiligheid

Wettelijk kader Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.

Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.

Toelichting (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

Situatie plangebied Op het perceel zullen geen activiteiten plaatsvinden en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden waarbij de grenswaarden voor groepsrisico en plaatsgebonden risico worden overschreden. Op onderstaande uitsnedes van de Risicokaart van de provincie Gelderland is te zien dat op ruim 2 km van het plangebied buisleidingen van defensie en/of de Gasunie zijn gelegen. Daarnaast is het plangebied op ruim 380 m gelegen van de dichtstbijzijnde route voor gevaarlijke stoffen (N18). In de kern Lievelde is daarnaast een LPG-tankstation gelegen met vulpunt en afleverzuil. Deze liggen op ongeveer 460 m van het plangebied. Op onderstaande kaarten zijn tevens de kwetsbare objecten aangegeven alszijnde een publieksgebouw (de Christus Koningkerk) en de twee onderwijsinstellingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt niet plaats op het spoortraject Winterswijk - Zutphen. Dit spoortraject is alleen ten behoeve van personenvervoer. De afstanden tot aan het plangebied zijn dermate groot dat er geen nader onderzoek naar externe veiligheid voor het plangebied hoeft plaats te vinden.

Uitsnede uit de Risicokaart Gelderland (Bron: provincie Gelderland)

48

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

Uitsnede uit de Risicokaart Gelderland (Bron: provincie Gelderland)

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Geur

Wettelijk kader Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De gemeenteraad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.

Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij:

Toelichting (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht. Situatie plangebied Door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) is advies uitgebracht inzake de geurhinder. Dit advies is opgenomen in een rapport met nummer 2020EA2005, d.d. 18 december 2020 welke als bijlage is bijgevoegd. De ODA concludeert het volgende: "De beoogde woningen liggen op voldoende afstand van omliggende veehouderijen. De voorgenomen ontwikkeling werkt niet belemmerend voor deze veehouderijen. Ook het woon- en leefklimaat op de locatie zelf is hierbij niet in het geding. De geur afkomstig van veehouderijen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling".

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11

Verkeer en parkeren

Verkeer De woningen in het plangebied worden ontsloten via de Bergstraat. Parkeren Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma. In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd. Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeer-plaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen. De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.

Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.

50

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

Situatie plangebied Ter plaatse geldt het Facetbestemmingsplan parkeren met identificatienummer NL.IMRO.1586.BPPAR1800-VG01 van de gemeente Oost Gelre. Binnen het Facetbestemmingsplan is een regeling opgenomen, waarin wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota of een rechtsopvolger daarvan. Expliciet is aangegeven dat ook een rechtsopvolger het kader kan vormen. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader. Uitgangspunt is parkeren op eigen terrein. Voor de meeste woningen in het plangebied is dit mogelijk. Enkele woningen, met name tussenwoningen, hebben geen gelegenheid om op eigen terrein te parkeren. Hiervoor is parkeren in het openbaar gebied toegestaan. Binnen het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen daarvoor gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de normen zoals opgenomen in de hierboven aangegeven Nota parkeernormen. Parkeren bij de tiny houses is niet toegestaan. Zij mogen gebruik maken van de openbare parkeerplaatsen rondom het plangebied.

Conclusie Per woning kan op eigen terrein worden geparkeerd. Indien dit niet mogelijk is mag gebruik worden gemaakt van parkeerplaatsen in het openbaar gebied. In het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen hiervoor aangelegd.

4.12

Kabels en leidingen

In en rondom het plangebied zijn verschillende algemene nutskabels en -leidingen aanwezig. Hiermee wordt bij de planuitwerking rekening gehouden. Er bevinden zich in of nabij het plangebied geen kabels of leidingen waarvoor in het bestemmingsplan een beschermende regeling moet worden opgenomen.

4.13

Trillingen van het spoor

Wettelijk kader Spoorwegen maken al jaren deel uit van de infrastructuur van Nederland en verbinden belangrijke stadscentra met elkaar. Om trillingshinder te voorkomen, is bij nieuwbouw van woningen langs het spoor onderzoek nodig naar trillingen door voorbij rijdende treinen. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking 'Nieuwbouw en Spoortrillingen'' opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving. Het onderzoek kan plaatsvinden in de vorm van een quick-scan. Op basis van beschikbare gegevens van het spoor en bodemkenmerken wordt vastgesteld of er sprake is van mogelijke trillingshinder. Is dit het geval? Dan is een meer uitgebreid onderzoek nodig. Daarin wordt gedurende langere periode trillingsmetingen uitgevoerd.

Uitgevoerd trillingsonderzoek Door het onderzoeksbureau DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. is een Quickscan trilling

Toelichting (vastgesteld)

51

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde onderzoek uitgevoerd overeenkomstig het 'Handboek Nieuwbouw en Spoortrillingen'. De uitgevoerde Quickscan is verwoord in een onderzoeksrapport met nummer M.2021.1002.00.N001. welke als bijlage is bijgevoegd. In de conclusie van dit onderzoeksrapport is aangegeven dat “er op de bouwlocatie 'Vossenburcht Lievelde' een verwaarloosbaar risico is op trillingshinder afkomstig van de spoorlijn Zutphen – Winterswijk. Het treinmaterieel van Arriva wekt verhoudingsgewijs weinig trillingen op, temeer bij de lage rijsnelheden in het stationsgebied. De gebouwafstand van 45 meter is voldoende om trillingsproblemen en/of problemen met via de bodem overgedragen laagfrequent geluid te voorkomen. Verwacht mag worden dat trillingssterkten in het geval van klassieke bouw (beton/steen/kalkzandsteen) zelfs onder de voelbaarheidsgrens van de mens zullen liggen en daarmee ruim voldoen aan de streefwaarden uit de trillingsrichtlijn SBR-B”.

Conclusie Uit de uitgevoerde Quickscan is op te maken dat er geen sprake is van trillinghinder afkomstig van het spoor bij de nieuw te realiseren woningen. Het aspect 'Trillingen van het spoor' vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

52

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Herziening Vossenburcht Lievelde

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

De beleidsdoelstellingen zijn juridisch vertaald in de regels en de bijbehorende verbeelding. De basis voor de verbeelding, de tekening, is een recente kadastrale ondergrond en topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren en letteraanduidingen weergegeven. Voorts zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Uitgangspunt voor de regels zijn de planregels die in de meest recente plannen binnen de gemeente zijn opgenomen, deels aangepast aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.

5.2

Bestemmingsplan

Het digitale bestemmingsplan 'NL.IMRO.1586.BPLIE1001-VG01' is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1586.BPLIE1001-VG01 met bijbehorende regels.

5.3

Plansystematiek

5.3.1

Indeling

Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding worden tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.

Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven, bij het toepassen van de wijze van meten. Dit betreft het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met bijvoorbeeld luifels, ventilatiekanalen, schoorstenen en kroonlijsten. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de (dubbel) bestemmingen vastgelegd. Per bestemming wordt het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Bestemmingsregeling Toelichting (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10797295/1