CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp steenkampweg 4 toelichting

Gemeenteraad 5 maart 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 te Vragender15.125 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ten aanzien van dit plan Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet aan de orde nu geen sprake is van een stedelijke ontwikkelingsproject en geen passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

24

4.2 Archeologie en Cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden.

De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld. Op 14 april 2020 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw archeologisch beleid vastgesteld met als titel 'Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre, een actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtings- en beleidskaart'. Dit nieuwe beleid is opgenomen in het op 22 februari 2022 door de gemeenteraad vastgestelde 'Parapluplan Archeologie'. De plannen zijn aan dit Parapluplan getoetst.

Ten aanzien van dit plan Op de percelen Steenkampweg 4 en WInterswijkseweg 59 wordt agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Op het perceel Winterswijkseweg 59 worden drie nieuwe woningen met inpandige bijgebouwen gerealiseerd. Op het deel van het perceel waar de nieuwe woningen worden gerealiseerd is sprake van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 1’ en ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 4’. Voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 1’ geldt een vergunningplicht als er over een oppervlakte gelijk of groter dan 250 m2 werkzaamheden dieper dan 30 cm plaatsvinden. In de beoogde situatie blijft het oppervlak voor de nieuwe woningen binnen deze zone onder het oppervlaktecriterium van 250 m2. Bovendien is het bodemarchief ter plaatse al verstoord door de aanwezige stallen met mestkelders. Archeologisch onderzoek is hier daarom niet noodzakelijk. Voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 4’ geldt een vergunningplicht als er over een oppervlakte gelijk of groter dan 5.000 m2 werkzaamheden dieper dan 30 cm plaatsvinden. In de beoogde situatie blijft het oppervlak voor de nieuwe woningen binnen deze zone ruimschoots onder het oppervlaktecriterium van 5.000 m2. Bovendien is het bodemarchief ter plaatse al verstoord door de aanwezige stallen met mestkelders.

Archeologisch onderzoek is hier daarom niet noodzakelijk.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

25

4.2.2 Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: • de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); • de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); • de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen).

Ten aanzien van dit plan Binnen het plangebied zijn geen historisch-geografische of stedenbouwkundige waarden aanwezig. Ook zijn geen architectuurhistorische waarden aanwezig. De gemeentelijke erfgoednota is niet van toepassing bij de boogde ontwikkelingen op de percelen. Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.

4.3 Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht.

Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Ten aanzien van dit plan Door Montferland Milieu is verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd voor zowel de locatie Steenkamweg 4 als de locatie Winterswijkseweg 59. De resultaten daarvan zijn verwoord in rapport met projectnummers MM22139 en MM22161. Beide rapporten zijn als bijlagen bij deze toelichting gevoegd (zie bijlage 1 en 2). Voor de locatie Steenkampweg 4 is het volgende geconcludeerd: • Ter plaatse van de rijstrook (F) is in de resten baksteenhoudende laag een licht verhoogd gehalten aan zink, minerale olie en PAK aangetoond. Formeel gezien is er sprake van een nieuw geval. Gezien het zeer lage gehalte lijkt er niet direct sprake te zijn van een saneringsnoodzaak. • In de matig roesthoudende ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan arseen aangetoond.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

26

• • •

•

•

• •

• •

Ter plaatse van de spoelplaats (B) is het grondwater licht verontreinigd met barium en kobalt en matig verontreinigd met nikkel. Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De tevoren gestelde hypothese “De bestemmingsplanwijziging (A) kan op basis van het vooronderzoek als niet verdacht worden beschouwd” dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. De tevoren gestelde hypothese ‘De spoelplaats (B) kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden aangenomen. Het aangetroffen barium, kobalt en nikkel gehalte wordt toegeschreven aan een natuurlijke oorsprong. De tevoren gestelde hypothese ‘De luchtwassysteem (C) kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen. Voor de geanalyseerde parameters sulfaat, ammonium en zwavel zijn geen toetsingscriteria in de Circulaire bodemsanering opgenomen. De tevoren gestelde hypothese ‘De werktuigenberging (D) kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen. Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de grove als in de fijne fractie van het puin is geen asbest aangetroffen.

In het kwalitatief onderzoek (zeeffractie <0,5 mm) is in geen van de mengmonsters asbest waargenomen. De tevoren gestelde hypothese ‘De puinverharding (E) kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Gezien het gebruik van de locatie zijn er geen directe risico's voor de omgeving. Het is echter wel aan te raden geen grondwater op te pompen. Tevens dienen (toekomstige) eigenaren en gebruikers geïnformeerd te worden over de onderhavige situatie. Te overwegen is een herbemonstering op nikkel uit te voeren. Bij een langere rusttijd bestaat onder andere een kans op verminderde concentraties metalen in het grondwater (= plaatsingseffect).

Voor de locatie WInterswijkseweg 59 is het volgende geconcludeerd: • Ter plaatse van de spoelplaats (B) is een licht verhoogd gehalte aan lood aangetoond. • Het grondwater over de gehele locatie is licht verontreinigd met barium en zink. • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. • De tevoren gestelde hypothese “De bestemmingsplanwijziging (A) kan op basis van het vooronderzoek als niet verdacht worden beschouwd” dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. • De tevoren gestelde hypothese ‘De spoelplaats (B) kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden aangenomen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. • Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de grove als in de fijne fractie van het puin/bodem is geen asbest aangetroffen.

In het kwalitatief onderzoek (zeeffractie <0,5 mm) is in geen van de mengmonsters asbest waargenomen. • De tevoren gestelde hypothese ‘De puinverharding (C) en druppelzone (D) kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen. • Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanherziening en nieuwbouwplannen. Gezien het gebruik van de locatie zijn er geen directe risico's voor de omgeving.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

27

De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik en vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Water Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen.

Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van: • een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); • water meer ruimte geven; • versterken van de ecologische waarden; • creëren van een vitaal watersysteem.

Ten aanzien van dit plan Waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over de plannen via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Het waterschap heeft deze conclusie bevestigd, mits geen mogelijkheid wordt geboden tot het afvoeren van afstromend hemelwater naar oppervlaktewater. Daarvan is bij dit plan geen sprake. Dit hemelwater wordt ter plaatse in de bodem geïnfiltreerd.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

28

De zogenaamde korte procedure is van toepassing. Dit houdt in dat zelfstandig een waterparagraaf wordt opgesteld zonder verder overleg met Waterschap Rijn en IJssel. Het resultaat van de digitale watertoets is toegevoegd als bijlage 8 en 9 bij deze toelichting. Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Het waterschap is in de gelegenheid gesteld om te adviseren op het ontwerpbestemmingsplan. Hieruit zijn geen bezwaren tegen het plan naar voren gekomen.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. In buitenstedelijk gebied geldt voor wegen, bestaande uit vijf of meer rijstroken een zone van 600 m, voor drie of vier rijstroken een zone van 400 m en voor wegen bestaande uit één of twee rijstroken een zone van 250 m, gemeten vanuit de as van de weg. Voor wegen binnen de bebouwde kom geldt een zone van 200 m. Binnen de zone moet in het geval van een nieuwe situatie met een geluidsgevoelige bestemming onderzoek worden verricht naar de optredende geluidsbelasting. Een aantal wegen heeft geen zone, te weten: • wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; • wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tot slot mogen omliggende bedrijven niet onevenredig in hun mogelijkheden worden belemmerd.

Ten aanzien van dit plan: Voor de bestaande woningen Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 geldt dat de agrarische bestemming wordt gewijzigd naar een woonbestemming, zonder dat de woningen als zodanig veranderen. Een nadere beoordeling van de geluidsbelasting veroorzaakt door industrie, railverkeer en wegverkeer is voor deze woningen in principe niet nodig. Voor de drie nieuwe woningen op het perceel Winterswijkseweg 59 geldt dat deze komen te liggen binnen de geluidzones van 250 meter van omliggende wegen. Daarvoor is notitie ‘Geluidbelasting vanwege wegverkeer’ opgesteld door Sain milieuadvies (zie bijlage 3). Hieruit komt naar voren dat de gecumuleerde geluidbelasting door het wegverkeer op deze woningen maximaal 42 dB bedraagt. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er zijn daarom geen procedures in het kader van de Wet geluidhinder nodig. Volledigheidshalve kan opmerkt worden dat in de directe omgeving van de nieuwe woningen geen gezoneerd industrieterrein aanwezig is. Industrielawaai is daarom sowieso niet aan de orde. Ook railverkeerlawaai is niet van toepassing op dit plangebied nu er geen spoorlijn in de directe nabijheid van het plangebied ligt. Omliggende agrarische en niet-agrarische bedrijven liggen op voldoende afstand van de nieuwe woningen (zie paragraaf 4.8).

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

29

4.6 Luchtkwaliteit Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5". Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.

Ten aanzien van dit plan Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van drie extra woningen. Het plan blijft dus ruimschoots onder de nibm-grens van 1.500 woningen en draagt daarom niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de in de Atlas Leefomgeving opgenomen kaarten met waarden voor NO2, PM10 en PM2,5. Uit die kaarten blijkt dat die waarden ter plaatse van de nieuwe woningen ruimschoots onder de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer liggen. Er is dus geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Daarnaast dient voor gebiedsbescherming rekening te worden gehouden met de provinciale omgevingsvisie en -verordening.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

30

Ten aanzien van dit plan Natura 2000 De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. Bij plannen moet vooraf de zekerheid worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Dat betekent dat nieuwe ontwikkelingen niet mogen leiden tot significant negatieve effecten. De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 475 meter van het Natura 2000-gebied Korenburgerveen (gemeten vanaf de locatie Steenkampweg 4). Op deze afstand zijn in het geval van voorliggende ontwikkeling effecten anders die van stikstof op voorhand uit te sluiten. Om te beoordelen wat de gevolgen zijn voor de stikstofdepositie zijn berekeningen met AERIUS Calculator uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase voor de beoogde situatie (zie bijlage 7). Daaruit komt naar voren dat de aanlegfase als zodanig tijdelijk resulteert in een kleine toename van de stikstofdepositie, maar dat deze toename afgezet tegen de referentiesituatie (waarbij nog sprake is van onder meer de ammoniakemissie van dieren) volledig wegvalt. Per saldo is er sprake van een forse afname van de stikstofdepositie. Daarmee is aangetoond dat de aanleg- en gebruiksfase in de beoogde situatie ten opzichte van de referentiesituatie niet leiden tot nadelige effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden.

Afbeelding 19: ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied Korenburgerveen

Gebiedsbescherming GNN/GO Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Hiervoor zijn instructieregels gesteld in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kennen geen externe werking.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

31

Afbeelding 20: ligging van GNN/GO in omgeving plangebied

Soortenbescherming Door Natuurbank Overijssel is voor beide locaties een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De resultaten van de quickscans zijn opgenomen in het onderzoeksrapport met nummer 4485, versie 1.0 d.d. 7 juli 2023 (zie bijlage 4). Uit het onderzoeksrapport volgende onderstaande bevindingen en conclusies: • De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. • Het deelgebied Steenkampweg 4 wordt door beschermde diersoorten uitsluitend benut als foerageergebied. • Het deelgebied Winterswijkseweg 59 wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of verblijfplaats, maar gebruiken het wel als foerageergebied. • Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Indien de ruigte wordt verwijderd, de kapschuur gesloopt en de sloopwerkzaamheden van de meest westelijk gelegen stal aan de Winterswijkseweg 59 uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. • Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. • Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

32

Slotconclusie natuurbescherming Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.

Ten aanzien van dit plan

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

Werkelijke afstand

Winterswijkseweg 53a Winterswijkseweg 55-57 Winterswijkseweg 66

Categorie

Fokken en houden van varkens Fokken en houden van rundvee en varkens Fokken en houden van rundvee, varkens en paarden Smeedwerk/metaalbewerking Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van rundvee

Gevaar

Steenkampweg 1-1a Steenkampweg 2 Steenkampweg 3

Geluid

Omschrijving

Stof

Adres

Geur

De omgeving van het perceel is te omschrijven als landelijk gebied. In de directe omgeving zijn enkele agrarische bedrijven gelegen en een enkel niet-agrarisch bedrijf. Zie onderstaande tabel voor de beschrijving van deze bedrijven en de afstand ten opzichte van de meest nabijgelegen nieuwe woning. Voor de bestaande woningen hoeft die afstand niet te worden bepaald, omdat hier nu al een woonfunctie is toegestaan. De tabel toont per bedrijf de richtafstand per onderdeel (geur, stof, geluid en gevaar) en de bijbehorende milieucategorie.

200 200 200

30 30 30

50 50 50

0 0 0

4.1 4.1 4.1

210 80 540

50 100 100

30 30 30

100 30 30

30 0 0

3.2 3.2 3.2

410 290 110

33

Zoals uit de tabel valt af te leiden wordt ten opzichte van de nieuwe woningen met uitzondering van de veehouderij Steenkampweg 2 voldaan aan de richtafstanden. Daarop moet echter wel de nuancering worden gemaakt, dat de richtafstanden voor het onderdeel geur niet gelden voor veehouderijen. Hierop is specifieke wetgeving van toepassing, die voorrang heeft op de richtafstanden. Zoals blijkt uit paragraaf 4.10 wordt voldaan aan de geurwetgeving (ook voor de veehouderij Steenkampweg 2, die daarnaast eveneens voldoet aan de richtafstanden voor de overige onderdelen), zodat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen optreden. Omliggende bedrijven worden niet onevenredig belemmerd door de ontwikkeling en ter plaatse van de nieuwe woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.

Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: •

•

Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

34

Ten aanzien van dit plan Binnen het plangebied zullen geen activiteiten met en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van omliggende woningen. Andersom moet wel worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van risicobronnen, die mogelijk een belemmering kunnen vormen voor de met voorliggend bestemmingsplan beoogde ontwikkeling. Hiervoor is de risicokaart geraadpleegd (zie afbeelding 21).

Afbeelding 21:: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat er op korte afstand van het plangebied geen risicobronnen in de vorm van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Op een afstand van circa 870 meter bevindt zich in westelijke richting een mengvoederfabriek en op een afstand van circa 1500 meter in noordelijke richting een windturbine. Het plangebied bevindt zich buiten de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6/jaar, de effectafstanden voor LPG-tankstations en de invloedsgebieden voor het groepsrisico. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Geur Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

35

Een gemeente kan middels een geurverordening de normen wijzigen. De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden. Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Voor de omgeving waarin de projectlocatie is gelegen gelden de “standaardnormen”.

Ten aanzien van dit plan: In de omgeving zijn enkele agrarische bedrijven aanwezig (zie paragraaf 4.8). Voor voormalige agrarische bedrijfswoningen na 19 maart 2000 en voor ruimte-voor-ruimte-woningen geldt op grond van de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit een minimumafstand van 50 meter. De meest nabijgelegen veehouderij bevindt zich op een afstand van 110 meter van de nieuwe woningen (gemeten vanuit de grens van het agrarisch bouwvlak). Dat betekent dat alle omliggende veehouderijen ruimschoots voldoen aan de minimumafstand van 50 meter, zodat deze bedrijven niet worden belemmerd door de ontwikkeling. Andersom mag bij het voldoen aan de minimumafstand in beginsel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden verondersteld. Vanwege de aanwezigheid van een intensieve veehouderij op relatief korte afstand van de beoogde extra woningen en meerdere andere intensieve veehouderijen op grotere afstand is een uitgebreid geuronderzoek uitgevoerd. Daaruit komt naar voren dat de berekende achtergrondbelasting ter plaatse van de beoogde woningen maximaal 13,41 OUe/m3 bedraagt. Deze achtergrondbelasting is op grond van de rechtspraak nog ruimschoots aanvaardbaar te achten (een achtergrondbelasting van maximaal 20 OUe/m3 is volgens de lijn van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geen probleem).

Verder is voor de nabijgelegen rundvee- en varkenshouderij een voorgrondbelasting van maximaal 9,0 OUe/m3 op de beoogde woningen berekend. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de hier geldende geurnorm van 14 OUe/m3. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 Verkeer en parkeren De locatie Steenkampweg 4 is en blijft ontsloten op de Steenkampweg. De inrit blijft ongewijzigd. Het aantal verkeersbewegingen zal in de beoogde situatie afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Dit omdat het agrarisch bedrijf verdwijnt (met veehouderijbedrijf). Er worden op deze locatie geen extra woningen gerealiseerd, zodat er sprake is van een gelijkblijvende parkeerbehoefte. Daarbij is nu en in de toekomst sprake van voldoende parkeercapaciteit. De locatie Winterswijkseweg 59 is en blijft ontsloten op de Winterswijkseweg en Steenkampweg. De bestaande woning blijft net als nu ontsloten op de Winterswijkseweg. De drie nieuwe woningen worden ontsloten op de Steenkampweg, waarbij gebruik wordt gemaakt van de inrit die nu nog voor het bedrijf wordt gebruikt. Ook op deze locatie neemt het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie af ten opzichte van de huidige situatie door het verdwijnen van het agrarisch bedrijf. Het gaat hierbij vooral om het niet langer van en naar het bedrijf rijden met zwaar verkeer. Ten aanzien van parkeren kent de gemeente Oost Gelre de Nota parkeernormen Oost Gelre. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen.

De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

36

Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Voor een vrijstaande woning (koop) in het buitengebied geldt een norm van minimaal 2,4 parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie is het erf dermate ruim, dan hier ruim aan wordt voldaan. In het bestemmingsplan is een regeling opgenomen, waarin wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota of een rechtsopvolger daarvan. Expliciet is aangegeven dat ook een rechtsopvolger het kader kan vormen. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader.

In de parkeernota is ook aangesloten op de bepalingen die waren opgenomen in de bouwverordening, maar door de recente wetswijziging zijn vervallen. Voor specifieke gevallen is een afwijkingsbevoegdheid (onder voorwaarden) opgenomen. Door het laten doorwerken van deze parkeerbepaling in alle geldende plannen is het wegvallen van de parkeerregels door de wetswijziging, hersteld. Geconcludeerd kan worden dat verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Kabels en leidingen Rondom het plangebied zijn verschillende algemene nutskabels en -leidingen aanwezig. Met een zogenaamde klicmelding krijgt initiatiefnemer alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen. Er bevinden zich in of nabij het plangebied geen kabels of leidingen waarvoor in het bestemmingsplan een beschermende regeling moet worden opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat kabels en leidingen geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

37

5 WIJZE VAN BESTEMMEN 6.1 Inleiding Dit bestemmingsplan is een ontwikkelingsplan, waarbij gekozen is voor een gedetailleerde bestemmingsregeling passend bij de geplande ontwikkelingen en waarbij aansluiting is gezocht met het geldende vastgestelde bestemmingsplan (moederplan). Dit biedt voldoende rechtszekerheid voor de burger.

6.2 Toelichting op de regels 6.2.1 Plansystematiek De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn: Hoofdstuk 1: Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de (dubbel) bestemmingen vastgelegd. Per bestemming wordt het toegestane gebruik geregeld en eventueel bouwregels opgesteld. In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen van toepassing: de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. Hoofdstuk 3: Algemene regels In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen - dat wil zeggen het gehele bestemmingsplan betreffend - karakter. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

6.2.2 Specifieke planregels per locatie Steenkampweg 4 De locatie Steenkampweg 4 krijgt de bestemming ‘Wonen’. Hier is één vrijstaande woning toegestaan. De locatie van de woning is op de verbeelding opgenomen met een bouwvlak. Voor de bijbehorende bouwwerken bij is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – agrarisch medegebruik’ opgenomen. De totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag maximaal 350 m2 of het oppervlak aan bestaande bijbehorende bouwwerken bedragen. Dit oppervlak bedraagt in de bestaande situatie 387 m2 en is daarmee toegestaan op grond van dit bestemmingsplan. De delen van het oorspronkelijke (agrarische) bouwvlak die in de nieuwe opzet geen onderdeel uitmaken van de bestemming ‘Wonen’ krijgen dezelfde bestemming als de omliggende landbouwgronden: ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch Parapluplan Archeologie.

verwachtingsgebied 4‘ is overgenomen uit het geldende

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

38

Het perceel dient landschappelijk ingepast te worden. Hiervoor is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze houdt in dat dit inrichtingsplan gerealiseerd moet worden en na aanleg in stand moet worden gehouden. Winterswijkseweg 59 De locatie Winterswijkseweg 59 krijgt de bestemming ‘Wonen’. Hier zijn vier vrijstaande woningen toegestaan. De locatie van de woningen is op de verbeelding opgenomen met bouwvlakken. Uitgangspunt is dat bijbehorende bouwwerken inpandig in de woning worden gerealiseerd of in ieder geval aan elkaar gebouwd. Het bestemmingsvlak ‘Wonen’ wordt ten opzichte van het oorspronkelijke agrarisch bouwvlak tot aan de Winterswijkseweg verlengd, zodat ook de tuin binnen de bestemming ‘Wonen’ komt te liggen. Voor de plekken binnen het bestemmingsvlak waar het niet wenselijk is om bijgebouwen te bouwen, is de aanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’ opgenomen. Gezien de locatiespecifieke omstandigheden, waarbij een traject is doorlopen om te komen tot een zorgvuldige stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing, en mede gezien de ligging in het buitengebied en de wens om verrommeling en verdere verstening van het erf aan banden te leggen, is het opportuun om de bebouwingsvrije mogelijkheden uit het Besluit omgevingsrecht in te perken. Hiermee wordt recht gedaan aan met name het gemeentelijk landschapsbeleid.

De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologisch waardevol gebied 2’, ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 1’ en ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 4’ zijn overgenomen uit het geldende Parapluplan Archeologie. Het perceel dient landschappelijk ingepast te worden. Hiervoor is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze houdt in dat dit inrichtingsplan gerealiseerd moet worden en na aanleg in stand moet worden gehouden.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

39

7 ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Aanvankelijk bestond het plan om op beide locaties de agrarische bedrijfsvoering te beëindigen, de gebouwen te slopen en zogenaamde woondroebels te ontwikkelen voor in totaal tien nieuwe woningen. Wegens gebrek aan maatschappelijk draagvlak is in overleg met de gemeente besloten om niet verder te gaan met deze ontwikkeling en in plaats daarvan voor een ontwikkeling met minder impact voor de omgeving te gaan in de vorm van drie nieuwe woningen. Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij de gewenste ontwikkelingen zijn geen rijks- en provinciale belangen in het geding. Ook het waterschapsbelang komt niet in het geding. Een voorontwerpbestemmingsplan wordt dan ook niet aan de overlegpartners toegezonden. De partners hebben kunnen reageren op het ontwerpbestemmingsplan.. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Het ontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd (van 17 november tot en met 28 december 2023), waarbij een ieder in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Het bestemmingsplan is daarom ter vaststelling aan de gemeenteraad voorgelegd. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het besluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Economische uitvoerbaarheid Het plan is een particulier initiatief. De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van het bestemmingsplan zijn voor rekening van initiatiefnemer. Hiervoor is een anterieure overeenkomst met de gemeente afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Door deze overeenkomst is er geen financieel risico voor de gemeente.

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

40

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Verkennend bodem – en asbestonderzoek Steenkampweg 4 Verkennend bodem – en asbestonderzoek Winterswijkseweg 59 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Quickscan natuurwaarden Landschappelijke inpassing Geuronderzoek veehouderijen Stikstofonderzoek Resultaat Digitale Watertoets Steenkampweg 4 Resultaat Digitale Watertoets Winterswijkseweg 59

Toelichting bestemmingsplan Steenkampweg 4 en Winterswijkseweg 59 Vragender

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13841298/1