CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp smidshof toelichting

Gemeenteraad 2 juli 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan ‘Woonwijken Lichtenvoorde, ’t Smidshof’16.368 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Lucht

De Wet milieubeheer biedt het kader om te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Een uitzondering op deze verplichting om de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen op de luchtkwaliteit mee te wegen, vormen bepaalde typen projecten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het begrip NIBM is uitgewerkt in het "Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)", en de bijbehorende "Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)". Een plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de "3% grens" niet wordt overschreden. Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1.2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. De Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen een invulling aan de NIBM grens. Indien er binnen de getalsmatige begrenzing van de Regeling wordt gebleven, is er geen nader onderzoek nodig. Bij de ruimtelijke ontwikkeling is er dan automatisch sprake van een niet in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Planspecifiek Op en rondom het plangebied is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (nibm) is in dit geval van toepassing. De aanvraag heeft betrekking op de realisatie van 12 woningen (planologische toevoeging van 11 woningen). Dit betekent 69,3 per weekdagetmaal. Het woonmilieutype is Centrum-dorps. Lichtenvoorde heeft minder dan 10.000 inwoners en er is < 75% groenoppervlak in het dorp zelf.

28

planstatus: Vastgesteld

De grens in de regeling ligt bij 1500 woningen met een enkele ontsluitingsweg of 3000 woningen met twee ontsluitingswegen. De ontwikkeling zal daar ruimschoots onder blijven. Een berekening van de gevolgen voor de luchtkwaliteit laat zien dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De ruimtelijke procedure heeft bovendien geen betrekking op de ontwikkeling van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect lucht. 4.1.4

Bedrijfs- en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid gebruik te maken van de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom is deze publicatie te gebruiken voor het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in een woon- of werkomgeving. De publicatie geeft informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op elkaar af te stemmen. In bijgevoegde tabel zijn de afstanden uit de publicatie van de VNG weergegeven. Afstand

Code

10

1

30

2

50

3.1

100

3.2

200

4.1

300

4.2

500

5.1

700

5.2

1000

5.3

1500

6

Tabel met afstanden uit de VNG publicatie

planstatus: Vastgesteld

29

Het is niet de bedoeling om de in deze publicatie genoemde richtafstanden zonder meer toe te passen. De afstanden zijn namelijk afhankelijk van de omgevings- en bedrijfskenmerken. Dit leidt tot een gemotiveerd toepassen van de afstanden. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de perceelgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied zijn. Gemengd gebied In bepaalde gevallen kan worden gemotiveerd dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’. Dit is het geval wanneer in een gebied meerdere functies bij elkaar in de buurt zijn gevestigd, bijvoorbeeld langs een dorpslint of nabij een grote ontsluitingsweg. Bij een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Het kan zo zijn dat specifieke wet- en regelgeving andere afstanden voorschrijft. Deze gaan dan voor de afstanden uit de VNG-publicatie. Te denken valt aan de Wet geurhinder en veehouderij, het Activiteitenbesluit of het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Planspecifiek De omgeving van het plangebied betreft een gemengd woongebied. In de omgeving van het plangebied bevindt het kinderdagverblijf de Zandschoppe.

Voor het kinderdagverblijf geldt voor het aspect geluid een afstand van 10 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand voor het gemengd woongebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is er wel een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hier is nader op ingegaan onder het aspect geluid. Uit de berekeningen is gebleken dat aan de grenswaarden voor geluid wordt voldaan. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bedrijven- en milieuzonering. 4.1.5

Geur

Voor de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling moet de geuruitstoot (emissie) van omliggende (agrarische) bedrijven worden onderzocht. Bij geurbelasting (of immissie) gaat het om de hoeveelheid geur (uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht), die op een geurgevoelig object terecht komt. Bij het afwegen welke afstand voldoende is tussen geurbronnen en geurgevoelige objecten moet rekening worden gehouden met de ligging van de geurcontour behorend bij het aanvaardbare hinderniveau. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die raakvlakken hebben met mogelijke geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactor. Dieren met geuremissiefactoren (niet-vaste afstandsdieren) Voor dieren waarvoor een geuremissiefactor is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), wordt de geurhinder beoordeeld aan hand van artikel 3 van de Wgv. In dat geval mag de geurbelasting op een ‘geurgevoelig object’ een bepaalde waarde niet overschrijden en gelden minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen. In bijgevoegde tabel zijn de normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor weergegeven. Locatie geurgevoelig object:

Maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht):

concentratiegebied binnen bebouwde kom

3,0 ouE/m3

30

planstatus: Vastgesteld

concentratiegebied buiten bebouwde kom

14,0 ouE/m3

niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom

2,0 ouE/m3

niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom

8,0 ouE/m3

Tabel met normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor (bron: Wgv)

Dieren waarvoor geen geuremissie is vastgelegd vallen onder de vaste afstandsdieren. Dieren zonder geuremissiefactoren (vaste afstandsdieren) Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rgv, wordt de geurhinder beoordeeld op grond van artikel 4, van de Wgv. In dat geval dient tenminste een minimale afstand tussen veehouderij en ‘geurgevoelig object’ te worden aangehouden. Het gaat hierom de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van het geurgevoelig object. De afstanden betreffen binnen de bebouwde kom 100 m en buiten de bebouwde kom 50 m. Planspecifiek In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die geurhinder kunnen veroorzaken. Het betreft een inbreidingslocatie waarbij agrarische geurhinder gezien de afstand tot veehouderijen niet speelt. Industriële geurbronnen en horecabedrijven liggen eveneens op voldoende afstand om zonder verder onderzoek geurhinder te kunnen uitsluiten. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd door de ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur. 4.1.6

Externe Veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);

•

de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);

•

het Registratiebesluit externe veiligheid;

•

het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);

•

het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);

•

de Regeling basisnet;

•

de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

•

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

planstatus: Vastgesteld

31

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Planspecifiek Risicokaart Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op bijgevoegde afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.

Uitsnede risicokaart, plangebied rood aangeduid (bron: signaleringskaart)

Zoals uit bijgevoegde afbeelding blijkt, ligt het plangebied niet binnen 300 meter van een plaatsgebonden risico van een risicobron. Hiermee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een risicobron. Het groepsrisico hoeft daarom niet verantwoord te worden. Advies van de veiligheidsregio is voor dit plan niet wettelijk verplicht en ook niet nodig. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid. 4.1.7

32

Vormvrije m.e.r. beoordeling

planstatus: Vastgesteld

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de “moederprocedure”. Dit is in dit geval de bestemmingsplanprocedure. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Planspecifiek Het voorliggende plan voorziet in het realiseren van 12 duurzame woningen (planologische toevoeging van 11 woningen).

Dit betreffen vier bouwkavels voor vrijstaande woningen en acht hofwoningen, gestapeld en twee-aan-een geschakeld. Het plan blijft daarmee (ver) onder de drempel van een project met 2.000 woningen (Besluit m.e.r. bijlage D11.2). Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 2 van dit plan ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 4 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in dit plan geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening worden gehouden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan moet worden opgenomen.

Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in planstatus: Vastgesteld

33

1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Planspecifiek Cultuurhistorie Het voorliggende plan voorziet in het realiseren van 12 duurzame woningen (planologische toevoeging van 11 woningen). Dit betreffen vier bouwkavels voor vrijstaande woningen en acht hofwoningen, gestapeld en twee-aan-een geschakeld. In het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. De huidige vrijstaande woning in het plangebied is geen monument of cultuurhistorisch waardevol. Ook in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle objecten waar het plan een effect op kan hebben. Archeologie Het voorliggende plan voorziet in het realiseren van 12 duurzame woningen (planologische toevoeging van 11 woningen). Dit betreffen vier bouwkavels voor vrijstaande woningen en acht hofwoningen, gestapeld en twee-aan-een geschakeld. Ter plaatse van het plangebied geldt de ‘Waarde – Archeologisch verwachting 2’. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd.

De rapportage van het archeologische onderzoek is weergegeven in bijlage 4. Resultaten archeologisch onderzoek KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie aan de Varsseveldseweg 63 in Lichtenvoorde (gemeente Oost Gelre). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouwplannen. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke, archeologische verwachtingskaart is aan het plangebied grotendeels een middelmatige archeologische verwachting toegekend. Voor het noordelijke deel geldt een hoge verwachting voor de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek kan deze verwachting nader worden gespecificeerd per periode en bijgesteld. Op basis van de landschappelijke ligging in een relatief laaggelegen dekzandvlakte met welvingen en het ontbreken van (aanwijzingen voor) vuursteenvindplaatsen in de directe omgeving is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. In de loop van de prehistorie is het plangebied onderdeel geworden van een veengebied en vormde het geen geschikte bewoningslocatie.

Op basis daarvan is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Het plangebied is nog tot in de 19e eeuw onderdeel van het veen(heide)gebied. Ten noorden van het plangebied lag een strook heide met stuifduinen waar de doorgaande route/weg van Lichtenvoorde naar Varsseveld lag. Ten noorden van deze weg lagen de oude kampontginningen. De begrenzing van de oude kampontginningen lag dus ten noorden van het plangebied. In het plangebied worden daarom geen bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd verwacht en geldt een lage verwachting voor deze periode. Het advies is om voor het plangebied uit te gaan van het nieuwe archeologiebeleid dat in 2020 door de gemeente is vastgesteld en het Parapluplan Archeologie uit 2022. De lage archeologische verwachting voor het plangebied wordt op basis daarvan vertaald in de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 4. In deze categorie worden bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 0,3 m vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Op basis van de omvang van het nieuwbouwplan (vier vrijstaande en een hofje met tien woningen) zal de oppervlaktegrens van 5.000 m2 niet worden

34

planstatus: Vastgesteld

overschreden. KSP Archeologie adviseert dan ook geen vervolgonderzoek voor de realisatie van het project ’t Smidshof & lintbebouwing Varsseveldseweg in Lichtenvoorde. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie en archeologie.

4.3

Flora en fauna

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming richt zich op de bescherming van gebieden. In de Wet natuurbescherming zijn Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) beschermd. Naast deze drie soorten gebieden is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland van belang. In Gelderland betreft dit het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Dit is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones die tussen de natuurgebieden liggen. Het natuurnetwerk draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;

•

verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;

•

verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming Voorts is in de Wet natuurbescherming de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren geregeld: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Onderzocht moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook voor het voorliggende plan, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Planspecifiek Gebiedsbescherming Natura 2000 Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website https://www.natura2000.nl/gebieden/gelderland geraadpleegd. Op bijgevoegde screenshot van die website zijn de eventuele aanwezige Natura-2000 gebieden rondom het plangebieden weergegeven. Natura 2000 gebieden hebben een externe werking.

planstatus: Vastgesteld

35

Uitsnede natuurkaart Nederland (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden/gelderland)

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het Korenburgerveen, bevindt zich op meer dan 4 kilometer afstand ten oosten van de onderzoekslocatie. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen binnen het plangebied zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een Aerius berekening uitgevoerd voor de sloop- en aanlegfase. De Aerius-berekening (bijlage 5) laat zien dat er voor de aanlegfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich op meer dan 1 kilometer afstand ten noorden en ten zuiden van het plangebied.

Op bijgevoegde luchtfoto is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

36

planstatus: Vastgesteld

Ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron: provincie Gelderland).

Het plangebied is gelegen op meer dan 1 kilometer afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het plan niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone niet aan de orde. Flora en Fauna Quickscan Er zijn plannen voor woningbouw op een perceel aan de Varsseveldseweg 63 te Lichtenvoorde. Het voornemen bestaat de huidige bebouwing op het erf te amoveren om vervolgens 10 grondgebonden woningen te bouwen. Om de bouw mogelijk te maken, dient een deel van de aanwezige beplanting verwijderd te worden en dient een vijver gedempt te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen (zie ook bijlage 6). In deze paragraaf zijn de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd.

Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven Het plangebied is in de periode augustus 2023 – juli 2023 meermaals bezocht en onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Er is specifiek onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van

planstatus: Vastgesteld

37

vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone en Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten GNN/GO hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de beleidsregels voor bescherming van GNN/GO omdat de bescherming geen externe werking kent. Gelet op de aard van de activiteiten en de afstand tussen plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten worden. Deze conclusie wordt getrokken op basis van vergelijkbare bouwprojecten, qua omvang èn afstand tot Natura 2000gebied en de uitgevoerde AERIUS calculatie (zie bijlage 5). Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied, maar benutten het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsslocatie’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier opzettelijk gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor beschermde diersoorten af, dit leidt echter niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect flora en fauna.

4.4

Verkeer

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersstructuur inzichtelijk te worden gemaakt. Het plan betreft het realiseren van 12 woningen (planologische toevoeging van 11 woningen) waaronder de typen vrijstaande woningen en hofwoningen. Verkeersontsluiting De woningen en de parkeerplaatsen binnen het plangebied zijn te bereiken via de Varsseveldseweg en de Derde Broekdijk. De ontsluiting van de vrijstaande woningen vindt plaats via de Varsseveldseweg waar de inritten op uit komen. Iedere vrijstaande woning krijgt een eigen inrit. De fietsverbinding langs de Varsseveldseweg blijft in tact. Zo kan het gebied veilig en overzichtelijk ontsloten worden. De ontsluiting van de hofwoningen gebeurd via de Derde Broekdijk. Hiervoor wordt de bestaande inrit verplaatst door een nieuwe brug met duiker aan te leggen als gezamenlijke toegang voor de woningen.

38

planstatus: Vastgesteld

De ontwikkeling van het plangebied zal gepaard gaan met een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Om deze toename te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van het CROW. Vanuit de CROW Toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeernormen en verkeersgeneratie valt de gemeente Oost Gelre onder ‘weinig stedelijk’. De locatie valt onder rest bebouwde kom. In het plan gaat het om 4 woningen ‘koop etage midden’ en 4 woningen’ 2 onder 1 kap’. Voor deze type woningen in dit type plangebied geldt de volgende verkeersgeneratie: In totaal zullen de woningen zorgen voor een verkeersgeneratie tussen de 53 en 59 per weekdag. Op maandag tot en met vrijdag ligt dit aantal iets hoger (x1,11). Dan zullen er tussen de 59 en 66 verkeersbewegingen zijn. Deze 8 woningen zullen worden ontsloten op de Derde Broekdijk. Een ontsluiting via de Derde Broekdijk is overzichtelijk en deze toename van ritten past goed binnen de inrichting van een erftoegangsweg. De weg heeft voldoende capaciteit om deze toename in het aantal verkeersbewegingen op te vangen. Parkeren Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is geregeld in het bestemmingsplan ‘Facetbestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 5 juni 2018. Dit bestemmingsplan regelt de parkeernormen voor de gemeente Oost Gelre.

Nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan de parkeernormen uit de ‘Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre’. Het voorliggende plan voorziet in het realiseren van 12 duurzame woningen (planologische toevoeging van 11 woningen). Dit betreffen vier bouwkavels voor vrijstaande woningen en acht hofwoningen, gestapeld en twee-aan-een geschakeld. Voor het plangebied gelden de parkeernormen voor het gebied ‘rest bebouwde kom’. Voor het plangebied gelden vanuit het facetbestemmingsplan de parkeernormen voor het gebied ‘rest bebouwde kom’. In bijgevoegde tabel zijn de parkeernormen voor de verschillende woningtypen uitgewerkt. Woningtype

Aantal

Norm (per woning)

Aantal parkeerplaatsen

Koop vrijstaand

4

2,3

9,2

Koop etage midden

4

1,9

7,6

Koop, twee-onder-een kap

4

2,2

8,8

Totaal benodigd

25,6 (afgerond 26)

Zoals in de tabel is weergegeven moeten binnen het plangebied 26 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De parkeerplaatsen voor de vrijstaande woningen worden opgevangen op de kavels. Hiertoe is voldoende ruimte. De rest van de parkeerplaatsen worden centraal en geclusterd aangelegd voor de hofwoningen. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.

4.5

Water

Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doen we door het (grond)waterpeil te beheren,

planstatus: Vastgesteld

39

rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 zien ze de opgave om ons gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werken ze toe naar een andere balans van vasthoudenbergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 hebben ze de doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Ze zorgen voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat ze daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. Ze voeren beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Zij willen in het uitvoeren van de primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering.

Daarbij willen ze in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen ze voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Zij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met partners zoals gemeenten en provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken ze de (digitale) watertoets. Beoordeling initiatief Voor de uitvoerbaarheid van het plan is de digitale watertoets ingevuld, zie ook bijlage 7. Uit de watertoets blijkt dat er een kernzone van een beschermde nabij het plangebied ligt.

40

planstatus: Vastgesteld

In de kernrandzone maar ook beschermingszone mogen er geen ontwikkelingen plaatsvinden zonder een watervergunning. Het is nodig dat de bestaande duiker voor de inrit aan de derde Broekdijk wordt verplaatst. Er wordt voor een volgende fase daarom een watervergunning aangevraagd. Klimaatadaptatie en wateroverlast In het plangebied wordt een wadi aangelegd. Hemelwater wordt eerst geïnfiltreerd in de bodem, waar het overige wordt geleid naar de wadi’s om daar geleidelijk weg te kunnen zakken in de grond. Waar bewoners de wens hebben kunnen voor hemelwateropvang (t.b.v. het besproeien van tuinen e.d.) regentonnen worden geplaatst. De woningen worden zoveel mogelijk tussen de bestaande bomen gebouwd. Kleinere bomen met weinig landschapswaarde verdwijnen. We behouden de grotere meer volwassen bomen. Deze worden ingepast in het gebied. Met de ecoloog, landschapstontwerper (en bomenbehoudgroep uit Lichtenvoorde) is hierover in het voortraject overleg gevoerd. Het landschapsplan geeft dit ook weer (zie bijlage 1 bij deze toelichting). Het gebied ontvangt een groene uitstraling en door het behoud van de bomen wordt hittestress tegengegaan.

planstatus: Vastgesteld

41

Voor specifiek ’t Smidshof is in dit bestemmingsplan (zie ook de verbeelding en landschappelijke inpassing die hier onderdeel va uitmaakt) vastgelegd hoe er wordt omgegaan met oppervlakte verharding. De bestemmingsvlakken wonen zijn heel specifiek vastgelegd om zoveel mogelijk groen in het gebied te borgen. Afvalwaterketen Er wordt een nieuwe uitlegger voor afvalwater aangelegd voor de achterste woningen in het plangebied. Hier worden de woningen met huisaansluitingen voor het afvalwater op aangesloten. De woningen aan de voorzijde van het plangebied (vrije kavels) kunnen op het bestaande rioleringssysteem worden aangesloten. De bestaande capaciteit van de gemeentelijke riolering dient dit op te kunnen vangen. Grondwater Het grondwaterpeil ligt op GLG -1.85 m-mv en GHG -0,64 m-mv. Dit is op basis van de twee geplaatste peilbuizen (zie ook het bodemonderzoek) gemeten. De locatie ligt circa 20 m boven NAP. De wadi’s worden maximaal 1 m tot 50 cm diep. Dit betekent dat het huidige maaiveld voldoende hoog ligt om infiltratie binnen het plangebied te hebben. Geadviseerd wordt het vloerpeil van de bebouwing in ieder geval minimaal 30 cm boven straatpeil te realiseren. Hiermee is ruim voldoende ontwateringsdiepte aanwezig, maar wordt ook gezorgd dat water op het maaiveld niet direct leidt tot wateroverlast in de woningen.

Daarnaast mag er als gevolg van de ontwikkeling geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan. Door het realiseren van de wadi’s wordt de toename van afstromend hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak volledig gecompenseerd. Vanuit de wadi’s kan het hemelwater infiltreren in de bodem. Hiermee wordt het grondwater aangevuld. Er wordt in de eerste instantie geen aansluiting gerealiseerd t.b.v. 42

planstatus: Vastgesteld

overstort op de nabijgelegen watergang die in het beheer is van het waterschap. De waterdoorlatendheid van de bodem is voldoende om dit op te vangen. Mocht dit vooralsnog wenselijk zijn vanuit het waterschap, dan kan hier in een latere fase, bij een aanvraag voor een watervergunning, eventueel overleg over plaatsvinden. Waterveiligheid/overstromingsrisicoparagraaf Het plan ligt niet in een overstroombaar gebied. Onder overstroombaar gebied worden gebieden verstaan die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Het plan ligt niet binnen de beschermingszone van een primaire waterkering. Het plan ligt niet binnen de beschermingszone van een primaire waterkering. Het plangebied ligt wel nabij een beschermingszone en kernrandzone van een watergang in het beheer van het waterschap.

Bui 1 x per 100 jaar, korte bui

Bui 1 x per 1000 jaar, korte bui

De kaart laat zien waar een korte extreem hevige bui leidt tot grote plassen water op straat, in tuinen en op het land. Hoe donkerder de blauwe kleur, hoe dieper de plas. Het zijn klimaatbuien voor 2050. Voor de korte bui 1 x per 100 jaar heeft de locatie een risico. Het plan ligt in een gebied waar namelijk bij een korte bui water kan blijven staan. Bij kortdurende en langdurige hevige neerslag T=100 + 10% is de afvoercapaciteit van het watersysteem op dit moment niet voldoende. Er blijft water op het maaiveld staan van 20 tot 30 cm. Wat dat betreft is het noodzakelijk om op de locatie wadi’s aan te leggen. Maar ook om de woningen zeker 30 cm hoger te plaatsen dan het maaiveldniveau op de plekken waar overstroming voor een korte bui aan de orde kan zijn. Dit zal ook een wezenlijke bijdrage leveren aan het tegengaan van wateroverlast voor de omgeving.

planstatus: Vastgesteld

43

Bui 1 x per 1000 jaar, lange bui

Bui 1 x per 1000 jaar, lange bui

De kaart laat zien waar een lange extreemhevige bui leidt tot grote plassen water op straat, in tuinen en op het land. Hoe donkerder de blauwe kleur, hoe dieper de plas. Voor beide type buien heeft de locatie hier geen risico. In het plangebied worden wadi's aangelegd. Hemelwater wordt eerst geïnfiltreerd in de bodem, waar het overige wordt geleid naar de wadi’s om daar geleidelijk weg te kunnen zakken in de grond. Hemelwaterberekening De hemelwaterberekening is opgenomen in de bijlage 7 van de watertoets. Hieruit blijkt dat er voldoende capaciteit is in het plangebied om hemelwater op te vangen en te infiltreren in de bodem. Conclusie Het plan is uitvoerbaar op voor het aspect water.

4.6

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het voorliggende plan heeft voor de gemeente Oost Gelre geen financiële consequenties, aangezien de plannen voor rekening en risico van de initiatiefnemer komen. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een realiseringsovereenkomst getekend waardoor onder andere eventuele planschadekosten op de initiatiefnemer verhaald kunnen worden. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar. 44

planstatus: Vastgesteld

4.7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er zijn in het voortraject een aantal overleggen geweest met de buurtbewoners. De verslaglegging hiervan is gedeeld met de gemeente Oost Gelre. Door een paar buren is er op eigen initiatief een enquête gehouden in de buurt. Een paar buurtbewoners heeft middels enquête zorgen geuit over het behoud van bomen op het perceel. Daarom is samen met de initiaitiefnemer, de ecoloog en de bomenbehoudgroep Lichtenvoorde een bezoek gebracht aan het perceel om dit nogmaals goed in beeld te brengen. Een aantal buren heeft ook zorgen geuit over een toename van het aantal verkeersbewegingen vanwege de woningen die bereikbaar worden vanuit de Derde Broekdijk. Het gebied aan de achterzijde van het plangebied kan worden getypeerd als rustige woonwijk. Er komen hier 8 woningen bij. Dit geeft geen belemmeringen vanuit het oogpunt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conform de cijfers van het CROW en ook conform de gebiedstypering vanuit de VNG bedrijven en milieuzonering kan worden gesteld dat er ruim binnen de kaders van verkeersgeneratie voor het type rustige woonwijk. Een inloopavond wordt/is tijdens de ter inzage legging met de buurt georganiseerd. Daar zijn/is bovenstaande onderwerpen nader besproken met de omgeving.

planstatus: Vastgesteld

45

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen 5.1

Algemeen

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: •

de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en

•

de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2. het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook van toepassing voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid. Opbouw van de regels Het bestemmingsplan is conform de daaraan te stellen wettelijke eisen zoals vastgelegd in de Standaard voor Bestemmingsplannen 2012 opgesteld. De regels hebben een vaste opbouw en de hoofdstukken zijn als volgt verdeeld: Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1).

Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

46

planstatus: Vastgesteld

en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. Hoofdstuk 3 Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsen wijzigingsregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen in de toelichting is beschreven. In deze paragraaf is als bedoeld in artikel 3.1.3. van het Besluit ruimtelijke ordening een beschrijving opgenomen van de bestemmingen die in het bestemmingsplan voorkomen. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, behoud van landschappelijke waarden, (dag)recreatieve mogelijkheden in de openlucht, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en watervoorzieningen. Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd gebruik als tuin en daarbij behorende bouwwerken. Verkeer - verblijfsgebied De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wegen, straten, pleinen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, fietsenstallingen en elektrische laadpalen. Wonen – binnen bebouwde kom De voor 'Wonen – binnen bebouwde kom' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in een burgerwoning. Het aantal en type wooneenheden en de maximale goot- en bouwhoogte zijn vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan. Gebouwen zijn binnen het bouwvlak toegestaan. Ten aanzien van de geldende parkeernormen is een artikel over Parkeren opgenomen.

planstatus: Vastgesteld

47

Hoofdstuk 6: Procedure 6.1

Algemeen

Conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ligt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage. Eenieder kan dan een zienswijze indienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad ligt het bestemmingsplan opnieuw 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt in werking daags na afloop van de tervisielegging, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2

Verslag artikel 3.1.1. Bro overleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan geldt dat overleg moet worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het gaat dan tenminste om de betrokken waterschappen en diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Dit bestemmingsplan is niet voorgelegd aan de provincie Gelderland. Gemeente Oost Gelre heeft met de provincie de afspraak dat plannen onder de 20 woningen binnen de bebouwde kom niet meer hoeven te worden voorgelegd. Dit bestemmingsplan is voorgelegd aan het waterschap Rijn en IJssel. Uit de watertoets komt naar voren dat het plan een beperkt waterhuishoudkundig belang treft. Er zijn geen aanvullende maatregelen of voorwaarden noodzakelijk. Zie voor een nadere onderbouwing de watertoets in paragraaf 4.5.

6.3

Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende de periode van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad van de gemeente Oost Gelre. Er zijn 3 zienswijzen ingekomen. Er zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd in de toelichting van het bestemmingsplan. De gewijzigde vaststelling heeft ten aanzien van de beleidsaspecten alleen betrekking op de aanpassing in de toelichting van paragraaf 3.4.7 inzake het gemeentelijke beleid. Daarnaast heeft er een wijziging plaatsgevonden in paragraaf 4.4 Verkeer. Daarnaast is inrichtingsplan in bijlage 3 van de Regels naar aanleiding van de zienswijzen aangepast. Vervolgens is het beeldkwaliteitsplan hier ook op aangepast. In de Nota inhoud en beantwoording zienswijzen in bijlage 9 zijn de zienswijzen naar aard en inhoud samengevat weergegeven. De gemeentelijke reactie op de zienswijzen is direct na de desbetreffende zienswijzen opgenomen.

48

planstatus: Vastgesteld

Bijlagen bij toelichting

planstatus: Vastgesteld

49

Bijlage 1

Inrichtingsplan

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 3

Geluidsonderzoek

Bijlage 4

Archeologisch onderzoek

Bijlage 5

AERIUS

Bijlage 6

Quickscan Wet Natuurbescherming

Bijlage 7

Digitale watertoets en hemelwaterberekening

Bijlage 8

Aanmeldnotitie m.e.r.

50

planstatus: Vastgesteld

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14310794/1