bp regenboogbuurt toelichting
Tekst van het document
planstatus: Concept
Toetsing Welstandsbeleid Oost Gelre 2017 Bij de aanvraag omgevingsvergunning worden de woningen getoetst aan het Welstandsbeleid. Zo wordt voldaan aan het Welstandsbeleid Oost Gelre 2017. Het bouwplan Richterspoort is van een positief welstandsadvies voorzien. 3.5.4. Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020 Cultuur en erfgoed dragen bij aan de economie en de maatschappij. Zij dragen bij aan het toerisme en aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en bewoners. Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten. Het doel van de nota is het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit:
• • • •
op een goede wijze kan worden doorgegeven aan de volgende generatie; een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen; een verbinding vormt tussen diverse beleidsterreinen, organisaties en de drie gemeenten; de identiteit onderstreept en versterkt.
Toetsing Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020 Bij de ontwikkeling zijn geen monumentale of karakteristieke panden betrokken. Het plan past binnen Erfgoednota ‘Wi-j doet ’t samen’ 2017-2020. 3.5.5. Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven.
Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypen (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing. Toetsing Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. Dit aspect is ook in paragraaf 4.1.2 nader beschreven.
3.5.6. Beleidsvisie Externe veiligheid Als gevolg van enkele rampen en incidenten, zoals de vuurwerkramp in Enschede, is externe veiligheid een belangrijk thema geworden. Deze rampen en incidenten hebben ertoe geleid dat de Rijksoverheid planstatus: Concept
27
diverse maatregelen heeft genomen om acht te krijgen op de risicobronnen in Nederland en het optimaliseren van de risicobeheersing rondom de risicobronnen. Maatschappelijk gezien hebben deze rampen eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van het leven met veiligheidsrisico's. Helder is dat de huidige maatschappij nu eenmaal veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar dat er wel grenzen aan deze risico's gesteld moeten worden. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente allereerst haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om de geformuleerde ambities te realiseren en welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet. De maatregelen worden uitgewerkt in andere gemeentelijke documenten (bestemmingsplannen / streekplannen, milieuvergunningen en rampenbestrijdingsplannen).
In die zin bestrijkt de beleidsvisie zowel de beheersing van risico's als de bestrijding van een ramp wanneer die zich voordoet. Toetsing Beleidsvisie Externe veiligheid In paragraaf 4.1.6. wordt nader ingegaan op het aspect externe veiligheid. 3.5.7. Landschapsontwikkelingsplan 'Groen Licht voor het Landschap' Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap. Die visie in het LOP is in hoofdlijnen: 'Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort wat!' Toetsing Landschapsontwikkelingsplan 'Groen Licht voor het Landschap' Voorliggend plan ligt in het landschapsensemble 'Het dorp Lichtenvoorde'. Hierbij geldt het motto: vang de dynamiek in de dorpsranden op door elke ingreep in het landschap te verevenen met een kwaliteitsverbetering op de plek en de omgeving daarvan. Op te poetsen parels:
• • • •
golvende hellingen van de plateaurand met uitzichtpunten de Hofbeek; de elzensingels in de westelijke ontginningen; plekken om te verpozen eventueel met bankjes; verschraalde bermen bij erf en typerende beplantingen.
Te behouden en stimuleren landschapselementen:
• • •
28
hamelanen en vraaghagen op de hellingen; boerenlanen in landgoederen; losse lanen met menging van eik en berk, zwarte els (nat) en es. Soms ook populier en wilg; diekpaden in de broekontginning: elzensingels, soms met pad;
planstatus: Concept
•
overlopers in het westen kunnen bestaan uit openbare stroken langs kavelgrenzen met daarin elzensingels, elzenbroek of berkensingel, ook toe te passen als beek begeleidende beplanting.
Er wordt gekozen voor een groene inrichting van het plangebied. Het plangebied wordt neergezet in een parkachtige setting. Dit zal op een landschappelijke manier worden ingericht. Natuurlijke wadi's worden gecombineerd met bloemrijke openbare delen en verspreid enkele boomgroepen die zorgen voor diverse biotopen. Nestkasten worden in de gebouwen opgenomen waarmee het plan natuurinclusief wordt. 3.5.8. Integraal Verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024 Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeers- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiermee heeft de gemeente Oost Gelre , in navolging van het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoers Plan 2011-2015 (GVVP) het “Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024” vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zic vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen , die slechts betrekking hebben op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst. De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving.
Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma. In dit plan is de parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling van belang. In het plangebied worden 30 parkeerplaatsen aangelegd. Daarmee is het plan passend binnen het integraal verkeersprogramma Oost Gelre. Conclusie Gemeentelijk beleid De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in overeenstemming met de relevante gemeentelijke beleidskaders.
planstatus: Concept
29
Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid 4.1
Milieuaspecten
4.1.1
Bodem
Bij een bestemmingsplanprocedure wordt op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgesteld of de bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Aan de hand van beschikbare bodeminformatie wordt onderbouwd wat de verwachte bodemkwaliteit is, of bodemonderzoek nodig is en of er maatregelen nodig zijn om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Deze paragraaf betreft de Wet bodembescherming, het Besluit Asbestwegen, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet/bouwverordening en de Arbowet. Planspecifiek Onderhavig plan betreft het realiseren van 16 woningen ter plaatse van de voormalige basisschool in een woonwijk. Bij een functieverandering naar wonen dient de bodemkwaliteit geschikt te zijn voor de nieuwe functie. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het bodemonderzoek is weergegeven in bijlage 3. Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” gebied wordt gekenmerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten van dit PFAS voorkomen. PFAS komt diffuus in Nederland voor.
Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Resultaten onderzoek PFAS Uit het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Verdachte/onverdachte locaties Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Bodemsamenstelling De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond en plaatselijk de ondergrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak tot sterk leem-, gley-, oer-, of roesthoudend. De ondergrond is ter plaatse van boring 12 (traject 0,0 – 1,0 m -mv) zwak baksteenhoudend. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte materialen aangetroffen.
Hierbij wordt opgemerkt dat gelet op de doelstelling van het onderzoek de veldwerkzaamheden niet conform de NEN 5707+C1:2016/C2:2017 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond" zijn uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek is met betrekking tot de parameter asbest derhalve indicatief. Baksteen bijmenging in de grond zijn niet asbest verdacht. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden dan ook geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
30
planstatus: Concept
Verontreinigingen In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn een lichte verontreiniging met PAK en een matige verontreiniging van arseen geconstateerd. De matige arseenverontreiniging in de ondergrond houdt hoogstwaarschijnlijk verband met de natuurlijke aanwezigheid van arseen in de bodem. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk, te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Gelet op het regionale karakter van de lichte bariumverontreiniging in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd. Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek met betrekking tot asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 wordt dan ook niet noodzakelijk. Beoordeling bodemrapport Door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) is het uitgevoerde bodemonderzoek beoordeeld (bijlage 4). Hieruit is naar voren gekomen dat het bodemonderzoek voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.
De bodemkwaliteit is geschikt voor een gebruik als ‘wonen’. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is volgens de ODA niet nodig. Aan de vergunning hoeven geen bodemspecifieke voorschriften te worden verbonden Conclusie Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Dit is ook bevestigd door de ODA middels beoordeling van het bodemrapport. Algemene note: Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. 4.1.2
Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): •
woningen;
•
geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o
een verzorgingstehuis;
o
een psychiatrische inrichting;
planstatus: Concept
31
o
een kinderdagverblijf.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wgh worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen. Geluidbeleid Oost Gelre In het geluidbeleid wordt bij Ruimtelijke procedures het volgende getoetst: •
Wordt voldaan aan de Wet geluidhinder; ja, zie onderstaande toetsing.
•
Is er geen sprake van belemmering van (de ontwikkelingsmogelijkheden van) aanwezige bedrijven; nee, zie onderstaande toetsing.
•
Is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; ja, zie onderstaande toetsing.
•
Wordt voldaan aan het gemeentelijk Geluidbeleid: ja, zie onderstaande toetsing.
Aan de eerste 2 punten wordt alleen getoetst als het een geluidgevoelig object betreft. Hiertoe hoort ook een woning.Ten aanzien van het woon- en leefklimaat wordt in eerste instantie getoetst aan de richtafstanden uit de VNG Brochure. Als aan deze brochure wordt voldaan kan worden gesteld dat wat betreft geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Kan echter niet worden voldaan aan de brochure dan kan dit geluidbeleid een aanvullend toetsingskader bieden. Onderstaande alinea’s gaan nader op toetsing van het aspect geluid in. Planspecifiek In de zin van de Wgh voorziet dit plan in een geluidgevoelige objecten (wonen). Onderstaand zijn de mogelijke geluidsbronnen toegelicht. Normen Wet geluidhinder Railverkeerslawaai In de omgeving van het plangebied bevindt zich geen spoorweg. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing. Verkeerslawaai In de omgeving van het plangebied kunnen mogelijk een aantal gemeentelijke wegen met mogelijk een wettelijk zone aanwezig zijn. Artikel 74 lid 1 geeft aan dat het volgende type wegen een wettelijke geluidszone hebben en de zonebreedtes zijn: Zonebreedte voor een weg, bestaande uit
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
een of twee rijstroken of een of twee sporen
200 meter
250 meter
drie of meer rijstroken of drie of meer sporen
350 meter
400 meter
32
planstatus: Concept
De toegestane maximum rijsnelheid op de Planetenstraat en Rubensstraat en andere omliggende wegen is 30 km/uur. In artikel 74 lid 2 van de Wet geluidhinder is aangegeven dat Artikel 74 lid 1 niet geldt voor wegen met een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Dat betekent dat deze wegen niet zijn voorzien van een zone en daarmee is akoestisch onderzoek in het kader van het wegverkeer niet nodig. In het kader van verkeerslawaai en een goede ruimtelijke ordening is alsnog berekend wat de theoretische en de werkelijke geluidsbelasting is van de Planetenstraat en Rubensstraat op het plangebied. In Nederland gebruiken we voor het bepalen van het aantal autoverplaatsingen van woningen veelal de kencijfers van CROW-publicatie 317; kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. Om tot nauwkeuriger kengetallen te komen, wordt binnen deze kencijfers onderscheid gemaakt naar woningtype: vrijstaand, tweekapper, of bijvoorbeeld tussenwoning. Het woningtype geeft namelijk indirect een indicatie van het inkomen van een huishouden, en dat heeft weer invloed op het autobezit en daarmee op het aantal autoverplaatsingen. Deze gegevens hebben in de basis geleid tot een vuistregel voor wonen, die stelt dat het aantal autoverplaatsingen per woning, per werkdagetmaal, verkregen kan worden door het aantal auto’s per woning met 6,1 te vermenigvuldigen.
Aan de Rubensstraat en de Planetenstraat nabij de locatie Regenboogschool zijn in de huidige situatie 25 woningen aanwezig. Voor de locatie Regenboogbuurt worden 16 woningen ontwikkeld. Dit betekent dat er in de toekomst in totaal 41 woningen aanwezig zijn.
Voor de geluidsbelasting zijn verkeerstellingen uitgevoerd voor zowel de Rubensstraat als de Planetenstraat. De berekening met de verkeerstellingen die is uitgevoerd laat zien dat er voor Planetenstraat een gemiddelde geluidsbelasting van 41 dB aanwezig is en voor de Rubensstraat 42 dB. Voor beide locaties is het waarneempunt het dichtstbijzijnde punt van de nieuw te bouwen woningen naar de weg aangehouden. Te concluderen is dat dit ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ligt.
planstatus: Concept
33
Belemmering bedrijfsvoering Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Bedrijven moeten ten aanzien van deze objecten voldoen aan geluidsnormen. Het realiseren van geluidsgevoelige objecten dichter naar de bedrijven kan een beperking voor de bedrijven betekenen. Of deze beperking ook leidt tot directe gevolgen voor de bedrijfsvoering, dient te worden vastgesteld. Veelal wordt ervan uitgegaan dat als aan de richtafstanden van VNG-publicatie “bedrijven en milieuzonering” wordt voldaan er voldoende afstand is tussen wonen en werken en dat er dan geen belemmering van de bedrijven plaatsvindt. Wordt niet aan de richtafstanden voldaan dan is akoestisch onderzoek nodig naar geluidsbelasting van het bedrijf op het plangebied. Als het bedrijf in de nieuwe situatie nog steeds kan voldoen aan de geluidsnormen van de vergunning of het Activiteitenbesluit, dan is er geen sprake van belemmering. In paragraaf 4.1.4 ‘bedrijven en milieuzonering’ is toegelicht dat kan worden voldaan aan de gestelde richtafstanden. Het ligt dus niet voor de hand dat deze bedrijven worden beperkt door de nieuwe woningen. De bedrijven liggen daarbij tussen woningen die bepalend zijn voor de geluidsuitstoot van deze bedrijven. Het plan vormt dus geen belemmering voor de omliggende bedrijven.
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Afgewogen moet worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Dit aspect speelt wanneer geluidgevoelige objecten en geluid producerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd. Om hierover een goed oordeel te kunnen vormen dient te worden bepaald wanneer sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Wanneer een gemeente geluidbeleid heeft vastgesteld kunnen daarin geluidnormen zijn opgenomen. Voor rail- en wegverkeerslawaai kan aansluiting worden gezocht bij de normen in de Wet geluidhinder. Ook als er sprake is van een industrieterrein in of rond een plangebied kent de Wet geluidhinder normen. Voor het overige lawaai van bedrijven kennen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Activiteitenbesluit en de Handleiding Industrielawaai en vergunningverlening regels en normen. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij ruimtelijke plannen verder moet worden gekeken dan de normen uit de diverse wetten. De VNG-publicatie “bedrijven en milieuzonering” is hiervoor een hulpmiddel. Wanneer aan de richtafstanden van deze publicatie wordt voldaan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wordt niet voldaan aan de richtafstanden dan dient de situatie akoestisch te worden bepaald en afgewogen.
34
planstatus: Concept
Bij de afweging of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ook in een nieuwe situatie aanwezig blijft, moet worden betrokken: •
de aard van het plan;
•
de bestaande aard van de omgeving en/of het referentieniveau van het achtergrondgeluid;
•
de verandering in geluidsbelasting die de nieuwe situatie voortbrengt;
•
de geluidsbelasting op de woning of het geluidsgevoelige object in de nieuwe situatie;
•
cumulatie van verschillende geluidsbronnen;
•
de geluidsnormen die eventueel worden opgelegd aan omliggende bedrijven.
Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan gelden voor het te realiseren plan, maar geldt ook voor de omgeving van het plan. In paragraaf 4.1.4 ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt hier dieper op ingegaan. In paragraaf 4.1.4 wordt aangegeven dat kan worden voldaan aan de daarin aangegeven richtafstanden tot de bedrijven. Er is dus voldoende scheiding tussen wonen en werken. Het is dus duidelijk dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De omliggende wegen met een relatief lage verkeersintensiteit en een lage rijsnelheid zullen zeker gezien de afstand tot het plangebied geen hoge geluidsbelasting op de woningen opleveren. Daarom zal het woon- en leefklimaat door het wegverkeer niet onacceptabel worden aangetast. Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn een aantal wegen met een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Hierdoor zijn de wegen niet voorzien van een zone de Wet geluidhinder is niet van toepassing. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven. Er worden geen inrichtingen opgericht. Het plan voldoet aan de richtafstanden van de VNG Brochure. Het plan past binnen het gemeentelijk geluidbeleid. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het hele plan kan worden gegarandeerd. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.3
Lucht
De Wet milieubeheer biedt het kader om te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Een uitzondering op deze verplichting om de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen op de luchtkwaliteit mee te wegen, vormen bepaalde typen projecten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het begrip NIBM is uitgewerkt in het "Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)", en de bijbehorende "Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)". Een plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de "3% grens" niet wordt overschreden. Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1.2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. De Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen een invulling aan de NIBM grens. Indien er binnen de getalsmatige begrenzing van de Regeling wordt gebleven, is er geen nader onderzoek nodig. Bij de ruimtelijke ontwikkeling is er dan automatisch sprake van een niet in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Planspecifiek Op en rondom het plangebied is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (nibm) is in dit geval van toepassing. De aanvraag heeft betrekking op de realisatie van 16 woningen. De grens in de regeling ligt bij 1500 woningen met een
planstatus: Concept
35
enkele ontsluitingsweg of 3000 woningen met twee ontsluitingswegen. De ontwikkeling zal daar ruimschoots onder blijven. Een berekening van de gevolgen voor de luchtkwaliteit is daarom niet nodig. De ruimtelijke procedure heeft bovendien geen betrekking op de ontwikkeling van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect lucht. 4.1.4
Bedrijfs- en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid gebruik te maken van de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom is deze publicatie te gebruiken voor het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in een woon- of werkomgeving. De publicatie geeft informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op elkaar af te stemmen. In bijgevoegde tabel zijn de afstanden uit de publicatie van de VNG weergegeven. Afstand
Code
10
1
30
2
50
3.1
100
3.2
200
4.1
300
4.2
500
5.1
700
5.2
1000
5.3
1500
6
Tabel met afstanden uit de VNG publicatie
36
planstatus: Concept
Het is niet de bedoeling om de in deze publicatie genoemde richtafstanden zonder meer toe te passen. De afstanden zijn namelijk afhankelijk van de omgevings- en bedrijfskenmerken. Dit leidt tot een gemotiveerd toepassen van de afstanden. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de perceelgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied zijn. Gemengd gebied In bepaalde gevallen kan worden gemotiveerd dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’. Dit is het geval wanneer in een gebied meerdere functies bij elkaar in de buurt zijn gevestigd, bijvoorbeeld langs een dorpslint of nabij een grote ontsluitingsweg. Bij een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Het kan zo zijn dat specifieke wet- en regelgeving andere afstanden voorschrijft. Deze gaan dan voor de afstanden uit de VNG-publicatie. Te denken valt aan de Wet geurhinder en veehouderij, het Activiteitenbesluit of het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Planspecifiek De omgeving van het plangebied betreft een rustige woonwijk. Hiervoor gelden de richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een voor deze ontwikkeling relevante milieucontour. Het betreft een woonwijk waar de bouw van extra woningen geen problemen oplevert vanuit het oogpunt van milieuzonering. Op een afstand van een kleine 150 meter bevindt zich bedrijventerrein Lindebrook waar op het verder van woningen weg gelegen gedeelte bedrijven tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan. Die bedrijven resulteren in een richtafstand van 100 meter, waaraan ruimschoots wordt voldaan. Op het dichterbij woningen gelegen gedeelte van het bedrijventerrein zijn bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. Aan de hiervoor geldende richtafstand van 30 meter wordt eveneens ruimschoots voldaan. Op een afstand van ruim 200 bevindt zich bedrijventerrein De Kamp waar op het verder van woningen weg gelegen gedeelte bedrijven tot en met categorie 4.1 zijn toegestaan. Die bedrijven resulteren in een richtafstand van 200 meter, waaraan wordt voldaan. Op het dichterbij woningen gelegen gedeelte van het bedrijventerrein zijn bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan. Aan de hiervoor geldende richtafstand van 100 meter wordt eveneens voldaan. Bedrijventerrein De Kamp betreft een voor de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein.
Het plangebied ligt buiten de geluidzone van dit industrieterrein, zodat er geen hogere grenswaarden nodig zijn om de ontwikkeling mogelijk te maken. Voor beide bedrijventerreinen geldt bovendien dat zich in het tussenliggende gebied al meerdere bestaande woningen bevinden. Bedrijven worden daarom niet belemmerd in hun mogelijkheden door deze ontwikkeling. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bedrijven- en milieuzonering. 4.1.5
Geur
Voor de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling moet de geuruitstoot (emissie) van omliggende (agrarische) bedrijven worden onderzocht. Bij geurbelasting (of immissie) gaat het om de hoeveelheid geur (uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht), die op een geurgevoelig object terecht komt. Bij het afwegen welke afstand voldoende is tussen geurbronnen en geurgevoelige objecten moet rekening worden gehouden met de ligging van de geurcontour behorend bij het aanvaardbare hinderniveau. planstatus: Concept
37
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die raakvlakken hebben met mogelijke geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactor. Dieren met geuremissiefactoren (niet-vaste afstandsdieren) Voor dieren waarvoor een geuremissiefactor is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), wordt de geurhinder beoordeeld aan hand van artikel 3 van de Wgv. In dat geval mag de geurbelasting op een ‘geurgevoelig object’ een bepaalde waarde niet overschrijden en gelden minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen. In bijgevoegde tabel zijn de normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor weergegeven. Locatie geurgevoelig object:
Maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht):
concentratiegebied binnen bebouwde kom
3,0 ouE/m3
concentratiegebied buiten bebouwde kom
14,0 ouE/m3
niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom
2,0 ouE/m3
niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom
8,0 ouE/m3
Tabel met normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor (bron: Wgv)
Dieren waarvoor geen geuremissie is vastgelegd vallen onder de vaste afstandsdieren. Dieren zonder geuremissiefactoren (vaste afstandsdieren) Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rgv, wordt de geurhinder beoordeeld op grond van artikel 4, van de Wgv. In dat geval dient tenminste een minimale afstand tussen veehouderij en ‘geurgevoelig object’ te worden aangehouden. Het gaat hierom de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van het geurgevoelig object. De afstanden betreffen binnen de bebouwde kom 100 m en buiten de bebouwde kom 50 m. Planspecifiek In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die geurhinder kunnen veroorzaken. Het betreft een inbreidingslocatie waarbij agrarische geurhinder gezien de afstand tot veehouderijen niet speelt. Industriële geurbronnen en horecabedrijven liggen eveneens op voldoende afstand om zonder verder onderzoek geurhinder te kunnen uitsluiten. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd door de ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur. 4.1.6
Externe Veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
38
•
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
•
de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
•
het Registratiebesluit externe veiligheid;
planstatus: Concept
•
het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
• het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
•
de Regeling basisnet;
•
de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
•
Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Planspecifiek Risicokaart Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op bijgevoegde afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.
Uitsnede risicokaart, plangebied rood aangeduid (bron: signaleringskaart)
Zoals uit bijgevoegde afbeelding blijkt, ligt het plangebied niet binnen een plaatsgebonden risico van een risicobron. Hiermee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een risicobron. Het groepsrisico hoeft daarom niet verantwoord te worden. Advies van de veiligheidsregio is voor dit plan niet wettelijk verplicht en ook niet nodig.
planstatus: Concept
39
Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
4.1.7
Vormvrije m.e.r. beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de “moederprocedure”. Dit is in dit geval de bestemmingsplanprocedure. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Planspecifiek Het onderhavige plan betreft het realiseren van 16 woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van een project met 2.000 woningen (Besluit m.e.r. bijlage D11.2).
Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 2 van dit plan ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 4 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in dit plan geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.
4.2
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening worden gehouden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. 40
planstatus: Concept
Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Planspecifiek Cultuurhistorie Onderhavig plan betreft het realiseren van 16 woningen ter plaatse van de locatie van de voormalig basisschool en naastgelegen groenstrook. In het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Ook in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle objecten waar het plan een effect op kan hebben. Archeologie Het plan betreft het realiseren van 16 woningen ter plaatse van de locatie van de voormalig basisschool en naastgelegen groenstrook. Ter plaatse van het plangebied geldt het Parapluplan Archeologie met ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 3’. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd.
De rapportage van het archeologische onderzoek is weergegeven in bijlage 5. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Het plangebied ligt namelijk in een gebied van dekzandwelvingen waar van nature veelal veldpodzolgronden tot ontwikkeling zijn gekomen. Wellicht dat deze landschappelijke ligging voldoende was om te fungeren als (tijdelijke) nederzettingslocatie voor Jager-Verzamelaars dan wel voor Landbouwers, echter de meeste voorkeur zal waarschijnlijk zijn uitgegaan naar de hoger gelegen dekzandruggen. Het plangebied heeft waarschijnlijk binnen een akkercomplex gelegen dat niet tot de oudste ontginningen heeft behoord. Deze relatief jonge ontginning (vermoedelijk Nieuwe tijd) houden vermoedelijk verband met de aanwezigheid van periodiek ondiepe grondwaterstanden en de aanwezige veldpodzolgronden die niet de meest gunstige bodemtypes voor landbouw vormen. Ook archeologisch prospectieve onderzoeken die meest nabij het plangebied zijn uitgevoerd hebben tot op heden geen archeologische indicatoren opgeleverd die kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen.
De huidige inrichting en bouw van de basisschool dateert uit eind jaren ’70 van de 20e eeuw met in navolgende decennia enkele uitbreidingen. Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat er binnen vrijwel het gehele plangebied reeds diepgaande en vermoedelijk omvangrijke bodemverstorende ingrepen/vergravingen hebben plaatsgevonden. Verstoringen reiken tot een variërende diepte tussen minimaal 65 en maximaal 165 cm -mv, gemiddeld tot 110 cm -mv, met hieronder een scherpe overgang direct naar de C-horizont (ten dele verspoelde dekzandafzettingen). Mogelijk heeft (een gedeelte van) het pakket humeuze zand voorheen behoort tot het plaggendek uit de voorgaande periode dat het plangebied tot een akkercomplex behoorde, maar deze is dus in sterke mate verstoord dan wel geheel vergraven. Bij slechts één boring is een deels intacte oorspronkelijke veldpodzolbodem waargenomen. Het geeft echter geen aanleiding voor de aanwezigheid van een terreindeel van enige omvang waar nog sprake is van een (deels) intacte bodemopbouw. In het algemeen kan gesteld worden dat graafwerkzaamheden zijn uitgevoerd die reiken tot voorbij het archeologisch potentiële vondst-/sporenniveau.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om nog intacte restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus
planstatus: Concept
41
geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een middelhoge verwachting gold voor de perioden LaatPaleolithicum t/m Middeleeuwen, kan dan ook worden bijgesteld naar een lage verwachting. Voor de periode Nieuwe tijd was de verwachting laag en blijft laag. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie en archeologie.
4.3
Flora en fauna
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming richt zich op de bescherming van gebieden. In de Wet natuurbescherming zijn Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) beschermd. Naast deze drie soorten gebieden is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland van belang. In Gelderland betreft dit het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Dit is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones die tussen de natuurgebieden liggen. Het natuurnetwerk draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
•
verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
•
verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming Voorts is in de Wet natuurbescherming de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren geregeld: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Onderzocht moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook voor het voorliggende plan, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Planspecifiek Gebiedsbescherming Natura 2000 Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website https://www.natura2000.nl/gebieden/gelderland geraadpleegd. Op bijgevoegde screenshot van die website zijn de eventuele aanwezige Natura-2000 gebieden rondom het plangebieden weergegeven. Natura 2000 gebieden hebben een externe werking.
42
planstatus: Concept
Uitsnede natuurkaart Nederland (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden/gelderland)
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het Korenburgerveen, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten oosten van de onderzoekslocatie. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen binnen het plangebied zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een Aerius berekening uitgevoerd voor de aanlegfase. De Aerius-berekening laat zien dat er voor de aanlegfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 900 meter ten noorden en ten oosten van het plangebied.
Op bijgevoegde luchtfoto is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
planstatus: Concept
43
Ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron: provincie Gelderland).
Het plangebied is gelegen op circa 900 meter afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het plan niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone niet aan de orde. Soortenbescherming Het plan betreft het realiseren van 16 woningen ter plaatse van de locatie van de voormalig basisschool en naastgelegen groenstrook. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een quickscan Wet natuurbescherming en nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportages van het onderzoek zijn weergegeven in bijlage 6 en 7. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw. Huismussen De onderzoekslocatie biedt geen geschikte nestplaatsen voor huismussen, maar huismussen maken wel gebruik van de dichte, jaarrond groene struiken op het terrein en foerageren tussen het aanwezige groen. Het is van belang dat er in de toekomstige situatie voldoende groen aanwezig is en enkele dichte, jaarrond groene struiken die dienen als kwetterbosje.
Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Vleermuizen De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als zomerverblijfplaats of paarverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Nader onderzoek is daarom nodig om vast te stellen of vleermuizen van de bebouwing op de onderzoekslocatie gebruik maken. Dit onderzoek zal bestaan uit 5 veldbezoeken in de periode april tot en met september.
44
planstatus: Concept
Algemene zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van het groen en de graafwerkzaamheden buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uit te voeren. De meest geschikte periode om graaf- en kapwerkzaamheden uit te voeren betreft de periode september tot en met november. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Nader ecologisch onderzoek Op basis van de verrichte onderzoeksinspanning is gebleken dat de bestaande bebouwing geen functie heeft als verblijfplaats voor vleermuizen. Ook het omliggende groen heeft geen essentiële functie voor vleermuizen. Het groen werd gedurende korte periodes wel gebruikt om er te foerageren. Uit de verrichte veldonderzoeken naar vleermuizen bleek dat er geen beschermde functies op de planlocatie aanwezig zijn. De voorgenomen werkzaamheden zullen daarom niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen. Er zijn geen maatregelen noodzakelijk gedurende de werkzaamheden ten aanzien van vleermuizen.
Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect flora en fauna.
4.4
Verkeer
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersstructuur inzichtelijk te worden gemaakt. Het plan betreft het realiseren van 16 woningen in de vorm van vijf beneden- bovenwoningen en zes levensloopbestendige woningen. Verkeersontsluiting De woningen en de parkeerplaatsen binnen het plangebied zijn te bereiken via Planetenstraat en de Rubensstraat. Voor de vijf beneden- bovenwoningen wordt aan de noordzijde van het plangebied een ontsluitingsweg van 6 m breed aangelegd. Het verkeer ten behoeve van de levensloopbestendige woningen kan zonder verkeerskundige maatregelen worden afgewikkeld op de Planetenstraat en de Rubensstraat. Parkeren Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is geregeld in het bestemmingsplan ‘Facetbestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 5 juni 2018. Dit bestemmingsplan regelt de parkeernormen voor de gemeente Oost Gelre. Nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan de parkeernormen uit de ‘Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre’. Met het plan worden vijf beneden- bovenwoningen en zes levensloopbestendige woningen gerealiseerd. Voor het plangebied gelden de parkeernormen voor het gebied ‘rest bebouwde kom’. In bijgevoegde tabel zijn de parkeernormen voor de verschillende woningtypen uitgewerkt. Zoals in de tabel is weergegeven moeten binnen het plangebied 30 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
In paragraaf 2.1 is weergegeven dat met het plan 30 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De waarborging van het aanleggen van de parkeerplaatsen is geregeld in artikel 12.1 van de regels van dit bestemmingsplan. Woningtype
Aantal
Norm (per woning)
Aantal parkeerplaatsen
Koop etage goedkoop
5
1,6
8
Koop etage midden
5
1,9
9,5
planstatus: Concept
45
Koop 2^1 kap Totaal benodigd
6
2
12 29,5 (afgerond 30)
Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.
4.5
Water
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde en duurzame watersystemen. Het Waterschap Rijn en IJssel laat in het Waterbeheerplan 2016-2021 zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten het waterschap in de samenwerking met haar partners wil leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden: •
Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water.
•
Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
•
Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water.
•
Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater.
Voor het taakgebied Veiligheid water is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het taakgebied Voldoende water is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren". Voor Schoon water is het uitgangspunt “stand still - step forward”. Essentieel is het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem met als einddoel een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Partnerschappen met gemeenten en andere partijen zorgen voor een effectieve en efficiënte (afval)waterketen. Door optimalisatie van de behandeling van afvalwater wordt een bijdrage geleverd aan een goede volksgezondheid en een schoon watersysteem. Het terugwinnen van energie en grondstoffen uit afvalwater draagt bij aan een meer circulaire economie. Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Planspecifiek Voor het plan is de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat van de digitale watertoets is weergegeven in bijlage 8. Uit de watertoets blijkt dat er geen (beschermingszones van) beschermde watergangen of waterkeringen in het plangebied liggen. In de huidige situatie bevindt zich in het plangebied een schoolgebouw met schoolplein. Dit wordt gesloopt en hiervoor in de plaats worden 16 woningen teruggebouwd. Hierdoor neemt de verharding in het plangebied af.
46
planstatus: Concept
Klimaatadaptatie In het plangebied worden wadi's aangelegd. Hemelwater wordt eerst geïnfiltreerd in de bodem, waar het overige wordt geleid naar de wadi’s om daar geleidelijk weg te kunnen zakken in de grond. Waar bewoners de wens hebben kunnen voor hemelwateropvang (t.b.v. het besproeien van tuinen e.d.) regentonnen worden geplaatst. De woningen worden tussen de bestaande bomen gebouwd. Een enkele kleine boom moet gekapt worden. Het gebied wordt groener en verhard oppervlak neemt af. Afvalwaterketen Er wordt een nieuwe uitlegger voor afvalwater aangelegd voor de achterste woningen in het plangebied. Hier worden de woningen met huisaansluitingen voor het afvalwater op aangesloten. De woningen aan de voorzijde van het plangebied kunnen op het bestaande rioleringssysteem worden aangesloten. De school wordt gesloopt. Waardoor er veel minder afvalwater maar ook -90 m3 aan hemelwater op het bestaande rioleringssysteem wordt geloosd. De capaciteit hiervan is voldoende om het afvalwater op te vangen. Grondwater Het grondwaterpeil ligt op -1.75 m-mv. De wadi’s worden maximaal 1 m diep. Dit betekent dat het huidige maaiveld voldoende hoog ligt om voldoende ontwatering binnen het plangebied te hebben. Geadviseerd wordt het vloerpeil van de bebouwing in ieder geval minimaal 30 cm boven straatpeil te realiseren.
Hiermee is ruim voldoende ontwateringsdiepte aanwezig, maar wordt ook gezorgd dat water op het maaiveld niet direct leidt tot wateroverlast in de woningen. Daarnaast mag er als gevolg van de ontwikkeling geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan. Door het realiseren van de wadi’s wordt de toename van afstromend hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak volledig gecompenseerd. Vanuit de wadi’s kan het hemelwater infiltreren in de bodem. Hiermee wordt het grondwater aangevuld. Waterveiligheid/overstromingsrisicoparagraaf Het plan ligt niet in een overstroombaar gebied. Bij kortdurende en langdurige hevige neerslag T=100 + 10% is de afvoercapaciteit van het watersysteem in de omgeving voldoende. Er blijft geen noemenswaardige hoeveelheid water op maaiveld staan. Wat dat betreft is de locatie geschikt om te bouwen. Onder overstroombaar gebied worden gebieden verstaan die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Het plan ligt niet binnen de beschermingszone van een primaire waterkering.
Bui 1 x per 100 jaar, korte bui
planstatus: Concept
Bui 1 x per 1000 jaar, korte bui
47
De kaart laat zien waar een korte extreem hevige bui leidt tot grote plassen water op straat, in tuinen en op het land. Hoe donkerder de blauwe kleur, hoe dieper de plas. Het zijn klimaatbuien voor 2050. Voor de korte bui 1 x per 100 jaar heeft de locatie geen risico. De korte bui 1x per 1000 jaar laat zien dat aan de noord en oostzijde van het plangebied kans is dat er water blijft staan tot 20-30 cm. Dit is verklaarbaar aangezien de Rubensstraat veel lager is gelegen dan de Planetenstraat. Belangrijk voor de bouw van de woningen is dat zij daarom op voldoende hoogte worden gebouwd zodat dit ook voor de toekomst het risico klein blijft op natte voeten. De wadi’s die in het gebied worden aangelegd aan de westzijde van het plangebied en die daarmee het hemelwater naar de juiste plek begeleiden bieden voor wateroverlast die nu al in de omgeving wordt ervaren een goede oplossing. Verder is er natuurlijk sprake van een grote afname aan verharding 784,25 m2. Dit zal ook een wezenlijke bijdrage leveren aan het tegengaan van wateroverlast voor de omgeving.