bp oostendorperdiek toelichting
Tekst van het document
Directe ammoniakschade Naast indirecte schade door vermesting en verzuring van natuurgebieden kan ammoniakdepositie op bepaalde gewassen leiden tot directe ammoniakschade. Uit onderzoek van het AB-DLO te Wageningen is gebleken dat met name kasgewassen, fruitteelt en coniferen gevoelig kunnen zijn voor directe ammoniakschade. Andere gewassen lopen een verwaarloosbare kans op schade. Directe ammoniakschade doet zich enkel voor op zeer korte afstand van een emissiepunt. Indien tot gevoelige soorten een afstand van 50 meter wordt aangehouden, zal geen merkbare schade optreden. Bij minder gevoelige soorten is een afstand van 25 meter al voldoende om schade als gevolg van ammoniakemissie te vermijden. Binnen 25 en 50 meter van de inrichting bevinden zich geen gevoelige gewasgroepen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van ammoniakschade voor agrarische gewassen.
Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Oostendorperdiek 21 in Groenlo
16
Natura 2000 Natura 2000-gebieden bevinden zich niet op korte afstand van de projectlocatie. Op 1.040 meter afstand van de planlocatie ligt het Natura-2000 gebied Zwilbrocker Venn u Ellewicker Feld, en op ca 4.000 meter het Korenburgerveen. Gezien deze afstanden beperkt de invloed van de inrichting op Natura 2000-gebieden zich tot het aspect ammoniak/stikstof. Wanneer een project of handeling wordt uitgevoerd, waarbij met name stikstof vrijkomt die schadelijk kan zijn voor een beschermd natuurgebied, kan een vergunning benodigd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Op 11 februari 2013 is een Wet natuurbeschermingsvergunning verleend voor het vleesvarkens- en vleeseendenbedrijf en de viskwekerij in stal 9. Op 17 juli 2015 is deze vergunning gedeeltelijk ingetrokken en zijn ammoniakemissierechten verplaatst. Deze vergunning hebben wij als bijlage 4 bijgevoegd. Dit betekent dat er een toestemming is in het kader van de Wet Natuurbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat onherroepelijke natuurvergunningen één op één mogen worden ingepast in het omgevingsplan. Als bijlage 5 is een stikstoftoelichting inclusief berekeningen toegevoegd. Om te beoordelen wat de gevolgen zijn van de veranderingen die dit bestemmingsplan beoogd te regelen zijn stikstofberekeningen uitgevoerd.
Met de AERIUS Calculator zijn berekeningen uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase voor de beoogde situatie (zie bijlage 6). Daaruit komt naar voren dat zowel de gebruiksfase als de aanlegfase niet resulteert in een toename van de stikstofdepositie, Volledigheidshalve is ook een berekening gemaakt van de aanlegfase en de gebruiksfase tezamen. Per saldo is er sprake van een forse afname van de stikstofdepositie. Daarmee is aangetoond dat de aanleg- en gebruiksfase in de beoogde situatie ten opzichte van de referentiesituatie niet leidt tot nadelige effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 december 2024 een uitspraak gedaan over de natuurvergunning voor het bedrijf Rendac Son B.V en een soortgelijke uitspraak over de Amercentrale van RWE. De Afdeling bestuursrechtspraak wijzigt met deze uitspraak haar eerdere rechtspraak uit 2021. Het nieuwe beoordelingskader is direct van toepassing en heeft gevolgen voor alle lopende en toekomstige vergunningsprocedures. Intern salderen mag niet meer plaatsvinden als voortoets, maar in plaats hiervan is bij intern salderen altijd een natuurvergunning nodig of een verklaring van geen bedenkingen voor het onderdeel handelen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden.
Het onderdeel handelen met gevolgen voor beschermde voor beschermde natuurgebieden haakt aan bij de voorliggende aanvraag. De afdeling bestuursrechtspraak heeft in een stroomschema vastgelegd op welke wijze omgegaan moet hoe om moet worden gegaan met deze beoordeling. Dit stroomschema is als bijlage 0 bij de stikstoftoelichting gevoegd. Hierna zijn de verschillende stappen opgenomen en is de bedrijfsspecifieke situatie in beeld gebracht:
Stap 1: Voortoets Uit de AERIUS-berekening van de beoogde opzet blijkt dat significante effecten niet zijn uitgesloten. De beoogde opzet heeft een bijdrage op het Korenburgerveen van 0,07 mol/ha per jaar.
Stap 2: Passende beoordeling Gevolgen van de bestaande situatie, de zogenoemde referentiesituatie mogen als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling. Zoals is aangegeven is er een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend. De hierin vergunde activiteiten vertegenwoordigen de referentiesituatie. In de stikstoftoelichting, bijgevoegd als bijlage 6 is de referentiesituatie vastgelegd en zijn de berekening toegevoegd.. Uit de verschilberekeningen (met AERIUS Calculator) tussen de referentiesituatie met de beoogde situatie blijkt dat er ter hoogte van kwetsbare habitattypen in Natura 2000-gebieden, ten gevolge van de stikstofuitstoot door dit project, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Er is sprake van een afname van 1,17 mol/ha jaar op Korenburgerveen. De referentiesituatie betrof een bijdrage van 1,24 mol/ha/jaar op het Korenburgerveen.
Stap 3: Additionaliteit Vervolgens is nog beoordeeld of er een noodzaak is om een gedeelte van de referentiesituatie in te zetten als maatregel die nodig is om natuur te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen. Op 1 juli 2025 hebben Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Oostendorperdiek 21 in Groenlo
17
de Gedeputeerde Staten van Gelderland beleidsregels vastgesteld. In de regels is opgenomen dat slechts 65 % van de referentie mag worden ingezet bij intern salderen. De reductie van 35 % wordt gezien als een passende maatregel. Zoals uit berekening blijkt neemt de ammoniakdepositie af van 1,24 mol/ha/jaar naar 0.07 mol/ha/jaar. Aan de 35 % reductie vereiste om te voldoen aan het additionaliteitsvereiste wordt ruimschoots voldaan. Wij concluderen om die reden dat er afdoende maatregelen worden getroffen om de binnen de invloedsfeer liggen Natura-2000 gebieden te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen.
Slotconclusie De beoogde opzet is passend en zorgt niet voor nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden.
3.3 Geur Individuele geurhinder Een veehouderij kan geurhinder veroorzaken op woningen en andere geurgevoelige objecten in de directe omgeving van de veehouderij. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Op het bedrijf van initiatiefnemer wordt gestaakt met de intensieve veehouderij. Er worden slechts 50 scharrelvarkens gehouden. De geuremissie neemt af van 16.308,5 OUE/s naar 1.150 OUE/s. De geurbelasting voldeed in de bestaande situatie ruimschoots aan de normen. Door de afname van meer dan 90 % van de geuremissie kan met zekerheid worden gesteld dat de geurbelasting ten opzichte van geurgevoelige objecten eveneens afneemt, aangezien de emissiepunten binnen de bestaande projectlocatie zijn gesitueerd. Naast het moeten voldoen aan de geurnorm, mogen stallen niet te dicht bij geurgevoelige objecten staan. In het buitengebied moet sprake zijn van een minimale afstand van 25 meter en binnen de bebouwde kom 50 meter (gemeten vanaf de gevel van de stal tot de gevel van een geurgevoelig object).
Daarnaast geldt voor agrarische bedrijfsopslagen als mest en voer een minimumafstand van 50 meter (of 25 meter voor afgedekte kuilvoeropslagen). In onderhavige situatie bevinden geurgevoelige objecten zich op grotere afstand. Bij het maken van eigen visvoer kan geur vrijkomen. Door het geuradviesbureau Olfasense is in de worstcasesituatie de geurimpact van de visvoerproductie voor eigen bedrijf in beeld gebracht. Als bijlage 8 is de rapportage van dit geuronderzoek opgenomen. Uit de emissieberekening kan worden geconcludeerd dat de beoogde activiteiten resulteren in een beperkte geuremissie, die bovendien vele malen lager is dan thans vergund. Uit de verspreidingsberekeningen voor de worst-casesituatie kan worden geconcludeerd dat de geurbelasting als gevolg van de visdrogerij en voerbereiding beperkt is en gelegen is onder de streefwaarden volgens het Gelders Geurbeleid. Cumulatieve geurhinder De geurbelasting neemt af ten opzichte van de vergunde situatie. Om die reden is er sprake van een beter woonen leefklimaat ten opzichte van de referentiesituatie. Er is geen berekening van de cumulatieve geurhinder benodigd aangezien er binnen 1000 meter van de planlocatie geen intensieve veehouderijen zijn gelegen die een maatgevende bijdrage hebben op te verplaatsen bedrijfswoning.
Om die reden kan worden geconcludeerd dat de achtergrondbelasting door geur uit veehouderij niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Eindconclusie Geconcludeerd kan worden er sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau en dus een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Oostendorperdiek 21 in Groenlo
18