CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp oostendorperdiek toelichting

Raadscommissie 28 april 2026, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a te Groenlo25.997 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

21

(behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld. Op 14 april 2020 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw archeologisch beleid vastgesteld met als titel 'Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre, een actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtings- en beleidskaart'. Dit nieuwe beleid is opgenomen in het op 22 februari 2022 door de gemeenteraad vastgestelde 'Parapluplan Archeologie'. De plannen zijn aan dit Parapluplan getoetst.

Ten aanzien van dit plan Op het perceel worden 2 bedrijfsgebouwen, zijnde een berging en werkplaats annex garage gesloopt ten behoeve van de nieuw te bouwen bedrijfswoning. Deze hebben een gezamenlijk oppervlakte van 25,2 x 10,2 + 8,2 x 30,10 = 503,9 m2. De ondergrond van deze bedrijfsgebouwen liggen deels in de zone met de Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 1 en deels in de zone met de Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 3. Het bodemarchief is ter plaatse al verstoord door de bouw van deze bedrijfsgebouwen en later met de sanering van de asbestverontreiniging ter plekke van de berging. Archeologisch onderzoek is op deze plek niet benodigd. De voormalige vleesvarkensschuur wordt intern verbouwd tot 11 boerderijkamers ten behoeve van logies en ontbijt. Door deze verbouw vindt geen verstoring van het bodemarchief plaats. Het bodemarchief ter plekke is overigens al verstoord door de bouw van de schuur en mestkelders. Archeologisch onderzoek op deze plek is niet benodigd. De eendenstal wordt gedeeltelijk ingericht als demonstratieruimte en de voormalige bedrijfswoning wordt in gebruik genomen als kantoor en receptie. Door deze interne verbouwingen vindt geen verstoring plaats van het bodemarchief. Daarnaast wenst initiatiefnemer een visvijver te graven met een oppervlakte van 2.000 m2.

Op de locatie van de nieuw aan te leggen visvijver is sprake van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 3 ’. Voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 3’ geldt een onderzoeksplicht als er over een oppervlakte gelijk of groter dan 1000 m2 werkzaamheden dieper dan 30 cm plaatsvinden. Om die reden heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is uitgevoerd door Systhegra B.V. De rapportage van dit archeologisch onderzoek bestaande uit een bureau- en inventariseren veldonderzoek en verkennend booronderzoek, met projectnummer S230054, is als bijlage 10 bijgevoegd. Samengevat is op grond van de resultaten van het boor onderzoek is gebleken dat de bodem tot minimaal 50 centimeter beneneden maaiveld is verstoord. Bovendien was het dekzand over algemeen zeer wit van kleur, wat aangeeft dat er mogelijk geen bodemvorming in het plangebied heeft plaatsgevonden, of dat de bodem zodanig is verstoord dat zelf geen sporen van bodemvorming meer zichtbaar zijn. Hierdoor is de kans klein dat er intacte archeologische resten in de bodem zullen zitten. Alleen eventuele zeer diepe sporen, zoals waterputten, zouden nog deels aanwezig kunnen zijn, maar de informatiewaarde die hieruit gehaald kan worden is minimaal.

Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

22

4.2.2 Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: • De historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); • De historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); • De architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen).

Ten aanzien van dit plan Binnen het plangebied zijn geen historisch-geografische of stedenbouwkundige waarden aanwezig. Ook zijn geen architectuurhistorische waarden aanwezig. De gemeentelijke erfgoednota is niet van toepassing bij de boogde ontwikkelingen op de percelen. Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.

4.3 Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht.

Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Ten aanzien van dit plan Door Kruse Groep is in oktober 2018 verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd voor de locatie Oostendorperdiek 21. De resultaten daarvan zijn verwoord in rapport met projectcode: 18053710. Het rapport is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Sinds dit onderzoek zijn de activiteiten niet gewijzigd, en hebben er geen calamiteiten plaatsgevonden. Het rapport geeft een representatief beeld van de bodemsituatie. Er is het volgende geconcludeerd: Overig terreindeel De bovengrond (3 mengmonsters) en de ondergrond (2 mengmonsters) zijn niet verontreinigd. In inspectiegat 2 is visueel asbest aangetoond. Uit de analyse blijkt dat gewogen asbestgehalte lager is dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In het grondwater in peilbuis 11 en H1 zijn enkele licht verhoogde gehalten aangetoond, die geen aanleiding geven voor nader onderzoek.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

23

Deellocaties A, C en D De druppelzones ter plekke van deellocaties A, C en D zijn asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Gesteld kan worden dat de voormalige bedrijfsactiviteiten in de garage geen aantoonbare negatieve invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit; er zijn geen verontreinigingen met minerale olie in de boven- of ondergrond aangetoond. Deellocatie B De druppelzone ter plekke van deellocatie B is sterk asbesthoudend. Het sterk verhoogde asbestgehalte gaf aanleiding voor een nader asbestonderzoek (zie hoofdstuk 5). Uit de resultaten van het nader asbestonderzoek bleek het volgende: De horizontale en verticale omvang van de asbestverontreiniging ter plekke van deellocatie B is in voldoende mate in kaart gebracht; er is geen asbest aangetoond of het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de interventiewaarde. De omvang van de asbestverontreinigingen in een gehalte hoger dan de interventiewaarde wordt geschat op: oppervlakte circa 24 m2 (24 meter x 1.0 meter) x 0.5 = 12 m3 . Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (voor asbestverontreiniging geldt geen omvangscriterium).

De sanering van de druppelzone is bij huidige gebruik niet spoedeisend, aangezien de druppelzone volledig begroeid is met gras (volgens risicobeoordeling, stap 2 uit de Circulaire Bodemsanering 2013 zijn er in dat geval geen acute blootstellingsrisico’s). Sanering is noodzakelijk om het terrein geschikt te maken voor toekomstig gebruik (wonen met tuin). Aangezien het huidig gebruik wonen met tuin wordt, is de bodem gesaneerd. De bodemsanering is door een erkend bedrijf uitgevoerd. Ca. 12 m³ asbesthoudende grond/puin is verwijderd. Deellocaties E, G en H De voormalige bovengrondse olieopslag (deellocatie E en G) en de voormalige ondergrondse olieopslag bij deellocatie H heeft geen aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. De boven- of ondergrond als het grondwater zijn niet verontreinigd met minerale olie en BTEXN. De voormalige bovengrondse olieopslag heeft een zeer geringe negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. In de bovengrond is een zeer licht oliegehalte aangetoond. Het grondwater in peilbuis F1 is niet verontreinigd met minerale olie en BTEXN. Het zeer licht verhoogde oliegehalte geeft geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik en vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Water Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen.

Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

24

Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van: • Een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); • Water meer ruimte geven; • Versterken van de ecologische waarden; • Creëren van een vitaal watersysteem. Waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over de plannen via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl).

Hiermee is bepaald dat het plan mogelijk invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Het waterschap heeft aangegeven dat de zogenaamde normale procedure van toepassing is. Zij heeft geadviseerd over de relevante wateraspecten.. Zie hierna hun beoordeling

Relevante wateraspecten Wateroverlast Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt ten opzichte van de vergunde situatie het verhard oppervlak niet toe. Het hemelwater van alle bedrijfsgebouwen en het verharde terrein is afgekoppeld van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. De dimensioneringsberekeningen van de benodigde maximale hemelwater opvang is opgenomen in bijlage 9. In totaal moet er minimaal 725 m3 worden opgevangen. Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in infiltratie- of waterbergende voorzieningen, zijnde de twee vijvers met een volume van ruim 5.000 m3. Op deze wijze kan regenbui T=100+10% worden opgevangen in het plangebied tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen worden zonder dat waterschade optreedt, en vertraagd worden afgevoerd. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Om de kwaliteit van het water te waarborgen, worden de volgende maatregelen getroffen: een bodempassage in visvijvers, die tevens dienst doen als wadi. Riolering en Afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen.

Het afvalwater bestaat alleen uit huishoudelijk afvalwater afkomstig van 2 woningen, het kantoor en de logies en ontbijtfaciliteit in de voormalige varkensschuur en in de vissershutten, in totaal 15 stuks. Per persoon wordt gemiddeld 50 liter afvalwater per dag geproduceerd en een huishouden bestaat gemiddeld uit maximaal 3 personen. Voor de 2 woningen betekent dit dat er in de worstcase-situatie 2 x 3 x 0,05 x 365 = 209,5 m3 per jaar aan huishoudelijk afvalwater wordt geproduceerd en op het gemeentelijk rioolstelsel geloosd. Er vindt hierin geen verandering plaats. De hoeveelheid huishoudelijk afvalwater neemt toe door nieuwe recreatieve functies, zijnde B&B faciliteiten bestaande uit 11 boerderijkamers ten behoeve van logies en ontbijt en 4 vissershutten. Hierbij komt in de

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

25

worstcasesituatie maximaal de volgende hoeveelheid huishoudelijk afvalwater die wordt geloosd op de gemeentelijke riolering. Uitgaande van 15 B&B faciliteiten die maximaal 150 dagen per jaren worden verhuurd en gebruikt door gemiddeld 3 personen betekend dit dat 15 x 3 x 0,05 x 150 = 337,5 m3. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van in de worstcasesituatie van 337,5 m3 verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal zoals hiervoor aangegeven ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Voor onderhoud aan het rioolpersleidingenstelsel is bereikbaarheid noodzakelijk. Het aansluitpunt wijzigt niet ten opzichte van de bestaande situatie. De bestaande en toekomstige bereikbaarheid is voldoende geborgd. Tot slot worden in de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren. Grondwaterbeheer De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. De bouwwijze is aangepast aan de grondwaterstand en zettingsgevoeligheid van de bodem door het toepassen van een passende fundering.

Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen. Recreatie In het plangebied zijn de hiervoor genoemde aan het water gekoppelde recreatieve functies opgenomen. Voor deze recreatieve functies is geen vergunning van het waterschap nodig. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waterobjecten aanwezig. De cultuurhistorische waarde wordt door de planontwikkeling niet aangetast.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. In buitenstedelijk gebied geldt voor wegen, bestaande uit vijf of meer rijstroken een zone van 600 m, voor drie of vier rijstroken een zone van 400 m en voor wegen bestaande uit één of twee rijstroken een zone van 250 m, gemeten vanuit de as van de weg. Voor wegen binnen de bebouwde kom geldt een zone van 200 m. Binnen de zone moet in het geval van een nieuwe situatie met een geluidsgevoelige bestemming onderzoek worden verricht naar de optredende geluidsbelasting. Een aantal wegen heeft geen zone, te weten: Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tot slot mogen omliggende bedrijven niet onevenredig in hun mogelijkheden worden belemmerd.

Ten aanzien van dit plan: Woning of ander geluidgevoelig gebouw De ontwikkeling betreft het vestigen van een nieuwe bedrijfswoning. De Wet geluidhinder is mogelijk van toepassing.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

26

Railverkeerslawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing. Industrielawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing. Verkeerslawaai In de omgeving van het plan bevinden zich wegen met een wettelijk zone. De Oostendorperdiek heeft een zonebreedte van 250 meter. De nieuwe bedrijfswoning ligt in de zone. Zonebreedte voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen drie of meer rijstroken of drie of meer sporen

stedelijk gebied 200 meter 350 meter

buitenstedelijk gebied 250 meter 400 meter

Voor een ontwikkeling binnen de zone van wegen moet akoestisch onderzoek aantonen dat het verkeerslawaai op de gevel van de woning voldoet aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder. Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone geldt een voorkeurswaarde van ten hoogste 48 dB. Gelet op de aard van de weg Oostendorperdiek, de lage verkeersintensiteit op deze weg en de afstand van de woning tot deze weg zal voldaan worden aan de voorkeurswaarde van de Wet geluidhinder. Een hogere waarde en nader akoestisch onderzoek zijn niet nodig. De recreatiewoningen zijn niet geluidgevoelig en hiervoor is de Wet geluidhinder niet van toepassing.

2: Belemmering bedrijfsvoering Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Bedrijven moeten ten aanzien van deze objecten voldoen aan geluidsnormen. Het realiseren van geluidsgevoelige objecten dichter naar de bedrijven kan een beperking voor de bedrijven betekenen. Of deze beperking ook leidt tot directe gevolgen voor de bedrijfsvoering, dient te worden vastgesteld. In dergelijke gevallen is akoestisch nodig om te onderzoeken welke geluidsbelasting het bedrijf op het plangebied heeft. Blijkt uit het onderzoek dat de bedrijven ook in de nieuwe situatie kunnen voldoen aan de gestelde geluidsnormen, dan is in feite voldaan aan dit punt. De nieuwe bedrijfswoning is niet geluidgevoelig voor het eigen bedrijf. De recreatiewoningen zijn niet geluidgevoelig en worden in het kader van de Wet milieubeheer niet beschermd tegen geluidoverlast. De woning Oostendorperdiek 19 is een plattelandswoning behorend bij het bedrijf. Deze woning vormt geen belemmering voor de viskwekerij. 3: Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Afgewogen moet worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Dit aspect speelt wanneer geluidgevoelige objecten en geluid producerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd.

Om hierover een goed oordeel te kunnen vormen dient te worden bepaald wanneer sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Wanneer een gemeente geluidbeleid heeft vastgesteld kunnen daarin geluidnormen zijn opgenomen. Voor rail- en wegverkeerslawaai kan aansluiting worden gezocht bij de normen in de Wet geluidhinder. Ook als er sprake is van een industrieterrein in of rond een plangebied kent de Wet geluidhinder normen. Voor het overige lawaai van bedrijven kennen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Activiteitenbesluit en de Handleiding Industrielawaai en vergunningverlening regels en normen.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

27

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij ruimtelijke plannen verder moet worden gekeken dan de normen uit de diverse wetten. De VNG-publicatie “bedrijven en milieuzonering” is hiervoor een hulpmiddel. Wanneer aan de richtafstanden van deze publicatie wordt voldaan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wordt niet voldaan aan de richtafstanden dan dient de situatie akoestisch te worden bepaald en afgewogen. Bij de afweging of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ook in een nieuwe situatie aanwezig blijft, kan de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering worden betrokken. Omdat de gemeente Oost Gelre geluidbeleid heeft wordt het woon- en leefklimaat in dat kader beoordeeld.

4: Geluidbeleid Het geluidbeleid van de gemeente Oost Gelre is in 2020 herzien. Het beleid dient als basis voor de vergunningverlening milieu. Bij ruimtelijke procedures moet breder worden getoetst dan alleen dit Geluidbeleid. Ten aanzien van het woon- en leefklimaat wordt in eerste instantie getoetst aan de VNG Brochure. Als aan deze brochure wordt voldaan kan worden gesteld dat wat betreft geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Kan niet worden voldaan aan de brochure dan kan dit geluidbeleid een aanvullend toetsingskader bieden. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen bij de vergunningverlening milieu.

Waarden op woningen en geluidgevoelige objecten in dB(A Standaard- en grenswaarden gehele gemeente alle gebieden in dB(A) Aard bedrijf / gebied LAr,LT1 LAmax2 LAr,LT1 LAmax2 3 Agrarische bedrijven 6:00-19:00 19:00-22:00 Standaardwaarden 45 70 40 65 4 Grenswaarden bestaande bedrijven 50 (35*) 75 (55) 45 (30*) 70 (50) Overige bedrijven, overig terrein 7:00-19:00 19:00-23:00 Standaardwaarden 50 70 45 65 Grenswaarden bestaande bedrijven4 55 (35*) 75 (55) 50 (30*) 70 (50) Tankstations, overig terrein 7:00-21:00 21:00-7:00 Standaardwaarden 50 70 40 60 Grenswaarden bestaande bedrijven4 55 (35*) 75 (55) 45 (25*) 70 (50) Bedrijventerreinen 7:00-19:00 19:00-23:00 Standaardwaarden 55 70 50 65 Grenswaarden nieuwe bedrijven 60 (35*) 75 (55) 55 (30*) 70 (50) Grenswaarden bestaande bedrijven4 65 (35*) 75 (55) 60 (30*) 70 (50) Industrieterreinen 7:00-19:00 19:00-23:00 Alle bedrijven (zonebeheer) maatwerk maatwerk

LAr,LT1 22:00-6:00 35 40 (25*) 23:00-7:00 40 45 (25*)

LAmax2 60 65 (45) 60 65 (45)

23:00-7:00 45 60 50 (25*) 65 (45) 55 (25*) 65 (45) 23:00-7:00 maatwerk

Tussen haakjes de binnenniveaus in een gevoelige ruimte van een geluidgevoelig object die van toepassing zijn bij het op basis van een bestuurlijke afweging toekenning van hogere waarden dan de standaardwaarden. 1

De langtijdgemiddelde geluidniveaus LAr,LT van stemgeluid worden bij vergunningverlening uitgezonderd, maar worden bij ruimtelijke beoordelingen niet uitgezonderd. 2 De maximale geluidniveaus LAmax van laden en lossen worden bij vergunningverlening uitgezonderd, maar worden bij ruimtelijke beoordelingen niet uitgezonderd. 3 De langtijdgemiddelde geluidniveaus LAr,LT van mobiele bronnen worden bij vergunningverlening en bij en ruimtelijke beoordelingen meegenomen. 4 De grenswaarden kunnen ook van toepassing zijn op voormalige (eigen) bedrijfswoningen en (voormalige) bedrijfswoningen van derden. *Het college kan, als voorzieningen niet mogelijk zijn, een LAr,LT niet hoger dan 40 dB(A) etmaalwaarde als acceptabel aanmerken.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

28

Omdat de verandering de vestiging van een geheel andersoortig bedrijf in een bestaand(e) bedrijfspand of –locatie betreft is er sprake van een nieuwe situatie waarvoor het geluidbeleid van toepassing is. Oostendorperdiek 8 Het geluidbeleid is van toepassing op de woning Oostendorperdiek 8. Omdat voor deze woning ten opzichte van het bedrijf Oostendorperdiek 21 wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Oostendorperdiek 19 Een viskwekerij heeft een richtafstand voor geluid van 50 meter (visteeltbedrijven). Deze afstand geldt vanaf de grens van het bedrijf tot een woning. De woning Oostendorperdiek 19 ligt op ca 28 meter afstand. Aan de richtafstand wordt dus niet voldaan. De woning Oostendorperdiek 19 is echter op 25 mei 2018 aangeduid als plattelandswoning behorend bij het bedrijf Oostendorperdiek 21. Deze woning wordt om die reden niet beschermd door activiteiten op het bedrijf aan de Oostendorperdiek 21. Vissen zijn geen landbouwhuisdieren maar in het bestemmingsplan Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 wordt een viskwekerij aangeduid as hoofdfunctie agrarisch zodat voor de ruimtelijke beoordeling wordt uitgegaan van agrarisch bedrijf en voor de vergunningverlening wordt uitgegaan van niet agrarisch bedrijf. De richtafstand voor geluid van het huidige bedrijf bedraagt voor geluid eveneens 50 meter.

Het is niet de verwachting dat de geluidsituatie vanwege de verandering naar volledige viskwekerij met enkele scharrelvarkens en recreatiewoningen en recreatieve visactiviteiten ten opzichte van de huidige situatie verslechterd. Het woon- en leefklimaat van woning Oostendorperdiek 19 blijft daarmee aanvaardbaar. Recreatiewoningen Het geluidbeleid is hierop niet van toepassing omdat dit geen geluidgevoelige gebouwen zijn.

Conclusie: 1.

2.

3.

De Wet geluidhinder is voor het onderdeel verkeerslawaai van toepassing voor de nieuwe bedrijfswoning. Omdat voldaan wordt aan de voorkeurswaarde is een hogere waarde en nader akoestisch onderzoek niet nodig. De recreatiewoningen zijn niet geluidgevoelig. Het woon- en leefklimaat van de recreatiewoningen vanwege verkeerslawaai is aanvaardbaar en vormt geen belemmering. Bedrijven van derden worden niet extra belemmerd door de nieuwe bedrijfswoning. De woning Oostendorperdiek 19 is een plattelandswoning behorend bij de inrichting en wordt voor de eigen inrichting niet getoetst zodat er geen belemmering is. Woon- leefklimaat en toets gemeentelijk geluidbeleid a. Nieuwe bedrijfswoning. Deze is aanvaardbaar omdat deze bij de viskwekerij behoort. b. De woning Oostendorperdiek 19 is een plattelandswoning en hierop wordt industrielawaai van de viskwekerij niet getoetst. Het woon- en leefklimaat is voor een plattelandswoning aanvaardbaar. c. Recreatiewoningen behorend bij de viskwekerij betreffen een nevenactiviteit waardoor deze niet hoeven te worden getoetst. Het woon- en leefklimaat is voor de nevenfunctie recreatiewoningen aanvaardbaar. d. Overige woningen. Is aanvaardbaar omdat voldaan wordt aan de richtafstand.

Het aspect geluid vormt om vorenstaande redenen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

29

Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen.

Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5". Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.

Ten aanzien van dit plan De voorgenomen ontwikkeling is tweeledig: • Wijzigen van het agrarische bedrijf en realiseren van nieuwe activiteiten, zijnde het produceren van visvoer voor het eigen bedrijf, recreatieve functies, vergroten visvijver en het opzetten van een bed- en breakfast; • Realiseren van een gevoelige bestemming namelijk de bedrijfswoning, de vissershutten en een bed- en breakfast. De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (nibm) is in dit geval van toepassing op de te realiseren woningen, omdat de aanvraag betrekking heeft op 15 (recreatie)woningen. De grens in de regeling ligt bij 1500 woningen met een enkele ontsluitingsweg of 3000 woningen met twee ontsluitingswegen. Het Besluit nibm is echter niet zondermeer toepasbaar op het bedrijf, omdat de ruimtelijke procedure voorziet in de realisatie van duurzame viskwekerij met voedselproductie en recreatieve activiteiten. Er is mogelijk sprake van een verkeersaantrekkende werking door de veranderingen in het bedrijf. De bijdrage aan de luchtverontreiniging moet daarom berekend worden met de NIBM-tool. De resultaten van de berekening aan de hand van de NIBM-tool zijn ingevoegd in bijlage 5 behorende bij deze toelichting. De voorgenomen ontwikkeling draag niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is dan niet nodig.

De ruimtelijke procedure heeft geen betrekking op de ontwikkeling van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De locatie ligt bovendien op een afstand van: - minder dan 300 meter van een rijksweg; - minder dan 50 meter van een provinciale weg.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

30

Alleen bij realisatie van gevoelige bestemmingen binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden nodig. Nu dit niet aan de orde is, hoeft geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit plaats te vinden naast bovengenoemde onderzoeken. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Daarnaast dient voor gebiedsbescherming rekening te worden gehouden met de provinciale omgevingsvisie en -verordening.

Ten aanzien van dit plan Natura 2000 De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. Bij plannen moet vooraf de zekerheid worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Dat betekent dat nieuwe ontwikkelingen niet mogen leiden tot significant negatieve effecten. Op ruim 1.040 meter afstand van de planlocatie ligt het Natura-2000 gebied Zwilbrocker Venn u Ellewicker Feld, en op ca 4.000 meter het Korenburgerveen. Op deze afstand zijn in het geval van voorliggende ontwikkeling effecten anders die van stikstof op voorhand uit te sluiten.

Afbeelding 9: Ligging plangebied (ovaal)ten opzichte van Natura-2000 gebieden.

Voor het agrarisch bedrijf is een natuurvergunning verleend. Als referentiesituatie voor deze beoordeling geldt de verleende vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

31

onherroepelijke natuurvergunningen één op één mogen worden ingepast in het omgevingsplan. Als bijlage 6 is een stikstoftoelichting inclusief berekeningen toegevoegd. Om te beoordelen wat de gevolgen zijn van de veranderingen die dit bestemmingsplan beoogd te regelen zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. Met de AERIUS Calculator zijn berekeningen uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase voor de beoogde situatie (zie bijlage 6). Daaruit komt naar voren dat zowel de gebruiksfase als de aanlegfase niet resulteert in een toename van de stikstofdepositie, Volledigheidshalve is ook een berekening gemaakt van de aanlegfase en de gebruiksfase tezamen. Per saldo is er sprake van een forse afname van de stikstofdepositie. Daarmee is aangetoond dat de aanleg- en gebruiksfase in de beoogde situatie ten opzichte van de referentiesituatie niet leidt tot nadelige effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 december 2024 een uitspraak gedaan over de natuurvergunning voor het bedrijf Rendac Son B.V en een soortgelijke uitspraak over de Amercentrale van RWE. De Afdeling bestuursrechtspraak wijzigt met deze uitspraak haar eerdere rechtspraak uit 2021. Het nieuwe beoordelingskader is direct van toepassing en heeft gevolgen voor alle lopende en toekomstige vergunningsprocedures.

Intern salderen mag niet meer plaatsvinden als voortoets, maar in plaats hiervan is bij intern salderen altijd een natuurvergunning nodig of een verklaring van geen bedenkingen voor het onderdeel handelen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden. Het onderdeel handelen met gevolgen voor beschermde voor beschermde natuurgebieden haakt aan bij de voorliggende aanvraag. De afdeling bestuursrechtspraak heeft in een stroomschema vastgelegd op welke wijze omgegaan moet hoe om moet worden gegaan met deze beoordeling. Dit stroomschema is als bijlage 0 bij de stikstoftoelichting gevoegd. Hierna zijn de verschillende stappen opgenomen en is de bedrijfsspecifieke situatie in beeld gebracht:

Stap 1: Voortoets Uit de AERIUS-berekening van de beoogde opzet blijkt dat significante effecten niet zijn uitgesloten. De beoogde opzet heeft een bijdrage op het Korenburgerveen van 0,07 mol/ha per jaar.

Stap 2: Passende beoordeling Gevolgen van de bestaande situatie, de zogenoemde referentiesituatie mogen als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling. Zoals is aangegeven is er een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend. De hierin vergunde activiteiten vertegenwoordigen de referentiesituatie. In de stikstoftoelichting, bijgevoegd als bijlage 6 is de referentiesituatie vastgelegd en zijn de berekening toegevoegd.. Uit de verschilberekeningen (met AERIUS Calculator) tussen de referentiesituatie met de beoogde situatie blijkt dat er ter hoogte van kwetsbare habitattypen in Natura 2000-gebieden, ten gevolge van de stikstofuitstoot door dit project, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Er is sprake van een afname van 1,17 mol/ha jaar op Korenburgerveen. De referentiesituatie betrof een bijdrage van 1,24 mol/ha/jaar op het Korenburgerveen.

Stap 3: Additionaliteit Vervolgens is nog beoordeeld of er een noodzaak is om een gedeelte van de referentiesituatie in te zetten als maatregel die nodig is om natuur te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen. Op 1 juli 2025 hebben de Gedeputeerde Staten van Gelderland beleidsregels vastgesteld. In de regels is opgenomen dat slechts 65 % van de referentie mag worden ingezet bij intern salderen. De reductie van 35 % wordt gezien als een passende maatregel. Zoals uit berekening blijkt neemt de ammoniakdepositie af van 1,24 mol/ha/jaar naar 0.07 mol/ha/jaar. Aan de 35 % reductie vereiste om te voldoen aan het additionaliteitsvereiste wordt ruimschoots voldaan. Wij concluderen om die reden dat er afdoende maatregelen worden getroffen om de binnen de invloedsfeer liggen Natura-2000 gebieden te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen. De beoogde opzet is passend en zorgt niet voor nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

32

Gebiedsbescherming GNN/GO Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Hiervoor zijn instructieregels gesteld in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kennen geen externe werking.

Afbeelding 10: Ligging van GNN/GO in omgeving plangebied

Soortenbescherming Door Natuurbank Overijssel is een QuickScan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De resultaten van de QuickScans zijn opgenomen in het onderzoeksrapport met nummer 5394, versie 1.0 d.d. 17 juli 2023 (zie bijlage 7). Uit het onderzoeksrapport volgende onderstaande bevindingen en conclusies: • De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

33

•

•

•

•

Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of verblijfplaats, maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de meeste in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Nesten van boerenzwaluwen en zwarte roodstaarten vallen onder ‘categorie 5 jaarrond beschermde nesten’. Er zijn echter geen ecologisch zwaarwegende redenen om te veronderstellen dat deze soorten geen alternatieve nestlocatie kunnen vinden. Deze soorten beschikken over voldoende flexibiliteit en in de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieve nestlocaties aanwezig waar deze soorten kunnen nestelen. De staat van instandhouding van deze soorten komt niet in het geding door uitvoeren van de voorgenomen activiteiten.

Indien de bebouwing wordt gesloopt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rusten/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af.

Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

Slotconclusie natuurbescherming Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

34

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.

Ten aanzien van dit plan De omgeving van het perceel is te omschrijven als landelijk gebied. In de directe omgeving zijn enkele agrarische bedrijven gelegen en een enkel niet-agrarisch bedrijf. De voorgenomen ontwikkeling is tweeledig. • Ten eerste gaat het om het realiseren een gevoelige bestemming, namelijk de bedrijfswoning en een bed & breakfast; • Ten tweede gaat het om het uitbreiden van het bedrijf en het realiseren van nieuwe activiteiten, waaronder het produceren van visvoer, het exploiteren van recreatieve functies, het vergroten van de visvijver en het opzetten van een bed & breakfast.

Realisatie bedrijfswoning en Bed & Breakfast

Werkelijke afstand

Oostendorperdiek 13 Dankbaarsdijk 9 Dankbaarsdijk 10

Categorie

Fokken en houden van rundvee Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven Fokken en houden van varkens Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van varkens

Gevaar

Oostendorperdiek 23 Oostendorperdiek 17

Geluid

Omschrijving

Stof

Adres

Geur

Het gaat hier om de realisatie van een bedrijfswoning, Bed & Breakfast (B & B) en vissershutten. De B & B is mogelijk geen geluid- en geurgevoelig gebouw. Echter, om te beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat, is de B & B wel meegenomen in de beoordeling. In de omgeving van de voorgenomen ontwikkeling bevinden zich de in onderstaande tabel genoemde bedrijven. De tabel toont per bedrijf de richtafstand per onderdeel (geur, stof, geluid en gevaar) en de bijbehorende milieucategorie. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bedrijfsbestemming1 en de gevel van de woning of een andere gevoelige functie. De werkelijke afstand in onderstaande tabel is ook op die manier gemeten.

100 10

30 0

30 30

0 10

3.1 2

88 158

200 100 200

30 30 30

50 30 50

0 0 0

4.1 3.1 4.1

158 423 383 +/-218 tot vissershutten

Zoals uit de tabel valt af te leiden vindt de aangevraagde ontwikkeling plaats binnen de richtafstand voor geur van de veehouderij op Oostendorperdiek 13. Voor de volgende bedrijven gelden echter nog aanvullende overwegingen: - Oostendorperdiek 13, Oostendorperdiek 23, Dankbaarsdijk 9 en Dankbaarsdijk 10: deze meldingsplichtige veehouderijen vallen volledig onder de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De afstand voor het onderdeel geur uit bovenstaande tabel is dan niet van toepassing. Hieruit komt naar voren dat voor deze bedrijven een wettelijke minimumafstand van 50 meter geldt vanaf een emissiepunt van de stal. De aangevraagde ontwikkeling voldoet aan deze minimumafstand. Daarnaast geldt voor de dieren met 1

Dit geldt ook voor een bestemming als horeca, recreatie, sport of maatschappelijk.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

35

geuremissiefactor een geurnorm van 14 odour units/m3. De optredende geurconcentraties vanwege bovengenoemde veehouderijen blijven ter plaatse van de voorgenomen ontwikkelingen onder de norm van 14 odour units/m³. De ontwikkeling zorgt daarom niet voor extra belemmeringen voor omliggende bedrijven. Andersom bestaat binnen het plangebied om dezelfde reden voldoende garantie voor een goed woon- en leefklimaat.

Realisatie duurzame viskwekerij met Bed & Breakfast Het gaat hier over een aanvraag voor het veranderen van de bestaande viskwekerij naar een duurzame viskwekerij, waarbij visvoer geproduceerd wordt op locatie en er een B&B en vissershutten gerealiseerd worden. Voor de aangevraagde bedrijfsactiviteiten geldt een maximale richtafstand van 300 meter (zie onderstaande tabel). De omschrijvingen komen uit bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering. Ze sluiten zo goed mogelijk aan bij de aangevraagde bedrijfsactiviteiten. Hierbij geldt de richtafstand tussen de grens van de bedrijfsbestemming1 en de gevel van de woning. De werkelijke afstand is ook op die manier gemeten. De dichtst bij gelegen woning is de voormalige bedrijfswoning, nu zijnde plattelandswoning op Oostendorperdiek 19. De woning op Oostendorperdiek 8 ligt op 75 meter van het bedrijf.

Stof

Geluid

Gevaar

Categorie

Vis- en schaaldierkwekerijen: visteeltbedrijven Veevoerfabrieken: • drogerijen (gras, pulp, groenvoeder, veevoeder) cap. < 10 t/u water

50

0

50

0

3.1

300

100

200

30

4.2

Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra (Bed & breakfast) Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) (Vissershutten) Houden van biologische scharrelvarkens tussen de stallen

10

0

10

10

1

30

0

50

30

2

200

30

50

0

4.1

Werkelijke afstand

Geur

Omschrijving

75

De gevraagde ontwikkeling vindt plaats binnen richtafstand van woningen. Echter, voor het bedrijf gelden de volgende aanvullende overwegingen: - Vis- en schaaldierkwekerijen (visteeltbedrijven): In de huidige situatie is er ook al sprake van een viskwekerij op deze locatie. De bestaande woning op nummer 19 betreft een plattelandswoning en is nog onderdeel van de inrichting van nummer 21. Uit aanvullende informatie blijkt dat de hoeveelheid productie van de viskweek niet wijzigt en alleen de voerproductie erbij komt. De woning aan de Oostendorperdiek 8 te Winterswijk Meddo is de dichtstbijzijnde woning en ligt op circa 75 meter. De afstand tot de te wijzigen activiteiten ligt op circa 170 meter. Zoals uit paragraaf 4.5 geluid en paragraaf 4.10 geur blijkt, blijft een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd; -

Productie van visvoer voor eigen gebruik: Voor de productie van het visvoer is nu gekozen voor de sbi veevoerfabrieken (drogerijen), waarvoor 2 verschillende opties gelden. Uit de aangereikte gegevens blijkt dat het kleinschalig is, alleen voor eigen gebruik en inpandig plaats. De term ‘fabriek’ is niet van toepassing hier. Om vorenstaande redenen is het aannemelijk dat ter plaatse van de omliggende woningen (waaronder Oostendorperdiek 8) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

-

Vissershutten/ B&B: Er wordt voldaan aan de richtafstanden tot de B & B. Er wordt echter niet voldaan aan de richtafstand voor geluid van 50 meter voor de vissershutten. Gezien de kleinschaligheid van de vishutten en functie die zij hebben, kan geconcludeerd worden dat de hier gebruikte SBI niet geheel van toepassing is voor deze situatie. De SBI gaat uit van grotere vakantiecentra en kampeerterreinen. Daarnaast worden de

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

36

vissershutten gerealiseerd bij de kweekvijvers die op ruime afstand van de woning op nummer 8 is gelegen. Er is daarom door de vissershutten geen aantasting van het woon-en leefklimaat. -

Houden van varkens: Het voornemen is om slechts hobbymatig enkele scharrelvarkens te houden om te laten scharrelen tussen de stallen. De richtafstanden voor het houden van varkens zijn daarom niet van toepassing. In de huidige situatie werden er veel meer varkens gehouden dan nu het voornemen is. Er is dus geen sprake van aantasting van het woon en leefklimaat van de woning op nummer 8 door het houden van scharrelvarkens;

Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning op Oostendorperdiek 8 en verder omliggende woningen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen activiteiten.

4.9 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.

Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: •

•

Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

37

verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Het beleid betreffende externe veiligheid is samengevat in onderstaand figuur.

Tabel met overzicht beleid externe veiligheid

Ten aanzien van dit plan Binnen het plangebied zullen geen activiteiten met en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van omliggende woningen. Andersom moet wel worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van risicobronnen, die mogelijk een belemmering kunnen vormen voor de met voorliggend bestemmingsplan beoogde ontwikkeling. Hiervoor is de risicokaart geraadpleegd (zie afbeelding 10).

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

38

Afbeelding 11 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat er op korte afstand van het plangebied geen risicobronnen in de vorm van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Geur Bij ruimtelijke besluitvorming is ten aanzien van het aspect geur is het volgende belangrijk: 1. het kunnen garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 2. het niet onevenredig schaden van iemands belangen. Voor geur van het agrarisch bedrijf moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Een gemeente kan middels een geurverordening de normen wijzigen. De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.

Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Voor de omgeving waarin de projectlocatie is gelegen gelden de “standaardnormen”.

Toelichting bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a in Groenlo

39

Voor de beoordeling van geurhinder van industriële bedrijven gelden de volgende kaders, zijnde het Activiteitenbesluit, Handleiding geur van Infomil en geurbeleid Provincie Gelderland

Ten aanzien van dit plan: De voorgenomen ontwikkeling is tweeledig. • Ten eerste gaat het om het wijzigen van de veehouderij van intensieve veehouderij naar kleinschalige varkenshouderij • Ten tweede gaat het om het uitbreiden van de viskwekerij met eigen voerproductie. • Ten derde gaat het om verplaatsing van de bedrijfwoning.

Individuele geur veehouderij De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden. Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij: • bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht; • bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht; • bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht. Daarnaast geldt een minimale vaste afstanden tot geurgevoelige objecten in de bebouwde komt en buiten de bebouwde kom Deze afstanden betreffen respectievelijk 100 meter en 50 meter. De aangevraagde ontwikkeling (bedrijfswoning & recreatieve verblijven) vindt plaats buiten de bebouwde kom. In de In de omgeving van de locatie Oostendorperdiek 21 bevinden zich meerdere veehouderijen. In bijlage 8 staat een opsomming van deze veehouderijen (inclusief de daarbij behorende berekeningen). Die opsomming leidt samengevat tot de volgende uitkomsten: De woningen voldoen aan de minimumafstand van 50 meter tot veehouderijen. De woningen voldoen aan de geldende geurnorm van 14 odour units/m3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16842370/1