CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp omgeving marianum bijlagen

Raadscommissie 22 juni 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum' en beeldkwaliteitsplan 'Sporthallocatie Groenlo'26.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied 19 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan drie vondstmeldingen geregistreerd (zie tabel IV en figuur 8). De vondstmeldingen zijn gekoppeld aan de archeologische onderzoeken die binnen het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd en hierboven reeds samenvattend zijn beschreven. Tabel IV. Zaaknummer (waarnemingsnummer) 2052518100 (401925)

2329255100 (439887)

Overzicht ARCHIS-vondsten

Situering t.o.v. plangebied

Aard van de melding

130 meter ten noorden van het plangebied Deken Hooijmansingel te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 239243/450776

Nieuwe tijd: - 3 grondsporen - loden onderdeel van een vuurwapen

250 meter ten noorden van het plangebied Graafschapcollege te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 239369/450887

Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd: - glazen afval - 2 fragmenten van tegels - fragment van leisteen dakbedekking - 3 fragmenten van dakpannen - gracht - 9 bakstenen - ophoging

Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologische begeleiding (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2052518100 (7448))

Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch bureau- en booronderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2329255100 (46703))

19

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 14 van 27

4039773100

250 meter ten noordoosten van het plangebied Lichtenvoordseweg 2 te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 239486/450782

Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd: - fragment van een grijsbakkend gedraaide kom/schaal Nieuwe tijd: - fragment van steengoed - fragment van steengoed geglazuurd - fragment van een KKP vaatwerk Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologische begeleiding (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2480936100 (66395))

Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Archeologische plaatselijke Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17, Zuid-Veluwe en Oost Gelderland (contactpersoon de heer B. Clabbers). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied dan al reeds vermeld in ARCHIS. Oudheidkundige Vereniging Groenlo Voor aanvullende informatie is tevens contact gezocht met de Oudheidkundige Vereniging Groenlo. Gemeld wordt dat er geen aanvullende vondsten zijn gedaan of bijzonderheden bekend zijn, gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied dan al reeds vermeld in ARCHIS. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel V. Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

1561

Groll

-

Gebied van akkerland/gelegen binnen oud bouwlandcomplex

Directe omgeving ook merendeels akkerland en in de omgeving enkele oude wegen, tevens als ontsluiting van de ten noorden gelegen oude stadskern/vestingstad van Groenlo, aangeduid als “Groll”.

Hottingerkaart

1773-1794

78

-

Geen noemenswaardige veranderingen.

Geen noemenswaardige veranderingen.

Kadastrale kaart (Minuutplan)

1828

Gemeente Groenlo, Sectie B, Blad 02

1:2.500

Deel uitmakend van percelen bouwland/moestuin

Oud bouwlandcomplex, ten noorden de voorloper van de Deken Hooijmansingel als zandweg.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1885

474

1:50.000

Deels bouwland, deels grasland. Percelen deels begrensd in de vorm van houtwallen.

Geen noemenswaardige veranderingen.

Jacob van Deventer

20

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal20

www.topotijdreis.nl / beeldbank.cultureelerfgoed.nl / Versfelt, 2003 / Gelders Archief

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 15 van 27

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1927

474

1:50.000

Centraal-oostelijke deel plangebied doorsneden door een zandweg/zandpad.

Geleidelijke toename van aantal woonpercelen, vooral langs de voorloper van de Lichtenvoordseweg.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1936

474

1:50.000

Tweetal gebouwen/woningen aanwezig in het centraaloostelijke deel van het plangebied langs onverharde weg.

Verdere toename van woonpercelen langs de voorlopers van de Lichtenvoordseweg en de Deken Hooimansingel.

Topografische kaart

1965

34 D

1:25.000

Geen noemenswaardige veranderingen.

Sterke toename van de bebouwde kom van Groenlo. Deel van het scholengemeenschap gebouwd ten noordoosten van het plangebied. Wegen deels rechtgetrokken.

Topografische kaart

1977

34 D

1:25.000

Tweetal gebouwen/woningen in het centraal-oostelijke deel van het plangebied niet meer aanwezig, evenals de onverharde (ontsluitings)weg.

Verdere toename van de bebouwde kom van Groenlo. Bewoning centreert zich nu rondom verharde wegen buiten het plangebied.

Topografische kaart

1995

34 D

1:25.000

Merendeels huidige situatie.

Merendeels huidige situatie, Rondweg N319 en de weg Barkenkamp aangelegd ten zuiden en westen van het plangebied.

Het plangebied ligt hemelsbreed ongeveer 250 meter ten zuiden van de stadkern van Groenlo en was, op basis van het geraadpleegde historische kaartmateriaal, in ieder geval vanaf halverwege de 16e eeuw onbebouwd (zie figuur 9). De lichte kleuring duidt waarschijnlijk op hoger gelegen zandgronden die meest waarschijnlijk in gebruik waren als akkerland. Het plangebied maakte destijds waarschijnlijk dan ook al deel uit van een oud bouwlandcomplex. Dit gebruik veranderde niet noemenswaardig gedurende de 17e en 18e eeuw (zie figuur 10). Gedetailleerder kaartmateriaal uit het begin van de 19e eeuw laat zien dat het plangebied deel uitmaakte van percelen bouwland en (moes)tuinen. Ten noorden van het plangebied lag de voorloper van de Deken Hooijmansingel als onverharde zandweg (zie figuur 11). Ook gedurende de 19e eeuw vonden er weinig veranderingen plaats (zie figuur 12). Vanaf de jaren ’20 van de 20e eeuw werd het centraal-oostelijke deel van het plangebied doorsneden door een (ontsluitings)weg/zandweg (zie figuur 13). In de jaren ’30 van de 20e eeuw zijn er langs deze weg een tweetal gebouwen/woningen gebouwd binnen de begrenzing van het plangebied (zie figuur 14). Verder werden er vooral woningen gebouwd langs de voorlopers van de Lichtenvoordseweg en de Deken Hooimansingel.

Vanaf het begin van de tweede helft van de 20 e eeuw vind een sterke toename plaats van de bebouwde kom van Groenlo en werden wegen deels rechtgetrokken. Ook een deel van het scholencomplex ten noordenoosten van het plangebied is rond begin jaren ’60 gebouwd (zie figuur 15). Op de topografische kaart uit 1977 worden de twee gebouwen/woningen in het centraal-oostelijke deel van het plangebied niet meer weergegeven (zie figuur 16) en zullen dan ook ergens in de voorgaande jaren zijn gesloopt. Vanaf begin jaren ’90 tot op heden is het plangebied in gebruik als sportveld Marianum met sporthal en parkeerplaats (zie figuur 17). Destijds zijn ook de Rondweg N319 en de weg Barkenkamp aangelegd ten zuiden en westen van het plangebied.

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 16 van 27

Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Oost Gelre is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd (via het Erfgoedcentrum Achterhoek Liemers). De sporthal die in de noordoostelijke hoek van het plangebied staat is gebouwd in 1987 en is voorzien van funderingsbalken tot circa 100 cm -mv en staande op betonnen poeren van circa 80 cm hoogte. Van de vermoedelijke woningen die in het centraaloostelijke deel van het plangebied hebben gestaan vanaf de jaren ’30 tot ’70 van de 20e eeuw zijn geen gegevens bekend. De verwachting is wel dat deze woningen minimaal op staal gefundeerd waren tot op het “gele” zand. Standaard dieptes van deze funderingen zijn 80 tot 100 cm -mv. Te verwachten is dat destijds, ten behoeve van de aanleg van deze bebouwing (uitgraven bouwput) en diverse nutsvoorzieningen, de bodem op deze locaties minimaal tot deze dieptes is geroerd/afgegraven. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 21 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VI.

21

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars)

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen (top podzolprofiel).

Laat-Neolithicum (Landbouwers)

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen (top podzolprofiel).

Bronstijd - Romeinse tijd (Landbouwers)

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen (top podzolprofiel).

Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen (top podzolprofiel).

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 - 1994/ikme.nl/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 17 van 27

Nieuwe tijd

-Laag

-Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

-Onder het maaiveld/in het plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen (top podzolprofiel).

-Zeer hoog voor het uiterst oostelijke deel van het plangebied, waar restanten van approches (loopgraven) worden verwacht als onderdeel van de Circumvallatielinie uit 1627

-Resten/sporen van approches (loopgraven met vulling/vermengde grond waarmee de loopgraven gedempt zijn)

-Direct onder het plaggendek/onder de humeuze bovengrond

Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied binnen het landschap van het Oost-Nederlandse Plateau ligt en specifiek op de noordelijke uitloper van een plateau-achtige terrasrest dat bedekt is met dekzand en waarop een plaggendek is aangebracht. Dit dekzandplateau had een gunstige ligging voor Jager-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Vroeg-Neolithicum) als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Ook voor Landbouwers was dit plateau een zeer gunstige nederzettingslocatie. Het dekzandplateau beslaat een groot gebied en bood meer dan voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden voor landbouw. Het plangebied heeft in het meest noordelijke deel van een oude enk/omvangrijk oude bouwlandcomplex en is voor lange tijd in agrarisch gebruik gebleven. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft aan dat het plangebied in het meest noordelijke deel van een oude enk/omvangrijk oude bouwlandcomplex heeft gelegen en heeft vanaf de 16e eeuw tot in de eerste helft van de 20e eeuw eigenlijk vrijwel alleen een agrarisch gebruik gekend. Wel worden in het uiterst oostelijke deel restanten van een approche (loopgraaf met vulling/vermengde grond waarmee de loopgraaf gedempt is) verwacht, als onderdeel van de Circumvallatielinie uit 1627.

Tijdens een in 2004 uitgevoerde archeologische begeleiding van een reconstructie van de Deken Hooijmansingel, ten noorden van het plangebied, begeleiding is een spoor gevonden dat mogelijk geïnterpreteerd kan worden als een approche (naderingsloopgraaf) uit eind 16 e of begin 17e eeuw. Op basis van bovenstaande uitgangspunten en conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre (zie figuur 8), kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen wordt voor het gehele plangebied hoog geacht (zie tabel VI). Voor de periode Nieuwe tijd geldt voor het plangebied een lage trefkans op het voorkomen van restanten van historische erven. Binnen het plangebied worden eventueel aanwezige archeologische resten worden verwacht in het (dikke) plaggendek (Aa-horizont) en in de top van de dekzandafzettingen (top van de afgedekte podzolbodem, of restant hiervan). De vondstenlaag is opgenomen onderin het plaggendek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool.

Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) zullen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. De diepteligging van de vondstenlaag is afhankelijk van de dikte van het plaggendek. De aanwezigheid van een dik plaggendek zal gefungeerd hebben als beschermende laag, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk goed zijn geconserveerd. Opbrengen van dit plaggendek heeft plaatsgevonden in ieder geval vanaf de tweede helft van de 16e eeuw, maar waarschijnlijk eerder (mogelijk al in de Late-Middeleeuwen). Voor het uiterst oostelijke deel van het plangebied wordt de kans op de aanwezigheid van restanten van een approche/loopgraaf uit de periode rond 1627 zeer hoog geacht. In situ gelegen resten gerelateerd aan en sporen van deze loopgraaf worden verwacht direct onder het plaggendek/onder de humeuze bovengrond.

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 18 van 27

Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. In het centraal-oostelijke deel van het plangebied hebben een tweetal woningen gestaan die minimaal op staal gefundeerd zijn geweest tot op het “gele” zand. De ondergrondse delen van de sporthal in de noordoostelijke hoek van het plangebied bestaan uit funderingsbalken tot circa 100 cm -mv en staan op betonnen poeren van circa 80 cm hoogte. Te verwachten is dat, ten behoeve van de bouw en de aanleg van diverse nutsvoorzieningen, de bodem binnen de (voormalige) bouwoppervlakken minimaal tot deze dieptes is geroerd/afgegraven en dat ter plaatse het oorspronkelijke bodemprofiel gedeeltelijk zo niet geheel is verstoord. Verder is het merendeel van het plangebied ingericht als sportveld en zijn enkele terreindelen voorzien van een klinkerverharding (ontsluitingsweg in het meest westelijke deel van het plangebied en het parkeerterrein in het meest zuidoostelijke deel van het plangebied). Wellicht heeft deze inrichting ook geleid tot een verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel. In welke mate is echter niet bekend. 2.9

Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek

Gezien de omvang van het plangebied en de kans groot wordt geacht dat binnen (delen van) het plangebied moderne bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een inventariserend veldonderzoek doormiddel van boringen in de verkennende fase (KNA protocol 4003, IVO-O). Met het verkennend booronderzoek wordt de bodemopbouw binnen het plangebied bepaald en wordt onderzocht of de oorspronkelijke bodemopbouw nog wel, deels of niet meer intact is. De boringen dienen gelijkmatig verspreid binnen het plangebied gezet te worden om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. In overleg met de bevoegde overheid dient het veldonderzoek opgeschaald te worden naar een karterend booronderzoek, mochten er intacte bodemprofielen worden aangetroffen. Specifiek voor het uiterst zuidoostelijke deel van het plangebied, waar restanten van approches/loopgraven worden verwacht, dienen verkennende boringen in een boorraai gezet te worden dwars over de vermoedelijke ligging van de loopgraven.

Indien boringen duiden op de aanwezigheid van een approche/loopgraaf dienen er verdichtende boringen te worden gezet, zodat meer gezegd kan worden over de omvang (breedte).

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 19 van 27

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 20 februari 2020 door ir. E.M. ten Broeke (senior KNA-prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. In het plangebied zijn in totaal 33 boringen gezet. De boringen 1 t/m 14 zijn binnen het totale plangebied gelijkmatig verdeeld en, daar waar mogelijk, over drie westnoordwest-oostzuidoost gerichte boorraaien en in een verspringend boorgrid van 40 x 50 meter (zie figuur 18). De boringen 15 t/m 29 zijn gezet in het uiterst zuidoostelijke deel van het plangebied, daar waar restanten van approches/loopgraven werden verwacht (zie figuren 19a en 19b). Deze boringen zijn verdeeld over drie boorraaien en met een afstand van 2 meter tussen de boringen. De boorraaien hebben een oriëntatie dwars op de vermoedelijke ligging van de loopgraven. Twee raaien zijn over de noordwestelijk gelegen approche gezet en één raai over de zuidoostelijk gelegen approche.

De raai van de boringen 25 t/m 29 stonden gepland binnen een terreindeel waarvan blijkt dat het om een tuin van een particulier en hier dus geen toestemming was om te boren (zal ook een terreindeel betreffen dat niet meegenomen zal worden in geplande ontwikkeling). Deze boringen zijn dan ook verzet in westelijke richting tot binnen openbaar terrein. De boringen 30 t/m 33 zijn aanvullend gezet bij de twee raaien over de noordwestelijk gelegen approche, om een duidelijker beeld te krijgen over de aan- dan wel afwezigheid van restanten van een approche/loopgraaf. De boringen zijn gezet met behulp van een edelmanboor (diameter 10 cm) tot maximaal 300 cm -mv. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.22 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In bijlage 5 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.

Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.

22

Bosch, 2005

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 20 van 27

3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De opbouw van de bodem kan schematisch als volgt worden weergegeven: Tabel VII.

Algemene bodemopbouw plangebied Diepte (cm -mv)

Samenstelling

Interpretatie

Vanaf maaiveld tot 30

Donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand

1Ap-horizont, huidige bouwvoor, recent geroerd/omgewerkt

Tussen 30 en minimaal 70 en maximaal 225, gemiddeld tot 150

Variërrend van lichtbruingrijs, donkergrijswit tot lichtgrijs gekleurd en sterk gevlekt, deels zwak tot matig humeus, deels zwak grindig, zwak sailtig, matig fijn zand

Bouwzand/stabilisatiezand en geroerde/teruggestorte grond (t.b.v. huidige inrichting)

Plaatselijk tussen gemiddeld 150 en 170

Lichtgeelgrijs, zwak siltig, zeer fijn zand

1C-horizont, dekzand

Vanaf gemiddeld 150 tot 220 (einddiepte boringen)

Lichtgrijswit gekleurd, zwak grindig, matig siltig, zeer fijn zand

2C-horizont, grondmorene/keizand

De verkennende boringen die gezet zijn gelijkmatig verspreid over het totale/gehele plangebied laten zien dat er in het algemeen reeds diepgaande bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd. Binnen het sportveld, wat het merendeel van het plangebied vormt (verkennende boringen 3 t/m 12), bestaat de bodemopbouw uit een humeuze huidige bouwvoor dan wel bovengrond met hieronder gestorte lagen grindhoudend bouwzand/stabilisatiezand en teruggestorte humeuze grond. Dit zal hebben plaatsgevonden ten behoeve van de inrichting als sportveld en om de waterhuishouding te verbeteren (verbeteren drainage/het versneld afvoeren van regenwater in de bodem, zodat het sportveld snel toegankelijk is na regenachtige perioden). De natuurlijke bodemopbouw begint pas op een diepte van gemiddeld 150 cm -mv, met uitschieters in de verstoringsdiepte tot maximaal 225 cm -mv. Hieronder vindt direct de overgang plaatsvind naar de C-horizont. Plaatselijk is nog een dunne laag dekzand aangetroffen (1C-horizont), bestaande uit lichtgeelgrijs, zwak siltig, zeer fijn zand, maar meestal vindt direct de overgang plaats naar grondmoreneafzettingen/keizand uit de voorlaatste ijstijd (2C-horizont), bestaande uit lichtgrijswit gekleurd, zwak grindig, matig siltig, zeer fijn zand.

Ook in het uiterst centraal-westelijke deel van het plangebied (boringen 1 en 2) zijn voor de huidige inrichting (en bouw van aangrenzend gelegen kantoorpanden) al diepgaande bodemverstorende ingrepen uitgevoerd, waarbij tot minimaal 155 cm -mv lagen stabilisatiezand/bouwzand zijn aangetroffen. De onverstoorde bodemopbouw betreft hier direct grondmoreneafzettingen/keizand. De verkennende boringen gezet binnen het zuidoostelijke deel van het plangebied dat deels in gebruik als parkeerterrein (boringen 13 en 14) laten een verstoringsdiepte zien tot minimaal 75 cm -mv, waarbij de geroerde/verstoorde bodem bestaat uit donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand en vermengd is met resten modern bouw-, betonpuin en baksteen. De onverstoorde bodem betreft direct de 1C-horizont. De dekzandafzettingen, bestaande uit lichtoranjegeel tot lichtgrijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijn zand, lopen hier door tot in ieder geval 220 cm -mv. Binnen dit terreindeel is de afdekkende laag dekzand/deken van dekzand dikker in vergelijking met het overige deel van het plangebied.

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 21 van 27

De boringen 15 t/m 33 (boringen 30 t/m 33 als aanvullende boringen) hebben niet geresulteerd in het kunnen aanduiden van mogelijk restant van approches/loopgraven, als onderdeel van de Circumvallatielinie uit 1627. De raai van de in eerste instantie gezette boringen 15 t/m 19 laten een geroerde bodemopbouw zien tussen 90 en 150 cm -mv, bestaande uit donkerbruingrijs en vervolgens donkergrijsgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Omdat diepere verstoringen zijn aangetroffen ter plaatse van de boringen 15 en 16 kon in eerste instantie niet worden uitgesloten dat ter plaatse een approche/loopgraaf zou kunnen liggen. Daarom zijn aanvullend de boringen 30 en 31 gezet, met een gelijke afstand van twee meter tussen de boringen binnen de boorraai. Ook deze boringen laten een verstoringsdiepte zien van circa 150 cm -mv. Daarmee is de zone met een verstoringsdiepte tot circa 150 cm -mv te breed om gerelateerd te kunnen worden aan een approche/loopgraaf. De verstoringen zullen gerelateerd zijn aan de huidige inrichting van het terrein. Ook de raai van de boringen 20 t/m 24 en aanvullend boringen 32 en 33 hebben niet geresulteerd in het kunnen identificeren van een approche/loopgraaf. De boringen 20 t/m 24 laten een laten een geroerde bodemopbouw zien tussen 70 en 140 cm -mv.

De meest diepe verstoring is aangetroffen ter plaatse van boring 24 (140 cm -mv), waardoor nog de mogelijkheid bestond dat deze boring binnen een approche/loopgraaf was geplaatst en dat deze in zuidoostelijke richting zou doorlopen. De aanvullende boring 32, gezet 2 meter ten zuidoosten van boring 24, laat echter een verstoringsdiepte zien van 70 cm, terwijl bij boring 33 de verstoringsdiepte weer reikt tot 135 cm -mv. Ook voor de zone van deze boorraai geldt dat er geen aanwijzingen zijn op de aanwezigheid van restanten/een vulling van een approche/loopgraaf. De verstoringen zijn het resultaat van de huidige inrichting van het terrein als de aanleg van nutsvoorzieningen (kabels en leidingen, riolering). De raai van de boringen 25 t/m 29, welke oorspronkelijk gepland stonden binnen een tuin van een particulier en dus verplaatst moesten worden in westelijke richting (binnen openbaar terrein), laten als enige boringen een deels intacte bodemopbouw zien, maar geldt voor maar een heel beperkt terreindeel (strook gras langs de toegangsweg tot het parkeerterrein). De bodemopbouw bestaat hier vanaf het maaiveld tot circa 65 cm -mv uit een geroerd plaggendek van donkerbruingrijs tot geel gekleurd en gevlekt (brokken geel zand), matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand.

Hieronder is het merendeel van een van nature gevormde veldpodzolbodem aanwezig, vanaf een intact restant van de inspoelings-1Bhe-horizont met hieronder de overgangs-1BC-horizont en in de vorm van donkerbruingeel en naar onderen toe lichtbruingeel gekleurd, bovenin zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. De overgang naar de 1C-horizont (dekzandafzettingen) bevindt zich op een diepte van circa 120 cm -mv. Deze boringen zijn gezet met als doel om een restant van een approche/loopgraaf op te sporen. Gezien de intactheid van de bodem bij alle vijf de boringen kan dus ook hier gesteld worden dat er ter plaatse geen restant van een approche/loopgraaf aanwezig is. Archeologie In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen in het opgeboorde en vervolgens versneden en verbrokkelde bodemmateriaal. Er dient echter gemeld te worden te worden dat het inventariserend veldonderzoek een verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 22 van 27

4 4.1

CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie

Op basis van het bureauonderzoek en conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre, kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen wordt hoog geacht, vanwege de veronderstelde ligging van het plangebied op hoog gelegen terrastrestrug (behorend tot het Laagterras) dat afgedekt is met (gordel)dekzand. Voor zowel Jagers-Verzamelaars als voor Landbouwers vormde deze landschappelijke eenheid een geschikte (tijdelijke) bewoningslocatie. Voor de periode Nieuwe tijd geldt een lage trefkans op het voorkomen van restanten van historische erven, aangezien geraadpleegd historisch kaartmateriaal aangeeft dat er binnen het plangebied geen historische bebouwing heeft gestaan ouder dan begin jaren ’50 van de 20e eeuw en daarvoor vanaf in ieder geval de tweede helft van de 18e eeuw alleen een agrarisch gebruik kende. Specifiek voor het uiterst oostelijke deel van het plangebied wordt de kans op de aanwezigheid van restanten van een approche (loopgraaf met vulling/vermengde grond waarmee de loopgraaf gedempt is), als onderdeel van de Circumvallatielinie uit 1627, zeer hoog geacht.

De resultaten van de verkennende boringen laten binnen het westelijke, centraal-westelijke als centrale deel van het plangebied (groenstroken met ontsluitingsweg en het sportveld) een bodemopbouw zien van een humeuze huidige bouwvoor met hieronder gestorte lagen grindhoudend bouwzand/stabilisatiezand en teruggestorte humeuze grond tot een gemiddelde diepte van 150 cm -mv en met uitschieters tot maximaal 225 cm -mv. In het zuidoostelijke deel van het plangebied (parkeerterrein met groenstroken) laten de verkennende boringen een verstoorde bodemopbouw zien tot minimaal 75 cm -mv, bestaande uit donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand vermengd met resten modern bouw-, betonpuin en baksteen. Ook hier vindt een scherpe overgang plaats direct naar de 1C-horizont. Binnen dit terreindeel is de afdekkende laag dekzand/deken van dekzand vrij dik en verder komen hieronder grondmoreneafzettingen (keizand) voor bestaande uit lichtgrijswit gekleurd, zwak grindig, matig siltig, zeer fijn zand (2C-horizont). De raaien met boringen die gezet zijn specifiek voor het kunnen opsporen van mogelijk nog aanwezige restanten van approches/loopgraven, hebben niet geresulteerd in het kunnen aanduiden van een zone waar een dieper doorlopende laag van gemengde grond aanwezig is, als mogelijke vulling van een approche/loopgraaf.

De variërende verstoringsdiepte zal het resultaat zijn van vergravingen ten behoeve van de huidige inrichting van het terrein als de aanleg van nutsvoorzieningen (kabels en leidingen, riolering). De meest oostelijk aangelegde raai laat wel een vrij intacte hoge bruine enkeerdgrond zien (geroerd plaggendek met hieronder een restant van de van nature gevormde veldpodzolbodem), echter gaat het hier om een zeer beperkt terreindeel waar nog sprake is van een merendeels onverstoorde bodemopbouw. Een restant van een approche/loopgraaf is hier in ieder geval niet aanwezig. Op basis van de verkennende boringen kan geconcludeerd worden dat de bodemopbouw binnen het plangebied dermate verstoord is dat zowel het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau volledig is vergraven. Archeologische waarden ouder dan de Nieuwe tijd zullen daarmee niet meer in situ worden aangetroffen. Verder wordt geconcludeerd dat dat de boringen niet geresulteerd hebben in het kunnen aanduiden van mogelijke restanten/vullingen van approches/loopgraven als onderdeel van de Circumvallatielinie. De hoge archeologische verwachting op het voorkomen van resten daterend vanaf het Laat-Paleolithicum dient daarmee bijgesteld te worden naar een lage verwachting. Er zijn geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen.

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 23 van 27

4.2

Advies

Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Er is sprake van een verstoorde bodemopbouw binnen het plangebied, waardoor archeologische resten niet meer in situ worden verwacht (archeologisch potentiële sporen-/vondstniveau is sterk aangetast dan wel volledig verwijderd). Tevens zijn er geen aanwijzingen die duiden op mogelijke restanten/vullingen van approches/loopgraven als onderdeel van de Circumvallatielinie. Daarnaast zijn er geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen tijdens het onderzoek. Een archeologische vindplaats wordt niet meer verwacht binnen het plangebied. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oost Gelre). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten.

Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 23), de gemeente Oost Gelre of de provincie Gelderland.

23

Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 24 van 27

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & W.P. Locher, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Bakker, H. de & Schelling, J., 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Barends, S., Baas, H.G., Harde, M.J. de, Renes, J., Stol. T., Triest, J.C. van, Vries, R.J. de, Woudenberg, F.J. van, 2005: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Beek, R. van, 2009: Reliëf in Tijd en Ruimte. Interdisciplinair onderzoek naar bewoning en landschap van Oost Nederland tussen vroege prehistorie en middeleeuwen. Proefschrift Wageningen Universiteit. ISBN 978-90-8585-460-9. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Boshoven, E.H., Veen, S.

van der & Verschoof, W.B., 2014: Archeologisch onderzoek langs en binnen de Circumvallatielinie Groenlo, gemeenten Oost Gelre en Berkelland; een boor- en geofysisch onderzoek ter vaststelling van de exacte ligging van de linie. RAAP-Rapport 2557. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg Den Bosch, 2e druk. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Nijs, G.A.Th.M. & Van der Pluijm, J.E., 2008: Kijk op de linie Op zoek naar de Circumvallatielinie uit 1627 rondom Groenlo. Stadsmuseum Groenlo, Groenlo. Pluijm, J.E. van der, 2009: Groenlo in de Tachtigjarige oorlog. De Achterhoek als strijdtoneel, 15671627. Uitgave van Stadsmuseum Groenlo.

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 25 van 27

Roode, F. de, Berghe, K.J. Van den, 2008: Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre; Deel 1: startnota archeologische monumentenzorg; Deel 2: toelichting op de archeologische landschappen- en beleidskaart. RAAP-rapport 1757. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Stichting voor Bodemkartering, 1977: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. blad 34 West/Enschede. Willemse, N.W. & Kocken, M.H.J.M., 2013: Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP-rapport 2501. Velde, H.M. van der, 2011: Wonen in een grensgebied. Een langetermijngeschiedenis van het OostNederlandse cultuurlandschap (500 v. Chr. - 1300 na Chr.). NAR (Nederlandse Archeologische Rapporten) 40, Amersfoort. Versfelt, H.J., 2003: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794. Heveskes Uitgevers, Groningen. ISBN 90-806727-4-2. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 26 van 27

BRONNEN Achterhoek Agenda 2020; internetsite, maart 2020. http://www.achterhoek2020.nl/regio-achterhoek/taken/regionale-archeologie/ AHN; internetsite, maart 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, maart 2020. https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/#/cho/search Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, maart 2020. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ Bodemverontreinigingen provincie Gelderland: internetsite, maart 2020. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Def ault Dinoloket, internetsite, maart 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, maart 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, maart 2020. http://www.topotijdreis.nl/ MijnGelderland; internetsite, maart 2020. https://mijngelderland.nl/ SIKB; internetsite, maart 2020. http://www.sikb.nl

Rapport 11559.003 versie 1

Pagina 27 van 27

Figuur 1.

Situering van het plangebied binnen Nederland

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 2.

Detailkaart van het plangebied

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 3.

Luchtfoto van het plangebied

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 4.

Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre Legenda zie volgende bladzijde Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 5.

Situering van het plangebied binnen de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de archeologische landschappenkaart kaart van de gemeente Oost Gelre Legenda zie volgende bladzijde Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 6.

Situering van het plangebied binnen de hoogtekaart van de gemeente Oost Gelre

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de hoogtekaart van de gemeente Oost Gelre Legenda zie volgende bladzijde Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 7.

Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 8.

Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN)

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 9.

Situering van het plangebied binnen de Stadsplattegrond van Groenlo van Jacob van Deventer uit 1651

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de binnen de Stadsplattegrond van Groenlo van Jacob van Deventer (bron: Gelders Archief) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 vanuit kaartblad 78

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 (bron: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 11.

Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1828 (Minuutplan)

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1828 (Minuutplan) (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 12.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1885 (Bonneblad)

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1885 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 13.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1927 (Bonneblad)

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1927 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 14.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1936 (Bonneblad)

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1937 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 15.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1965

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1965 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 16.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1977

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1977 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 17.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 18.

Boorpuntenkaart plangebied met als achtergrond de luchtfoto

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda Deelgebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 19a.

Boorpuntenkaart van het zuidoostelijke deel plangebied met als achtergrond de luchtfoto

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Boorpuntenkaart van het zuidoostelijke deel van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda Deelgebied

Rapport 11559.003 versie 1

Figuur 19b.

Boorpuntenkaart van het zuidoostelijke deel plangebied met als achtergrond de verwachte ligging van approches als onderdeel van de Circumvallatielinie van Groenlo (groene lijnen)

Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Deken Hooijmansingel (ong.) Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de verwachte ligging van approches (bron: gemeente Oost Gelre) Legenda Deelgebied

Rapport 11559.003 versie 1

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 11559.003 versie 1

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

1950

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 11559.003 versie 1

Bijlage 2

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.

Rapport 11559.003 versie 1

Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.

Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.

Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.

Rapport 11559.003 versie 1

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de 3e eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de 5e eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.

Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e - 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.

Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 11559.003 versie 1

Bijlage 3

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10247830/1