CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp meddoseweg ong toelichting

Gemeenteraad 2 april 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening Meddoseweg te Zwolle (ong.)39.773 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Verder is het plangebied/tracé vanaf de tweede helft van de 18 eeuw tot op heden onbebouwd en merendeels in agrarisch gebruik geweest. Hier mag in eerste instantie verwacht worden dat de bodem, afgezien van de bouwvoor, minimaal verstoord is. Alleen het westelijke deel van het tracé liep tussen twee boerenerven door die aan de voorloper van de Oude Winterswijkseweg lagen. Binnen dit deel van het tracé heeft voor zover bekend geen historische bebouwing gestaan. 10.

25

Wat is de aard van mogelijk aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen? Op basis van de aanwezige afzettingen en landschappelijke ligging is voor het uiterst westelijke deel van het tracé, de oostelijk gelegen vlakelementen en het oostelijke deel van het tracé de verwachting middelhoog tot hoog op de aanwezigheid van resten en sporen vanaf het (Laat-)Paleolithicum. Voor Jagers-Verzamelaars kunnen resten (en mogelijk nog sporen) worden verwacht van een basis-/extractiekamp, waarbij sprake zal zijn van een matig/hoge dichtheid van (resistente) mobilia (stenen werktuigen, bot). Resten en sporen van Landbouwers worden verwacht in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats.

Rensink, 2008

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 31 van 51

Bij de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit de perioden vanaf het LaatNeolithicum is de verwachting dat er sprake is van een matig/hoge dichtheid van resistente mobilia (aardewerk, metaalresten (lokale ijzerproductie) en een matig/hoge spoordichtheid (immobilia). Er kunnen dichte of minder dichte sporenclusters voorkomen, bestaande uit resten van greppels, erfafscheidingen, kuilen, de paalkuilen van één of meerdere (bij)gebouwen. Resten van afvaldumps kunnen over een groter oppervlak verspreid zijn, mogelijk is hiervoor eerst dekzand afgegraven maar het afval kan ook direct op het oorspronkelijke maaiveld zijn opgebracht. Afvaldumps zijn zeer rijk aan vondsten en hebben dan ook een hoge vondstdichtheid. De nabijgelegen voorlopers van de Groenlosche Slinge vormde een constante natuurlijke waterbron, waardoor er voor het plangebied geen reden is om in het restanten van water- en/of drenkkuilen te verwachten. Voor het merendeel van het tracé is de verwachting laag op de aanwezigheid van resten en sporen vanaf het (Laat-)Paleolithicum. Daarbij is de verwachting dat bij een bij een eventuele aanwezigheid van een archeologische vindplaats, door degradatieprocessen de matig/hoge dichtheid van resistente mobilia (stenen werktuigen, bot, aardewerk, metaalresten) en de matig/hoge spoordichtheid (immobilia) mettertijd lager is geworden.

Voor die delen van het centrale deel van het tracé die binnen het beekdal van de voorlopers van de Groenlosche Slinge liggen, geldt wel een hoge verwachting op beekdalgerelateerde resten, zeker wanneer er op de naastgelegen hogere gronden direct buiten het beekdal aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van nederzettingscomplex of huisplaats (onverhoogd). Dergelijke off-site resten moeten wel gezien worden als puntlocaties van zeer kleine omvang. Resten/sporen van de Circumvallatielinie in het centraal-oostelijke deel van het tracé zullen waarschijnlijk bestaan uit niet meer dat de gracht die naast de aarden wal lag, met hierin dempingsmateriaal, mogelijk deels van materiaal van de aarden wal zelf. Verwacht wordt dat wanneer er een restant van de gracht/greppel aanwezig is, de vulling bestaat uit een sterk vlekkerige en humeuze opbouw. Andere sporen worden verwacht direct onder de huidige bouwvoor, onder het recent verploegde/bewerkte bodemdeel. Voor het merendeel van de linie is de aarden wal reeds afgegraven/geëgaliseerd, of gebruikt om de naastgelegen gracht op te vullen. Op basis van de resultaten van een archeologische begeleiding die ten oosten/noordoosten van het tracé is uitgevoerd, is geconcludeerd dat de grachten in één keer zijn dichtgegooid en deels gedempt zijn met heideplaggen.

Archeologische onderzoeken uitgevoerd in de directe omgeving van het plangebied hebben tot op heden geen archeologische vindplaatsen opgeleverd anders dan restanten van de Circumvallatielinie. Er zijn wel enkele waarnemingen gedaan, voornamelijk oudere waarnemingen van vondsten tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden of oppervlaktevondst. 11.

Hoe manifesteren deze zich tijdens het prospectieonderzoek? Indien binnen het plangebied een archeologische vindplaats dan wel het tracé een archeologische vindplaats doorsnijdt in de vorm van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers), dan wordt er vanuit gegaan dat deze zich in het uiterst westelijke en oostelijke deel van het tracé manifesteert door middel van een vondstspreiding in en direct onder het matig dikke tot dikke plaggendek (complextype 4c). In het merendeel van het tracé zal deze zich voornamelijk manifesteren door middel van de nog aanwezige, resistente mobilia (vondstmateriaal) in de huidige bouwvoor. Een belangrijk deel van de mobiele vondsten zal door degradatieprocessen verdwenen zijn, zodat de vondstdichtheid lager is geworden (complextype 5a/5b).

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 32 van 51

Afvaldumps kunnen een grotere spreiding hebben, waarin veel materiaalsoorten kunnen voorkomen (afval van aardewerk, metaal, bot, hout, verbrandingsresten (houtskool)) met een hoge tot zeer hoge dichtheid en is herkenbaar als een duidelijke cultuurlaag. In hoeverre organische resten nog aanwezig zijn is afhankelijk van de diepteligging en heersende grondwaterstanden. De meeste typen archeologische resten (bot, houtskool, aardewerk, metaal) zullen door de gereguleerde grondwaterstanden, en daardoor relatief droge en zure bodemomstandigheden, zijn aangetast door degradatieprocessen. Binnen het beekdal van de voorlopers van de Groenlosche beek moeten beekdalgerelateerde resten (resten van specialistische of rituele activiteiten en restanten van waterkundige structuren) gezien worden als puntlocaties en hebben dus een zeer beperkte ruimtelijke spreiding (complextype 0). Deze resten kunnen wel tot grotere diepte binnen het pakket beekdalafzettingen worden aangetroffen. Restanten van waterkundige structuren kunnen tevens doorlopen tot onder de beekdalafzettingen (in de onderliggende dekzand- op sneeuw- op ijssmeltwaterafzettingen, als opvulling van het tunneldal). Restanten van de linie zijn het beste zichtbaar daar waar de aarden wal en naastgelegen gracht/greppel bewaard zijn gebleven. Voor het merendeel van de linie is de aarden wal reeds afgegraven/geëgaliseerd.

Eerder uitgevoerd onderzoek ter plaatse van delen van de linie heeft aangetoond dat de vulling van de greppel een sterk vlekkerige opbouw heeft en doorloopt tot een diepte van 1,8 m -mv en een breed van 2 tot 2,5 m. Het dempingsmateriaal kan bestaan uit grond van de voorheen naastgelegen aarden wal en deels uit heideplaggen. Buiten de linie wordt “geel” zand vrijwel direct onder de huidige bouwvoor verwacht. Door middel van het gebruik van een zandguts kan de liniegreppel goed worden opgespoord. 12.

Welke vondst- en/of spoorcomplexen kunnen binnen het plangebied, conform het principediagram, aangetoond worden? Indien restanten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) aanwezig zijn in het uiterst westelijke en oostelijke deel van het tracé, dan behoren deze tot het complextype 4c, omdat er een (matig) dik plaggendek wordt verwacht. Dit zijn complexen met een matige tot hogere vondstdichtheid en al dan niet met een grondsporenniveau. Doordat de oudere vondst- en/of spoorcomplexen afgedekt zijn geraakt door het bemestings-/plaggendek, circuleert een deel van de mobilia (door opspit) in het langzaam accumulerende mestdek (o.a. ook door opspit), waardoor zelfs diep gelegen en meer resistente artefacten toch aan het maaiveld voor kunnen komen. Door de heersende diepere grondwaterstanden kunnen veel van de mobiele vondsten door degradatieprocessen verdwenen zijn. De aanwezigheid van een plaggendek zorgt wel voor een betere conservering van archeologische resten dan wanneer er geen sprake is van een plaggendek. Voor het merendeel van het tracé, dat voornamelijk door dekzandvlakten heeft loopt en waar geen plaggendek aanwezig is, zullen eventueel aanwezige restanten van een basis/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) behoren tot het complextype 5a/5b.

De vondstlaag zal waarschijnlijk volledig zijn opgenomen in de bouwvoor. Door de gereguleerde grondwaterstanden zullen mobiele vondsten zijn aangetast door degradatieprocessen. Afvaldumps behoren tot het complextype 3a. Deze kunnen zeker worden verwacht in de gradiëntzone/overgangszone vanaf het plateauachtig terrasrest naar het tunneldal en nabij het beekdal van de voorlopers van de Groenlosche Slinge.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 33 van 51

Alle puntlocaties van zeer beperkte omvang behoren tot het complex met geen sporen en een zeer lage en diffuse vondstdichtheid (complextype 0 volgens het principediagram voor archeologische vondst- en spoorcomplexen zoals weergegeven in het normblad archeologisch vooronderzoek voor de gemeenten binnen de regio Achterhoek, figuur 2 in Schakel 2) of kunnen binnen het tracé, conform het principediagram, niet worden aangetoond. De kans op beekdalgerelateerde resten, binnen het centrale deel van het tracé waar het beekdal van de voorlopers van de Groenlosche Slinge wordt doorsneden, neemt toe wanneer er op de naastgelegen hogere gronden direct buiten het beekdal aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een nederzettingscomplex of huisplaats (onverhoogd). Van het deel van de Circumvallatielinie in het centraal-oostelijke deel van het tracé zal waarschijnlijk alleen het spoor aanwezig zijn van de gracht/greppel die naast die naast de aarden wal lag. Dit spoor zal worden aangetroffen in de vorm van een vulling met dempingsmateriaal. Een dergelijk restant zal behoren tot het complextype 5b/5c. Eventueel aanwezig vondstmateriaal zal te relateren zijn aan de in 1627 aangelegde linie en navolgende militaire activiteiten. 13.

Met de inzet van welke zoekmethoden kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen systematisch opgespoord worden? Restanten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) met een matige/hoge vondstdichtheid van het complextype 4c zullen goed door middel van een karterend booronderzoek kunnen worden opgespoord. Ook afvaldumps van het complextype 3a, eventueel ingegraven in de dekzandafzettingen, kunnen goed door middel van een karterend booronderzoek worden opgespoord. Restanten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) van het complextype 5a/5b zijn bij een goede vondstzichtbaarheid het beste op te sporen door middel van een (systematische) oppervlaktekartering. Karterend booronderzoek is alleen een geëigende opsporingsmethode voor de (zeer) vondstrijke complexen. Om een sporenniveau (dieper doorlopende sporen) te kunnen aantonen is proefsleuvenonderzoek de geëigende techniek. Bij een booronderzoek is de kans op het aantreffen van (dieper doorlopende) sporen aanzienlijk kleiner. Puntlocaties van zeer beperkte omvang en off-site resten kunnen niet door een systematische oppervlaktekartering als een karterend booronderzoek worden opgespoord.

Door middel van zoeksleuven wordt de trefkans groter, echter ook door deze methode kunnen dergelijke vondst- en spoorcomplexen gemist worden. Restanten van de Circumvallatielinie in het centraal-oostelijke deel van het tracé kunnen goed worden opgespoord door middel van het verrichten van zandgutsboring om de meter, mits er geen sprake is van gediepploegde bodems. Dit type booronderzoek heeft al op diverse locaties de ligging van de Circumvallatielinie (hoogstwaarschijnlijk) aangetoond.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 34 van 51

3.11 Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek Op grond van de beantwoorde onderzoeksvragen, conform het Normblad archeologisch vooronder26 zoek voor de gemeenten binnen de regio Achterhoek (versie 1.2, september 2013) , blijkt dat binnen het plangebied de volgende vondst- en/of spoorcomplexen kunnen worden verwacht: restanten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) met een matig/hoge vondst-/spoordichtheid in het uiterst westelijke en oostelijke deel van het tracé en in het overige deel van het tracé met een lage vondst-/spoordichtheid, resten van afvaldumps, puntlocaties van zeer kleine omvang in de vorm van beekdalgerelateerde resten (resten van specialistische of rituele activiteiten en restanten van waterkundige structuren) en restanten van de Circumvallatielinie (vermoedelijk alleen de vulling van de gracht/greppel die direct naast de aarden wal heeft gelegen). Resten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) waarbij het archeologisch complex vondstrijk is, zijn door middel van een karterend booronderzoek goed op te sporen. De kans op dergelijke complexen is het hoogst voor het uiterst westelijke als oostelijke deel van het tracé.

In de overgangszones naar de dekzandvlakten en binnen het beekdal van de voorlopers van de Groenlosche Slinge kunnen resten van puntlocaties van zeer beperkte omvang, off-site resten (individuele water- en drenkkuilen, resten van specialistische of rituele activiteiten en restanten van waterkundige structuren) en afvaldumps worden aangetroffen. Deze verwachting geldt pas indien er aanwijzingen zijn van resten van bewoning (restanten van een nederzettingcomplex of huisplaats) op de direct naastgelegen hogere gronden. Restanten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) van het complextype 4c of 5a/5b zijn bij een goede vondstzichtbaarheid het beste op te sporen door middel van een (systematische) oppervlaktekartering. Karterend booronderzoek is alleen een geëigende opsporingsmethode voor de (zeer) vondstrijke complexen. Om een eventueel aanwezig (restant van een) archeologisch sporenniveau (dieper doorlopende sporen) te kunnen aantonen is proefsleuvenonderzoek de geëigende techniek. Een proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd nadat een karterend booronderzoek, bij voorkeur in combinatie met een (systematische) oppervlaktekartering, voldoende aanwijzingen oplevert (meerdere) archeologische indicatoren) voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.

Afvaldumps van het complextype 3a, eventueel ingegraven in de dekzandafzettingen, kunnen goed door middel van een karterend booronderzoek worden opgespoord. Op basis van bovenstaande en in overleg met het bevoegd gezag (gemeente Oost Gelre) is besloten om binnen de delen van het tracé met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting, waar tevens merendeels een (matig) dik plaggendek wordt verwacht, het inventariserend veldonderzoek uit te voeren direct in de gecombineerd verkennende en karterende fase. Omdat het plangebied de vorm van een lijnelement heeft, worden de boringen in één boorraai gezet over de hartlijn van het tracé, en met een afstand 25 meter tussen de boringen. Binnen de delen van het tracé met een lage archeologische verwachting wordt het inventariserend veldonderzoek uitgevoerd alleen in de verkennende fase. Hiermee kan naast het te verwachten type bodemopbouw in de vorm van een beekeergrond en de mate van intactheid van de bodemopbouw, ook bepaalde worden waar beekdalafzettingen voorkomen en wel deel van het tracé daadwerkelijk het beekdal van de voorlopers van de Groenlosche Slinge doorsnijdt.

26

Willemse & Kocken, 2013

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 35 van 51

Indien uit de resultaten van het karterend booronderzoek, eventueel gecombineerd met een oppervlaktekartering, blijkt dat er sprake is van een archeologische vindplaats, dan geeft dit aanleiding om ook een aanvullend archeologisch onderzoek te laten uitvoeren in ieder geval in de gradiëntzones/overgangszones naar de beekdalvlakten en binnen het beekdal van de voorlopers van de Groenlosche Slinge. Ter plaatse van het vastgestelde deel van de Circumvallatielinie in het centraal-oostelijke deel van het tracé dient het inventariserend veldonderzoek te bestaat uit het zetten van zandgutsboringen om de meter, waarbij een 25 meter bufferzone dient te worden aangehouden aan weerzijden van waar het deel van de linie zou moeten liggen. Enkele zandgutsboring zullen ook worden gezet aan het oostelijk gelegen uiteinde van het tracé. Daar waar in de zandgutsboring(en) een aanzienlijk dikke laag van humeus en gevlekt zand wordt aangetroffen en daarmee de vermoedelijke ligging van de linie, dan dient eveneens aanvullend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De te hanteren onderzoeksmethodiek voor eventueel benodigd vervolgonderzoek/aanvullend onderzoek dient in overleg met het bevoegd gezag (gemeente Oost Gelre) te worden bepaald. 4

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

4.1

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend en deels karterend booronderzoek, conform de eisen van de KNA, versie 3.3, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 14 december 2015 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. In totaal zijn er 69 boringen gezet, waarvan 18 verkennende boringen en 51 karterende boringen (zie figuren 18a en 18b). Er is geboord tot een diepte van maximaal 200 cm -mv met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm (verkennende boringen) of 15 cm (karterende boringen). Waar delen van het plangebied de vorm heeft van een lijnelement zijn de boringen gezet met een tussenafstand van 50 meter (verkennend) of 25 meter (karterend) tussen de boringen. Ter plaatse waar delen van het plangebied vlakelementen betreffen (oostelijke deel plangebied) is in raaien geboord met een afstand van 20 m tussen de raaien en een afstand van 25 m tussen de boringen. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode be27 schreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).

Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Voor de verkennende boringen is het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem en bot. Ter plaatse van de karterende boringen is daar waar sprake is van een (deels) intact profiel de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu is geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. (karterende fase van het inventariserend veldonderzoek).

27

Bosch, 2005

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 36 van 51

Ter plaatse van waar de Circumvallatielinie werd verwacht (inclusief foutenmarge/attentiezone van 25/50 meter aan weerszijden) is in eerste instantie getracht met behulp van een zandguts de exacte ligging van de linie vast te stellen. Vanwege de vrij vaste grond kon de zandguts met spierkracht niet tot een voldoende diepte worden gezet om grondlagen te onderscheiden die duiden op de aanwezigheid van restanten van de linie. Alleen een greppelvulling werd nog verwacht, omdat het terreindeel volledig is afgevlakt, waardoor de aarden wal waarschijnlijk volledig is weggegraven. Er is overgegaan op een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Daar waar de vermoedelijke greppelvulling is aangetroffen is deze zone ingemeten met een dGPS. In Bijlage 5 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van alle opgeboorde profielen weergegeven. 4.2

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De opbouw van de bodem kan schematisch als volgt worden weergegeven en wordt bij het beantwoorden van de onderzoeksvragen verder toegelicht: Tabel VIII.

Bodemopbouw waar een matig dik tot dik plaggendek werd verwacht in het westelijke deel van het tracé (boringen 1 t/m 5, 12 t/m 14, 16 en 17)

Diepte (cm -mv)

Samenstelling

Vanaf maaiveld tot minimaal 30 en maximaal 155

Donkergrijsbruin tot beigebruin gekleurd, bovenin matig humeus en naar onderen toe vaak zwak humeus, zwak tot matig siltig, matig fijn tot zeer fijn zand

Ap-/Aap-horizont, recent bewerkte humeuze bovenlaag, deels plaggendek, inclusief huidige bouwvoor, dan wel geroerde/verstoorde lagen

Vanaf minimaal 30 en maximaal 155

Variërend van witbeige, oranjebeige tot donkergrijs gekleurd, zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand, vanaf boring 12 bijmenging van grindjes

C-horizont, in het uiterst oostelijke deel dekzand (waarschijnlijk Oud Dekzand), in oostelijke richting overgaand in verspoelde dekzanden en beekdalafzettingen

Tabel IX.

Interpretatie

Bodemopbouw waar beekeerdgronden werden verwacht in het centraal-westelijke en centrale deel van het tracé (boringen 6 t/m 11, 15, 18 t/m 27 en 31) Diepte (cm -mv)

Samenstelling

Interpretatie

Vanaf maaiveld tot minimaal 30 en maximaal 170

Donkergrijsbruin tot beigebruin gekleurd, bovenin matig humeus en naar onderen toe vaak zwak humeus, zwak tot matig siltig, matig fijn tot zeer fijn zand

Ap-horizont, recent bewerkte humeuze bovenlaag, deels plaggendek, inclusief huidige bouwvoor, dan wel geroerde/verstoorde lagen

Vanaf minimaal 30 en maximaal 170

Variërend van witbeige, oranjebeige tot donkergrijs gekleurd, zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand, vanaf boring 10 bijmenging van grindjes, vanaf boring 23 een sterk zandige leemlaag dieper dan 50 cm /mv

C-horizont, verspoelde dekzanden en vanaf boring 10 overgaand in beekdalafzettingen

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 37 van 51

Tabel X.

Bodemopbouw vlakelementen oostelijke deel plangebied en oostelijk deel van het tracé (boringen 28 t/m 30 en 32 t/m 69) Diepte (cm -mv)

Samenstelling

Interpretatie

Vanaf maaiveld tot minimaal 30 en maximaal 100, gemiddeld tot 50

Donkergrijsbruin tot beigebruin gekleurd, bovenin matig humeus, zwak grindig, matig tot sterk siltig, matig fijn tot zeer fijn zand

Ap-/Aap-horizont, recent bewerkte humeuze bovenlaag, deels plaggendek, inclusief huidige bouwvoor, dan wel geroerde/verstoorde lagen

Vanaf gemiddeld 50

Variërend van lichtbeige, tot oranjegrijs tot roodbruin gekleurd, zwak tot matig grindig, matig tot uiterst siltig, zeer fijn tot zeer grof zand en sterk zandige leem

C-horizont, sneeuw- en ijssmeltwaterafzettingen, overgaand in keileem

De resultaten van het booronderzoek worden weergegeven in de figuren 19a en 19b. Archeologische indicatoren/sporen Van de gezette verkennende boringen is het opgeboorde materiaal geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren. Hierbij dient gemeld te worden dat het onderdeel verkennend booronderzoek zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. Van elke karterende boring is het opgeboorde materiaal per afzonderlijke laag apart gezeefd over een mm zeef tot 30 cm in de top van de C-horizont. In het zeefresidu is alleen in de boringen 12 t/m 14, 16 en 17, gezet langs de berm van de Oude Winterwijkseweg en waar tevens sprake is van een vrij diep verstoord bodemprofiel, in het geroerde/verstoorde deel van de bodemopbouw enkele resten asfalt, puin en stenen aangetroffen. Waarschijnlijk zijn deze in de bodem terechtgekomen bij de uitvoering van wegwerkzaamheden of de aanleg van kabels en leidingen. In alle andere karterende boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Ten aanzien van het te verwachten restant van een deel van de Circumvallatielinie in het centraaloostelijke deel van het tracé dient eerst te worden opgemerkt dat direct ten noordoosten van dit deel van het tracé nog een dubbele linie wordt verwacht, maar dat deze ter plaatse van het perceel grasland waar het tracé doorheen loopt, plotseling een enkele linie wordt. Bij het zetten van de boringen om de meter, ten behoeve van het opsporen van de linie, zijn dan ook op twee delen van het tracé een gevlekte/humeuze laag aangetroffen die mogelijk een greppelvulling betreffen. De vulling van de vermoedelijke noordwestelijk gelegen als de zuidoostelijk gelegen greppel ligt op een diepte tussen 30 (direct onder de huidige bouwvoor) en 80 cm -mv. Op onderstaande foto´s worden de boringen weergegeven waar de vermoedelijke greppelvulling is aangetroffen en de begrenzing van de vermoedelijke greppels in het veld. De ligging van de twee greppels die het tracé doorsnijden worden weergegeven in figuur 19b. In het uiterst oostelijke deel van het tracé, dat nog net binnen de 50 meter attentiezone ligt, zijn ook enkele boringen gezet, maar deze hebben geen aanwijzingen opgeleverd van restanten van de Circumvallatielinie.

Dit deel van het tracé maakt tevens onderdeel uit van een met klinkers verhard terrein met onder de verharding een halfverhardingslaag (toegangsweg naar een parkeerterrein met een naastgelegen speelweide), waar uit de boringen blijkt dat hier vrij diepe recente bodemverstoringen hebben plaatsgevonden.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 38 van 51

Humeuze vulling van de vermoedelijke noordwestelijk gelegen greppel

Begrenzing van de vermoedelijke noordwestelijk gelegen greppel

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 39 van 51

Humeuze vulling van de vermoedelijke zuidoostelijk gelegen greppel

Begrenzing van de vermoedelijke zuidoostelijk gelegen greppel

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 40 van 51

4.3

Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek

Conform het Normblad archeologisch vooronderzoek voor de gemeenten binnen de regio Achterhoek 28 (versie 1.2, september 2013) worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord, voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd. Fase inventariserend veldonderzoek, verkenning 14.

Wat is de aard, diepteligging en ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in de ondiepe ondergrond binnen het plangebied? Hoe dik is, indien aanwezig, de Holocene deklaag? In het westelijke deel van het tracé betreffen de natuurlijke afzettingen (deels verspoelde) dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Deze afzettingen bestaan voornamelijk uit witbeige, oranjebeige tot donkergrijs gekleurd, zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De matige sortering en lemigheid van het materiaal duidt erop dat het gaat om Oud Dekzand dat in het Pleniglaciaal is gesedimenteerd door eolische processen. Vanaf boring 10 komen grindjes voor, wat erop duidt dat het beekdalafzettingen betreffen die door de voorlopers van de Groenlosche Slinge zijn gesedimenteerd. Het onderscheid tussen verspoelde dekzanden en beekdalafzettingen is wel moeilijk te maken. Verspoelde dekzanden dan wel beekdalafzettingen komen voor tot aan de boringen 27/31. Ter plaatse van de vlakelementen van het oostelijke deel plangebied en oostelijk deel van het tracé (boringen 28 t/m 30 en 32 t/m 69) betreffen de natuurlijke afzettingen sneeuw- en ijssmeltwaterafzettingen die overgaan in keileem.

Deze afzettingen bestaan uit, variërend van lichtbeige, tot oranjegrijs tot roodbruin gekleurd, zwak tot matig grindig, matig tot uiterst siltig, zeer fijn tot zeer grof zand en sterk zandige leem. Ten opzichte van de verspoelde dekzanden en beekdalafzettingen is kenmerkend voor de sneeuw- en ijssmeltwaterafzettingen en de keileem het voorkomen van grof grind en stenen. De sneeuwsmeltwaterafzettingen behoren in principe tot de Formatie van Boxtel, maar er is moeilijk onderscheid te maken tussen wat duidelijk sneeuwsmeltwaterafzettingen en wat duidelijk ijssmeltwaterafzettingen zijn. De ijssmeltwaterafzettingen behoren tot de Formatie van Drente (keileem betreft specifiek het Laagpakket van Gieten). Van een natuurlijke Holocene deklaag is geen sprake. Alleen de beekdalafzettingen in het centrale deel van het tracé betreffen Holocene afzettingen, maar dit betreffen lokaal verspoelde afzettingen uit de periode dat de Groenlosche Slinge nog vrij meanderde en zicht geleidelijk heeft ingesneden in het onderliggende pakket dekzand dan wel sneeuwsmeltwaterafzettingen.

15.

28

Wat is de aard, diepteligging, genese en gaafheid van natuurlijke en eventueel antropogene bodemhorizonten binnen het plangebied? Binnen het plangebied/tracé is sprake van veel variatie in de verstoringsdiepte. Er komen boringen voor waar alleen de bodem verstoord is tot de huidige bouwvoor (eerste 30 cm), maar ook boringen waar diepe verstoringen zijn waargenomen, tot maximaal 170 cm -mv. In het meest westelijke deel van het tracé (boringen 1 t/m 5) is bij enkele boringen sprake van een dikke humeuze bovenlaag (50 cm dik). Dit betreft waarschijnlijk (deels) een opgebracht plaggendek, wat echter bij het merendeel van de boringen recentelijk sterk verstoord is. Restanten van het verwachte veldpodzolprofiel zijn nauwelijks aangetroffen. Alleen ter plaatse van boring 2 lijkt nog een dun restant van de BC-horizont aanwezig te zijn. Waarschijnlijk betreft in het meest westelijke deel van het tracé het van nature gevormde bodemprofiel een veldpodzolprofiel dat afgedekt is met een matig dik of dik plaggendek (en daarmee een laarpodzolgrond dan wel een hoge enkeerdgrond vormend), maar deze is bij de meeste boringen aangetast tot minimaal de oorspronkelijke top van de C-horizont.

Willemse & Kocken, 2013

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 41 van 51

Ook ter plaatse van de boringen 12 t/m 14, 16 en 17 zijn vrij diepe verstoorde bodemprofielen waargenomen. Restanten van een plaggedek (wat verwacht werd op basis van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre) zijn niet meer als zodanig zichtbaar. Bij het merendeel van de boringen binnen het plangebied bevindt zich onder de huidige bouwvoor (eerste 30 cm) dan wel onder het geroerde/verstoorde deel van de bodemopbouw direct de C-horizont. Vaak komen direct onder de bouwvoor al roestvlekken voor, wat kenmerkend is voor beekeerdgronden. Ook binnen de vlakelementen in het oostelijke deel van het plangebied en het oostelijke deel van het tracé (boringen 28 t/m 30 en 32 t/m 69) betreft de onverstoorde bodemopbouw vaak direct de C-horizont. Verstoringen reiken tot een diepte van minimaal 30 tot maximaal 100 cm -mv, gemiddeld tot 50 cm -mv (beperkend tot de bovengrond). Hele diepe verstoringen zijn niet waargenomen. Het verwachte natuurlijke bodemprofiel, in de vorm van een veldpodzolgrond (op basis van de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre), zijn alleen ter plaatse van de boringen 37, 49, 56, 57 en 62 aangetroffen, echter wel in een vrij zwakke vorm, bestaande uit een dunne Bhe- en BC-horizont. Alleen bij de boringen 49 en 62 is nog een zeer dunne E-horizont waargenomen.

Bij de meeste boringen beperkt de humeuze bovenlaag zich tot de eerste 30 cm. Van een duidelijk plaggendek (met nog een restant dat niet recentelijk verstoord is) is geen sprake, ook niet in het uiterst oostelijke deel van het tracé. 16.

Wat is de aard, dikte en omvang van eventueel ter plaatse van het plangebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan? Zie ook de beantwoording van bovenstaande onderzoeksvraag. Wellicht is in het meest westelijke deel van het tracé sprake geweest van een afdekkend matig dik of dik plaggendek, maar deze door recente bodemingrepen geheel geroerd/verstoord. Het plaggendek (vermoedelijk heideplaggen of deels grasplaggen uit het beekdal van de Groenlosche Slinge) is zeer waarschijnlijk opgebracht in de Nieuwe tijd (en waarschijnlijk voor een zeer groot gedeelte in e e de 18 /19 eeuw, Nieuwe tijd B/C). De onverstoorde bodemopbouw betreft in de meeste gevallen direct de C-horizont. Indien het van nature gevormde bodemprofiel een veldpodzolgrond betreft, dan is deze volledig vergraven dan wel opgenomen in de humeuze bovenlaag (en dus niet meer als zodanig herkenbaar).

17.

Indien afdekkende lagen aanwezig zijn, wat is de aard, gaafheid en dikte van het onderliggende afgedekte bodemprofiel en/of afzettingen? Zie de beantwoording van bovenstaande onderzoeksvraag.

18.

Wat is de diepte tot waarop artefacten van recente ouderdom voorkomen in het bodemprofiel en tot welke diepte in het bodemprofiel is sprake van recente bodemverstoring? De verstoringen door recente (mechanische) bodemingrepen variëren sterk in het westelijke en centrale deel van het tracé, van minimaal de huidige bouwvoor (eerste 30 cm -mv) tot maximaal 170 cm -mv. In het oostelijke deel van het plangebied (vlakelementen en oostelijke deel van het tracé) reiken verstoringen tot een diepte van minimaal 30 tot maximaal 100 cm -mv, gemiddeld tot 50 cm -mv (beperkend tot de bovengrond). Tot deze diepten kunnen artefacten van zeer recente ouderdom worden aangetroffen. Bij de boringen 12 t/m 14, 16 en 17, gezet langs de berm van de Oude Winterwijkseweg en waar tevens sprake is van een vrij diep verstoord bodemprofiel, zijn in het geroerde/verstoorde deel van de bodemopbouw enkele resten asfalt, puin en stenen aangetroffen. Waarschijnlijk zijn deze in de bodem terechtgekomen bij de uitvoering van wegwerkzaamheden of de aanleg van sleuven voor kabels en leidingen.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 42 van 51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13958089/1