CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp meddoseweg ong toelichting

Gemeenteraad 2 april 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening Meddoseweg te Zwolle (ong.)39.773 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

11

De Roode & Van den Berghe, 2008 www.ahn.nl 13 Bakker & Locher, 1990 14 Bakker & Schelling, 1989 12

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 12 van 51

Podzolgronden worden gekenmerkt door podzolering: er komt een duidelijke B-horizont voor die tot stand is gekomen door inspoeling van niet-amorfe humus samen met ijzerverbindingen (moderpodzolen), of door inspoeling van amorfe humus (humuspodzolen). Veldpodzolgronden behoren tot de suborde van de humuspodzolen, waarbij de bovengrond sporen van sterke uitloging vertoond, in de vorm van gebleekte zandkorrels. De zandkorrels vertonen geen ijzerhuidjes als gevolg van de relatief hoge 15 grondwaterstanden die tijdens de bodemvorming optraden. Deze gronden zijn over het algemeen kenmerkend voor de overgang van de hoger terreindelen (dekzandruggen) naar de lager gelegen vlaktes (beekdalen, vlaktes van verspoelde dekzanden). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Hun voorkomen valt veelal samen met de zogenaamde esdekken. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek.

Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd e tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren 80 van de 20 eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor essen en plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de e Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9 en e de 12 eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkheid aan archeologische resten leidde er toe dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden op de Indicatieve Kaart van Ar16 cheologische Waarden (IKAW) over het algemeen een hoge indicatieve waarde kregen. Podzolen met een matig dik plaggendek worden aangegeven als laarpodzolgronden. 17

Grondwatertrap en gegevens uit de Atlas Gelderland Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel III geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een ' of een '' weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.

15 16 17

Bakker & Locher, 1990 Van Doesburg et al., 2007 http://ags.prvgld.nl/GLD.Atlas/(S(0it0ap55f04mrr55pm3j3s45))/Default.aspx?applicatie=AtlasGelderland

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 13 van 51

Grondwatertrappenindeling18

Tabel III. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

GHG (cm -mv)

-

-

<40

>40

<40

40-80

>80

GLG (cm-mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een ' of een '' achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Door grootschalige ingrepen in het geohydrologisch systeem wijken de huidige grondwatertrappen in veel gebieden af van de grondwatertrappen die in het verleden voor kwamen. Om dit aan te geven is tevens een inschatting gemaakt van historische grondwatertrappen, welke een indicatie vormen voor de grondwatertrappen zoals die in het jaar 1950 voor kwamen. Deze historische grondwatertrappen zijn gekarteerd op schaal 1:100.000. Voor het plangebied zijn de volgende gegevens bekend: Tabel IV.

Grondwatergegevens plangebied GHG

GLG

GVG

Grondwatertrap

Historische grondwatertrap

Tussen 66 en 86

Tussen 144 en 194

Tussen 87 en 108

VI of VII

Merendeel tracé II. Uiterst westelijke deel tracé VI, overgaand in V. Uiterst oostelijke deel tracé V.

GHG: gemiddeld hoogste grondwaterstand in cm -mv GLG: gemiddeld laagste grondwaterstand in cm -mv GVG: gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand in cm -mv

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten. Het plangebied heeft een grondwatertrap tussen VI en VII. Dit ten gevolgde van de huidige, gereguleerde grondwaterstanden. De historische grondwatertrap volgt de begrenzing van de Bodemkaart van Nederland. Het merendeel van het plangebied/tracé, dat binnen het gebied van de dekzandlaagten en het beekdal van de Groenlosche Slinge ligt, heeft een historische grondwatertrap II. Het uiterst westelijke deel van het tracé, dat binnen een dekzandrug-/welving ligt heeft een historische grondwatertrap VI, overgaand in V. Het uiterst oostelijke deel van het tracé, gelegen binnen een plateauachtig terrasrest, heeft een historische grondwatertrap V. Vooral het gebied binnen de dekzandlaagten en het beekdal van de Groenlosche Slinge zal vroeger te maken hebben gehad met natte/drassige condities, wat ook wordt aangegeven op de Hottingerkaart (zie figuur 4).

18

Locher & Bakker, 1990

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 14 van 51

Beantwoording van relevante onderzoekvragen 1.

Wat is de aard, diepteligging en ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in het omringende gebied en in de ondiepe ondergrond? Hoe dik is (indien van toepassing) de Holocene deklaag? De top van de natuurlijke afzettingen ter plaatse van het merendeel van het tracé bestaat vermoedelijk uit dekzand van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Dit dekzand is afgezet aan het einde van het Weichselien, en vormt in het westelijke deel van het tracé dekzandwelvingen of -ruggen en in het centrale deel van het tracé voornamelijk dekzandvlakten. Hieronder liggen (tunnel)dalopvullingen van de Formatie van Boxtel en Drente (variatie van klei tot grove smeltwaterzanden), gesedimenteerd tijdens de voorlaatste en laatste ijstijd. In het uiterst oostelijke deel van het plangebied komt onder het dekzand waarschijnlijk door landijs beïnvloede afzettingen voor. Het betreffen van oorsprong rivierafzettingen van de Rijn die in de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ca. 250.000 - 130.000 jaar geleden), overreden zijn door het landijs. Onder het landijs werd op veel plaatsen een grondmorene, ofwel 'keileem' afgezet. Deze bestaat in zijn meest kenmerkende vorm uit een structuurloze leem vermengd met grof zand, grind en stenen, en behoren tot de Formatie van Drente, Laagpakket van Gieten.

Omdat het keileempakket onderhevig is geweest aan erosie zijn er vaak alleen nog maar restanten over in de vorm van keizand (het fijne materiaal is weggespoeld, het grove materiaal (grind en keien) blijven achter). In het oostelijke deel van het tracé wordt dit verspoelde materiaal verwacht onder het dekzand. Dit betreffen dan zogenaamde ijs- op sneeuwsmeltwaterafzettingen (hellingsafspoelingen). Daar waar in het centrale deel van het tracé de voorlopers van de Groenlosche Slinge hebben gelegen/het beekdal van de Groenlosche Slinge ligt, worden Holocene beekdalafzettingen verwacht. Deze afzettingen bestaan voornamelijk uit fijne zanden en leem en behoren tot het Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel. Verlaten meanders van dit beekdal kunnen ook opgevuld zijn met veen. Deze worden ook tot het Laagpakket van Singraven gerekend. In het uiterst westelijke deel van het tracé en enkele delen binnen het centrale deel van het tracé wordt een door menselijk toedoen opgebracht plaggendek verwacht. Deze kunnen vanaf de Late-Middeleeuwen zijn opgebracht, maar dateren meestal uit de Nieuwe tijd.

2.

Wat is de aard, diepteligging, genese en gaafheid van de natuurlijke bodemhorizonten in het omringende gebied? Er worden volgens de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre binnen het tracé diverse bodemtypen verwacht. Binnen het merendeel van het tracé worden beekeerdgronden verwacht. De bodemopbouw bestaat vaak uit niet meer dan een humusrijke, zwarte bovengrond (Ap-horizont) met direct hieronder een met roestvlekken bevattende C-horizont. Het permanent gereduceerde niveau bevindt zich vaak op geringe diepte (Crhorizont). Binnen de lager gelegen dekzandvlakten en het beekdal van de Gronwlosche Slinge was het te nat, waardoor het podzolisatieproces niet of nauwelijks op gang is gekomen.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 15 van 51

In het uiterst westelijke als oostelijke deel van het tracé komt een dik tot matig dik plaggendek voor, > 50 cm dik of tussen 30 en 50 cm dik. In de top van de dekzandafzettingen zal zich van nature een poldzolprofiel hebben gevormd, zeer waarschijnlijk van het type veldpodzolgrond. Qua opeenvolging worden de volgende bodemhorizonten verwacht indien sprake is van een intacte bodemopbouw: Een antropogeen opgebracht plaggendek (Aap-/Aa-horizont, tussen 30 en 50 cm dik of dikker dan 50 cm) waarin de oorspronkelijke minerale bovengrond (Ahhorizont) en vaak ook de uitspoelingshorizont (E-horizont) in is opgenomen (niet meer herkenbaar), gevolgd door een ontijzerde inspoelings-B-horizont (Bhe-horizont), een overgangsBC-horizont en vervolgens de C-horizont. Wanneer het plaggendek tussen 30 en 50 cm dik is betreft het aanwezige bodemprofiel een laarpodzolgrond, indien er geen diepe bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden. Bij een plaggendek dikker dan 50 cm is sprake van een hoge enkeerdgrond. Binnen enkele delen binnen het centrale deel van het tracé wordt ook een dik plaggendek verwacht. Hier zal het van nature gevormde bodemprofiel een beekeerdgrond betreffen. De minerale bovenlaag (Ap-horizont, oorspronkelijke bouwvoor) zal zijn opgemengd met het plaggendek, waardoor een zogenaamd AC-profiel wordt verwacht.

In een deel van een vlakelement in het oostelijke deel van het plangebied en in het oostelijke deel van het tracé wordt een van nature gevormd veldpodzolprofiel verwacht (geen plaggendek opgebracht). Qua opeenvolging worden hier de volgende bodemhorizonten verwacht indien sprake is van een intacte bodemopbouw: Een minerale bovengrond als huidige bouwvoor (Ahp-horizont) met mogelijk hieronder nog een uitspoelingshorizont (E-horizont) indien deze bij de agrarische bewerking van de gronden niet is opgemengd in de huidige bouwvoor. Vervolgens komt hieronder een ontijzerde inspoelings-B-horizont (Bhe-horizont), een overgangs-BC-horizont en uiteindelijke de C-horizont. 3.

Wat is de aard, diepteligging, genese en gaafheid van eventueel aanwezige antropogene bodemhorizonten in het omringende gebied? Zie beantwoording van bovenstaande onderzoeksvraag.

4.

Wat is de aarde, dikte en omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan? Binnen het uiterst westelijke als oostelijke deel van het tracé en enkele delen binnen het centrale deel van het tracé wordt een matig dik of dik plaggendek verwacht (tussen 30 en 50 cm dik of dikker dan 50 cm). Het opbrengen van het plaggendek binnen het uiterst westelijke deel van het tracé is op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal in de tweede helft e van de 18 eeuw of eerder begonnen. Voor de enkele delen binnen het centrale deel van het e tracé gaat het waarschijnlijk om een plaggendek dat pas in de 19 eeuw is opgebracht (subrecent).

7.

Met welke natuurlijke formatieprocessen heb je te maken in het plangebied? De dekzanden zijn afgezet aan het eind van de laatste ijstijd. Het dekzand is landschappelijk zichtbaar in de vorm van vlakten/laagten, welvingen, ruggen en koppen (reliëf). Vooral Oud Dekzand is deels verspoeld/geërodeerd naar de lager gelegen vlaktes door middel van sneeuwsmeltwater, zoals binnen de gebieden van de opgevulde tunneldalen. Onder het dekzand komen binnen het merendeel van het tracé (tunnel)dalopvullingen voor, bestaande uit een variatie van klei tot grove smeltwaterzanden en gesedimenteerd tijdens de voorlaatste en laatste ijstijd. Voor het oostelijke deel van het plangebied gaat het ook om grove smeltwaterzanden die binnen een zogenaamd droog dal liggen.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 16 van 51

Alleen in het uiterst oostelijke deel van het tracé komen onder het dekzand door landijs beïnvloede vlechtende rivierafzettingen voor van de Rijn die in het Midden-Pleistoceen zijn afgezet, in ieder geval voor de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Deze door landijs beïnvloede laag betreft een grondmorene, waarbij de top een laag keileem betreft. Door erosie tijdens het resterende deel van de voorlaatste ijstijd, maar voor tijdens de laatste ijstijd (het Weischelien) is deze laag keileem sterk geërodeerd, waardoor er vaak alleen nog een laag keizand resteert. Op de dekzand welvingen, -ruggen en -koppen zijn vooral podzolgronden tot ontwikkeling gekomen tijdens het Holoceen. Binnen de lager gelegen dekzandvlakten en beekdalen, zoals de Groenlosche Slinge, was het te nat, waardoor het podzolisatieproces niet of nauwelijks op gang is gekomen. Hier komen vooral goor- en beekeerdgronden voor. Door menselijke ingrepen kunnen dekzandruggen deels zijn verstoven (bijvoorbeeld door overbegrazing van heidegebieden door schapen of intensief afplaggen). In stuifzandgebieden komen vlakvaag- en stuifvaaggronden voor. 3.7

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden staan afgebeeld op figuur 16, een kaart met daarop, binnen een straal van 1 km rondom het plangebied, de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen. 19

Archeologische waarden- en verwachtingskaart gemeente Oost Gelre Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Op basis van de archeologische landschappenkaart is een archeologische beleidsadvieskaart voor het gebied binnen de gemeente Oost Gelre vervaardigd. Volgens deze kaart doorsnijdt het tracé gebieden met zowel een lage, middelhoge als hoge archeologische verwachting (AWV-categorieën 6, 8 en 9, zie figuur 17). De twee vlakelementen in het oostelijke deel van het plangebied liggen grotendeels binnen een gebied met een middelhoge archeologische verwachting.

Een tweetal delen van het tracé die binnen het voormalige beekdal van de Groenlosche Slinge (voorheen aangeduid als De Slinge) liggen hebben een lage archeologische verwachting, echter wel een verhoogde kans op archeologische off-site resten die tevens goed geconserveerd kunnen zijn (AWV-categorie 10). Daarnaast doorsnijdt het centraal-oostelijke deel van het tracé een vastgesteld deel van de Circumvallatielinie, met daarbij de 25 meter bufferzone. Het oostelijk gelegen uiteinde van het tracé ligt binnen de 50 meter bufferzone. Doordat de exacte ligging van de linie ten tijde van opstellen van de beleidskaart nog niet geheel was vastgesteld, wordt een bufferzone van 50 m gehandhaafd aan weerszijden van die delen van de linie die nog niet zijn vastgesteld.

19

De Roode & Van den Berghe, 2008

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 17 van 51

20

De circumvallatielinie De circumvallatielinie rondom Groenlo dateert uit de Tachtigjarige Oorlog. In deze oorlog waren de vestingsteden van strategisch belang en deze steden waren dan ook voortdurend bezet door soldaten van de strijdende partijen. Door het innemen van de vestingsteden kon de aanvallende partij de controle over het gebied en de daarbinnen gelegen transportroutes verkrijgen. De vele belegeringen van de steden, die maanden konden duren, getuigen van het belang hiervan. Ook Groenlo is meerdere malen belegerd. Bij de laatste en meest bekende belegering, door Frederik Hendrik in 1627, is een volledige insluitingslinie om de stad aangelegd. Deze circumvallatielinie had tot doel om ontzettingslegers tegen te houden en de bevoorrading van de stad te beletten. De linie rondom Groenlo bestond uit een circa 16 km lange aarden wal met een breedte van 2 tot 2,5 m en een hoogte van circa 1,8 m. Aan de buitenzijde van de wal lag een droge of natte gracht met een breedte van 2 tot 2,5 m en een diepte van circa 1,8 m. Het deel van de linie ten oosten van de Hollandse Schans tot bijna aan de Groenlosche Slinge (ofwel De Slinge) was uit veiligheidsoverwegingen dubbel aangelegd. Hier werd circa 14 m voor de originele wal een extra wal en gracht aangelegd. Ter plaatse waar het tracé de vastgestelde linie doorsnijdt was geen sprake van een dubbele aanleg.

Hoewel ook bij eerdere belegeringen structuren zijn aangelegd, vergelijkbaar met die van de belegering in 1627, worden deze niet ter plaatse van het plangebied verwacht. Deze lagen op kortere afstand van de vesting. Naar de ligging van de linie is al verschillende malen onderzoek gedaan (zie ook tabel V). Het meest 21 recente onderzoek ter hoogte van het plangebied dateert uit de periode 2012-2014. In de nabijheid van het tracé is de ligging van de linie echter niet onderzocht. Vanuit dit onderzoek is wel geconcludeerd dat door middel van het verrichten van boring (met zandguts) om de meter, deze onderzoeksmethode geschikt is om de liniegreppel op te sporen, mits de afwijking van de verwachte liniegreppel minder dan 50 meter is en er geen sprake is van gediepploegde bodems. Dit type booronderzoek heeft dan ook op diverse locaties de ligging van de Circumvallatielinie (hoogstwaarschijnlijk) aangetoond. Een goed voorbeeld betreft een proefsleuvenonderzoek dat is uitgevoerd aan de Ruiterweg, aan de 22 noordzijde van het bedrijventerrein Laarberg. Een deel van de greppels van de linie bleken een breedte te hebben van circa 1,5 m. Op onderstaande foto’s is de ligging van deze greppels in het aangelegde vlak zien, evenals de sterk vlekkerige opbouw van de opgevulde greppel.

Wellicht dat in het centraal-oostelijke deel van het tracé het vastgestelde deel van de linie op een vergelijkbare wijze nog aanwezig is.

20 21 22

De Roode & Van den Berghe, 2008 / Van der Pluijm, 2009 Boshoven et al., 2014 Alders, 2006

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 18 van 51

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 19 van 51

Indicatieve archeologische waarde De IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) geeft voor heel Nederland de trefkans aan op het voorkomen van archeologische resten. Die trefkans is aangegeven in vier categorieën (per landen waterbodem): een hoge, middelhoge, lage en zeer lage verwachting. Bebouwde gebieden, waarvan geen bodemkundige of geologische gegevens bekend zijn, zijn niet gekarteerd. De IKAW is voornamelijk gebaseerd op de relatie die er bestaat tussen de bodemkundige of geologische kwalificaties en de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een punt van aandacht daarbij is dat de IKAW grotendeels is gebaseerd op kaarten met een schaal van 1:50.000. De grenzen op de kaart zijn in werkelijkheid globale overgangen, abrupte overgangen zijn het gevolg van bodemkundige of geologische kwalificaties. Op lokaal schaalniveau is de kaart daarom minder betrouwbaar. Omdat de gemeentelijke beleidsadvieskaart een hoger detailniveau heeft dan de IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische terreinen in Nederland, welke ook wel worden aangeduid als monumenten. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde).

Op grond daarvan zijn de terreinen ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied liggen géén AMK-terreinen (zie figuur 16). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal dertien archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om negen bureau- en/of booronderzoeken (prospectief onderzoek), een veldkartering, een proefsleuvenonderzoek en twee archeologische begeleidingen (zie tabel V en figuur 16). Tabel V.

Overzicht onderzoeksmeldingen

Onderzoeksmeldingsnr.

Situering t.o.v. plangebied

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

37.327

120 meter ten noorden

Type onderzoek: veldkartering Toponiem: Rijerinkbrug Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 31-10-2006 Onderzoeksnummer: 31.085 Resultaat: Tijdens de veldinspectie zijn in het talud van de beekdalrand en op het vlak geen belangrijke archeologische resten of aanwijzingen voor de aanwezigheid van belangrijke archeologische resten aangetroffen. Er worden daarom geen verdere aanbevelingen gedaan voor behoud of verder archeologisch onderzoek.

32.127

400 meter ten noordwesten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Oude Winterswijkseweg Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 19-11-2008 Onderzoeksnummer: 36.152 Resultaat: Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 20 van 51

25.135

500 meter ten noordwesten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Oost Gelre,Groenlo,Marveld Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 06-11-2007 Onderzoeksnummer: 19.114 Resultaat: Tijdens het booronderzoek zijn meest beekeerdgronden aangetroffen. Dit blijkt onder andere uit de humeuze toplaag van de bodem. Dit niveau is op sommige plaatsen opgebracht of omgewerkt, zoals blijkt uit de aangetroffen baksteen- en sintelsporen en het plastic. Daarnaast vormen de roestvlekken die zijn aangetroffen tot in de C-horizont (het lichte zand) een indicatie voor de aanwezigheid van beekeerdgronden. Tenslotte toont de vaak matig tot sterk siltige bijmenging in het zand aan, dat hier natte omstandigheden hebben geheerst. Ook op de verhoging in het landschap, die tijdens het bureauonderzoek is geïnterpreteerd als dekzandrug, zijn vermoedelijk beekeerdgronden aangetroffen. Geadviseerd is de locatie vrij te geven.

37.038

600 meter ten oosten

Type onderzoek: archeologische begeleiding Toponiem: Zwolle Meddoseweg Uitvoerder: Archeodienst Gelderland BV Datum: 16-09-2009 Onderzoeksnummer: 35.617 Resultaat: Het plangebied aan de Meddoseweg is gelegen aan de zuidzijde van het Kwartier van Ernst Casimir van Nassau, aan de oostzijde van de linie. Het onderzoeksgebied valt op de beleidsadvieskaart (de Roode/ van den Berghe 2008) van de gemeente Oost Gelre binnen het gereconstrueerde verloop van de linie. Ook in de studie van Nijs/van der Pluijm uit 2008 wordt de Circumvallatielinie op ongeveer dezelfde locatie verwacht. Naast de buitenste gracht van de linie kunnen ook de oostelijke wal/ gracht van het redan en de daarbinnen gelegen (mogelijk onderbroken) wal aangetroffen worden. Tijdens de archeologische begeleiding bleek dat de bodemopbouw in het onderzoeksgebied grotendeels was verstoord door de aanleg van de Meddoseweg. Wel werd duidelijk dat er geen enkeerdgrond aanwezig was, maar een veldpodzolbodem. Van deze oorspronkelijke bodem was alleen de B-horizont nog plaatselijk bewaard gebleven. De C-horizont was sterk gekryoturbeerd, waardoor de bodem sterk 'verwrongen' was geraakt. Aangezien er geen enkeerdgrond is aangetroffen, was de kans op sporen ouder dan de Circumvallatielinie aanzienlijk kleiner.

Van de Circumvallatielinie zijn de buitenste gracht van het Kwartier van Ernst Casimir (spoor 1) en een gracht van het redan (spoor 2) aangetroffen. Op luchtfoto's was aangetoond dat er ten westen van het redan sprake was van een dubbele gracht. Uit het huidige onderzoek blijkt dat er ook ten oosten van het redan twee grachten aanwezig waren. Dit was eveneens zichtbaar op de kaart van Blaeu. Uit het onderzoek bleek echter ook dat de binnenste gracht, in tegenstelling tot de getekende bronnen, niet doorloopt ter hoogte van het redan. Het redan dat tijdens het onderhavige onderzoek is aangesneden is het eerste redan van de Circumvallatielinie dat archeologisch aangetoond wordt. Op basis van de grachtvullingen is niet op te maken vanuit welke zijde de grachten zijn dichtgegooid, waardoor het niet mogelijk is de locatie van de wal te bepalen. Aangezien een duidelijke humeuze laag en horizontale bodemlaagjes ontbreken, zullen de grachten niet watervoerend zijn geweest. De grachten zijn kort na 1627 in één keer dichtgegooid en deels gedempt met heideplaggen, die in de Nieuwe tijd gewonnen werden om nabijgelegen akkers te bemesten. Spoor 3 en 4 lagen op het binnenterrein van het redan. Het is echter niet zeker of deze twee sporen (kuilen of één onregelmatige kuil) in verband te brengen zijn met de Circumvallatielinie.

40.905

650 meter ten westen

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Oude Winterswijkseweg 45 Uitvoerder: Archeodienst Gelderland BV Datum: 18-05-2010 Onderzoeksnummer: 35.002 Resultaat: Op basis van het beknopte bureauonderzoek was er, vanwege de relatief hoge ligging van het terrein en de aanwezigheid van een esdek (laarpodzolgrond), een middelhoge trefkans voor de periode Steentijd-Nieuwe tijd voor het plangebied opgesteld. Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat het terrein van oorsprong een laag en nat gebied moet zijn geweest (het beekdal van de Slinge). Het plangebied is waarschijnlijk in de Nieuwe tijd C opgehoogd met humeus dekzand. Hierdoor valt de bodem tegenwoordig in de klasse van de laarpodzolgronden terwijl het van oorsprong in de klasse van de beekeerdgronden zou vallen. Onder het ophogingspakket bevinden zich lokaal nog aanwijzingen voor de tijd dat het terrein laag lag en nat was. Zo is er bijvoorbeeld in boring 2 een zwarte laag aangetroffen die voornamelijk bestond uit vergane plantenresten. Lage en natte terreinen zijn niet geschikt om als nederzettingsterrein te dienen. Aangezien er eveneens geen archeologische indicatoren aangetroffen moet de archeologische trefkans worden bijgesteld naar een lage trefkans. Geadviseerd is geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 21 van 51

36.089

800 meter ten oosten

Type onderzoek: archeologische begeleiding Toponiem: Banninkweg Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 16-07-2009 Onderzoeksnummer: 27.741 Resultaat: Geen verder onderzoek noodzakelijk

23.107

850 meter ten noorden

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Steenbeek Uitvoerder: Arcadis Datum: 21-06-2007 Onderzoeksnummer: 24.437 Resultaat: De kans op het aantreffen van archeologische waarden is gering. De locatie wordt niet als behoudenswaardig gezien. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht, aanbevolen wordt het gebied vrij te geven voor ontwikkeling.

22.413

900 meter ten oosten

Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Ebo 11 Uitvoerder: BAAC BV Datum: 05-05-2007 Onderzoeksnummer: 24.845 Resultaat: Het onderzoeksgebied heeft een relatief lage, natte landschappelijke ligging. Door het onderzoeksgebied heeft in 1627 waarschijnlijk de Circumvallatielinie Groenlo gelopen; ter plaatse heeft het Zuartier van Graaf Ernst gelegen. De kans is groot dat resten van deze linie nog in de grond aanwezig zijn. Voor het onderzoeksgebied geldt daarom een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden. Een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek is daarom noodzakelijk.

23.101

900 meter ten oosten

Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde bureauonderzoek (zie onderzoeksmeldingsnr. 22.413) Toponiem: Zwolle Uitvoerder: Arcadis Datum: 18-06-2007 Onderzoeksnummer: 24.442 Resultaat: Er zal een poel worden aangelegd op een locatie waar een deel van de circumvalatielinie van 1627 wordt verwacht. Doel van het onderzoek is te bepalen of deze hier inderdaad ligt. Ondanks dat er geen sporen van een linie zijn aangetroffen tijdens het onderzoek, moet er rekening gehouden worden met de aanwezigheid van resten van de linie op de locatie. Deze resten zijn in principe behoudenswaardig. In de intentieverklaring staat dat de linie wordt ontzien, maar archeologisch onderzoek zal worden toegejuicht. Het wordt daarom aanbevolen de werkzaamheden onder archeologische begeleiding uit te voeren, waarbij het archeologisch onderzoek leidend dient te zijn.

22.412

950 meter ten noorden

Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Ebo 10 Uitvoerder: BAAC BV Datum: 05-05-2007 Onderzoeksnummer: 24.844 Resultaat: Vanwege de relatief lage, natte landschappelijke ligging en het ontbreken van bekende archeologische waarnemingen in de omgeving van het onderzoeksgebied geldt een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden. Een vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.

57.073

1.000 meter ten noordwesten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Uitvoerder: Archeodienst Gelderland BV Datum: 13-06-2013 Onderzoeksnummer: 50.774 Resultaat: Aangezien tijdens het karterend booronderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, wordt archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.

58.737

1.000 meter ten oosten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Banningweg Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 14-10-2013 Onderzoeksnummer: 51.587 Resultaat: Er is een archeologisch begeleiding geadviseerd

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 22 van 51

38.113

1.000 meter ten noordwesten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Uitvoerder: Oranjewoud BV Datum: 25-01-2010 Onderzoeksnummer: 37.495 Resultaat: Voor de mogelijke vuursteenvindplaatsen (vindplaats 2 en 7) wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een waarderend booronderzoek. Voor de overige locaties, inclusief de zone waar het tracé van de N18 de circumvallatielinie van Groenlo doorsnijdt en de (vermoedelijke) laatmiddeleeuwse boerderijerven zoals die op basis van historischgeografisch onderzoek zijn bepaald, wordt geadviseerd deze te nader te onderzoeken met archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De overige delen van het tracé waar geen vindplaatsen zijn aangetroffen, kunnen worden vrijgegeven voor wat betreft archeologisch vervolgonderzoek. Dit echter pas na de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek zodat duidelijk is waar de begrenzing van de vindplaatsen ophoudt.

Waarnemingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische waarnemingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan zes waarnemingen geregistreerd (zie tabel VI en figuur 16). Tabel VI.

Overzicht ARCHIS-waarnemingen

Waarnemingsnr.

Situering t.o.v. plangebied

Aard van de melding

122.253

500 meter ten zuidoosten

Paleolithicum - IJzertijd: - 1 complete vuursteen kling Neolithicum: - 1 fragment van Swifterbant-aardewerk Aangetroffen door een particulier aan het maaiveld

122.341

850 meter ten noordoosten

Nieuwe tijd: ovens Complextype: steen-/pannenbakkerij Volgens S. Barends en J.D.H. Harten bevond zich hier een steenoven. Bron: Historisch-geografische aspecten van het ruilverkavelingsgebied Hupsel-Zwolle. Rapport geografisch instituut Rijksuniversiteit 1988.

432.501

550 meter ten noordoosten

Romeinse tijd - Nieuwe tijd: kuilen, grachten en bouwmateriaal Complextype: versterking Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologische begeleiding (zie onderzoeksmeldingsnr. 37.038)

991

700 meter ten noordwesten

IJzertijd: - handgevormd aardewerk - handgevormd aardewerk IJzertijd - Late Middeleeuwen: - houten palen ('paal in rij of rijen'(vlgs. fiche losse vondst, secundaire context !??) RP) Late Middeleeuwen: - 1 fragment van een keramische kogelpot ('handgevormd steen gemagerd')

122.333

1.000 meter ten oosten

Nieuwe tijd: Ovens Complextype: steen-/pannenbakkerij Op de topografische kaart van 1830-1855 (atlas 1:50.000) staat op deze plaats een steenoven aangegeven.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 23 van 51

44.800

1.000 meter ten noordwesten

Nieuwe tijd: - grondsporen Complextype: havezate/ridderhofstad RAAP heeft in 1996 een historisch onderzoek verricht naar Havezate Marveld te Groenlo. In 1520 wordt de havezate voor het eerst in schriftelijke bronnen genoemd. Wanneer deze is afgebroken is niet bekend, mogelijk in of vanaf de 17e eeuw. Waar de oude havezate (met gracht en voorhof) exact heeft gelegen, weet men niet. Volgens RAAP zijn er twee mogelijkheden: op de plaats van de huidige boerderij of op een laag perceel ten noordwesten daarvan.

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan vondstmeldingen geregistreerd. Nadat deze zijn gecontroleerd worden het waarnemingen. Tot die tijd staan ze als vondstmeldingen geregistreerd. Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied zijn géén vondstmeldingen geregistreerd (zie figuur 16). 3.8

Aanvullende informatie

Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Archeologische plaatselijke Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17, Zuid-Veluwe en Oost Gelderland (contactpersoon de heer B. Clabbers). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied. Oudheidkundige Vereniging Groenlo Voor aanvullende informatie is tevens contact gezocht met de Oudheidkundige Vereniging Groenlo. Gemeld wordt dat er geen aanvullende vondsten zijn gedaan of bijzonderheden bekend zijn, gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied. Beantwoording van relevante onderzoekvragen 6.

Welke gegevens met betrekking tot de archeologische complexen zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom het plangebied bekend? In de directe omgeving van het plangebied zijn een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd, waarbij de meeste geen archeologische vindplaats heeft opgeleverd. Er zijn enkele waarnemingen gedaan, voornamelijk oudere waarnemingen van vondsten tijdens nietarcheologische graafwerkzaamheden of oppervlaktevondst. Ten aanzien van de Circumvallatielinie is er ten oosten/noordoosten van het tracé een archeologische begeleiding van graafwerkzaamheden uitgevoerd, waarbij de buitenste gracht van het Kwartier van Ernst Casimir en een gracht van het redan zijn aangetroffen. Het redan dat tijdens het onderhavige onderzoek is aangesneden is het eerste redan van de Circumvallatielinie dat archeologisch aangetoond is. Op basis van de grachtvullingen is niet op te maken vanuit welke zijde de grachten zijn dichtgegooid, waardoor het niet mogelijk is de locatie van de wal te bepalen. Aangezien een duidelijke humeuze laag en horizontale bodemlaagjes ontbreken, zullen de grachten niet watervoerend zijn geweest. De grachten zijn kort na 1627 in één keer dichtgegooid en deels gedempt met heideplaggen, die in de Nieuwe tijd gewonnen werden om nabijgelegen akkers te bemesten.

Spoor 3 en 4 lagen op het binnenterrein van het redan. Het is echter niet zeker of deze twee sporen (kuilen of één onregelmatige kuil) in verband te brengen zijn met de Circumvallatielinie.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 24 van 51

3.9

Korte bewoningsgeschiedenis van het Oostelijk Dekzandlandschap

23

Voor een uitgebreide bewoningsgeschiedenis, in relatie tot de landschappelijke ontwikkeling, wordt verwezen naar de rapportage bij de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre. Hieronder volgt een korte beschrijving van de regionale bewoningsgeschiedenis. Al vanaf de Oude Steentijd (Laat-Paleolithicum, zie bijlage 1) werd het oostelijk dekzandlandschap bewoond door rondtrekkende Jagers-Verzamelaars. Deze Jagers-Verzamelaars leefden in eenvoudige hutten/tenten die gemakkelijk op te bouwen en af te breken waren, waardoor hier slechts weinig resten van bewaard zijn gebleven. De tijdelijke nederzettingslocaties lagen veelal op terreindelen met een sterke gradiënt, zoals dekzandruggen en kopjes te midden van lager gelegen gebieden, flanken van beekdalen en de randen van plateaus en stuwwallen. Deze gebieden boden door de sterke gradiënt een afwisselende vegetatie en daarmee een grote verscheidenheid aan voedselbronnen. Vanaf de Nieuwe-Steentijd (Neolithicum) deden landbouwactiviteiten hun intrede. De locatiekeuze werd in toenemende mate bepaald door de geschiktheid van de bodem voor de akkerbouw. Hierbij speelden vooral het grondwaterregime en de natuurlijke vruchtbaarheid en bewerkbaarheid van de bodem een belangrijke rol. De leemrijke, middelhoog gelegen zandgronden waren het meest geschikt.

Daarbij speelde tevens de nabijheid van waterbronnen en een gevarieerde vegetatie een rol. Nederzettingen ontstonden doorgaans op de overgang van de hoge zandgronden naar de lage beekdalen, gunstig gelegen tussen de weidegebieden in de beekdalen en de akkers op de hogere gronden. Vanaf de Bronstijd en vooral in de Middeleeuwen vond een (geleidelijke) omslag plaats in het agrarisch bedrijfssysteem, die ook landschappelijk gevolgen had. Door een intensiever bodemgebruik en het gelijktijdig in stand houden van de vruchtbaarheid van het steeds uitbreidende akkerareaal namen de heidevelden in omvang sterk toe. Door eeuwenlange bemesting werden vooral de hogere dekzandruggen geleidelijk opgehoogd. Deze staan voor de oostelijke zandgronden bekend als engen, enken, eenmans-essen of kampen. In het algemeen wordt de term "es" gebruikt. Doordat de hydrologische omstandigheden op korte afstand sterk wisselen, zijn nooit grote akkercomplexen tot ontwikkeling gekomen. Hier overheerste de individuele occupatie, waardoor kleine percelen ontstonden, met een afwisseling van grasland en akkerland. Vaak zijn de percelen omgeven door heggen of hakhout. De bewoning binnen het oostelijk dekzandlandschap was daardoor altijd sterk verspreid.

23

Barends et al., 2006 / Berendsen, 2005

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 25 van 51

3.10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VII.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum - VroegNeolithicum (JagersVerzamelaars)

-Laag voor het merendeel van het tracé

-Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

-In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor

-Middelhoog tot hoog voor het uiterst westelijke als oostelijke deel van het plangebied/tracé

Midden- en Laat-Neolithicum (Landbouwers)

-Hoog voor beekdalgerelateerde resten binnen als de direct naastgelegen zone langs het oude beekdal van De Slinge

-Beekdalgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities

-In het pakket beekafzettingen

-Laag voor het merendeel van het tracé

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

-In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor

-Hoog voor beekdalgerelateerde resten binnen als de direct naastgelegen zone langs het oude beekdal van De Slinge

- Beekdalgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities, waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)

-In het pakket beekafzettingen

-Laag voor het merendeel van het tracé

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

-In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor

-Hoog voor beekdalgerelateerde resten binnen als de direct naastgelegen zone langs het oude beekdal van De Slinge

-Beekdalgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities, waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)

-In het pakket beekafzettingen

-Laag voor het merendeel van het tracé

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

-In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor

-Beekdalgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities, waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)

-In het pakket beekafzettingen

-Middelhoog tot hoog voor het uiterst westelijke als oostelijke deel van het plangebied/tracé

Bronstijd - Romeinse tijd (Landbouwers)

-Middelhoog tot hoog voor het uiterst westelijke als oostelijke deel van het plangebied/tracé

Middeleeuwen

-Middelhoog tot hoog voor het uiterst westelijke als oostelijke deel van het plangebied/tracé -Hoog voor beekdalgerelateerde resten binnen als de direct naastgelegen zone langs het oude beekdal van De Slinge

15116331 OGR.GEM.ARC

-Onder het (matig) dikke plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen

-Onder het (matig) dikke plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen

-Onder het (matig) dikke plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen

-In/Onder het (matig) dikke plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen

Pagina 26 van 51

Nieuwe tijd

-Laag voor het merendeel van het tracé

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

-In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor

-Zeer hoog/aanwezig daar waar het tracé een vastgesteld deel van de Circumvallatielinie doorsnijdt

-Resten/sporen van de linie (betreft vaak niet meer dat de gracht die naast de aarden wal lag, met hierin dempingsmateriaal, mogelijk deels van materiaal van de aarden wal zelf

-Direct onder de huidige bouwvoor/verploegd bodemdeel

-Hoog voor beekdalgerelateerde resten binnen als de direct naastgelegen zone langs het oude beekdal van De Slinge

-Beekgerelateerde resten, zoals, dumpzones en waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)

-In het pakket beekafzettingen

-Middelhoog tot hoog voor het uiterst westelijke als oostelijke deel van het plangebied/tracé

-In/Onder het (matig) dikke plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied/tracé binnen het landschap van het Oost-Nederlandse Plateau ligt en dat specifiek het merendeel van het plangebied/tracé binnen een opgevuld en met dekzand afgedekt tunneldal ligt, waar doorheen het beekdal van de Groenlosche Slinge stroomt (voorheen bekend als De Slinge). Alleen het uiterst westelijke deel van het tracé ligt binnen een dekzandrug dan wel in een gebied van dekzandwelvingen. Het centrale deel van het tracé ligt binnen een laaggelegen dekzandvlakte en de beekdalzone van de oude loop van De Slinge. De oostelijk gelegen vlakelementen en het oostelijke deel van het tracé liggen in een droog dal en de overgang naar een plateauachtig terrasrest (buiten het tunneldal). Het uiterst westelijke en oostelijke deel van het plangebied/tracé, binnen een gradiëntzone, hadden een gunstige ligging voor Jager-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Vroeg-Neolithicum) als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Ook voor Landbouwers waren zowel de dekzandruggen/-welvingen als de terras-achtige plateauresten de meest gunstige bewoningslocaties, omdat deze goed ontwaterde gronden betroffen voor landbouw. De voorlopers van De Slinge vormde een natuurlijke bron voor (drink)water.

De gronden nabij het beekdal als de dekzandvlakten vormde waarschijnlijk natuurlijke natte graslanden, waardoor deze terreinen geschikt waren voor het laten grazen van vee. De hogere biodiversiteit leverde ook meer natuurlijke voedselbronnen op. Voor beekgerelateerde resten/resten van menselijke activiteiten die men uitvoerde in of direct naast het beekdal moet vooral gedacht worden aan resten van zogenaamde off-site activiteiten, zoals attributen die voor de jacht of visvangst werden gebruikt (boomstamkano’s, fuiken, visweren, strikken, eendenkooien, netten, pijlen en harpoenen). Er kunnen ook resten van (kortstondige kleine) nederzettingen, deposities (al dan niet van rituele aard) en resten van infrastructurele werken voorkomen. Deposities kunnen bestaan uit stenen en metalen voorwerpen, potten en menselijke of dierlijk resten, bepaalde gereedschappen en sierraden. Bij infrastructurele werken moet vooral gedacht worden aan voorden, bruggen, knuppelpa24 den, sluizen, stuwen, dammen en wegen. In het centraal-oostelijke deel van het tracé wordt een vastgesteld deel van de Circumvallatielinie doorsneden. Dit deel van de linie bestond (vooralsnog) uit een enkele aarden wal met een breedte van 2 tot 2,5 m en een hoogte van circa 1,8 m. Aan de buitenzijde van de wal lag een droge of natte gracht met een breedte van 2 tot 2,5 m en een diepte van circa 1,8 m.

Voor het merendeel van de linie is de aarden wal afgegraven/geëgaliseerd, of gebruikt om de naastgelegen gracht op te vullen. Op basis van de resultaten van een archeologische begeleiding die ten oosten/noordoosten van het tracé is uitgevoerd, is geconcludeerd dat de grachten in één keer zijn dichtgegooid en deels gedempt zijn met heideplaggen. Het oostelijk gelegen uiteinde van het tracé ligt tevens nog net binnen de 50 meter bufferzone van een niet vastgesteld deel van de linie. 24

Rensink, 2008

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 27 van 51

Op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal is het plangebied/tracé vanaf de tweede e helft van de 18 eeuw tot op heden merendeels in agrarisch gebruik geweest, deel uitmakend van de buitenste begrenzing van voornamelijk percelen grasland. Binnen het beekdal van De Slinge zal sprake zijn geweest van extensief gebruik, omdat dit vrij natte/moerassige zones betrof. Alleen het westelijke deel van het tracé liep tussen twee boerenerven door die aan de voorloper van de Oude Winterswijkseweg lagen. Binnen dit deel van het tracé heeft voor zover bekend geen historische bebouwing gestaan. In het uiterst westelijke als oostelijke deel en beperkte delen in het centrale deel van het tracé wordt een (matig) dik plaggendek verwacht. Het opbrengen van het plaggendek binnen e het uiterst westelijke deel van het tracé is in de tweede helft van de 18 eeuw of eerder begonnen. Voor de enkele delen binnen het centrale deel van het tracé gaat het waarschijnlijk om een plaggene dek dat pas in de 19 eeuw is opgebracht. Archeologische onderzoeken uitgevoerd in de directe omgeving van het plangebied hebben tot op heden geen archeologische vindplaatsen opgeleverd anders dan restanten van de Circumvallatielinie. Er zijn wel enkele waarnemingen gedaan, voornamelijk oudere waarnemingen van vondsten tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden of oppervlaktevondst.

Op basis van bovenstaande uitgangspunten en conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre, kunnen er in het plangebied/tracé archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten wordt middelhoog tot hoog geacht voor het uiterst westelijke als het uiterst oostelijke deel van het tracé (zie tabel VII). Voor het merendeel van het tracé wordt de kans laag geacht, uitgezonderd die delen van het tracé die binnen het beekdal van de oude loop van De Slinge liggen. De kans op de aanwezigheid van zogenaamde off-site resten (locaties waar specialistische of rituele activiteiten konden plaatsvinden) zal vooral afhangen of er sprake is van bewoning op de naastgelegen hogere gronden. Eventueel aanwezige archeologische resten worden in het uiterst westelijke en oostelijke deel van het tracé en enkele zones in het centrale deel van het tracé, verwacht in het (matig dikke tot dikke) plaggendek (Aa-horizont) en in de top van de dekzandafzettingen (top van de afgedekte podzolbodem, of restant hiervan). De vondstenlaag is opgenomen onderin het plaggendek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool.

Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) zullen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. De diepteligging van de vondstenlaag is afhankelijk van de dikte van het plaggendek. De aanwezigheid van een matig dik tot dik plaggendek zal gefungeerd hebben als beschermende laag, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten beter geconserveerd zullen zijn in vergelijking met terreinen waar geen plaggendek aanwezig is. In het merendeel van het plangebied/tracé worden archeologische resten in en/of direct onder de bouwvoor (eerste 30 cm) verwacht; in de top van de dekzandafzettingen waar voornamelijk een beekeerdgrond wordt verwacht. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. De eventueel aanwezige archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. De meeste typen archeologische resten (bot, houtskool, aardewerk, metaal) zullen door de gereguleerde grondwaterstanden, en daardoor relatief droge en zure bodemomstandigheden, zijn aangetast door degradatieprocessen. Beekdalgerelateerde resten kunnen in de beekdalafzettingen en mogelijk ook doorlopend in de onderliggende dekzandafzettingen voorkomen. Het betreffen wel vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties.

Vooral diep gelegen organische resten en bot, in de permanent gereduceerde zone (onder grondwaterniveau), zullen goed zijn geconserveerd.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 28 van 51

De kans op resten/sporen van de Circumvallatielinie in het centraal-oostelijke deel van het tracé wordt zeer hoog geacht (is vastgesteld dus zou aanwezig moeten zijn) en zal waarschijnlijk bestaan uit niet meer dat de gracht die naast de aarden wal lag, met hierin dempingsmateriaal, mogelijk deels van materiaal van de aarden wal zelf. Sporen worden verwacht direct onder de huidige bouwvoor, onder het recent verploegde/bewerkte bodemdeel. Bodemverstoring Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn. e

Het plangebied is voor zover bekend vanaf de tweede helft van de 18 eeuw tot op heden onbebouwd en merendeels in agrarisch gebruik geweest. Hier mag in eerste instantie verwacht worden dat de bodem, afgezien van de bouwvoor, minimaal verstoord is. Alleen het westelijke deel van het tracé liep tussen twee boerenerven door die aan de voorloper van de Oude Winterswijkseweg lagen. Binnen dit deel van het tracé heeft voor zover bekend geen historische bebouwing gestaan. Beantwoording van relevante onderzoekvragen 8.

Met welke culturele formatieprocessen heb je te maken in het plangebied? Het plangebied/tracé ligt binnen het landschap van het Oost-Nederlandse Plateau. Het merendeel van het tracé ligt specifiek binnen een opgevuld en met dekzand afgedekt tunneldal ligt, waar doorheen het beekdal van de Groenlosche Slinge stroomt (voorheen bekend als De Slinge). Alleen het uiterst westelijke deel van het tracé ligt binnen een dekzandrug dan wel in een gebied van dekzandwelvingen. Het centrale deel van het tracé ligt binnen een laaggelegen dekzandvlakte en de beekdalzone van de oude loop van De Slinge. De oostelijk gelegen vlakelementen en het oostelijke deel van het tracé liggen in een droog dal en de overgang naar een plateauachtig terrasrest (buiten het tunneldal). Het uiterst westelijke deel van het tracé, de oostelijk gelegen vlakelementen en het oostelijke deel van het tracé, binnen een gradiëntzone, hadden een gunstige ligging voor JagersVerzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Vroeg-Neolithicum) als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Ook voor Landbouwers waren zowel de dekzandruggen/-welvingen als de terras-achtige plateauresten de meest gunstige bewoningslocaties, omdat deze goed ontwaterde gronden betroffen voor landbouw. De voorlopers van De Slinge vormde een natuurlijke bron voor (drink)water.

Langs de aangrenzende zones van het beekdal konden ook specialistische activiteiten worden ontplooid. De gronden nabij het beekdal als de dekzandvlakten vormde waarschijnlijk natuurlijke natte graslanden, waardoor deze terreinen geschikt waren voor het laten grazen van vee. De hogere biodiversiteit leverde ook meer natuurlijke voedselbronnen op. In het centraal-oostelijke deel van het tracé wordt een vastgesteld deel van de Circumvallatielinie doorsneden. Dit deel van de linie bestond (vooralsnog) uit een enkele aarden wal, met aan de buitenzijde van deze wal een droge of natte gracht. Het oostelijk gelegen uiteinde van het tracé ligt tevens nog net binnen de 50 meter bufferzone van een niet vastgesteld deel van de linie.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 29 van 51

Op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal is het plangebied/tracé tot op heden merendeels in agrarisch gebruik geweest, deel uitmakend van de buitenste begrenzing van voornamelijk percelen grasland. Binnen het beekdal van De Slinge zal sprake zijn geweest van extensief gebruik, omdat dit vrij natte/moerassige zones betrof. Alleen het westelijke deel van het tracé liep tussen twee boerenerven door die aan de voorloper van de Oude Winterswijkseweg lagen. Binnen dit deel van het tracé heeft voor zover bekend geen historische bebouwing gestaan. In het uiterst westelijke als oostelijke deel en beperkte delen in het centrale deel van het tracé wordt een (matig) dik plaggendek verwacht. Het opbrengen van het plaggendek binnen het uiterst westelijke deel van het tracé is in de tweede helft van de e 18 eeuw of eerder begonnen. Voor de enkele delen binnen het centrale deel van het tracé e gaat het waarschijnlijk om een plaggendek dat pas in de 19 eeuw is opgebracht. De aanwezigheid van een (matig) dik plaggendek zal gefungeerd hebben als beschermende laag, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk goed zijn geconserveerd.

Indien het plangebied in het verleden in gebruik is geweest als bewoningslocatie dan zal voor het plangebied sprake zijn van een afgedekt archeologisch complex met een matige tot hogere vondstdichtheid en al dan niet met een grondsporenniveau. Voor het merendeel van het tracé waar geen plaggendek wordt verwacht, zal sprake zijn van een archeologisch complex waarbij de vondstenlaag waarschijnlijk geheel zal zijn opgenomen in de bouwvoor. Alleen de meest resistente mobilia zal nog aanwezig zijn in de bouwvoor. Hierdoor zal de vondstdichtheid van de vindplaats lager zijn geworden. 9.

Welke natuurlijke en culturele formatieprocessen kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? Eventueel aanwezige (pre)historische resten houden voornamelijk verband met de landschappelijke ligging en de aanwezige natuurlijke afzettingen. Het oorspronkelijke bodemprofiel betreft in het uiterst westelijke en oostelijke deel van het tracé waarschijnlijk een veldpodzolgrond. Archeologische resten zijn later door landbewerking mogelijk deels verstoord geraakt, waarbij de vondstlaag deels zal zijn opgenomen in de basis van het plaggendek dat eveneens binnen het uiterst westelijke en oostelijke deel van het tracé wordt verwacht. Het plaggendek zal vervolgens eventuele onderliggende resten beschermd hebben tegen verdere ingrepen. Bij een intacte bodemopbouw wordt de volgende horizontsequentie verwacht: Aap(bouwvoor), Aa-, B, BC en de C-horizont. Bij het opbrengen van het plaggendek werd veelal de minerale bovenlaag met eventuele uitspoelingshorizont (Ah- en E-horizont) vermengd met het plaggendek. Archeologische resten, indien aanwezig worden verwacht onderin het plaggendek en op de overgang naar het oorspronkelijk gevormde podzolprofiel.

Het sporenniveau zal goed zichtbaar zijn in de overgangs-BC-horizont/top van de C-horizont. Het uiterst westelijke en oostelijke deel van het tracé hebben tevens de hoogste verwachting op de aanwezigheid van (pre)historische resten. De aanwezigheid van een plaggendek zorgt voor een betere conservering van archeologische resten (vergankelijk vondstmateriaal) dan wanneer er geen sprake is van een plaggendek. Het uiterst westelijke en oostelijke deel van het tracé heeft een landschappelijke ligging en bodemkundige opbouw waarbinnen de ‘buitencategorie’ type 4 vondstcomplexen kunnen worden verwacht. Een deel van de mobilia (archeologische resten) circuleert ten gevolge van opspit vaak in het langzaam geaccumuleerde mestdek, waardoor zelfs diep gelegen en meer resistente artefacten tot aan het maaiveld kunnen komen.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 30 van 51

Voor het merendeel van het tracé zal de vondstlaag in de top van de dekzandafzettingen (beekeerdgrond), vrijwel volledig zijn opgenomen in de huidige bouwvoor. Er wordt een ACbodemprofiel verwacht. Alleen de meest resistente mobilia zal nog aanwezig zijn in de bouwvoor. Hierdoor zal de vondstdichtheid van de vindplaats lager zijn geworden. Eventueel diepere sporen die doorlopen in het dekzandpakket zullen nog wel intact aanwezig zijn, maar er zal dan sprake zijn van een lage spoordichtheid. Voor een groot deel van het tracé dat binnen een beekdalvlakte is geldt een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Indien er toch sprake is van een archeologische vindplaats dan zal deze voorkomen als een type 5 of 6 vondstcomplexen. Voor beekgerelateerde resten/resten van menselijke activiteiten die men uitvoerde in of direct naast het beekdal moet vooral gedacht worden aan attributen die voor de jacht of visvangst werden gebruikt, zoals boomstamkano’s, fuiken, visweren, strikken, eendenkooien, netten, pijlen en harpoenen. Er kunnen ook deposities, al dan niet van rituele aard (bijvoorbeeld bepaalde gereedschappen, sierraden), en resten van infrastructurele werken voorkomen. Deposities kunnen bestaan uit stenen en metalen voorwerpen, potten en menselijke of dierlijk resten.

Bij infrastructurele werken moet vooral gedacht worden aan voorden, bruggen, knuppel25 paden, sluizen, stuwen, dammen en wegen. Beekdalgerelateerde resten kunnen in de beekdalafzettingen en mogelijk ook doorlopend in de onderliggende dekzandafzettingen voorkomen. Het betreffen wel vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties (vondstcomplextype 0). Vooral diep gelegen organische resten en bot, in de permanent gereduceerde zone (onder grondwaterniveau), zullen goed zijn geconserveerd. Het centraal-oostelijke deel van het tracé doorsnijdt een vastgesteld deel van de Circumvallatielinie. Tijdens eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek is vastgesteld dat een groot deel van de linie bestond uit een enkele aarden wal met een breedte van 2 tot 2,5 m en een hoogte van circa 1,8 m. Aan de buitenzijde van de wal lag een droge of natte gracht met een breedte van 2 tot 2,5 m en een diepte van circa 1,8 m. Het oostelijk gelegen uiteinde van het tracé ligt tevens nog net binnen de 50 meter bufferzone van een niet vastgesteld deel van de linie. e

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13958089/1