CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp lichtenvoordseweg 91 toelichting en regels

Gemeenteraad 7 mei 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Lichtenvoordseweg 91 te Groenlo21.151 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hiermee worden nieuwe geluidsgevoelige objecten toegevoegd. In dit kader is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 9. In het onderzoek wordt gesteld dat de geluidbelasting door wegverkeer op het 50 km deel van de Lichtenvoordseweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt. Ter plaatse van het niet gezoneerde 30 km deel van de Lichtenvoordseweg bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 50 dB, waarmee de voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden. Dergelijke wegen vallen buiten de werking van de Wet geluidhinder waardoor het aanvragen van hogere waarden niet aan de orde is. In deze gevallen dient in lijn met het gemeentelijk beleid te worden aangetoond dat er wordt voldaan aan het criterium “goede ruimtelijke ordening”. Bij een initiatief dient sprake te zijn van minimaal één geluidluwe gevel. In voorliggend geval wordt bij alle woningen hieraan voldaan. Er is daarnaast geen sprake van gecumuleerde hinder. Om voorts te voldoen aan de eis uit het Bouwbesluit 2012 (art. 3.3) dient de karakteristieke gevelwering in dit geval minimaal 22 dB te bedragen. Een standaard nieuwbouwgevel voldoet aan deze geluidwering. Aanvullende geluidwerende voorzieningen aan de gevels van de woningen is niet nodig. Voor het aspect geluid is derhalve sprake van een “goede ruimtelijke ordening”.

26

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geluid.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Beoordelingskader Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Met voorliggend initiatief verdwijnt het huidige bedrijf en de onderliggende bedrijfsbestemming. Daarmee wordt een ruimtelijk knelpunt opgelost, gezien hiermee de eventuele overlast op de omgeving wordt voorkomen. Het plan voorziet in het realiseren van zelfbouwkavels voor 5 woningen. Dit betreffen milieugevoelige objecten in het kader van milieuzonering. Het plangebied ligt in een rustige woonwijk met rondom voornamelijk woningen en een begraafplaats. De afstand tot de begraafplaats bedraagt circa 20 m waardoor wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m (geluid) voor dergelijke voorzieningen. Het aspect milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan. Bij de nieuwe woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat en er worden met het plan geen bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.

4.8

Luchtkwaliteit

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

27

Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de Atlas Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl).

Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)

NO2 (stikstofdioxide) 12,0 µg/m3

PM10 (fijnstof) 15,0 µg/m3

PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 8,4 µg/m3

40 µg/m3

40 µg/m3

25 µg/m3

De berekende concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (verwijderen van de bedrijfsbestemming en de bedrijvigheid en het toevoegen 5 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

28

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

4.9

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De gemeentelijke geurverordening en het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn ook onderdeel van het beoordelingskader van geur bij veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:  binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;  buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking.

Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel. Geurnormen en minimumafstanden In de gemeente Oost Gelre gelden voor geurgevoelige objecten de in onderstaande tabel opgenomen geurnormen en minimumafstanden.

Voor woningen en andere geurgevoelige objecten bij veehouderijen geldt in het buitengebied een minimumafstand van 50 meter. Dit is inclusief woningen en andere geurgevoelige objecten die daar op na 19 maart 2000 geen deel meer van uitmaken. Ook voor woningen en andere geurgevoelige objecten die op of na 19 maart 2000 zijn gebouwd in samenhang met de beëindiging van de veehouderij geldt deze minimumafstand van 50 meter. Planspecifiek Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Groenlo. In de directe omgeving van de locatie bevinden zich geen veehouderijen. Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig plan. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

29

4.10

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. in de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/of objecten uitgesloten.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

De gemeente Oost Gelre heeft een Beleidsvisie externe veiligheid Gemeente Oost Gelre van 2008. Deze visie beschrijft hoe de gemeente Oost Gelre omgaat met het onderwerp externe veiligheid. In onderstaand schema is samengevat welke beleidskeuzes door de gemeente zijn gemaakt op het gebied van externe veiligheid.

30

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.

Uitsnede risicokaart

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

31

Uit de risicokaart is op te maken dat op circa 280 m afstand een transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg ligt, de N18 / Europaweg. Het plangebied ligt buiten de veiligheidszone maar binnen het invloedsgebied van wegvak G21. Er is geen LPG-tankstation in de omgeving van het plangebied, waardoor dit onderwerp niet wordt beschouwd. Er zijn geen locaties in de omgeving bekend waar ontplofbare stoffen voor civiel gebruik aanwezig zijn, waardoor dit onderwerp niet wordt beschouwd. De N18 is aangewezen als basisnetroute die valt onder Bevt. Over de N18 worden uitsluitend GF3-transporten (LPG) vervoerd. Op basis van het Basisnet blijkt dat er een aantal van 1.000 GF3-transporten zijn waar geen groei in wordt voorzien. Voor de N18 is op basis van de Regeling Basisnet geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) opgenomen. Het invloedsgebied van dit wegvak wordt bepaald door het transport van GF3, welke 355 meter is. Het invloedsgebied reikt tot of over het plangebied, de N18 en hierdoor relevant voor externe veiligheid. Om te weten of ook een groepsrisico-berekening noodzakelijk is zijn eerst de vuistregels toegepast uit de Handleiding Risicoanalyses Transport. In voorliggende situatie is met behulp van de Handreiking beoordeeld wat de huidige situatie is ten aanzien van de personendichtheid op de locatie en in de toekomstige situatie.

In de huidige situatie is er bedrijvigheid gevestigd in het plangebied. Daarvoor geldt een personendichtheid van 1 persoon per 30 m2 bvo. In voorliggende situatie is er 1398 m2 bvo aanwezig wat neerkomt op 46 personen. In de toekomstige situatie is er sprake van 5 nieuwe woning op het terrein waarvoor een personendichtheid geldt van 2,4 personen per woning. Dat komt neer op 12 personen. In de toekomstige situatie is er dan ook een afname te zien in de personendichtheid waardoor het groepsrisico niet toeneemt. Daarnaast geldt bij een personendichtheid van 30 personen/ha op 20 m van de weg dat er sprake is van een groepsrisico dat hoger is dan 10% van de oriëntatiewaarde wanneer er meer dan 6.340 GF3-transporten zijn. Over de N18 rijdt veel minder GF3-transport, dus het GR ligt ruim onder de 10% van de oriëntatiewaarde. Er is geen aanvullende berekening, noch een uitgebreide groepsrisicoverantwoording nodig. Op grond van artikel 7 van het Bevt wordt voor de (spoor-)wegen, gezien de ligging, ingegaan op de mogelijkheden voor:  de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en  de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen.

In dit geval is sprake van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Voor LPG transport is het maatgevende scenario een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tankauto tijdens transport. Uit berekeningen is gebleken dat de 100 % letaliteitgrens van een tankwagen explosie (BLEVE) op circa 85 meter ligt. Dit betekent dat indien het scenario optreedt elke persoon die zich (onbeschermd) binnen deze straal van het incident bevindt zal komen te overlijden. In het gebied tussen de 85 en 300 meter van de risicobron bevinden zich de potentiële slachtoffers die binnen een uur gestabiliseerd

32

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

moeten worden. Het plangebied ligt grotendeels op een grotere afstand dan 300 meter. Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank, goede bereikbaarheid en geschikte opstelplaats voor voertuigen. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Voor voldoende bluswater is de brandweer in het buitengebied aangewezen op het oppervlaktewater. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid heeft betrekking op de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de route of het tracé om bij een ramp of zwaar ongeval zichzelf in veiligheid te brengen, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het dan ook belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Voor het verminderen van effecten van een ramp is de zelfredzaamheid van aanwezigen van groot belang.

Bij het maatgevende rampscenario (een explosie van een vrijkomende wolk brandbaar gas (BLEVE)) zijn personen binnen 150 meter (ook in gebouwen) onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Een 'warme' BLEVE treedt, afhankelijk van o.a. de aanstraling en de vullingsgraad van de tank, binnen een tijdsbestek van ongeveer 8 tot 20 minuten op, waarbinnen vluchten de enige optie is. Door een tijdige waarschuwing kunnen mensen proberen zo snel mogelijk afstand tot de risicobron te nemen. Op een afstand van tenminste 300 meter zijn de effecten van een BLEVE verminderd tot 1% letaal, dat wil zeggen dat 1% van de onbeschermd aanwezige personen overlijdt. In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen circa 150 meter slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is, in het geval van een BLEVE, schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Daarvoor is het zaak een veilige plek binnen een gebouw op te zoeken buiten het bereik van rondvliegend glas. Na afloop van de BLEVE dient het gebied ontvlucht te worden om effecten door de secundaire branden te vermijden.

Op grond van het bovenstaande en wetende dat een toename van het groepsrisico op grond van gemeentelijke uitgangspunten niet acceptabel is, kan gesteld worden dat het initiatief niet leidt tot een toename maar een afname van de personendichtheid. Het plan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.

4.11

Verkeer en parkeren

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Verkeersaantrekkende werking Met voorliggend initiatief verdwijnt de huidige bedrijfsvoering met bijbehorende verkeersaantrekkende werking. Daarmee verdwijnt het zwaar verkeer op de locatie en is er geen sprake meer van laden en lossen op het perceel. Woningen kennen ook een verkeersaantrekkende werking. Voor de vaststelling van de verkeersaantrekkende werking wordt gebruikgemaakt van de kencijfers van het CROW, voor vrijstaande woningen in de categorie 'rest bebouwde kom' van een niet-stedelijke gemeente geldt een norm van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Bij de realisatie van de toekomstige woningen aan de Lichtenvoordseweg neemt de verkeersaantrekkende werking daarmee weer beperkt toe, namelijk met maximaal 43 (8,6 x 5) verkeersbewegingen per dag. De Lichtenvoordseweg en de andere verkeerswegen in de omgeving van het plangebied kunnen deze toename goed aan.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

33

Parkeren In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan parkeren', gebaseerd op de nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’. De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers basis voor parkeernormering' van CROW. Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Voor een vrijstaande koopwoning in de categorie 'rest bebouwde kom' van een niet-stedelijke gemeente geldt hiermee een norm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om hier aan te voldoen, op de kavels is ruimte voor 2 parkeerplaatsen en er worden 3 parkeerplaatsen aangelegd in het openbaar gebied. Het aanleggen en in stand houden van de parkeerplaatsen is voorwaardelijk verplicht gesteld in de regels. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm van de gemeente. Het initiatief is hiermee uitvoerbaar op het gebied van verkeer en parkeren.

4.12

Milieueffectrapportage

Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:  in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;  een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;  op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:  als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen.

Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;  als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Planspecifiek Het onderhavige plan betreft het realiseren van 5 woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning in een burgerwoning en blijft daarmee (ver) onder de drempel van een project met 2.000 woningen (Besluit m.e.r. bijlage D11.2). Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in hoofdstuk 2 van dit plan ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 4 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in dit plan geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.

34

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.  Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;  Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.  Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.  Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2

Wijze van bestemmen

De opzet en regels van voorliggend plan zijn gebaseerd op de systematiek van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo' van de gemeente Oost Gelre. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:  'Groen', ter plaatse van het te realiseren openbare voetpad.  'Tuin', ten behoeve van tuinen, met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in- en uitritten, groenvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en uitbouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde.  'Verkeer', mede bestemd voor de wegen, straten en parkeervoorzieningen.  'Wonen', voor het realiseren van de zelfbouwkavels voor de woningen. Binnen het bestemmingsvlak zijn 5 bouwvlakken opgenomen met de aanduiding 'vrijstaand'. De maximale goot- en bouwhoogte zijn weergegeven op de verbeelding. Het aanleggen en in stand houden van hagen en voldoende parkeerplaatsen is voorwaardelijk verplicht gesteld in de regels.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

35

Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2', ter bescherming van de eventuele aanwezige archeologische resten in de bodem. In deze dubbelbestemmingen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het slopen van ondergrondse funderingen/bebouwing alleen onder voorwaarden is toegelaten.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

36

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De provincie heeft aangegeven dat zij kleine woningbouwplannen tot 12 woningen niet langer in het kader van het vooroverleg aangeboden hoeft te krijgen voor zover er geen ander provinciaal belang bij het plan in het geding is. Daarvan is bij het voorliggende plan geen sprake. Het plan is daarom niet aangeboden aan de provincie. Het waterschap is middels de digitale watertoets op de hoogte gesteld van het plan en is akkoord met de waterparagraaf. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024. Gedurende de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen. In de Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen in de bijlage 10 van de toelichting van dit bestemmingsplan zijn de zienswijzen naar aard en inhoud samengevat weergegeven. De gemeentelijke reactie op de zienswijzen is direct na de desbetreffende zienswijzen opgenomen.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan, mits sprake is van een bouwplan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;  het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen.

De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

37

Bijlagen

38

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Bijlage 1

Inrichtingsplan en Beeldkwaliteitsplan

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

39

Bijlage 2

40

Watertoets

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Bijlage 3

K-waarde metingen

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

41

Bijlage 4

42

Bodemonderzoek

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Bijlage 5

Aanvullend bodemonderzoek

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

43

Bijlage 6

44

Quickscan flora en fauna

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Bijlage 7

Voortoets stikstof

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

45

Bijlage 8

46

Archeologisch onderzoek

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Bijlage 9

Akoestisch onderzoek

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

47

Bijlage 10 Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen

48

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Regels

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

49

50

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo met identificatienummer NL.IMRO.1586.BPGRO014-VG01 van de gemeente Oost Gelre. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen. 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan huis verbonden bedrijf het uitsluitend door de bewoner(s) van een woning verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, die in een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

Detailhandel, uitgezonderd verkoop via internet en voor zover behorend bij het aan huis verbonden bedrijf, wordt niet onder het aan huis verbonden bedrijf verstaan; 1.6 aan huis verbonden beroep: een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerptechnisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, dat uitsluitend door de bewoner(s) in een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is. Detailhandel, uitgezonderd verkoop via internet en voor zover behorend bij het aan huis verbonden beroep, wordt niet onder het aan huis verbonden beroep verstaan; 1.7 aangebouwd bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar tegenaan gebouwd gebouw.

Een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is rechtstreeks toegankelijk vanuit het hoofdgebouw; 1.8 achtergevel: de van de openbare weg afgekeerde gevel van een gebouw, of indien het een gebouw betreft met meer dan één van de weg afgekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt; 1.9 afhankelijke woonruimte: een deel van een woning, of een woonunit, die qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning, waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest;

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

51

1.10 archeologisch deskundige de regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg; 1.11 archeologisch onderzoek: onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 MW en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; 1.12 archeologische verwachting een gebied met een daaraan toegekende hoge, middelmatige of lage archeologische verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden; 1.13 archeologische waarde: een gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden; 1.14 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.15 bebouwingspercentage een percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd met gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.16 bedrijf: Een onderneming waarbij het accent

ligt op het vervaardigen, produceren, bewerken/herstellen, installeren en verhandelen van goederen; Detailhandel is enkel toegestaan op locaties waar dit in dit omgevingsplan is bepaald; Als in dit plan de toegestane vorm van detailhandel niet nader is vastgelegd, is detailhandel enkel toegestaan als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop en/of levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen; 1.17 bestaand: 1. Een bouwwerk dat legaal aanwezig of legaal in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een verleende omgevingsvergunning; Indien een gebouw wordt gesloopt, wordt het niet meer als bestaand gezien als er na een periode van 1 jaar na aanvang van de sloop geen vergunning is verleend voor een nieuw bouwwerk binnen de bestaande contour; 2. Legale gebruiksactiviteiten; 1.18 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.19 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

52

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

1.20 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd, of ander bouwwerk, met een dak. 1.21 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen ervan; 1.22 bouwgrens: De grens van het bouwperceel; 1.23 bouwlaag: Een al dan niet doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.24 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.25 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.26 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.27 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.28 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen

en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.29 erf Bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt; 1.30 evenement een voor het publiek toegankelijke activiteit zijnde een kortdurende (een of enkele dagen durende) manifestatie; 1.31 gebouw: Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

53

1.32 hoofdgebouw: Gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is; 1.33 horeca: een bedrijf of instelling zoals opgenomen in de bij deze regels behorende Bijlage 4 Staat van horeca activiteiten, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of mee te nemen waren worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt; 1.34 mantelzorg Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.35 nettovloeroppervlakte (nvo) De som van de oppervlakten van de tot een gebouw behorende binnenruimten, gemeten op vloerniveau, tussen de begrenzende opgaande scheidingsconstructies van de

afzonderlijke ruimten, een en ander conform NEN 2580:2007; 1.36 nevenactiviteit Een activiteit van beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft; 1.37 nutsvoorzieningen: Voorzieningen ten behoeve van algemeen nut in ruime zin zoals: voorzieningen / installaties ten behoeve van gas, water en elektriciteit, signaalverdeling, telecommunicatieverkeer, waterzuivering, waterbeheersing, waterhuishouding, vuil- en afvalverwerking, compostering, wijkverwarming, milieuvoorzieningen e;d; 1.38 overkapping: Een bouwwerk voorzien van een gesloten dak, ondersteund door palen of kolommen, eventueel gedeeltelijk omsloten door wanden die niet tot de constructie behoren; 1.39 peil: gemiddelde hoogte van aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein; 1.40 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.41 rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden;

54

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

1.42 seksinrichting: Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.43 standplaats 1. Onder standplaats wordt verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel; 2. Onder standplaats in de zin van lid 1 wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement waarvoor de burgemeester een vergunning heeft verleend; c.

een standplaats voor een woonwagen; 1.44 straatmeubilair: bij de openbare weg behorende bouwwerken; 1.45 uitbouw: een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaande uit een "lichte" constructie met een overwegend transparante uitstraling; 1.46 vloeroppervlakte van een woning: de som van de oppervlakten van de voor bewoning bestemde vertrekken van een woning, waaronder mede moeten worden verstaan keukens, slaapvertrekken, gangen, toiletten, bad- en doucheruimten en vlieringen welke gebruikt worden als berging, alsmede inpandige of aangebouwde bergingen die op grond van het bestemmingsplan verbouwd mogen worden tot woonruimte, binnenwerks gemeten; 1.47 voorgevel: de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw, of indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt; 1.48 wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin gelegen bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; 1.49 wet/wettelijke regeling: waar in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen wordt geduid op die regelingen, zoals zij luidden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.50 woning: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden,

waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten; 1.51 woonwagen Een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

55

1.52 woonwagenstandplaats Een kavel die is bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, van andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand tussen de zijdelingse bouwperceelgrenzen en enig punt van de op dat bouwperceel voorkomende bouwwerken; 2.2 de (bouw)hoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 breedte van een bouwwerk van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingslijn, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte; 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.

de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.6 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

56

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen en de instandhouding daarvan; b. voet- en fietspaden; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2 Bouwregels a. Op of in de deze gronden is het bouwen van gebouwen niet toegestaan; b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt de volgende regel: 1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. 3.3 Specifieke gebruiksregels Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruik van gronden voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten, mest en grond.

Artikel 4

Tuin

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in- en uitritten mede van aangrenzende percelen, groenvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en uitbouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd. 4.2.2 Bouwen uitbouwen Het uitbreiden van een woning, gelegen op aangrenzende bestemming 'Wonen', aan de voorzijde met een uitbouw door middel van overschrijding van de voorgevel is, toegestaan onder voorwaarden dat: a. de hoogte van de uitbouw maximaal 3 m bedragen mag, maar niet hoger dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw mag zijn; b. de breedte van de uitbouw maximaal 40% mag bedragen van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel van de woning; c. de diepte van de uitbouw maximaal 40% mag bedragen van de diepte van de aanwezige ruimte tussen de voorgevel en de aan de weg gelegen bouwperceelsgrens, met een maximum van 1,5 m. 4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 1 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde onder art.

4.2.3, sub a, mag de bouwhoogte van antennes, (tuin)verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare andere bouwwerken maximaal 5 m bedragen, met dien verstande dat het aantal vlaggenmasten niet meer dan 1 per bouwperceel mag bedragen.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

57

4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het elders in dit artikel bepaalde, nadere eisen stellen met betrekking tot: a. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. de breedte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. de oriëntering van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; d. de wijze van afdekking van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; e. het aantal en de situering van parkeerplaatsen op eigen terrein. De nadere eisen mogen niet op onevenredige wijze het gebruik van bouwwerken en gronden aantasten. 4.4 Afwijken van de bouwregels 4.4.1 Bouwen overkapping Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in art. 4.2.3, sub a voor de bouw van een overkapping, zijnde een bouwwerk, geen gebouw zijnde, onder de volgende voorwaarden: a. de overkapping tenminste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van woning ligt; b. de oppervlakte van een overkapping mag maximaal 20 m² bedragen; c. de bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 0,25 m boven 3 m bedragen, maar mag, ingeval zij is aangebouwd aan een hoofdgebouw, niet hoger zijn dan de eerste bouwlaag van dat hoofdgebouw; d. de bestemming 'Tuin' mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd. 4.4.2 Criteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 4.4.1 kan slechts worden verleend, mits: a.

de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 5

Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verharde en onverharde wegen, straten, pleinen paden voor verkeer en verblijf; b. fiets- en voetpaden; c. parkeervoorzieningen en fietsenstallingen; d. groenvoorzieningen, bermen en sloten; e. ondergrondse afvalcontainers; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. geluidswerende voorzieningen; i. nutsvoorzieningen en straatmeubilair; j. evenementen, markten en incidentele standplaatsen; k. bruggen met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erven en verhardingen. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd. 5.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en straatmeubilair gelden de volgende regels:

58

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

a. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen; b. de maximale oppervlakte van gebouwen bedraagt 25 m². 5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 4 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van antennes en lichtmasten maximaal 10 m bedragen.

Artikel 6

Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. vrijstaande woningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand'; b. aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de woning en 100% van de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt met een gezamenlijk maximum van 50 m². Ten behoeve van de activiteit wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in- en uitritten mede van aangrenzende percelen, groenvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd. 6.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b. het bebouwingspercentage bedraagt maximaal 80% van het bouwvlak; c. het hoofdgebouw dient met de voorgevel in of maximaal 1 m achter de gevellijn zoals aangeduid met de aanduiding 'gevellijn' te worden gebouwd; d. de goothoogte en de bouwhoogte van de gebouwen mogen niet meer zijn dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven; e.

bij (vervangende) nieuwbouw bedraagt de minimale voorgevelbreedte van een woning bij vrijstaande woningen 5 m; f. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' bedraagt de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 m. 6.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. een bijbehorend bouwwerk mag zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend op minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; c. in afwijking van het bepaalde in sub b mogen carports en overkappingen uitsluitend op minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mag maximaal 70 m² bedragen, waarbij het bebouwingspercentage op het bouwperceel niet meer dan 50% mag bedragen; e. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m dan wel de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 m, indien het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft; f. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m en niet hoger zijn de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

59

g.

de breedte van (aangebouwde) bijbehorende bouwwerken aan de zijgevel, gemeten in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw, mag maximaal 4 m bedragen; h. de diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag, gerekend van de achterste bouwgrens, bij vrijstaande woningen maximaal 4 m bedragen en voor overige woningtypen maximaal 3 m; i. een strook van minimaal 6 meter, gerekend van de achtergevel van het hoofdgebouw c.q. aangebouwd bijbehorend bouwwerk tot de achterste bouwperceelgrens, dient vrij te blijven van aangebouwde bijbehorende bouwwerken; j. de afstand van aangebouwde bijbehorende bouwwerken tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt minimaal 1 meter bij vrijstaande woningen. 6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag voor de voorgevel maximaal 1 m en achter de voorgevel maximaal 2 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde onder art. 6.2.4, sub a mag de bouwhoogte van antennes, (tuin)verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare andere bouwwerken maximaal 10 m bedragen. 6.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het elders in dit artikel bepaalde, nadere eisen stellen met betrekking tot: a. dakvormen, dakhellingen en nokinrichtingen van de bebouwing; b.

de (goot)hoogte van de gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. de breedte van de gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; d. de oriëntering van de gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; e. de wijze van afdekking van de gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; f. het aantal en de situering van parkeerplaatsen op het terrein. De nadere eisen mogen niet op onevenredige wijze het gebruik van bouwwerken en gronden aantasten. 6.4 Afwijken van de bouwregels 6.4.1 Afwijken met betrekking tot voorgevelbreedte Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder art. 6.2.2, sub d waarbij de minimale voorgevelbreedte bij aaneengebouwde woningen verkleind wordt tot 4,5 m. 6.4.2 Afwijken met betrekking tot bouwhoogte antennes Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in art. 6.2.4, sub b, voor de bouwhoogte van antennes en vlaggenmasten tot maximaal 15 m.

6.5 Specifieke gebruiksregels 6.5.1 Voorwaardelijke verplichting hagen Gebruik van de nieuwe woningen overeenkomstig de bestemming conform lid 6.1 is enkel toegestaan onder de voorwaarde dat er binnen een termijn van maximaal 1 jaar na ingebruikname van de nieuwe woningen uitvoering is gegeven aan de aanleg en vervolgens instandhouding van hagen met een eindhoogte van 50 cm langs het openbaar gebied zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan van bijlage 2 of een vergelijkbare door het bevoegd gezag goedgekeurde inpassing van de hagen. 6.6 Afwijken van de gebruiksregels 6.6.1 Afwijken aan huis gebonden bedrijf Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van art. 6.1 ten behoeve van de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf, mits de woonfunctie in overwegende mate wordt behouden en onder de voorwaarden dat: a. het medegebruik van ondergeschikte betekenis moet zijn en maximaal 30% mag beslaan van de totale nettovloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 50 m²;

60

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

b.

slechts bedrijven toelaatbaar zijn, die behoren tot de categorie 1 van de in bijlage 3 bijgevoegde "Lijst aan huis gebonden bedrijven"; c. geen detailhandel mag plaatsvinden, behoudens een beperkte verkoop -als ondergeschikte nevenactiviteit- van producten die ter plaatse zijn vervaardigd, dan wel direct verband houden met het aan huis gebonden bedrijf; d. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling, casu quo niet onevenredig veel extra verkeer wordt aangetrokken; e. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de leefomgeving; f. ten behoeve van de activiteit wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. 6.6.2 Andere bedrijfsactiviteiten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in art. 6.1 en 6.6.1 ten behoeve het toestaan van: a. aan huis verbonden bedrijven welke niet zijn genoemd in de in bijlage 3 opgenomen 'Lijst aan huis gebonden bedrijven' of; b. aan huis verbonden bedrijven die worden genoemd in categorie 2 van de in bijlage 3 opgenomen 'Lijst aan huis gebonden bedrijven', mits deze naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder te stellen voorwaarden, wat betreft geur, stof, geluid en gevaar, kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven behorende tot categorie 1, mits geen onevenredige aantasting ontstaat van: 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14091183/1