CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp lichtenvoordseweg 91 toelichting en regels

Gemeenteraad 7 mei 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Lichtenvoordseweg 91 te Groenlo21.151 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10

2

5 Inleiding Aanleiding Ligging en begrenzing Geldend bestemmingsplan Leeswijzer Planbeschrijving Bestaande situatie Nieuwe situatie Beleid Internationaal niveau Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoeringsaspecten Water Klimaatadaptatie Bodem Flora en Fauna Archeologie en cultuurhistorie Geluid Bedrijven en milieuzonering Luchtkwaliteit Geur Externe veiligheid Verkeer en parkeren Milieueffectrapportage Juridische toelichting Algemeen Wijze van bestemmen Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Inrichtingsplan en Beeldkwaliteitsplan Watertoets K•-waarde metingen Bodemonderzoek Aanvullend bodemonderzoek Quickscan flora en fauna Voortoets stikstof Archeologisch onderzoek Akoestisch onderzoek Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen

6 6 6 7 8 9 9 9 12 12 13 15 16 20 20 22 23 23 24 25 27 27 29 30 33 34 35 35 35 37 37 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16 Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

49 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Groen Tuin Verkeer Wonen Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2 Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel Staat van bedrijfsactiviteiten Inrichtingsplan en beeldkwaliteitsplan Lijst aan huis gebonden bedrijven Staat van horeca activiteiten

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

51 51 56 57 57 57 58 59 62 62 65 65 65 66 66 66 67 69 69 69 70 71 72 73 74

3

4

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Toelichting Algemene gegevens over het bestemmingsplan: Plannaam: Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo Identificatienummer: NL.IMRO.1586.BPGRO014-VG01 Status: vastgesteld Datum: 5 maart 2024 Inlichtingen: Afdeling Omgeving Naam projectleider: Mevr. E. Nijman / dhr. A. Mahler Telefoonnummer:

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Lichtenvoordseweg 91 is momenteel een groothandel in voedingsmiddelen en dranken gevestigd. Het bedrijf verdwijnt op deze locatie en de achterblijvende bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Het perceel wordt herontwikkeld ten behoeve van de realisatie van 5 zelfbouwkavels bestemd voor vrijstaande koopwoningen. De bouwkavels worden verkocht en de toekomstige kopers kunnen zelf een woning ontwikkelen binnen de randvoorwaarden van de bijbehorende kavelpaspoorten en het beeldkwaliteitsplan, wat gelijktijdig met voorliggend bestemmingsplan zal worden vastgesteld. De bestaande bedrijfswoning op cd Lichtenvoordseweg 89 blijft behouden en wordt omgezet naar een burgerwoning. De ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, heeft het college besloten om in principe medewerking te verlenen aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2

Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen aan de Lichtenvoordseweg 89 en 91 in de bebouwde kom van Groenlo. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

Globale ligging en begrenzing plangebied (bron: openstreetmap.org)

6

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011', vastgesteld op 18 december 2012, waarvoor in 2014 en 2016 een reparatieplan is opgesteld. Hierbinnen heeft de locatie de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – niet gebiedsgebonden bedrijf'. Tevens geldt binnen het plangebied de bestemmingsplanherziening 'Buitengebied Herziening bestemming Bedrijf' (vastgesteld op 17 oktober 2023) als aanvulling op het huidige bestemmingsplan. Deze herziening regelt dat enkel de bestaande bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede bestemmingsplan 'Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Ter plaatse van het plangebied geldt tevens het 'Parapluplan archeologie', vastgesteld op 22 februari 2022. Op de locatie rusten twee dubbelbestemmingen die de archeologische bekende en verwachte waarden beschermen. De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 2' ligt over het grootste deel van het plangebied. In het plangebied ligt een stook met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologisch waardevol gebied 2'. Deze laat de loop van oude vestingwerken zien. Binnen de bestemming 'Waarde – Archeologisch waardevol gebied 2' zijn bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 0,3 m onderzoeksen/of vergunningplichtig, binnen de bestemming 'Waarde – Archeologische verwachting 2' zijn bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 0,4 m onderzoeks- en/of vergunningplichtig. In het plangebied geldt ook het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan parkeren', vastgesteld op 5 juni 2018.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

7

Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van 5 nieuwe woningen en het behoud van de bestaande woning als burgerwoning. Het realiseren van woningen binnen de bestemming 'Bedrijf' is niet toegestaan, waarmee het plan strijdig is met het geldende bestemmingsplan. Hierom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

1.4

Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is op de volgende wijze opgebouwd. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de bestaande situatie en de mogelijke toekomstige situatie die de gemeente voor ogen heeft. Hoofdstuk 3 geeft een uiteenzetting weer van het vigerende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid dat van toepassing is op het bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de verrichte onderzoeken weergegeven. Hoofdstuk 5 voorziet in een toelichting op de regels van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 6 geeft de haalbaarheid van dit bestemmingsplan weer.

8

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

Het plangebied ligt aan de Lichtenvoordseweg 89 en 91 te Groenlo, tegen de zuidrand van de kern. De omgeving wordt gekenmerkt als een woonbuurt gemengd met bedrijvigheid, agrarische gronden en maatschappelijke voorzieningen. Ten westen en oosten van het perceel bevinden zich vrijstaande woningen op ruime erven. Aan de overzijde van de weg is een uitvaartcentrum met begraafplaats aanwezig. De Lichtenvoordseweg is een doorgaande weg die het centrum van Groenlo verbindt met de zuidelijk gelegen kern Lievelde. Binnen het plangebied is momenteel de bedrijfsbebouwing aanwezig van een groothandel in voedingsmiddelen en dranken. De gronden rond de bebouwing zijn geheel verhard en in gebruik voor buitenopslag, laden en lossen van de goederen en parkeren. Ten noordenoosten van de bedrijfsgebouwen bevindt zich een bedrijfswoning. Navolgende afbeelding geeft de luchtfoto van de huidige situatie weer.

Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd)(bron: PDOKviewer)

2.2

Nieuwe situatie

In de nieuwe situatie worden de bedrijfsgebouwen aan de Lichtenvoordseweg 91 gesloopt. De bedrijfswoning aan de Lichtenvoordseweg 89 blijft bestaan en wordt omgezet naar een burgerwoning. Op de plek van de bedrijfsbebouwing ontstaat daardoor ruimte voor het realiseren van vijf vrijstaande woningen. Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van zelfbouwkavels, die worden verkocht aan derden die hier een woning willen realiseren.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

9

Voor de zelfbouwkavels is een kavelpaspoort en beeldkwaliteitsplan opgesteld, zie bijlage 1. In het kavelpaspoort zijn de randvoorwaarden opgenomen die van toepassing zijn voor de ontwikkeling van de woningen en zijn onderdeel van de koopovereenkomst. De positie van de woningen op de kavels is hierin opgenomen, evenals de maatvoering zoals de goot- en nokhoogte, het bebouwingspercentage, de gewenste architectuur en materiaalgebruik en detaillering. De nieuwe woningen worden groen ingepast in de vorm van groene hagen op de plekken waar een kavel grenst aan het openbaar gebied. Daarnaast wordt in het plangebied groene ruimte gemaakt mede ten behoeve van de opvang van hemelwater in de vorm van een wadi. De perceelsranden langs het openbaar gebied worden door de ontwikkelaar beplant. De hagen hebben een eindhoogte van 50 cm. Deze hagen en hekwerken dienen door de bewoners te worden gehandhaafd en te worden onderhouden en is voorwaardelijk verplicht gesteld in de regel van voorliggend bestemmingsplan. Tussen de erven heeft een groene erfafscheiding de voorkeur. De kavels van de woningen zijn stedenbouwkundig ingepast op het perceel, passend bij de lintbebouwing van de Lichtenvoordseweg en de verspreide bebouwing op omliggende achtererven. De kavels achterop het perceel worden ontsloten met een nieuwe inrit vanaf de Lichtenvoordseweg.

De navolgende afbeeldingen geven het inrichtingsplan en referentiebeelden van de mogelijke toekomstige woningen. De exacte bouwplannen van de woningen wordt na verkoop van de zelfbouwkavels door de toekomstige kopers in een nader stadium bepaald.

10

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Inrichtingsplan toekomstige situatie (bron: Gzn Architecten)

Referentiebeelden toekomstige situatie (bron: Gzn Architecten)

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

11

Hoofdstuk 3 3.1

Beleid

Internationaal niveau

3.1.1 Vogelrichtlijn De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. 3.1.2 Habitatrichtlijn De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn. 3.1.3 Het verdrag van Valletta (Malta) Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel.

Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen. Ter bescherming van de archeologische waarden heeft de gemeente Oost Gelre een beleidsnota met -kaarten vastgesteld en deze doorvertaald en opgenomen in de geldende bestemmingsplannen. Hier wordt op ingegaan in paragraaf 4.5.

12

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

3.1.4 Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:  De vervuiler betaalt  De gebruiker betaalt  Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water  Resultaatsverplichting in 2015  Stroomgebiedsbenadering Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.

Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Op het aspect water wordt nader ingegaan in paragraaf 4.1. Conclusie Voorliggend plan past binnen het beleid dat op internationaal niveau is vastgelegd.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

13

Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst. Het NOVI doet geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor het voorliggende plan. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt.

De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van het NOVI en het Barro. Vanuit het Barro zijn er daarom geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.

Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt.

14

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Nieuwe stedelijke ontwikkeling Voorliggend plan betreft het mogelijk maken van de realisatie van 5 woningen op een voormalige bedrijfslocatie in de kern Groenlo. Uit jurisprudentie blijkt dat er pas vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6. Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig. 3.2.4 Klimaatadaptatie Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt.

Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Veel en langdurige regenval kan leiden tot wateroverlast in een gebied. In voorliggend plangebied zal een sterke afname plaatsvinden in verhard oppervlak in de toekomstige situatie en er wordt een wadi aangelegd. Hierdoor kan het hemelwater in de bodem infiltreren. De geplande nieuwbouw zal goed geïsoleerd worden conform de huidige normen. Daarmee voldoen de toekomstige woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij kunnen de gronden rondom de woningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, ter voorkoming van hittestress. De parkeervakken worden hiertoe uitgevoerd in halfverharding. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect klimaatadaptatie. Conclusie Voorliggend initiatief is passend binnen het Rijksbeleid.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:  Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

15

     

Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Omgevingsverordening De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.2 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering en in paragraaf 4.1 is de uitwerking van de wateropgave toegelicht.

Voorliggend plan betreft het mogelijk maken van 5 zelfbouw kavels voor vrijstaande woningen in het dure segment op een voormalig bedrijfsperceel. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Uit de Woonvisie van de gemeente Oost Gelre(zie paragraaf 3.4.3) blijkt de behoefte aan woningen in de gemeente. Met het plan is sprake van herontwikkeling van een binnenstedelijke locatie. Het plan wordt stedenbouwkundig ingepast in de omgeving en de woningen worden BENG (bijna energie neutraal) gebouwd. Het groen en de wadi in het plangebied hebben een functie voor de opvang van regenwater en het voorkomen van hittestress. Het plan draagt bij aan een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, zoals omschreven in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Conclusie Het plan past binnen het provinciale beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre De gemeente Oost Gelre heeft een Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente heeft een dynamische strategie opgenomen om de woningvoorraad toekomstbestendig toe te snijden op de behoefte in het buitengebied, in de kleine kernen, en in Groenlo en Lichtenvoorde. Er is aandacht voor de individuele woonwensen, minder nieuwbouw en meer renovatie en vernieuwbouw. De gemeente zet in op transformatie van de bestaande woongebieden en vastgoed (inbreiding) om leegstand te voorkomen, waarbij de kwalitatieve afstemming tussen woningaanbod en vraag centraal staat.

16

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Met voorliggend plan worden 5 kavels gerealiseerd voor de bouw van vrijstaande woningen op de locatie van een voormalig bedrijf in de kern Groenlo. Er is daarmee sprake van de transformatie van het bedrijfsperceel naar wonen op een binnenstedelijke locatie. Het initiatief sluit hiermee aan bij het Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre. 3.4.2 Regionale Woonagenda De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld om in te spelen op de veranderde behoefte. In het najaar van 2019 is de Regionale Woonagenda op onderdelen aangepast. Daarmee wordt vooruit gelopen op de nieuwe Regionale Woonagenda. Het beleidskader is in lijn met de Koers Ruimte voor goed wonen van de provincie en met het provinciale coalitieakkoord. Een aantal passages zijn niet meer van toepassing, zoals:  de afspraken over de woningbouw tot 2025 over de netto toevoegingen incl. 10% extra verlaging (pag. 3 en 4 en uit samenvatting pag. 7, 11, 12) en het schema over de bouwopgave (pag. 12) en;  hoofdstuk 5, pagina 11 onder kopje 'De gewenste situatie': de passage over de regionale huishoudensgroei in de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025 is achterhaald door de nieuwe Primos-prognose, waarbij per gemeente of kern wel verschillen in de bevolkingsontwikkeling kunnen bestaan.

Om de kwalitatieve mismatch op te lossen is een regionale set aan kwaliteitscriteria vastgesteld op basis waarvan nieuwe woningbouwplannen worden beoordeeld. Deze zijn vastgesteld in de raad van 17 september 2019. Diverse onderzoeken laten zien dat er kwalitatieve tekorten en overschotten zijn tussen vraag en aanbod van woningen in de regio Achterhoek. Daarnaast blijkt uit de nieuwste Primosprognose dat het aantal huishoudens in de regio Achterhoek tot 2030 blijft groeien. Er zijn daardoor op regioniveau extra woningen nodig bovenop de bestaande woningbouwafspraken die vastliggen in de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025. 3.4.3 Woonvisie Oost Gelre 2023-2027 Op 4 juli heeft de gemeenteraad de Woonvisie 2023-2027 voor Oost Gelre vastgesteld. De Rijksoverheid heeft de landelijke woondeal vastgesteld. Deze is vertaald in de regionale woonagenda. Hieruit is de lokale woonvisie voor Oost Gelre ontstaan in samenwerking met andere gemeenten in de regio. De gemeente Oost Gelre heeft de ambitie in negen jaar tijd tenminste 895 woningen te bouwen, binnen een geambieerd doel van 1.265 woningen. Het gaat daarbij vooral om betaalbare woningen in de grote, maar ook in de kleine kernen, passend bij de vraag van de inwoners van de gemeente. Hierom is een derde van de woningen die worden gebouwd bedoeld voor de sociale huur.

Nog eens een derde bestaat uit betaalbare koopwoningen tot € 355.000. Er is aandacht voor woningen die vooral geschikt zijn voor ouderen en mensen die een behoefte hebben aan zorg. Daarnaast is er aandacht voor kleine huishoudens van 1 of 2 personen, waarvoor 'flexwonen' en 'small houses' een mogelijke oplossing vormt. De te realiseren kleinere huizen zijn voorts geschikt voor starters en ouderen. Daarnaast wil de gemeente een 'groene' gemeente zijn. Bij de ontwikkeling van woningen is het klimaat en de natuur om ons heen van groot belang. Het goed isoleren van woningen, aardgasvrij bouwen, groene energie, natuurinclusief bouwen en biobased te bouwen zijn daarbij belangrijke thema's. Die ‘Transitievisie Warmte’ wil de gemeente in 2023 uitvoeren voor de wijken Hooiland in Lichtenvoorde en Groenlo Noord-West.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

17

Toetsing van het plan aan de Woonvisie Oost Gelre 2023-2027 Het voorliggende plan voorziet in het realiseren van zelfbouwkavels voor 5 vrijstaande woningen. De woningen zijn levensloopbestendig te realiseren waardoor ze geschikt zijn voor o.a. ouderen. Kwalitatief en kwantitatief gezien sluit het plan aan op de woonbehoefte in de gemeente Oost Gelre. Daarnaast worden de woningen aardgasvrij gebouwd, goed geïsoleerd en is er ruimte voor infiltratie van het hemelwater. Het initiatief is hiermee passend binnen het woonbeleid van de gemeente Oost Gelre. Voorliggend plan draagt bij aan de invulling van de woningbouwopgave. 3.4.4 Menukaart Wonen In november 2019 is de Menukaart Wonen Groenlo & Lichtenvoorde vastgesteld. Principeverzoeken van woningbouwinitatieven worden getoetst aan de menukaart. De insteek is dat elke woning raak moet zijn qua locatie, kwaliteit en type doelgroep. Er blijkt dat de komende jaren er veel vastgoed vrij komt en/of al leeg staat. De insteek van deze gang is gericht op bouwen op plekken die er toe doen en leegstaande panden op zichtlocatie(s) te voorkomen. Dit draagt bij aan de leefbaarheid in een kern. De locatie van het initiatief dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:  De locatie ligt in het historische centrumgebied of gemend woongebied.  De locatie heeft een bedrijfs-, horeca-, winkel- of maatschappelijke (of vergelijkbaar) bestemming.

 De locatie beschikt over aanwezige legale bebouwing. In de Menukaart Wonen wordt onderscheid gemaakt tussen twee ontwikkelingen:  inbreidingslocaties, dat wil zeggen lege plekken binnen de bestaande bebouwing.  Herbestemming van bestaande (winkel)gebouwen. In het coalitieakkoord, gemeentelijke Woonvisie en provinciaal beleid is opgenomen dat er ruimte gemaakt moet worden voor kwaliteitsplannen met betrekking tot wonen. Met ruimtelijke kwaliteit wordt een omgeving of een bouwwerk bedoeld, dat optimaal gebruikt kan worden voor het beoogde doel, dat bovendien robuust en duurzaam is, en daarbij aangenaam en aantrekkelijk om te zien. Of, in andere woorden, een omgeving of bouwwerk met de volgende kenmerken:  Gebruikswaarde: functioneel, doelmatig bereikbaar  Belevingswaarde: identiteit, diversiteit, herkenbaarheid  Toekomstwaarde: uitbreidbaar, aanpasbaar en flexibel Ruimtelijke kwaliteit gaat niet alleen over beleving, maar juist ook over het gebruik en de betekenis van een gebied of plek. Principeverzoeken worden beoordeeld met de 11 ingrediënten uit de Menukaart Wonen. Voor elk ingrediënt wordt de score bepaald met een 1 (onvoldoende) tot en met 5 (heel goed). Planspecifiek Het ingediende principeverzoek van voorliggend initiatief heeft 3 sterren gescoord op de menukaart en is daarmee voldoende voor realisatie.

De locatie ligt in een gemengd woongebied in de kern van Groenlo, zie gemeentelijke welstandskaart hierna.

18

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Uitsnede gemeentelijke welstandskaart Oost Gelre

De locatie heeft een bedrijfsbestemming en op het perceel staat legaal gebouwde bedrijfsbebouwing. Het initiatief betreft het omzetten van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming, waarbij 5 woningen worden gerealiseerd. Daarnaast blijft de bedrijfswoning staan en wordt omgezet naar een burgerwoning. Op grond van de Menukaart komt de locatie daarmee in aanmerking voor herontwikkeling. Ruimtelijk gezien wordt met voorliggend initiatief kwaliteit toegevoegd. In het beeldkwaliteitsplan is dit nader toegelicht, zie bijlage 1. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en hiervoor in de plaats worden 5 zelfbouwkavels mogelijk gemaakt voor vrijstaande woningen. Hierdoor wordt mogelijke langdurige leegstand van de bedrijfsbebouwing voorkomen. De twee woningen aan de Lichtenvoordseweg worden in het bestaande bebouwingslint gerealiseerd naast de om te zetten bedrijfswoning, de overige drie woningen komen aan een woonerf daarachter. De randen van de kavels worden voorzien van robuust groen doormiddel van de aanplant van hagen. Centraal tussen de kavels worden parkeerplaatsen voor bezoekers aangelegd en openbaar groen (wadi). Daardoor draagt het initiatief bij aan een klimaatbestendige openbare ruimte en wordt een bijdrage geleverd aan vergroening van de omgeving. Het plan past binnen de Menukaart Wonen Groenlo & Lichtenvoorde.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

19

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoeringsaspecten

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid waterschap Rijn en IJssel Voor dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang.

Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dit gebeurt door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 is de opgave om het gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor wordt toegewerkt naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.

20

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Als het projectgebied groter is dan 1500 m2 ziet het Waterschap dit in principe als een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen de bebouwde kom. Een grote vernieuwingsopgave biedt de kans om het gehele plangebied waterneutraal te maken ten opzichte van wanneer dit gebied onverhard zou zijn. Om wateroverlast te voorkomen, hanteert het waterschap als uitgangspunt, dat een bui, die ca. eens per 100 jaar voorkomt (bui T100), in het plangebied wordt geborgen en vertraagd wordt afgevoerd naar het gronden/of oppervlaktewater. Ook hier moet rekening gehouden worden met klimaatontwikkeling door de bui met 10% te vergroten (bui T100+10%). In het waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's. 1. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. 2. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat er daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.

Het waterschap voert het beheer op een duurzame wijze uit en wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken 3. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze hun taken klimaatneutraal uitvoeren. 4. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt gestreefd naar het water in onze leefomgeving geschikt houden voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en buiten bevordert. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan.

De watertoets bestaat uit twee onderdelen:  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Planspecifiek Voor onderhavig initiatief is de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat hiervan is opgenomen in bijlage 2. Uit de watertoets blijkt dat er geen (beschermingszones van) beschermde watergangen of waterkeringen in het plangebied liggen. In de huidige situatie is bevindt zich bedrijfsbebouwing op het perceel en is het terrein geheel verhard. Dit wordt gesloopt en hiervoor in de plaats worden 5 zelfbouwkavels aangelegd voor vrijstaande woningen. Hierdoor neemt de verharding in het plangebied niet toe. In het plangebied wordt 1 wadi aangelegd.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

21

Hierbij geldt als uitgangspunt dat dit als nieuw in te richten gebied een waterbergingsopgave heeft van 80 mm per verhard oppervlak: voor de toekomstige verhardingen in het gebied dient hemelwater gecompenseerd te worden, 80 mm per verhard oppervlak dient vastgehouden, geborgen en vertraagd afgevoerd te worden. Hierbij rekent het waterschap de woonkavels voor 70% tot 80% mee als verharding (afhankelijk van de type woningen) en halfverharding telt voor 70% als verharding mee. De formule om de waterberging als compensatie te berekenen is als volgt: Benodigde compensatie 80 mm / 1000 × oppervlak toename verharding (m2) = benodigde compensatie (m3). In voorliggende situatie is sprake van 5 ruime nieuwbouwkavels op percelen met een grootte tussen 509 m 2 en 784 m2. In een dergelijk woonmilieu is het niet reëel ervan uit te gaan dat 80 % van een kavel wordt verhard. Daarom wordt in voorliggende situatie uitgegaan van 70%, zoals hiervoor omschreven. De totale oppervlakte aan kavels is 3001 m2. 70% van 3001 m2 is 2100,7 m2. De rekensom voor de benodigde waterberging in het plangebied is: 80 / 1000 x 2100,7 = 168 m3. Op de kavels zelf is 30% van de kaveloppervlakte (999,3 m2) onverhard om water op te vangen en te laten infiltreren. uitgaande van de 5 woningen is het gemiddeld 33 m3 dat per kavel geborgen moet kunnen worden.

Daarnaast wordt in het openbaar gebied een wadi aangelegd waar het hemelwater op kan aflopen dat op de openbare weg valt. De rekensom voor de benodigde waterberging van het openbaar gebied is: 80 / 1000 x 403 = 32,24 m3. De wadi heeft een oppervlakte van 77 m2. Dat betekent in theorie dat de wadi 0,4 m diep wordt. Hoe de wadi er exact uit gaat zien en hoe deze op een veilige manier water kan bergen, is onderwerp van uitwerking. Aangezien binnen het plan in infiltratie van regenwater wordt voorzien, dient inzicht te bestaan in de infiltratiemogelijkheden van de onverzadigde zone (boven grondwaterniveau) met name van het toekomstige openbare terrein. Hiertoe is de K-waarde voor het plangebied bepaald, de rapportage is opgenomen in bijlage 3. De bodemopbouw bestaat uit matig fijn, matig siltig zand. Vanaf circa 1,00 m-mv wordt een licht tot matige bijmenging aan grind aangetroffen. De conclusie van het onderzoek is dat de bodem een goede doorlatendheid heeft. Dit betekent dat het hemelwater goed kan infiltreren in de bodem. Er vindt geen aansluiting plaats op bestaande bovengrondse ontwatering. De woningen worden ten aanzien van vuilwater aangesloten op de bestaande riolering. De capaciteit hiervan is voldoende om de toename aan woningen op te vangen.

Het plan is uitvoerbaar op het gebied van water en wordt in overleg met het waterschap verder uitgewerkt ten aanzien van het detailleren van de wadi.

4.2

Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

22

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Planspecifiek Op basis van de klimaatatlas gemeente Oost Gelre is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. 

4.3

Wateroverlast. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het plangebied geen plasvorming wordt verwacht na een korte of lange bui. Voorliggend plangebied blijft in de toekomstige situatie voor het grootste deel onverhard waardoor water in de bodem kan infiltreren. Hittestress. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat het aantal warme nachten zal toenemen in het plangebied. De geplande nieuwbouw is goed te isoleren conform de huidige normen. Daarmee is een woning ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Daarnaast komt er voldoende ruimte voor tuinen wat de hittestress van het totale gebied ten goede komt. Droogte. De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 geen verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft in het plangebied sprake van lagere grondwaterstanden en van grotere droogtegevoeligheid. Binnen het plangebied bestaat de mogelijkheid om hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren waardoor het hemelwater in het gebied kan blijven.

Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 4) en daarop een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Hierin wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit niet over het gehele perceel voldoet aan bodemkwaliteitsklasse 'Wonen'. Bij de herinrichting van het plangebied dient deze grond (aangemerkt als klasse industriegrond) te worden gesaneerd (afgevoerd) of te worden afgedekt (afdeklaag met 'schone' grond, of verharding) om contactmogelijkheden te voorkomen. Voorafgaand aan deze werkzaamheden dient een BUS-melding te worden gedaan bij de omgevingsdienst. Voor openbaar gebied dat overgedragen wordt, geldt dat het niet afgedekt mag zijn, maar dat er sprake dient te zijn van sanering. Dat wordt opgenomen in de overeenkomst voor de overdracht van de openbare ruimte. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen zal met een nader onderzoek na sanering moeten worden aangetoond dat de bodemkwaliteit voldoet voor de woonfunctie.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.

4.4

Flora en Fauna

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

23

Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen of nabij een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Korenburgerveen'. Dit gebied ligt op circa 4,9 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Door de geringe omvang van de ontwikkeling (slopen bedrijfsbebouwing en realiseren 5 kavels voor woningen) en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten (licht, trilling en geluid) worden uitgesloten. Ten behoeve van de Wet natuurbescherming is een voortoets stikstof uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 7. Geconcludeerd wordt dat het plan niet leidt tot negatieve effecten ten aanzien van de stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project. Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 6.

Hierin wordt geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve effecten heeft voor beschermde soorten flora en fauna. Er hoeven geen ontheffingen te worden aangevraagd en er is geen specialistisch vervolgonderzoek noodzakelijk. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

24

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek Cultuurhistorie In het plangebied staat in de huidige situatie een bedrijfsgebouw met omliggende verharding. In het plangebied is er geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Ook in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle objecten waar het initiatief een effect op kan hebben. Archeologie In het kader van voorliggend initiatief is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 8. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans dat het plangebied archeologische sporen bevat voor de periode vanaf het Midden-Neolithicum tot Nieuwe tijd (landbouwers) hoog. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems). Geadviseerd wordt dat er na de sloop van de bovengrondse bebouwing en voor de sloop van de ondergrondse bebouwing een vervolgonderzoek wordt uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Het uitvoeren van dit onderzoek is geborgd in de regels en dient bij de aanvraag van omgevingsvergunning voor het bouwen te worden overlegd.

4.6

Geluid

4.6.1 Normen Wet geluidhinder De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:  woningen;  geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;  geluidgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en

Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 91 Groenlo

25

een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Gezien de ligging van het plangebied op grote afstand tot mogelijke bronnen van industrielawaai en spoorweglawaai kan geluidhinder van deze bronnen worden uitgesloten. 4.6.2 Belemmering bedrijfsvoering Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Bedrijven moeten ten aanzien van deze objecten voldoen aan geluidsnormen. Het realiseren van geluidsgevoelige objecten dichter naar de bedrijven kan een beperking voor de bedrijven betekenen. In paragraaf 4.7 is uiteengezet dat er ter plaatse geen sprake is van belemmering van de bedrijfsvoering en mogelijke ontwikkelmogelijkheden van omliggende bedrijven. 4.6.3 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Dit aspect speelt wanneer geluidgevoelige objecten en geluid producerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd. Met voorliggend initiatief worden woningen gerealiseerd waarmee dit aspect niet aan de orde is.

4.6.4 Gemeentelijk geluidbeleid Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven. Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing. De eisen die in het gemeentelijk geluidbeleid worden gesteld aan de hoogst toelaatbare geluidbelasting en de maximaal te ontheffen geluidsbelasting zijn gelijk aan de Wet geluidhinder. Voorliggend initiatief is getoetst aan het gemeentelijk beleid in navolgende conclusie ten aanzien van geluid. 4.6.5 Conclusie De planlocatie is gelegen aan de Lichtenvoordseweg. De Lichtenvoordseweg is ter hoogte van de locatie een 30 km weg zonder geluidzone. Ter hoogte van de rotonde met de Snieder gaat de Lichtenvoordseweg over in een gezoneerde 50 km weg. Met voorliggend plan worden 5 kavels gerealiseerd voor woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14091183/1