Bp laarberg noord regels bijlagen
Tekst van het document
Eisen
Organisatie van de kavel
Geen opslag in het zicht
Alzijdige oriëntatie van de gebouwen is vereist
Samenhang in bebouwing en architectuur op Groot Hoornwerk
Maat en schaal passend bij Groot Hoornwerk
1 basismateriaal
Rooilijn
4 meter van binnenzijde grondwal mag worden gebouwd
Kleur
Aardse tinten
Minimaal 2 lagen
Maximaal 8 meter
Maximale dakhelling 300
Eenheid in dakhellingen
Geen, hekwerk niet toegestaan
Architectuur / materialisering
Hoogte Dak Erfscheiding
Wensen Groot Hoornwerk Voor het Groot Hoornwerk is de wens om het laden en lossen uit het beeld te hebben. Daarnaast is er een voorkeur van materialiseren van glas, hout en cortenstaal.
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
17
Vertrouwelijk
Onderdelen
Figuur 14 Referentiebeeld gebouw doorsnijding grondwal
Figuur 15 referentie beeld bebouwing. Combinatie glas en hout.
4.1.2
Eisen bebouwing in de Verbindingszone.
Deze zone biedt ondernemers de mogelijkheid hun innovatieve producten maar ook processen ten toon te stellen; denk daarbij aan allerlei soorten innovatieve initiatieven met proefakkers, gebouw grote vitrinekasten, zonne-energie akkers of kleinschalige demonstratie kassen. De bebouwing staat als ‘rode’ elementen in de Verbindingszone. De Verbindingszone wordt extensief bebouwd en bestaat uit enkele
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
18
Vertrouwelijk
objecten en/of gebouwen die passen binnen de openheid en aansluit bij de bijzonderheid van de Verbindingszone. Deze bebouwing staat in het groen en zijn afwijkend ten opzichte van de bebouwing van het Groot Hoornwerk en aangrenzende bebouwing qua richting van de hoofdmassa, in maatvoering en in materialisering. De bebouwing heeft een alzijdige oriëntatie en opslag is uitzicht opgelost (inpandig). Het eventuele parkeren bij de bebouwing is uit het zicht of op de daarvoor aangewezen locaties. In een verdere uitwerking wordt bepaald in overleg met de gemeente hoeveel oppervlak maximaal kan worden bebouwd, zodat een gedragen plan ontstaat. Tabel 8 eisen beeldregie bebouwing verbindingszone
Onderdelen
Eisen
Geen opslag in het zicht
Alzijdige oriëntatie van de gebouwen is vereist
Richting hoofdmassa afwijkend ten opzichte van Groot Hoornwerk en aanliggende bedrijventerrein
Architectuur / materialisering
Onderscheidend in materiaal ten opzichte van Groot Hoornwerk
Rooilijn
Bouwen binnen bouwvlak
Kleur
Onderscheidend kleurgebruik ten opzichte van Groot Hoornwerk
Hoogte
Maximaal 12 meter
Maximale dakhelling 300
Diversiteit in dakhellingen
Hekwerk niet toegestaan
Organisatie van de kavel
Dak Erfscheiding
Wensen bebouwing in Verbindingszone De wens is om parkeren zoveel mogelijk uit het zicht te plaatsen. Naast de bebouwing kunnen er ook proefvelden in de Verbindingszone komen.
Figuur 16 demonstratiekas
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
19
Vertrouwelijk
Figuur 17 referentie pand in de Verbindingszone
Figuur 18 Zonnepanelen in parkachtige setting (Magic in motion)
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
20
Vertrouwelijk
5
Biobased transitiepark
Het biobased transitiepark betreft de gehele zone aan de noordzijde van de Laarberg. In het vigerende bestemmingsplan voor het Biobased Transitiepark fase 1 zijn de beeldkwaliteitseisen opgenomen en in het bestemmingsplan Solarpark de landschappelijke eisen voor het solarpark. De invulling van de beeldkwaliteitseisen zijn te vinden op www.ruimtelijkeplannen.nl, het bestemmingsplan Regionale Bedrijvenpark Laarberg, Bio-Based Transitiepark deelgebied 1, onder Hoofdstuk 4.3 van de toelichting. Indien de 2e fase wordt ontwikkeld kan worden uitgegaan van dezelfde beeldkwaliteitseisen voor zowel de kavel als de landschappelijke inpassing als deelgebied 1
Figuur 19 deelgebied Biobased transitiepark
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
21
Vertrouwelijk
6
Agrarisch Landschap
Figuur 20 deelgebied agarische landschap
Voor het agrarisch landschap worden geen eisen met betrekking tot bebouwing opgenomen. De overgang naar het bedrijventerrein worden vormgegeven door middel van houtwallen. Voor de invulling van deze houtwallen zie hoofdstuk 8. Deze zone maakt deel uit van het landschap ten westen van Laarberg. Het agrarisch landschap krijgt een agrarische functie. De overgang van het Bedrijventerrein vindt dan wel plaats op het agrarisch gebied dan wel in openbaar gebied van het bedrijventerrein.
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
22
Vertrouwelijk
Figuur 21 overgang van agrarisch landschap naar bedrijventerrein
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
23
Vertrouwelijk
7
Twenteroute
Figuur 22 Mate van regie deelgebied Twenteroute (bestaand Laarberg)
Langs de huidige N18 ligt een rand van moderne bedrijfsbebouwing achter een brede groenstrook met verschillende typen grasland.
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
24
Vertrouwelijk
Eisen beeldregie hoog De samenhang tussen de bebouwing wordt gecreëerd door een samenspel van bebouwde en onbebouwde ruimte, waarbij maximaal 2/3 van de kavelbreedte bebouwd mag worden en minimaal 25 meter aan de noordzijde van kavel onbebouwd dient te zijn. Aan de zijde van de N18 dient op of binnen 2 meter uit de perceelgrens te worden gebouwd, voor de randen van de perceelgrens ligt de bebouwing op minimaal 5 meter. De kleur van de hoofdmassa bestaat uit een midden-grijs tot een antraciet tint. De bouwhoogte bedraagt 10 meter met accenten tot 13 meter, met een maximum van 25% van het perceeloppervlak. De erfscheiding tussen de percelen en langs de N18 als ruimtelijke scheiding in de vorm van een beukenhaag (maximaal 1,25 m). Hekwerken zijn in de zone langs de N18 uigesloten
Tabel 9 beeldregie eisen Twenteroute Onderdelen Organisatie van de kavel Rooilijn Kleur Hoogte Dak Erfscheiding
Eisen
Maximaal 2/3 van de kavelbreedte wordt gebouwd.
Aan de noordzijde van elke kavel blijft 1/3 deel van de kavelbreedte met een minimum van 25 meter ongebouwd.
Langs de N18 wordt gebouwd op of binnen 2 meter uit de perceelgrens.
Van de overige randen van de perceelgrens ligt het gebouw minimaal op 5 meter afstand.
De hoofdmassa in een midden-grijs tot antraciet tint .
Standaard bouwhoogte van 10 meter.
Accenten toegestaan tot 13 meter met een maximum van 25% van het perceeloppervlak.
Plat dak
Beukenhaag (hoogte max. 1,25) als ruimtelijke afscheiding tussen bebouwing en langs de N18.
Geen hekwerk langs de N18.
Wensen beeldregie hoog Verbijzonderingen van bouwaccenten langs de N18 kan middels transparante plint en/of een kleurenspectrum van geel tot roodbruin (aardetinten).
Figuur 23 representatieve uitstraling richting N18
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
25
Vertrouwelijk
8
Algemeen, eisen
Landschappelijke inpassing Landschappelijk filter
Figuur 24 Mate van regie openbaar gebied
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
26
Vertrouwelijk
8.1
Openbare ruimte
De openbare ruimte in de vorm van groen is op het Regionaal Bedrijventerrein zoveel mogelijk gebundeld. Door de openbare ruimte te bundelen wordt er een kwaliteitsimpuls gegeven aan de Verbindingszone en komt deze tot zijn recht. De openbare ruimte is dan ook onder te verdelen in de Verbindingszone met hogere eisen aan de openbare ruimte en de overige openbare ruimtes, welke met name bestaan uit de wegen met de groenbermen. Naast de Verbindingszone en de profielen zijn er op de overgangen van het bedrijvenpark naar het buitengebied eisen opgelegd aan de landschappelijke inpassing. Beeldregie Hoog Eisen openbare ruimte Verbindingszone Het algemene beeld voor deze zone is een tapijt van gras met als strooigoed de gebouwde elementen. In de Verbindingszone bevindt zich de Archeologische waarde van de Grolse Linie. De Grolse Linie kan worden verbeeld in een grondlichaam met aan de noordzijde een zone voor waterberging/retentie. Het redoute is een cultuurhistorisch middelpunt in de zone en kan gemarkeerd worden (zie inspiratieboek: Beeldkwaliteitsplan Grolse Linie 1627). Indien de Grolse Linie wordt weergegeven in de vorm van een grondlichaam wordt deze ca 1,5 meter hoog en bij doorsnijdingen wordt de vorm afgerond door middel van cortenstaal. Ter plaatse van de Verbindingszone heeft de Grolse Linie uit een dubbele linie bestaan.
Indien de Grolse Linie wordt weergegeven wordt deze in de vorm van één grondlichaam weergegeven. De tweede linie bestaat uit aanzetten bij kenmerkende locaties (rondom Groot Hoornwerk, bij doorsnijdingen van wegen, en het redoute). Door de Verbindingszone ligt een fietspad. Deze wordt uitgevoerd in asfalt. Naast het fietspad bevinden zich informele paden die bestaan uit een (half)verharding. Tabel 10 eisen beeldregie openbare ruimte Verbindingszone Onderdelen Eisen Groen (bloemrijk) gras, en solitairen Grondlichaam Grolse Linie Verharding
Enkele linie en bepalende locaties dubbele linie 4
maximaal 1,5 meter hoog
Doorsnijdingen uitvoeren in cortenstaal
Fietspad uit te voeren in asfalt
Informele wandelpaden uit te voeren in (half)verharding
Figuur 25 doorsnijding/beëindiging grondwal door middel van cortenstaal 4
Indien financieel verantwoord
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
27
Vertrouwelijk
Eisen openbare ruimte Groot Hoornwerk De openbare ruimte van het Groot Hoornwerk is onder te verdelen in twee categorieën. De grondwal en het gebied binnen de grondwallen. De grondwallen zijn begroeid met gras. De grondwal is opgebouwd uit scherpe taluds (1:1) Het gebied binnen de grondwallen dient op een eenduidige manier te worden vormgegeven. De verharding sluit aan bij de bebouwing waardoor het samen een geheel vormt. Bomen dienen in vakken / bakken komen te staan en worden niet langs de grondwal geplaatst. De verlichting dient afgestemd te worden op de bebouwing. De parkeervoorzieningen worden zoveel mogelijk in de hagen aangelegd. Eventuele overloop van parkeren vindt plaats in de Verbindingszone net ten zuiden van het Groot Hoornwerk. Dit vindt dan op gefundeerd gras plaats.
Onderdelen Bestrating
Groen Verlichting
Eisen
Eenheid in bestrating voor het gehele Groot Hoornwerk
Aansluiten met kleur bij bebouwing
Natuurlijke tinten
Gras op de grondwallen
Eerste vier meter binnen grondwal bestaat uit gras
Bomen in vakken en niet langs de grondwal
Verlichting afgestemd op bebouwing
Tabel 11 eisen beeldregie openbare ruimte Groot Hoornwerk
Wensen openbare ruimte Groot Hoornwerk Een wens is om een uitkijkpunt te realiseren ter plaatse van de grondwallen van de Grolse Linie. Inspiratie kan uit het Beeldkwaliteitsplan Grolse Linie 1627 worden gehaald. Eisen Landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing vindt plaats tussen de Agrarische Zone en de achterkanten van het bedrijventerrein en het Biobased Transitiepark en de Leerinkbeek. Deze landschappelijke inpassing zorgt ervoor dat het zicht op de Laarberg landschappelijke wordt ingepast. Waar het bedrijventerrein grenst aan de Holtkampsweg wordt ter plaatse van de bestaande laanstructuur onder beplanting toegevoegd. Deze onder beplanting zorgt dat de opslag van de bedrijven niet zichtbaar is. Tabel 12 eisen landschappelijke inpassing Onderdelen
Eisen
Filtering zicht op bedrijventerrein door toepassen robuuste groenzone (eik, els. wilg, berk) en onder beplanting (sleedoorn, meidoorn, hazelaar etc.)
Minimaal 10 meter breed
Onder beplanting (sleedoorn, meidoorn, hazelaar etc.)
Groen Holtkampsweg
Eisen Landschappelijk filter Het landschappelijk filter vindt plaats op de overgang van de agrarische zone en het bedrijventerrein op de plek waar de gebouwen georiënteerd zijn op het Agrarische gebied. Grenzend aan het agrarische gebied gaat het om een ‘losse laanstructuur’ welke onderdeel is van het wegprofiel, waarmee het directe zicht op het bedrijventerrein wordt ontnomen. Ter plaatse van de afrit N18 is de op taluds onder beplanting aangeplant welke een deel van het zicht wegneemt.
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
28
Vertrouwelijk
Tabel 13 eisen landschappelijk filter Onderdelen
Eisen
Filtering ‘laanstructuur’
Zwarte els h.o.h. afstand variërend tussen de 3 à 6 meter
Filtering afrit N18 (door derden)
Handhaven bestaande beplanting. Taluds afrit worden met inheemse soorten ingeplant.
Figuur 26 Landschappelijke inpassing; Groene vitrage bestaat uit boomgroepen.
Beeldregie Laag Eisen overige openbare ruimte De overige openbare ruimte bestaat uit de wegen en bermen in het plangebied. De wegen bestaan uit asfalt en de bermen uit gras. In de noord-zuid richting krijgen twee wegen een verbrede groenstrook met een eenzijdige laanbeplanting. Deze verbinden het bedrijventerrein met de Verbindingszone. Onderdelen
Eisen
Groen
Grasbermen / bloemrijk gras
Bestrating
Asfalt
Verlichting
Eenduidig
Figuur 27 eisen beeldregie laag openbare ruimte
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
29
Vertrouwelijk
8.2
Reclame-uitingen
Om eenheid en rust te creëren geldt voor het gehele bedrijventerrein dezelfde eisen wat betreft gevelreclame en reclameborden. Het reclamebeleid van de gemeente Oost Gelre is leidend. Kleine afwijkingen op het gevelbeeldreclame zijn mogelijk.
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
30
Vertrouwelijk
Bijlage 1
Figuur 28 Proefverkaveling Laarberg fase 2, aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleend.
22 juli 2021
T&PBE5365RP001F01
31
Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord
644
Bijlage 3 Activiteitenplan
Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord
645
Activiteitenplan Regionaal bedrijventerrein Laarberg in Groenlo Deelgebieden: ‘Centraal’, ‘Noord’ en het westelijke deel van ‘Biobased Transitiepark fase 2’
In opdracht van Gebiedsonderneming Laarberg
Colofon Activiteitenplan regionaal bedrijventerrein Laarberg in Groenlo Deelgebieden: ‘Centraal’, ‘Noord’ en het westelijke deel van ‘Biobased Transitiepark fase 2’
Opdrachtgever Contactpersoon
Gebiedsonderneming Laarberg
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Status Publicatiedatum Foto voorblad
4187 6WDULQJ$GYLHV 6WDULQJ$GYLHV Definitief 18 juni 2021 Bedrijventerrein Laarberg in Groenlo (foto: SWDULQJ$GYLHV)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Inleiding en doel.................................................................................................................. 3 Inleiding ........................................................................................................................... 3 Doel................................................................................................................................. 3 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ............................................................ 4 Gegevens plangebied...................................................................................................... 4 Beschrijving van het plangebied ...................................................................................... 4 Geplande werkzaamheden .............................................................................................. 5 Doel en belang van de activiteiten ................................................................................... 7 Planning en onderbouwing van de activiteiten ................................................................. 8 Planning werkzaamheden................................................................................................ 9 Periode ontheffing..........................................................................................................
10 Achtergrond van de inventarisatie..................................................................................... 11 Methode van onderzoek ................................................................................................ 12 Kleine marterachtigen.................................................................................................... 14 Resultaten van de inventarisatie ....................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................. 16 Kleine marterachtigen.................................................................................................... 16 Verbodsbepalingen ........................................................................................................... 18 Effecten en beoordeling .................................................................................................... 19 Effecten van de werkzaamheden op de gewone dwergvleermuis en laatvlieger (foerageergebied en vliegroute) .....................................................................................
19 Effecten van de werkzaamheden op de gewone dwergvleermuis (vaste rust- en verblijfplaats) ................................................................................................................. 20 Effecten van de werkzaamheden op de gewone grootoorvleermuis (vaste rust- en verblijfplaats) ................................................................................................................. 20 Effecten van de werkzaamheden op de bunzing en wezel............................................. 21 Deskundige die betrokken is bij de activiteiten en zijn/haar kwalificaties........................ 22 Wijze waarop de effecten op de soort tijdens de werkzaamheden worden gevolgd ....... 23 Voorkomen van negatieve effecten door de wijze van uitvoering van de werkzaamheden ...................................................................................................................................... 23 Gunstige staat van instandhouding ................................................................................... 24
Staat van instandhouding .............................................................................................. 24 Beïnvloeding staat van instandhouding door de werkzaamheden.................................. 30 Maatregelen...................................................................................................................... 31 Bunzing en wezel .......................................................................................................... 31 Gewone dwergvleermuis en laatvlieger (foerageergebied en vliegroute) ....................... 34 Gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis (vaste rust- en verblijfplaats)... 37 Broedvogels .................................................................................................................. 42 Grondgebonden zoogdieren .......................................................................................... 42 Na de uitvoering van de werkzaamheden te nemen maatregelen:................................. 42 Maatregelen om aan de zorgplicht te voldoen:............................................................... 42 Schema uitvoering werkzaamheden: ............................................................................. 43 Alternatieven.....................................................................................................................
44 Alternatieve locatie ........................................................................................................ 44 Alternatieve inrichting .................................................................................................... 44 Alternatieve werkwijze ................................................................................................... 44 Alternatieve planning ..................................................................................................... 44 Bijlage 1 Mitigatie en compensatie voor bunzing en wezel............................................. 45 Bijlage 2 Mitigatie en compensatie voor vleermuizen ..................................................... 46 Bijlage 3 Producten mitigatie en compensatie................................................................ 47 Bunzing en wezel .......................................................................................................... 47 Gewone dwergvleermuis en laatvlieger (foerageergebied en vliegroute) ....................... 48 Gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis (vaste rust- en verblijfplaats)... 51
Inleiding en doel Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Uit de resultaten van het gericht onderzoek uit 2020 (‘Staring Advies, rapportnummer 2155: Update aanvullend natuuronderzoek Regionaal Bedrijventerrein Laarberg in Groenlo’) is gebleken dat dat er voor de deelgebieden ‘Centraal’, ‘Noord’ en het westelijke deel van ‘Biobased Transitiepark fase 2’ sprake is van verstoring van (essentieel) foerageergebied en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger, verstoring van vaste verblijfplaatsen (zomer- en paarverblijfplaats) van de gewone dwergvleermuis, mogelijke verstoring van een vaste verblijfplaats (zomerverblijfplaats) van de gewone grootoorvleermuis, en mogelijke verstoring van verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingszones van bunzing en wezel door het kappen van bomen, aanleg van infrastructuur en bouwwerkzaamheden. Ter behoud van de lokale populatie en bescherming van individuen dient een activiteitenplan opgesteld te worden voor deze soorten, aangezien (essentiële) onderdelen van de functionele leefomgeving van vleermuizen en kleine marterachtigen beschermd zijn. De ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied ‘Regionaal bedrijventerrein Laarberg’ vinden in diverse fases plaats.
Voor de komende 5 jaar (1 oktober 2021 – 1 oktober 2026) zijn er ruimtelijke ontwikkelingen voorzien voor de deelgebieden ‘Centraal’, ‘Noord’ en (deels) ‘Biobased Transitiepark fase 2’. In dit activiteitenplan worden dan ook alleen maatregelen behandeld om negatieve effecten op de binnen de deelgebieden aangetroffen soorten bunzing, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en wezel te vermijden of zoveel mogelijk te verminderen.
Doel Ter behoud van de lokale populatie en bescherming van individuen is voor de strikt beschermde bunzing, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en wezel dit activiteitenplan opgesteld. Dit activiteitenplan vormt de onderbouwing bij de ontheffingsaanvraag.
Pagina 3
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Regionaal Bedrijventerrein Laarberg Groenlo Oost Gelre Gelderland
Beschrijving van het plangebied Het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg bevindt zich ten noorden van Groenlo (zie figuren 1 en 2). Het plangebied dat in dit activiteitenplan beschouwd is, betreft een gedeelte hiervan. Het gaat om de deelgebieden ‘Centraal’, ‘Noord’ en de westelijke rand van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ (zie figuur 2 en 3). Het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg waar nog geen ontwikkeling heeft plaatsgevonden is grotendeels een landbouwgebied met afwisselend akkers en weilanden. Tussen de agrarische percelen liggen verschillende houtwallen, waarvan enkele bestaan uit forse zomereiken en Amerikaanse eiken, braamstruwelen, slootjes en een beukenlaan met forse bomen. Deelgebied ‘Centraal’ Dit deelgebied bestaat uit diverse agrarische percelen (maïs) met enkele houtwallen- en singels. Centraal in het deelgebied bevindt zich een zanddepot met ruigtehoekjes en een zandpad. In het zuidelijke deel bevindt zich een watergang (de Zijtak Afwatering van Heideblom). Het deelgebied wordt begrenst door agrarische percelen, de onverharde Holtkampsweg, bedrijfspanden en de Zuidgang. Langs de Holtkampsweg bevindt zich een laanbeplanting van voornamelijk Amerikaanse eik en zomereik. Recent (winter 2020-2021) is een nieuwe weg (Panneman) tussen de Noord- en Zuidgang gerealiseerd.
Deelgebied ‘Noord’ Dit deelgebied bestaat vrijwel geheel uit diverse agrarische percelen (maïs en grasland) met een enkele houtsingel. Centraal in het deelgebied bevindt zich een tijdelijke watergang. Het deelgebied wordt begrenst door agrarische percelen, de onverharde Holtkampsweg en het Ruiterpad. Langs de Holtkampsweg staan enkele forse Amerikaanse eiken en zomereiken. De beplanting langs het Ruiterpad is meer gefragmenteerd met een enkele eikenrij en solitaire zomereiken. Deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ Het gedeelte van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’, wat binnen de begrenzing van het plangebied valt, bestaat een (deel van een) agrarisch graslandperceel en een woonhuis met tuin (Ruiterpad 4). Het deelgebied wordt begrenst door agrarische percelen,
Pagina 4
een oude bomenrij van voornamelijk zomereik, de Leerinkbeek en het Ruiterpad. De eikenrij vormt de grens tussen het deelgebied en het aangrenzende solarpark.
Geplande werkzaamheden Gebiedsonderneming Laarberg B.V. is voornemens om het regionaal bedrijvenpark Laarberg (Laarberg 1) te ontwikkelen. Deze uitbreiding, Laarberg 2, is in 2012 vastgelegd in een Masterplan en de, in 2013 door de gemeenteraad van de gemeente Oost Gelre vastgestelde, Structuurvisie biedt het ruimtelijk kader voor concrete ontwikkelingen. Voor deze ontwikkelingen zijn reeds een aantal bestemmingsplannen op maat gemaakt. De uitbreiding geeft ruimte voor de ontwikkeling van reguliere bedrijvigheid en voor innovatieve energieproductie. Daarnaast wordt een ontsluitingsweg ingepast en is er een (groene) verbindingszone gericht op landschap en cultuurhistorie. Op korte termijn (start binnen 1-3 jaar en over een periode van 5 jaar) worden ruimtelijke ontwikkelingen in de deelgebieden ‘Noord’, ‘Centraal’ en deels in deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ uitgevoerd. Ook wordt in een klein gedeelte van deelgebied ‘Verbindingszone’ werkzaamheden uitgevoerd.
Figuur 1. Ligging van het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, fase 2 (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).
Pagina 5
‘Biobased Transitiepark fase 2’ Solarpark
‘Verbindingszone’ Ruiterpad
‘Noord’
‘Centraal’ traal’
Figuur 2. Overzicht van het plangebied (roze stippellijn) met de deelgebieden ‘Centraal’ (rood), ‘Noord’ (geel), ‘Biobased Transitiepark fase 2’ (groen) en ‘Verbindingszone’ (blauw),bron: Royal HaskoningDHV (2021).
Pagina 6
Figuur 3. Kaart Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, fase 2 met deelgebieden.
Doel en belang van de activiteiten Voor de geplande activiteiten is voor de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger het volgende wettelijk belang uit de Habitatrichtlijn art 3.5 (Soorten Habitatrichtlijn Bijlage IV) van toepassing: In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Voor de geplande activiteiten is voor de bunzing en wezel het volgende wettelijk belang uit art 3.10, lid 2 (Wet natuurbescherming – overige soorten) van toepassing:
Pagina 7
in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daaropvolgende gebruik van het gebied of het gebouwde. Het bestaande Regionaal Bedrijvenpark Laarberg (fase 1) in Groenlo wordt verder ontwikkeld. Deze ontwikkeling heet Laarberg fase 2. De ontwikkeling is nodig omdat in de regio Oost-Achterhoek behoefte is aan meer ruimte voor grotere, regionaal georiënteerde bedrijven. Door deze ruimte op één geschikte plek te concentreren wordt ook voorkomen dat verspreid over de regio kleinere terreinen moeten worden aangelegd. Bovendien is Laarberg, ruimtelijk gezien, een geschikte locatie voor de inpassing van bedrijven uit de hogere milieucategorieën en is daarvoor in het gemeentelijke en provinciale beleid ook aangewezen. Een ander pluspunt is dat door de aanleg van Laarberg fase 2 voor heel het gehele bedrijvenpark het duurzame imago verder kan worden uitgebouwd. En daarvan profiteren uiteraard ook de bestaande bedrijven op Laarberg fase 1. Qua bereikbaarheid en zichtbaarheid, beide belangrijke vestigingseisen van bedrijven, ligt Laarberg optimaal ten opzichte van doorgaande regionale wegen. Zeker nu de N18 is aangelegd als autoweg kan Laarberg zich, mede door deze uitbreiding, optimaal ontwikkelen als goed bereikbare zichtlocatie. De uitbreiding van Laarberg wordt op een zorgvuldige manier voorbereid.
Dit doet Gebiedsonderneming Laarberg B.V., die de initiatiefnemer van deze ontwikkeling is, in nauwe samenwerking met Gemeente Oost Gelre als bevoegd gezag. Uit deze samenwerking zijn een Masterplan en Structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg’ opgesteld.
Planning en onderbouwing van de activiteiten De periode van het uitvoeren van de werkzaamheden, bestaande uit het kappen van bomen, het slopen van het woonhuis aan de Ruiterpad 4, aanleg van infrastructuur, bouwwerkzaamheden, het bouwrijp maken van de kavels en het opleveren van de bedrijfspanden, en de wijze waarop wordt afgestemd op de ecologie van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger en de eisen die het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis en het Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (versie 1.0, juli 2017) van BIJ12 stelt bij het vernielen, beschadigen of verstoren van een vaste rust- en verblijfplaats, het foerageergebied en vliegroute van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Hetzelfde geldt voor het vernielen, beschadigen of verstoren van mogelijke verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingszones van bunzing en wezel.
Pagina 8
Planning werkzaamheden Een exacte planning is nog niet bekend wat betreft uitgifte van beschikbare kavels en de start van het bouwrijp maken van de bouwkavels. De aanleg van infrastructuur in de vorm van de Noordgang start in het vierde kwartaal van 2021. In het eerste kwartaal van 2022 starten mogelijk de overige ontwikkelingen (uitgifte en bouwrijp maken van de bouwkavels, bouw bedrijfspanden, aanleg van de Zuidgang) in de deelgebieden ‘Noord’ en ‘Centraal’. In het westelijke deel van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’, grenzend aan het solarpark, wordt in het vierde kwartaal van 2021 een tijdelijk gronddepot aangelegd. Hiervoor wordt lokaal de ondergrond geëgaliseerd, een hekwerk geplaatst en gedurende periodes wordt hier grond aangevoerd of afgevoerd. Tevens wordt er een ontsluiting van de landbouwgronden gecreëerd. Voor deze ontwikkelingen worden geen bomen in deelgebied ‘Verbindingszone’ gekapt, en de ingreep in dit deelgebied beperkt zich tot de ontsluiting van het tijdelijke zanddepot en de landbouwgronden vanaf de nieuw aan te leggen infrastructuur (verlengde van de Noordgang). x x x x
4e kwartaal 2021: start werkzaamheden 4e kwartaal 2021 tot 2e kwartaal 2022: aanleg (verlenging) van de Noordgang 1e kwartaal 2022 tot 4e kwartaal 2026 : overige ontwikkelingen, inclusief aanleg (verlenging van de Zuidgang) 4e kwartaal 2026: eind werkzaamheden
De planning kan nog eventueel aangepast worden op de ecologie van en het gebiedsgebruik door de bunzing, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en wezel. Er wordt hierbij rekening gehouden met uitvoering van de werkzaamheden. Deze vinden bijvoorbeeld niet na zonsondergang en voor zonsopgang plaats. Broedvogels Verder wordt rekening gehouden met het broedseizoen (globaal van 15 maart – 15 augustus), aangezien verschillende soorten broedvogels in het plangebied verwacht worden. Er wordt gewerkt buiten het broedseizoen, of er wordt ruim voor het broedseizoen gestart, waarbij het terrein ongeschikt gemaakt wordt als nestlocatie voor broedvogels, zodat vestiging voorkomen wordt. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied voor allerlei vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten als egel, haas, konijn, mol, vos en diverse algemene (spits)muizensoorten. Hiervoor geldt dat de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten de voortplantings- en rustperiode worden uitgevoerd. Daarnaast wordt rekening gehouden met de werkrichting en worden aanwezige structuren gefaseerd verwijderd om aanwezige zoogdieren voldoende tijd te geven om (tijdelijk) het plangebied te verlaten. Deze maatregelen worden in een ecologisch werkprotocol gedetailleerd uitgewerkt.
Pagina 9
Periode ontheffing x
1 oktober 2021 – 1 oktober 2026.
De planning is om eind 2021 te starten met de voorbereidende werkzaamheden. Er is gekozen om voor de maximale periode van 5 jaar ontheffing aan te vragen, voor het geval dat het project vertraging oploopt, bijvoorbeeld door vertraging in de uitgifte van kavels en uitlopende bezwarenprocedures bij het bestemmingsplan of andere onvoorziene omstandigheden. Daarnaast is er nog geen exacte planning bekend van alle ruimtelijke ontwikkelingen. Uitvoering van de werkzaamheden en de planning hiervan is mede afhankelijk van de vraag naar ruimte voor bedrijven. Op dit moment is de vraag en aanbod voor de deelgebieden ‘Centraal’ en ‘Noord’ zodanig hoog dat naar verwachting beide deelgebieden voor 1 oktober 2026 volledig bezet zullen zijn.
Pagina 10
Achtergrond van de inventarisatie In de periode 2009-2010 heeft Staring Advies een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd in het plangebied Regionaal Bedrijvenpark Laarberg in Groenlo (gemeente Oost Gelre). De resultaten van dit onderzoek zijn samengevat in het rapport Quickscan natuurtoets zoekzone windmolens en Laarberg fase 2 (SSA rapportnummer 1020) en het rapport Aanvullend onderzoek zoekzone windmolens en Laarberg fase 2 (SSA rapportnummer 1133). Dit onderzoek is in 2013-2014 geactualiseerd (SSA rapportnummer 1420). Het doel van deze onderzoeken was om te inventariseren of door de geplande werkzaamheden schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna, en hoe deze schade beperkt kan worden of gecompenseerd kan worden. De huidige wetgeving verlangt een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Natuur is onderhevig aan veranderingen. Door de ontwikkelingen van flora en vegetaties kan er een veranderend patroon ontstaan in de aanwezigheid van (beschermde) flora en fauna. Daarom is een actueel beeld van aanwezige (beschermde) flora en fauna noodzakelijk. Gebiedsonderneming Laarberg is verantwoordelijk voor de uit te voeren activiteiten en wil voldoen aan haar zorgplicht in het kader van deze wet.
Door de veranderingen is een mate van “houdbaarheid” aan flora- en faunagegevens gekoppeld. De duur waarover verspreidingsgegevens geschikt zijn voor afwegingen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn afhankelijk van de beschermde status van aangetroffen soorten. Verspreidingsgegevens van nationaal beschermde soorten die niet in de provincie Gelderland vrijgesteld zijn van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen tot ca. 5 jaar bruikbaar zonder aanvullend onderzoek. De kennis over de lokale verspreiding van internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn) mag niet ouder zijn dan circa 2-3 jaar. Het laatste update natuuronderzoek is in 2017 uitgevoerd. Hiertoe heeft Gebiedsonderneming Laarberg Staring Advies opdracht gegeven om in 2020 een actualiserend onderzoek uit te voeren. Op basis van de in de periode 2009-2010, 2013-2014 en in 2017 uitgevoerde natuuronderzoeken, actuele verspreidingsgegevens (bijv. diverse soortenatlassen en NDFF) en het huidige grondgebruik kan men de volgende, onder de huidige Wet natuurbescherming, beschermde soorten en soortgroep in het plangebied verwachten: x x x x x
Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn; Categorie 5 vogelsoorten¹; Vleermuizen; Grondgebonden zoogdieren als das, eekhoorn en steenmarter; Kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel
Pagina 11
Methode van onderzoek Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek en de te verwachten soort(groep)en is de onderzoeksintensiteit bepaald. Uit dit onderzoek is gebleken dat specifiek voor de deelgebieden ‘Centraal’ en ‘Noord’ en het westelijke deel van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ verstoring van foerageergebied en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger en mogelijke verstoring van verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingszones van bunzing en wezel door het kappen van bomen, aanleg van infrastructuur, toename van licht en bouwwerkzaamheden, niet uit te sluiten is. Van de buizerd is in 2020 een vaste rust- en verblijfplaats (nestlocatie) in deelgebied ‘Centraal’ vastgesteld. Betreffend nest is echter in februari 2021 uit de boom gevallen. Negatief effecten op de vaste rust- en verblijfplaats van de buizerd zijn zodoende uit te sluiten. Van de overige onderzochte soort(groep)en is geconcludeerd dat er binnen de betreffende deelgebieden geen (recente) vaste rust- en verblijfplaatsen en/of functionele leefgebieden aanwezig zijn. Negatieve effecten worden voor deze soort(groep)en niet verwacht. Hieronder wordt alleen de onderzoeksmethodiek voor vleermuizen en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) besproken.
De methode en bevindingen van het veldonderzoek naar de overige soort(groep)en zijn te lezen in: ‘Staring Advies, rapportnummer 2155: Update aanvullend natuuronderzoek Regionaal Bedrijventerrein Laarberg in Groenlo’.
Vleermuizen Het vleermuisprotocol (2017) adviseert bij het vermoeden op vaste verblijfplaatsen van vleermuizen, (essentieel) foerageergebied en vliegroutes van de te verwachten vleermuissoorten (baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis) de volgende onderzoeksinspanning: x
Bij het vermoeden op verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis) dient gericht vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden middels 3 avond- of ochtendbezoeken in de periode 15 mei – 15 augustus, waarvan minimaal twee avondbezoeken tussen 15 mei en 15 juli, en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober.
x
Bij het vermoeden op verblijfplaatsen van boombewonende soorten (baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) dient gericht vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden middels 3 avond- of ochtendbezoeken in de periode 1 juni – 15 augustus, waarvan minimaal twee bezoeken tussen 1 juni en 15 juli, en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 15 september.
Pagina 12
x
Bij het vermoeden op (essentieel) foerageergebied en vliegroutes van de te verwachten vleermuissoorten dient gericht vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden middels 2 avondbezoeken in de periode 1 juni– 15 september.
De bezoeken zijn deels te voet en deels per fiets uitgevoerd. Het plangebied is deels door zijn openheid, aanwezigheid van verharding, vrij toegankelijke ruimten rondom de gebouwen overzichtelijk. Alleen het afgerasterde solarpark is niet bezocht. Echter hier ontbreken geschikte locaties voor verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en vliegroutes. Bij het vleermuisonderzoek zien hier wel de randen van het solarpark op vleermuizen onderzocht. Bij het bepalen van het aantal personen dat het plangebied onderzoekt is als uitgangspunt gehanteerd dat bij elke ronde 75% van het plangebied te allen tijde te overzien is. Voor dit project is per veldbezoek voldoende dekking bereikt door de inzet van: x
Kraam- en zomerverblijfplaatsen: één ecoloog per erf en twee ecologen bij de groenstructuren met potentieel geschikte bomen.
x
Paarverblijfplaatsen: één ecoloog.
Door de onderzoeksintensiteit is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door vleermuizen (zie tabel 1). Ronde
Functie
Datum Begintijd Eindtijd Weersomstandigheden
Zomer- en kraamverblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroute Avond – nacht 1a 1b 2a 2b
zomer- en kraamverblijfplaatsen, foerageergebied + vliegroute zomer- en kraamverblijfplaatsen, foerageergebied + vliegroute zomer- en kraamverblijfplaatsen, foerageergebied + vliegroute zomer- en kraamverblijfplaatsen, foerageergebied + vliegroute
19-052020
21:30 uur
00:10 uur
Bewolkt, droog, 15-13°C, wind 1-2 Bft
25-052020
21:40 uur
00:15 uur
Bewolkt, droog, 15-13°C, wind 1-2 Bft
10-072020
21:50 uur
00:15 uur
Bewolkt, droog, 16-11°C, wind 2-3 Bft
11-072020
22:10 uur
00:15 uur
Onbewolkt, droog, 16-10°C, wind 2-3 Bft
04-062020
02:30 uur
05:20 uur
Bewolkt, droog, 12-14°C, wind 2-3 Bft
18-062020
02:30 uur
05:30 uur
Bewolkt, droog, 15-17°C, wind 1-2 Bft
Nacht – ochtend 3a
3b
zomerverblijfplaatsen, kraamverblijfplaats baardvleermuis, foerageergebied + vliegroute zomerverblijfplaatsen, kraamverblijfplaats baardvleermuis, foerageergebied + vliegroute
Paarverblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroute
Pagina 13
Avond – nacht paarverblijfplaatsen, foerageergebied + vliegroute paarverblijfplaatsen, 5 foerageergebied + vliegroute Tabel 1. Veldonderzoek vleermuizen. 4
21-082020 14-092020
20:45 uur
00:55 uur
20:00 uur
00:45 uur
Half bewolkt, droog, 25-20°C, wind 1-2 Bft Onbewolkt, droog, 18-13°C, wind 1-2 Bft
Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen zijn door hun verborgen leefwijze en lage dichtheden lastig op te sporen. Om de drie soorten kleine marters vast te stellen worden doorgaans verschillende methoden gebruikt. Bij meerdere soorten is een combinatie van methoden noodzakelijk. Op basis van habitatgeschiktheid worden de volgende kleine marterachtigen in het gebied verwacht: x x x
Bunzing Hermelijn Wezel
De minimale inzet van het aantal inventarisatiematerialen verschilt per methode en is afhankelijk van de grootte van het terrein (Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming, provincie Noord-Brabant, 2017 en Handreiking Kleine Marters, provincie Noord-Holland, 2017). Om de aanwezigheid van de drie soorten kleine marters vast te stellen is gebruik gemaakt van een combinatie van de volgende methoden: x x
Cameraval met lokmiddel (specifiek voor bunzing), type ‘Struikrover 3.5’. Marterbox (type ‘Mostela’), met cameraval type Bushnell Trophy Cam Aggressor, voor hermelijn, wezel en mogelijk bunzing.
Op basis van de habitatgeschiktheid is vrijwel het gehele plangebied geschikt als (functioneel) leefgebied voor kleine marterachtigen. De apparatuur is ingezet in de meest kansrijke landschapselementen als houtsingels, waterpassages, bosschages, overgangen tussen ruigte en korte vegetaties etc. (zie figuur 4). Dit onderzoek is verricht in de periode waarop de dieren het meest actief zijn, te weten van mei tot en met augustus. Hierbij zijn de eenheden bestaande uit enkele cameravallen en marterboxen zes weken in het gebied geplaatst (zie tabel 2). Tijdens deze periode zijn de eenheden zo min mogelijk beroerd om verstoring te voorkomen. Na ongeveer 3 weken zijn de eenheden éénmalig gecontroleerd op sporen en eventuele schade en zijn gelijk de geheugenkaartjes van de camera’s vervangen. Na drie weken zijn de eenheden opgehaald en de fotobeelden van de cameravallen en de camera’s in de marterboxen zijn achter de computer geanalyseerd en de aangetroffen zoogdieren/marters zijn op naam gebracht.
Pagina 14
Ronde
Functie
Datum
Begintijd
Eindtijd
Weersomstandigheden
06:00 uur
08:30 uur
Bewolkt, droog, 18°C, wind 1-2 Bft
Verblijfplaats + functioneel leefgebied Plaatsen eenheden 1
08-062020
Controle op sporen, eventuele schade en vervangen geheugenkaartjes camera’s 2
03-072020
16:55 uur
18:35 uur
Onbewolkt, droog, 20°C, wind 23 Bft
19:00 uur
Bewolkt, regen, 17°C, wind 0-1 Bft
Ophalen eenheden 19-0717:20 uur 2020 Tabel 2. Veldonderzoek kleine marterachtigen. 3
Figuur 4. Locaties cameravallen (groene ster) en marterboxen (gele vlakken).
Pagina 15
Resultaten van de inventarisatie Vleermuizen Vaste rust- en verblijfplaatsen In het westelijke deel van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’, wat binnen het plangebied valt, is het woonhuis aan het Ruiterpad in gebruik als vaste rust- en verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis (zomer- en paarverblijfplaats). Vermoedelijk bevindt zich hier ook een mogelijke zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis, maar duidelijke aanwijzingen als in- en/of uitvliegers zijn niet tijdens het onderzoek in 2020 vastgesteld. Dit woonhuis wordt in de periode waarvoor een ontheffing wordt aangevraagd (1 oktober 2021 – 1 oktober 2026) gesloopt en de tuinbeplanting rondom het woonhuis wordt verwijderd.
Foerageergebied Tijdens het veldonderzoek zijn in de deelgebieden ‘Centraal’ en ‘Noord’ en in het westelijke deel van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ geen essentiële foerageergebieden van vleermuizen vastgesteld. Wel worden de laanbeplantingen langs de Holtkampsweg, net buiten het plangebied, als (essentieel) foerageergebied door de gewone dwergvleermuis en laatvlieger gebruikt.
Vliegroute Tijdens het veldonderzoek zijn in de deelgebieden ‘Centraal’ en ‘Noord’ en in het westelijke deel van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ geen vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Wel worden de laanbeplantingen langs de Holtkampsweg, net buiten het plangebied, als vliegroute door de gewone dwergvleermuis en laatvlieger gebruikt.
Kleine marterachtigen Tijdens het gericht onderzoek naar kleine marterachtigen met behulp van wildcamera’s zijn in het plangebied geen waarnemingen van kleine marterachtigen gedaan. Op 15 mei is wel een bunzing in het plangebied waargenomen. Het betreft hier een adult exemplaar ter hoogte van het woonhuis aan het Ruiterpad (deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’), welke zich overdag in noordelijke richting verplaatste. Op basis van de losse waarneming van de bunzing en de geschiktheid van het plangebied is het aannemelijk dat er een vaste rust- en verblijfplaats van de bunzing in het plangebied aanwezig is. Het plangebied is, met name in de randzone, geschikt als foerageergebied en door de aanwezigheid van greppels, sloten en andere lijnvormige elementen ook als verbindingsroutes voor de bunzing.
Pagina 16
Wezel Buiten het plangebied is, tijdens het gericht onderzoek naar kleine marterachtigen, in deelgebied ‘Zuid’ een wezel op één van wildcamera’s vastgelegd. Op basis van deze waarneming en de geschiktheid van het deelgebied ‘Zuid’ is het zeer aannemelijk dat er een vaste rust- en verblijfplaats van de wezel in dit deelgebied aanwezig is. Aan het deelgebied ‘Zuid’ grenzende delen van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied, verbindingszone en ook als vaste verblijfplaats voor de wezel.
Pagina 17
Verbodsbepalingen Voor welke soorten wordt de ontheffing aangevraagd? x x x x x
Bunzing (Mustela putorius) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Wezel (Mustela nivalis)
Voor welk verbod wordt de ontheffing aangevraagd? x
x
x
Artikel 3.5, lid 2 van de Wnb: Het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus). Artikel 3.5, lid 4 van de Wnb: Beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus). Artikel 3.10, lid 1b van de Wnb: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, waaronder bunzing en wezel.
Wettelijk belang x
x
Artikel 3.8 lid 5b onder 3 van de Wnb: in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Artikel 3.10 lid 2 onder a van de Wnb: in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daaropvolgende gebruik van het gebied of het gebouwde.
Pagina 18
Effecten en beoordeling Effecten van de werkzaamheden op de gewone dwergvleermuis en laatvlieger (foerageergebied en vliegroute) Tijdelijke effect Door het kappen van bomen, aanleg van infrastructuur en het bouwrijp maken van de bouwkavels kan er tijdelijk sprake zijn van mogelijke aantasting van het foerageergebied en de vliegroute. Dit betreft dan voornamelijk verstoring door licht en deels door kap van een enkele boom. Echter een groot deel van de werkzaamheden zal plaatsvinden buiten de actieve periode van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger én de werkzaamheden vinden het gehele jaar door tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats. Alleen in de periode 15 september - 1 november is er eventueel sprake van uitvoering van werkzaamheden in de vroege avond- en late ochtendschemering. Hierbij wordt de verlichting alleen gericht op de kavels welke bouwrijp worden gemaakt, op de plekken waar infrastructuur gerealiseerd wordt en wordt enkel gebruik gemaakt van (vleermuisvriendelijke) amberkleurige verlichting. Het tijdelijke gronddepot in het westelijke deel van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ wordt niet verlicht. Van lichtverstoring op het aanwezige foerageergebied en vliegroute is (tijdens de aanleg- en bouwfase) in de gehele actieve periode van vleermuizen geen sprake.
Om verstoring door met name licht tot een minimum te beperken is aanplant van beplanting gewenst. Deze beplanting, bestaande uit o.a. zomereik, is recentelijk (winter 2020) langs de noordzijde van de Holtkampsweg (foerageerbied en vliegroute van gewone dwergvleermuis en laatvlieger) aangebracht. Deze beplanting is gesitueerd tussen de laanbeplantingen en de aan te leggen parallelle ontsluitingsweg (Redan): zie bijlage 2. Hierdoor wordt de tijdelijke, mogelijke verslechtering in het foerageergebied en de vliegroute zo beperkt mogelijk gehouden. De recent aangeplante bomen en struiken hebben echter wel tijd nodig om aan te slaan en om als een volwaardige versterking van het foerageergebied en de vliegroute te kunnen functioneren. Daarnaast blijven de groenstructuren (laanbeplantingen) langs de Holtkampsweg behouden en wordt bij de straatverlichting in het plangebied en bij (nieuwe) gebouwen direct grenzend aan de Holtkampsweg gebruik gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting (zie bijlage 2 en 3). Hierdoor wordt verstoring door licht tot een minimum beperkt.
Permanent effect Door het treffen van mitigerende maatregelen vooraf en tijdens de werkzaamheden, het versterken/verbinden van de Holtkampsweg en huidige groenstructuren, het behouden van zoveel mogelijk bomen en gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting, worden geen blijvende negatieve effecten op de populatie van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger verwacht.
Pagina 19
Voor de aanleg van ontsluitingswegen hoeven geen bomen langs de Holtkampsweg gekapt te worden. Om de effecten van de doorsnijdingen op de vliegroute en het foerageergebied langs de Holtkampsweg te beperken, worden mitigerende maatregelen genomen. Deze mitigerende maatregelen zijn nodig om de effecten van doorsnijding van de vliegroute en foerageergebied langs de Holtkampsweg te minimaliseren, door een goede locatie voor de doorsnijdingen te kiezen en een hop-over te creëren (zie bijlage 2 voor de locaties van de hop-overs en zie bijlage 3 voor de producten en twee schetsmatige weergaven van de hop-over).
Cumulatief effect Er is geen sprake van een cumulatief effect op de populatie van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger.
Effecten van de werkzaamheden op de gewone dwergvleermuis (vaste rusten verblijfplaats) Tijdelijke effect Er bevindt zich een zomerverblijfplaats van een klein aantal dieren (3 exemplaren) en een paarverblijfplaats (maximaal één mannetje) in het te slopen woonhuis aan de Ruiterpad 4. De invliegopening van de zomerverblijfplaats bevindt zich onder de dakrand in de zuidgevel van het woonhuis. Door de geplande sloopwerkzaamheden verdwijnt één zomeren paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.
Permanent effect Door het treffen van alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van een paalkast vooraf en door tijdens en na afronding van de werkzaamheden rekening te houden met de gewone dwergvleermuis, worden geen blijvende negatieve effecten op de populatie van de gewone dwergvleermuis verwacht.
Cumulatief effect Er is geen sprake van een cumulatief effect op de populatie van de gewone dwergvleermuis.
Effecten van de werkzaamheden op de gewone grootoorvleermuis (vaste rust- en verblijfplaats) Tijdelijke effect Er bevindt zich mogelijk een zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis in het te slopen woonhuis aan het Ruiterpad 4. Net als tijdens de voorgaande onderzoeken in 2017 is tijdens de voorjaarsbezoeken in 2020 vastgesteld dat er bij de woning aan het Ruiterpad een rondzwermend exemplaar aanwezig was. Vermoedelijk bevindt zich hier een
Pagina 20
(zomer)verblijfplaats, maar duidelijke aanwijzingen als in- en/of uitvliegers zijn niet vastgesteld. Door de geplande sloopwerkzaamheden verdwijnt waarschijnlijk één zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis.
Permanent effect Door het treffen van tijdelijke / permanenten alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van vleermuiskasten vooraf en doortijdens en na afronding van de werkzaamheden rekening te houden met de gewone grootoorvleermuis, worden geen blijvende negatieve effecten op de populatie van de gewone grootoorvleermuis verwacht.
Cumulatief effect Er is geen sprake van een cumulatief effect op de populatie van de gewone grootoorvleermuis.
Effecten van de werkzaamheden op de bunzing en wezel Tijdelijke effect Door de geplande werkzaamheden is tijdelijk sprake van verstoring door geluid, trillingen en menselijke aanwezigheid op bunzing en wezel. Daarnaast is er een (tijdelijk) verlies aan foerageergebied, verbindingszone en vaste rust- en verblijfplaatsen, in de vorm van muizenholten, bosschages, houtstapels, rommelhoekjes en een zanddepot met brandnetelruigte, die door de werkzaamheden verwijderd worden en/of verloren gaan. Verder is er een extra kans op verkeersslachtoffers.
Permanent effect Door een aangepaste werkwijze, de fasering van de werkzaamheden in tijd, het verbeteren van het bestaand leefgebied in het plangebied en direct hieraan grenzend (in deelgebied ‘Verbindingszone’) en het realiseren van nieuw leefgebied is er geen permanent effect op de bunzing en wezel. Wanneer de werkzaamheden afgerond zijn kan het plangebied en overige delen van het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg fase 2 weer geschikt zijn als leefgebied voor de bunzing en wezel. Gezien de ruime mitigatie elders op het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg fase 2, waaronder in het deelgebied ‘Verbindingszone’, het solarpark en in overige deelgebieden als deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ (bosperceel aan Ruiterpad) en deelgebied ‘Zuid’ (mitigatiegebied bij boerderij ‘Panneman’), de aanwezigheid van ruim voldoende alternatief leefgebied direct grenzend aan het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg fase 2 in de vorm van beplantingen langs de Leerinkbeek en het ontbreken van permanente effecten op de bunzing en wezel, is geen sprake van een negatief effect op de instandhouding van de populatie (zie bijlage 1). Het plangebied ligt in een agrarisch gebied met verspreid liggende bosschages, greppels, slootkanten, braamstruwelen en diverse boerenerven.
Tussen het plangebied en deze (alternatieve) leefgebieden bevinden zich potentiele verbindingszones als wegbermen, greppels, houtsingels en de Leerinkbeek met begeleidende beplantingen. Deze
Pagina 21
leefgebieden zijn uitermate geschikt als foerageergebied, verbindingszone en rust- en voortplantingsplaatsen voor de bunzing en wezel. Dit betekent dat de bunzing en wezel ruim voldoende uitwijkmogelijkheden naar alternatieve leefgebieden hebben. Daarnaast bevindt zich het territorium van de in deelgebied ‘Zuid’ vastgestelde wezel grotendeels buiten het plangebied. De mannetjes van de wezel hebben een scherp begrensd territorium van 1 tot 25 hectare. Het territorium van de vrouwtjes is niet scherp begrensd en is 1 tot 7 hectare groot. Het leefgebied van een mannetje overlapt dat van verschillende vrouwtjes. Uitgaande van een maximaal territoriumgrootte van 25 hectare valt circa 15% van dit territorium binnen de grenzen van het plangebied (deelgebied ‘Centraal’): zie figuur 5 voor de territoriumradius van de wezel. De ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied hebben daardoor een beperkt impact op functionele onderdelen (foerageergebieden, verbindingszones en vaste verblijfplaatsen) binnen het gehele territorium van de wezel. Binnen het territorium blijft ruim voldoende (alternatief) leefgebied voor de wezel beschikbaar. Dit wordt verder versterk door het plaatsen van takkenrillen en een marterhoop (zie bijlage 1).
Figuur 5. Maximale territoriumradius van 25 hectare (blauw) van de in deelgebied ‘Zuid’ vastgestelde wezel (rode ster). Het geel gemarkeerde deel betreft het deel van het plangebied wat binnen de territoriumradius van de wezel valt.
Cumulatief effect Er is geen sprake van een cumulatief effect op de populatie van de bunzing en wezel.
Deskundige die betrokken is bij de activiteiten en zijn/haar kwalificaties De ontheffingsaanvraag is door een ervaren ecoloog (de heer S.J.J. Wamelink) van Staring Advies opgesteld. Staring Advies is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus.
Pagina 22
Wijze waarop de effecten op de soort tijdens de werkzaamheden worden gevolgd De maatregelen vinden onder begeleiding van een ecoloog van Staring Advies of RoyalHaskoningDHV plaats. Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld en overgedragen aan de uitvoerders. De te nemen stappen welke effect kunnen hebben op de aangetroffen soorten en de onderdelen van het functioneel leefgebied welke verloren gaan of worden aangetast worden vastgelegd in een logboek.
Voorkomen van negatieve effecten door de wijze van uitvoering van de werkzaamheden Door tijdens en na de werkzaamheden voldoende maatregelen te nemen worden er geen negatieve effecten verwacht. De te nemen maatregelen worden in een ecologisch werkprotocol uitgewerkt. Het ecologisch werkprotocol zal samen met het logboek op de locatie aanwezig zijn en zal onder alle betrokken partijen bekend zijn. Werkzaamheden worden aantoonbaar conform dit protocol uitgevoerd.
Pagina 23
Gunstige staat van instandhouding Staat van instandhouding Bunzing De bunzing komt verspreid door in de provincie Gelderland vooral voor in de lagere delen van de provincie. De centrale Veluwe wordt niet door bunzingen bewoond, waarschijnlijk door het ontbreken van geschikt leefgebied (geen water, te weinig bewoning en te dicht bebost). Over de trend in verspreiding in de provincie Gelderland zijn geen specifieke gegevens bekend. Het is aannemelijk dat deze niet afwijkt van het landelijke beeld. Om deze reden is de trend van het verspreidingsgebied van de bunzing beoordeeld als ‘verslechterend’ (bron: Provincie Gelderland). Door toenemende verstedelijking, meer en drukkere wegen, schaalvergroting op het platteland en een minder rommelig landschap kan de trend als ‘verslechterend’ worden beoordeeld.
Figuur 5. Waarnemingen van de bunzing in Nederland (zwarte cirkel is locatie plangebied). Bron: www.verspreidingsatlas.nl.
Pagina 24
Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is een van de meest voorkomende vleermuizen van Europa en de meest voorkomende soort in stedelijk gebied en in het buitengebied. In Nederland is deze soort algemeen. De gewone dwergvleermuis is de meest wijdverspreide vleermuissoort in de omgeving van het plangebied en wordt in allerlei habitats vastgesteld. De gewone dwergvleermuis staat nu bekend als de meest algemene vleermuissoort in Gelderland. De afwezigheid van foeragerende dieren in een gebied kan eerder als opvallend worden aangemerkt, dan de aanwezigheid. Jaarlijks komen tientallen meldingen van (kraam)kolonies binnen en per kolonie worden niet zelden meer dan honderd uitvliegende dieren geteld. Deze soort komt overal in Gelderland, waaronder ook ruim verspreid in en rondom het plangebied (bron: NDFF), voor. Onderstaande kaart (figuur 7) geeft dan ook een redelijke indruk van de gebieden waar gegevens zijn verzameld (bron: www.verspreidingsatlas.nl).