CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp flierbos toelichting bijlage 7 archeologisch bureauonderzoek

Raadscommissie 18 juni 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan ‘Flierbeek fase 3, Flierbos’ met bijbehorende grondexploitatie15.140 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Op basis van bovenstaande uitgangspunten geldt een lage verwachting voor alle perioden vanaf het (Laat-)Paleolithicum (zie tabel VI). Een plaggendek wordt verder niet verwacht. Eventueel aanwezige archeologische resten zullen in en/of direct onder de bouwvoor (eerste 30 cm) aanwezig zijn; in de top van de dekzandafzettingen, waarin zich in het verleden meest waarschijnlijk een veldpodzolbodem of een moerige podzolbodem heeft gevormd. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. De meeste typen archeologische resten (bot, houtskool, aardewerk, metaal) zullen door de gereguleerde grondwaterstanden, en daardoor relatief droge en zure bodemomstandigheden, zijn aangetast door degradatieprocessen.

Rapport 15483D.002 versie 1

Pagina 14 van 20

Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is voor zover bekend vanaf de tweede helft van de 18 e eeuw tot op heden onbebouwd geweest en heeft verder alleen een agrarisch gebruik gekend. Hier mag in eerste instantie verwacht worden dat de bodem door moderne ingrepen, afgezien van de bouwvoor, minimaal verstoord is. 2.9

Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek

Op basis van in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Gelijkmatig verspreid over het plangebied dienen boringen te worden gezet met een Edelmanboor met een diameter van 10 cm om inzicht te krijgen in de intactheid van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 23 april 2021 door (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. In het plangebied zijn twintig boringen gezet, verdeeld over vijf noordwest-zuidoost gerichte raaien geboord met een afstand van 40 meter tussen de raaien en een afstand van 50 m tussen de boringen (zie figuur 15). De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. De boringen zijn gezet met behulp van een edelmanboor (diameter 10 cm) tot maximaal 200 cm -mv. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.24 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In bijlage 4 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. 24

Bosch, 2005

Rapport 15483D.002 versie 1

Pagina 15 van 20

Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 5 weergegeven. De opbouw van de bodem kan schematisch als volgt worden weergegeven: Tabel VII.

Algemene bodemopbouw plangebied Diepte (cm -mv)

Samenstelling

Interpretatie

Vanaf maaiveld tot gemiddeld 35

Donkergrijs tot donkergrijsbruin gekleurd, matig humeus, zwak tot matig siltig, zeer fijn zand

Ap-horizont, huidige bouwvoor

Tussen gemiddeld 35 en 100

Lichtbruingrijs tot lichtgeelgrijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijn zand, soms licht roestvlekken

C-horizont, dekzandafzettingen, Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden

Vanaf gemiddeld 100 tot 200 (maximale einddiepte boringen)

Lichtgrijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijn zand

Cr-horizont, dekzandafzettingen, Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden

De boringen laten een vrij eenduidige bodemopbouw, waarbij bodemverstorende ingrepen zich veelal hebben beperkt tot de huidige bouwvoor. Het duidt op beperkte verstoringen ten gevolge van agrarisch gebruik (ploeg-/oogstwerkzaamheden). De huidige bouwvoor (Ap-horizont) bestaat uit donkergrijs tot donkergrijsbruin gekleurd, matig humeus, zwak tot matig siltig, zeer fijn zand. Met een veelal vrij scherpe overgang komt hieronder direct de C-horizont voor, bestaande uit lichtbruingrijs tot lichtgeelgrijs en naar onderen toe lichtgrijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijn zand. De goede sortering en afgeronde zandkorrels zijn kenmerkend voor dekzandafzettingen. Het grondwaterniveau bevond zich tijdens de uitvoering van het booronderzoek rond 100 cm -mv. Voor de grootschalige ontginningen was waarschijnlijk sprake van zeer ondiepe grondwaterstanden. Een duidelijk ontwikkelde podzolbodem is bij géén van de boringen aangetroffen en er is juist sprake van een beekeerdgrond, waarbij het voorkomen van roestvlekken direct onder de huidige bouwvoor kenmerkend is. Wat diepere (en vermoedelijk lokale) verstoringen zijn waargenomen ter plaatse van de boringen 3 en 5, respectievelijk tot 110 en 85 cm -mv. Wellicht dat het ter plaatse van boring 3 om een slootdemping gaat.

Archeologie Allereerst dient gemeld te worden dat het inventariserend veldonderzoek een verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. In geen van de boringen is archeologisch vondstmateriaal waargenomen in het opgeboorde en vervolgens verkruimelde bodemmateriaal. Tevens blijkt uit de boringen dat de bodem verstoord is tot in de oorspronkelijke top van de C-horizont en ontbreekt het aan mogelijke vegetatie- dan wel oudere cultuurlagen. Daarmee wordt de kans klein geacht op de aanwezigheid van in situ gelegen archeologische resten.

Rapport 15483D.002 versie 1

Pagina 16 van 20

4

CONCLUSIE EN ADVIES

4.1

Conclusie

Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied al een lage verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle perioden vanaf het (Laat-)Paleolithicum. Het plangebied ligt namelijk binnen een dekzandvlakte en het gebied stond vroeger ook bekend onder de toponiem ’t Lichtenvoordse Veen, hetgeen een aanwijzing is voor zeer natte/moerasachtige omstandigheden. De verwachting is dan ook dat het plangebied weinig geschikt, zo niet ongeschikt zal zijn geweest als (tijdelijke) nederzettingslocatie. Ook reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied, voornamelijk prospectief onderzoek, hebben tot op heden niet geresulteerd in het aantreffen van aanwijzingen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied voor langere tijd in gebruik is geweest als (nat) heidegebied en na grootschalige ontginning geheel in agrarisch gebruik is geweest (grasland). De resultaten van het verkennend booronderzoek laten zien dat er binnen het plangebied geen diepgaande, grootschalige bodemverstorende ingrepen/vergravingen zijn uitgevoerd. Ten gevolge van alleen agrarisch gebruik (ploeg-/oogstwerkzaamheden) beperken bodemverstoringen zich tot de huidige bouwvoor. Het aanwezige bodemprofiel betreft echter wel een beekeerdgrond.

Duidelijk ontwikkelde podzolbodems zijn in géén van de boringen aangetroffen. Voor de grootschalige ontginningen zal sprake zijn geweest van zeer ondiepe grondwaterstanden, waarmee de ongeschiktheid als (tijdelijke) nederzettingslocatie wordt bevestigd. Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied in het verleden ongeschikt was als (tijdelijke) nederzettingslocatie. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een lage verwachting gold voor alle perioden vanaf het (Laat-)Paleolithicum, kan gehandhaafd blijven. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. 4.2

Advies

Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Het plangebied was in het verleden (voor de grootschalige ontginning) ongeschikt als (tijdelijke) nederzettingslocatie. Er is dan ook geen aanleiding om binnen het plangebied een archeologische vindplaats te verwachten. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oost Gelre). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed25).

25

Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 15483D.002 versie 1

Pagina 17 van 20

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & W.P. Locher, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Bakker, H. de & Schelling, J., 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Barends, S., Baas, H.G., Harde, M.J. de, Renes, J., Stol. T., Triest, J.C. van, Vries, R.J. de, Woudenberg, F.J. van, 2005: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Beek, R. van, 2009: Reliëf in Tijd en Ruimte. Interdisciplinair onderzoek naar bewoning en landschap van Oost Nederland tussen vroege prehistorie en middeleeuwen. Proefschrift Wageningen Universiteit. ISBN 978-90-8585-460-9. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van, Boer, M. de, Deeben, J., Groenewoudt, B.J. & Groot, T. de (red.), 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid.

NAR (Nederlandse Archeologische Rapporten) 34, Amersfoort. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg Den Bosch, 2e druk. Maas, G.J., Delft, S.P.J. van & Heidema, A.H., 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017). Web publication/site, Wageningen Environmental Research. http://legendageomorfologie.wur.nl. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Roode, F. de, Berghe, K.J. Van den, 2008: Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre; Deel 1: startnota archeologische monumentenzorg; Deel 2: toelichting op de archeologische landschappen- en beleidskaart. RAAP-rapport 1757. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp.

Rapport 15483D.002 versie 1

Pagina 18 van 20

Stichting voor Bodemkartering, 1975: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. blad 41 Oost/Aalten. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Willemse, N.W. & Kocken, M.H.J.M., 2013: Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP-rapport 2501. Versfelt, H.J., 2003: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794. Heveskes Uitgevers, Groningen. ISBN 90-806727-4-2. Vries, F. de, Groot, W. J. M. de, Hoogland, T., & Denneboom, J., 2003: De Bodemkaart van Nederland digitaal; toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Alterra-rapport; No. 811, Alterra. https://edepot.wur.nl/21850 Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 15483D.002 versie 1

Pagina 19 van 20

BRONNEN AHN; internetsite, mei 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, mei 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, mei 2021. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, mei 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemverontreinigingen provincie Gelderland: internetsite, mei 2021. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Def ault Dinoloket; internetsite, mei 2021. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, mei 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, mei 2021. http://www.topotijdreis.nl/ MijnGelderland; internetsite, mei 2021. https://mijngelderland.nl/ Omgevingsdienst Achterhoek (ODA); internetsite, mei 2021. https://www.odachterhoek.nl/onderwerp/cultureel-erfgoed-en-archeologie/cultureel-erfgoed-enarcheologie/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, mei 2021. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, mei 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, mei 2021.

http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, mei 2021. http://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, mei 2021. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

Rapport 15483D.002 versie 1

Pagina 20 van 20

Figuur 1.

Situering van het plangebied binnen Nederland

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 2.

Detailkaart van het plangebied

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 3.

Luchtfoto van het plangebied

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 4.

Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre

Rapport 15483D.002 versie 1

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 5.

Situering van het plangebied binnen de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre

Rapport 15483D.002 versie 1

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 6.

Situering van het plangebied binnen de hoogtekaart van de gemeente Oost Gelre

Rapport 15483D.002 versie 1

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 7.

Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 8.

Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN

Rapport 15483D.002 versie 1

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 9.

Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 vanuit kaartblad 81

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1822 (Minuutplan)

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 11.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1885 (Bonneblad)

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 12.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1936 (Bonneblad)

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 13.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 14.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1987

Rapport 15483D.002 versie 1

Figuur 15.

Boorpuntenkaart plangebied met als achtergrond de luchtfoto

Rapport 15483D.002 versie 1

Bijlage 1

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Ouderdom in jaren

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 15483D.002 versie 1

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

1950

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 15483D.002 versie 1

Bijlage 2

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.

Rapport 15483D.002 versie 1

Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.

Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.

Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.

Rapport 15483D.002 versie 1

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de 3e eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de 5e eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.

Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e - 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.

Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 15483D.002 versie 1

Bijlage 3

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 15483D.002 versie 1

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een opgraving.

Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 15483D.002 versie 1

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. **** Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag.

Rapport 15483D.002 versie 1

Bijlage 4

Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen

Vanuit noordoostelijke richting nabij boring 1

Vanuit zuidoostelijke richting nabij boring 5

Vanuit zuidelijke richting nabij boring 20

Vanuit zuidwestelijke richting nabij boring 17

Boring 1

Boring 2

Rapport 15483D.002 versie 1

Boring 3

Boring 4

Boring 5

Boring 6

Boring 7

Boring 8

Rapport 15483D.002 versie 1

Boring 9

Boring 10

Boring 11

Boring 12

Boring 13 Boring 14

Rapport 15483D.002 versie 1

Boring 15

Boring 16

Boring 17

Boring 18

Boring 19

Boring 20

Rapport 15483D.002 versie 1

Bijlage 5

Boorprofielen

Rapport 15483D.002 versie 1

Bijlage 5

Boorstaten

01 X: Y:

02 234755,00 443764,00

19,7

0

m +NAP

X: Y: 0

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag 45 55

50

70

100 120

234786,00 443725,00

19,7

0

m +NAP

0

30 45

Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, BRGR, zeer zwak ontwikkelde B-horizont, meer beek-/gooreerdgrond

50

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBR, zeer zwak ontwikkelde BC-horizont

100

100 120

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBRGR, C-horizont, dekzandafzettingen

150

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBR, zeer zwak ontwikkelde BC-horizont of al C-horizont Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBRGR, C-horizont, dekzandafzettingen Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen 200

200

03 X: Y:

04 234816,00 443685,00

19,6

X: Y:

m +NAP

19,6 0

0

40

50

60

95

100

110

150

150

234847,00 443645,00

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGRBR, geroerde/verstoorde laag, slootdemping? Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, DRGRWI, geroerde/verstoorde laag, slootdemping? Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, DRGR, geroerde/verstoorde laag, slootdemping?

m +NAP 0

0

35

50

55

95

100 120

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBR, zeer zwak ontwikkelde BC-horizont of al C-horizont Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBRGR, C-horizont, dekzandafzettingen Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

Zand, zeer fijn, zwak siltig, BRGR, geroerde/verstoorde laag, slootdemping? Zand, matig fijn, zwak siltig, LIGROR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

05 X: Y: 0

06 234878,00 443606,00

19,7

m +NAP

X: Y: 0

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

0

234831,00 443601,00

19,7

m +NAP

0

35

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGRBR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

70

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen

45

50 85

100 120

Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, BRGR, geroerde/verstoorde laag Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGRBR, C-horizont, dekzandafzettingen Zand, matig fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

150

200

200

Projectcode: 15483D.002

50

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

100 120

Bijlage 5

Boorstaten

07 X: Y:

08 234800,00 443640,00

19,6

X: Y:

m +NAP

30

50 75

m +NAP

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGRBR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

100

19,7

0

0

0

234769,00 443680,00 0

35

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

70

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen

50

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

100 120

120

09 X: Y:

10 234739,00 443720,00

19,5

X: Y:

m +NAP

19,6

m +NAP 0

0

0

0

234692,00 443715,00

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

75

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBR, C-horizont, dekzandafzettingen Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

100

50

50

45

50

30

100

100

120 120

11 X: Y: 0

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBR, zeer zwak ontwikkelde BC-horizont of al C-horizont Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBRGR, C-horizont, dekzandafzettingen Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

12 234722,00 443676,00

19,7

m +NAP

X: Y:

19,6

0

30 40

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGRBR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

80

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBRGE, zeer zwak ontwikkelde BC-horizont of al C-horizont, enigszins geroerd/verstoord

120

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen

50

100

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, C-horizont, dekzandafzettingen

Projectcode: 15483D.002

234753,00 443636,00

0

m +NAP 0

35

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGRBR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen

50 80

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, C-horizont, dekzandafzettingen

100 120

Bijlage 5

Boorstaten

13 X: Y:

14 234784,00 443597,00

19,6

X: Y:

m +NAP

19,6 0

0

35

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGRBR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

70

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen

100

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, C-horizont, dekzandafzettingen

50

100

234767,00 443552,00

Zand, matig fijn, zwak siltig, GR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

150

m +NAP 0

0

35

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGRBR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

70

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen

50

Zand, zeer fijn, matig siltig, LIGR, C-horizont, dekzandafzettingen

100

110

Zand, matig fijn, zwak siltig, GR, Cr-horizont, dekzandafzettingen 150

200

200

15 X: Y:

16 234737,00 443591,00

19,7

0

200

200

m +NAP

X: Y:

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGRBR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

70

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen

100

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, C-horizont, dekzandafzettingen

50

100

19,5

0

30

120

234706,00 443631,00

Zand, matig fijn, zwak siltig, GR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

m +NAP 0

0

35

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

70

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen

100

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, C-horizont, dekzandafzettingen

50

100

120

17 X: Y: 0

18 234675,00 443671,00

19,7

m +NAP

X: Y: 0

35

50

Zand, zeer fijn, zwak siltig, GR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

50

90

100

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBRGE, zeer zwak ontwikkelde BC-horizont of al C-horizont Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, C-horizont, dekzandafzettingen

150

0

234673,00 443637,00

19,7

m +NAP

0

35

50

50 70

100

100 120

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag Zand, zeer fijn, zwak siltig, BR, zeer zwak ontwikkelde Bp-horizont, meer beek-/gooreerdgrond, enigszins geroerd/verstoord Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBR, zeer zwak ontwikkelde BC-horizont Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGRBR, C-horizont, dekzandafzettingen Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

200

200

Projectcode: 15483D.002

Bijlage 5

Boorstaten

19 X: Y: 0

20 234696,00 443592,00

19,7

m +NAP

X: Y:

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGRBR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag

70

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIBRGR, C-horizont, dekzandafzettingen

100

Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, C-horizont, dekzandafzettingen

50

100

19,6

0

30

120

234720,00 443548,00

Zand, zeer fijn, zwak siltig, GR, Cr-horizont, dekzandafzettingen

0

m +NAP 0

40

50 70

100

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, DRGR, Ap-horizont, huidige bouwvoor, ploeglaag Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGEGR, C-horizont, dekzandafzettingen Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGR, C-horizont, dekzandafzettingen

110

Zand, matig fijn, zwak siltig, LIGR, Cr-horizont, dekzandafzettingen 150

200

Projectcode: 15483D.002

200

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14248316/1