CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp brouwhuizen fase 2 toelichting

Gemeenteraad 19 december 2023, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Brouwhuizen, fase 2'23.874 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

24

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 verduurzaming van bestaande woningen en een combinatie van circulair en natuurinclusief bouwen. 3.5.1.2 Conclusie Woonvisie 2023-2027 Het plan voorziet in het bouwen van meer woningen op een duurzame, klimaatbestendige manier. Het plan voorziet in een gevarieerd woningaanbod voor verschillende doelgroepen. In bijlage 7 van de woonvisie is de planvoorraad van de gemeente opgenomen. Brouwhuizen fase 2 is in die voorraad meegenomen. Daarin is opgenomen dat met het plan binnen de genoemde categorieën woningen alleen wordt voorzien in 15 woningen betaalbare koop (tot € 355.000). Over de gehele planvoorraad gekeken wordt voldaan aan de gevraagde verdeling sociale huur en betaalbare koop. Hiermee wordt geconcludeerd dat voorliggend plan past in de algehele planvoorraad en ambities van de Woonvisie 2023-2027. 3.5.2

Economische visie - Economie Voorop!

3.5.2.1 Algemeen Een sterke economie is een van de belangrijkste voorwaarden om te kunnen blijven bouwen aan een gezonde gemeente. Werk is daarbij een van de belangrijkste pijlers. Werk biedt mensen de kans tot ontwikkeling, het bevordert de integratie, biedt sociale contacten en structuur en betrekt de burger bij de samenleving. Participatie, zelfontplooiing en inkomen staan in nauwe relatie tot gezondheid en welzijn. De gemeentelijke rol ligt in het nemen van verantwoordelijkheid voor het algemene vestigingsklimaat, het faciliteren en stimuleren van ondernemerschap, bijdragen aan netwerken en verbindingen in de regio, bijdragen aan de verbinding onderwijs en arbeidsmarkt, zorgen voor goede woonvoorzieningen en geschikte werklocaties. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Oost Gelre is de Economische visie tot stand gekomen. De ontwikkelingen nu en in de toekomst van onze gemeente zijn aanleiding geweest om te onderzoeken waar de gemeente Oost Gelre op dit moment staat, wat al wordt gedaan en wat er de komende jaren moet worden aangepakt om een aantrekkelijke gemeente te blijven en nog aantrekkelijker te worden voor huidige en nieuwe inwoners en ondernemers. De opgestelde economische visie bestaat uit een aantal speerpunten waar de focus op gelegd wordt en de hierbij behorende doorvertaling in concrete acties en inspanningen.

De economische uitvoeringsagenda is een zogenoemd 'levend document', dat na vaststelling bijgewerkt en aangevuld kan worden. 3.5.2.2 Conclusie Economische visie - Economie Voorop! Met het plan wordt voorzien in goede woonvoorzieningen. Binnen de economische visie wordt dit gezien als één van de kerntaken van de gemeente. Met het plan wordt derhalve voldaan aan de Economische visie – Economie Voorop!. 3.5.3

Welstandsbeleid Oost Gelre 2017

3.5.3.1 Inleiding Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren". Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven.

Toelichting (vastgesteld)

25

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. 3.5.3.2 Toetsing van het plan aan het Welstandsbeleid Bij de aanvraag omgevingsvergunning worden de woningen getoetst aan het Welstandsbeleid. Zo wordt voldaan aan het Welstandsbeleid Oost Gelre 2017. 3.5.4

Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020

3.5.4.1 Algemeen Cultuur en erfgoed dragen bij aan de economie en de maatschappij. Zij dragen bij aan het toerisme en aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en bewoners. Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten. Het doel van de nota is het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit: op een goede wijze kan worden doorgegeven aan de volgende generatie; een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen; een verbinding vormt tussen diverse beleidsterreinen, organisaties en de drie gemeenten; de identiteit onderstreept en versterkt. 3.5.4.2 Conclusie Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020 Bij de ontwikkeling zijn geen monumentale of karakteristieke panden betrokken. Het plan past binnen Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020.

3.5.5

Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024

3.5.5.1 Inleiding Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst. De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen.

Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma. 3.5.5.2 Conclusie Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024 In voorliggend geval zijn de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling van belang. In paragraaf 4.11 wordt hier nader op ingegaan.

26

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

3.5.6

Landschapsontwikkelingsplan 'Groen licht voor het Landschap'

3.5.6.1 Aanleiding Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap. Die visie in het LOP is in hoofdlijnen: 'Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort wat!' In het Visiedeel van het landschapsontwikkelingsplan is aangegeven dat het plangebied is gelegen in het landschaps-ensemble 'Groenlo - Slingerland'. Hierna wordt ingegaan op het landschaps-ensemble. 3.5.6.2 Groenlo- Slingerland Voor het landschaps-ensemble Groenlo Slingerland geldt: Vang de dynamiek in deze zone op door elke ingreep in de overgang van stad naar het landschap te verevenen met een kwaliteitsverbetering op de plek en de omgeving daarvan: voor wat, hoort wat! Het landschaps-ensemble wordt verdeeld in twee gebieden, het noorden en het zuiden. Het plangebied is gelegen in het noordelijke deel.

Noord- en Oost: scholten Groenlo ligt in een laagte (het dal van de Slinge) in de plateaurand. Dit bood strategische kansen voor verdediging, maar ook voor handel in de routes om het natte midden van de Achterhoek heen. Landschappelijk vormt het de overgang tussen het plateau en het nat, waarbij met name de noord- en oostzijde de karakteristieken van het plateau hebben. Vandaar dat daar wordt aangesloten bij de scholten, de grotere boerderijen op het plateau, met de traditionele elite als belangrijke factor in zowel het sociaal-economisch leven, als in het landschap. Lanen, bossen, grotere boerderijen en natuurlijk de hoogteverschillen van het plateau kenmerken het landschap. Zo kan het beeld van kale industrie, die nu het aanzicht van de stad voor passanten geheel bepaalt, op termijn worden omgebogen tot de stad van allure, die het eertijds geweest moet zijn. Inspiratiebron kan de omwalling met z’n eeuwenoude eiken zijn. In die nieuwe “circumvallatie” van parkachtig groen kan dan de nieuwe vormgeving van wonen, werken en andere stedelijke functies worden ingebed, zodat ze, net als de oude vestingwerken, weer allure geven aan de stad in een nieuwe gordel van “scholterandschap”. 3.5.6.3 Conclusie Landschapsontwikkelingsplan 'Groen licht voor het Landschap' Brouwhuizen fase 2 gaat uit van een woongebied met een open ruimtelijke relaties naar haar omgeving.

De nadruk ligt hierbij op veel groen en klimaatbestendigheid. Daarom is bewust gekozen voor de introductie van robuuste groene verbindingen (ook tussen de kavels) en enkele markante zichtlijnen. Het (Grolsche) groen functioneert daarmee als een verbindende factor in deze laatste fase van Brouwhuizen. Doordat de groene zones lager liggen ten opzichte van de woningen is het tevens de eerste opslag/buffer van het hemelwater. Loofbomen en struiken kunnen 30% van het regenwater opvangen. Zo wordt het regenwater langer vast in het gebied vastgehouden. Tevens wordt hierdoor aangesloten bij het LOP waarin de gemeente wil inzetten op een overgang van het stedelijke gebied naar het landelijke gebied.

Toelichting (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

3.5.7

Beleidsvisie Externe veiligheid

3.5.7.1 Inleiding Als gevolg van enkele rampen en incidenten, zoals de vuurwerkramp in Enschede, is externe veiligheid een belangrijk thema geworden. Deze rampen en incidenten hebben ertoe geleid dat de Rijksoverheid diverse maatregelen heeft genomen om acht te krijgen op de risicobronnen in Nederland en het optimaliseren van de risicobeheersing rondom de risicobronnen. Maatschappelijk gezien hebben deze rampen eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van het leven met veiligheidsrisico's. Helder is dat de huidige maatschappij nu eenmaal veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar dat er wel grenzen aan deze risico's gesteld moeten worden. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente allereerst haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om de geformuleerde ambities te realiseren en welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet. De maatregelen worden uitgewerkt in andere gemeentelijke documenten (bestemmingsplannen / streekplannen, milieuvergunningen en rampenbestrijdingsplannen). In die zin bestrijkt de beleidsvisie zowel de beheersing van risico's als de bestrijding van een ramp wanneer die zich voordoet. 3.5.7.2 Conclusie Beleidsvisie Externe veiligheid In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op de externe veiligheidsrisico in relatie tot de woningbouwontwikkeling. 3.5.8

Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre

3.5.8.1 Inleiding Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven. Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering.

Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing. 3.5.8.2 Toetsing van het plan aan het Geluidsbeleid Oost Gelre In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect geluidshinder door weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op milieuhinder, waaronder geluid, van omliggende bedrijfsmatige functies.

28

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

3.5.9

Conclusie

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in overeenstemming met de relevante gemeentelijke beleidskaders.

Toelichting (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

Hoofdstuk 4

Uitvoeringsaspecten

4.1

Archeologie en Cultuurhistorie

4.1.1

Wettelijk kader

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart.

Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld. 4.1.2

Situatie plangebied

4.1.2.1 Archeologie Zoals in paragraaf 1.4 is vermeld heeft het plangebied in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3'. Het betreft een doorvertaling van de archeologische beleidskaart van gemeente Oost Gelre. Opgemerkt wordt dat in februari 2022 het Parapluplan Archeologie wordt vastgesteld door de gemeenteraad van Oost Gelre. Het parapluplan voorziet in een aangepast vergunningstelsel ten aanzien van het archeologiebeleid en vervangt de archeologische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan “Woonwijken Lichtenvoorde”. Binnen het parapluplan hebben de gronden in het plangebied de bestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2', 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 4' . De gronden met een archeologische dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem. Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft Laagland Archeologie VOF een archeologisch inventariserend veldonderzoek ter plaatse van het plangebied uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 2 van deze toelichting.

30

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

Onderzoeksresultaten Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van het oostelijk deel van het plangebied. In dat deel van het plangebied was ongeveer in de periode 1880 tot 1950 bebouwing, waaronder een windmolen. De archeologische verwachting van het oostelijk deel van het plangebied, kan ondanks het aantreffen van een onverstoorde enkeerdgrond naar beneden worden bijgesteld. Verder is nergens een intact bodemprofiel aangetroffen. In dat deel van het plangebied was ongeveer in de periode 1880 tot 1950 bebouwing, waaronder een windmolen. Dit mogelijk onverstoorde deel van het terrein is ook al eerder onderzocht met een proefsleuvenonderzoek waarbij slechts weinig sporen zonder duidelijke context zijn aangetroffen. Het archeologisch belang hiervan is laag. Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. 4.1.2.2 Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht.

De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig. 4.1.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. De gronden zijn voor het overgrote deel van het plangebied reeds geroerd. De archeologische bestemming wordt verwijderd. De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.2

Bodem

4.2.1

Wettelijk kader

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 Achterhoek. 4.2.2

Situatie plangebied

Door Rouwmaat Groep is een verkennend (water) bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. In 4.2.2.1 worden de onderzoeksresultaten puntsgewijs weergeven. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. 4.2.2.1 Onderzoeksresultaten In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. De hypothese voor het bodemonderzoek “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels aangenomen. In de grond(meng)monsters van de bovengrond voldoen de aangetroffen gehalten PFAS aan de normering voor ‘vrije’ toepassing op land of Wonen. Bij het asbestonderzoek zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de grove als in de fijne fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. De hypothese voor het asbestonderzoek “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als heterogeen verdacht worden beschouwd” wordt verworpen. Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen.

Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Deze zijn geformuleerd in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt. 4.2.3

Conclusie

Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3

Water

4.3.1

Wettelijk kader

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen).

Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water. 4.3.2

Waterparagraaf

4.3.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.2.2 Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording hiervan heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. Op basis van de locatie en gegeven antwoorden blijkt dat waterschapsbelangen worden geraakt. De bij het plan behorende watertoetsresultaat is opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting.

De plannen zijn voor advies naar het waterschap toegestuurd en reeds besproken. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste aspecten. Wateraspecten Riolering en Afvalwaterketen Ten noorden van het plangebied ligt een persleiding van het waterschap. De persleiding ligt buiten het

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In overleg met het Waterschap Rijn en IJssel is overlegd dat er zone van 3 meter uit het hart van de leiding wordt gehouden. Daarnaast wordt de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' opgenomen uit het geldende bestemmingsplan ter bescherming van de persleiding. Wateroverlast Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met ongeveer 7.975 m2. In afbeelding 4.1 is het totaal oppervlak aan verharding weergegeven.

Afbeelding 4.1 Totaal oppervlak verharding (Bron: Brouwhuizen VOF)

Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het hemelwater van de parkeerplaatsen en voetpaden wordt ter plaatse geïnfiltreerd en geborgen in de halfverharding (grasbetonstenen). Voor de waterbergingscapaciteit is er rekening gehouden met 70% van het totaal aan halverharding. In totaal wordt er 6.145 m2 aan verharding en 1.830 m2 aan halfverharding toegevoegd in het plangebied. Voor de toename van de verharding in het plangebied is waterberging nodig. Hiervoor zijn wadi's in het ontwerp opgenomen. Deze dienen voldoende bergingscapaciteit te hebben voor T100+10% situatie. Dat is 80 mm berging. Op basis van het oppervlakte aan verharding is 492 m3 aan waterberging nodig. Voor het oppervlakte aan halfverharding is 146 m3 aan waterberging nodig. In afbeelding 4.2 is aangegeven waar de wadi's worden gerealiseerd en wat het totaal aan waterbergingscapaciteit is.

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

Afbeelding 4.2 Totaal oppervlak waterberging (Bron: Brouwhuizen VOF) In totaal hebben de wadi's een bergingscapaciteit van 712 m3. Dit is ruim voldoende voor de toename van de verharding in het plangebied. Oppervlaktewater en Oppervlaktewaterkwaliteit Ten noorden van het plangebied loopt de Groenlose Slinge. Het gebied rondom deze beek is aangemerkt als waterbergingsgebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de Groenlose Slinge en ook niet van het waterbergingsgebied. De grens van het plangebied ligt tegen de grens van het waterbergingsgebied. Vanuit het plangebied wordt hemelwater op wadi's geloosd (zie ook wateroverlast). Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Grondwateroverlast Op basis van de geologische overzichtskaarten en grondwaterkaart van Nederland kan het volgende beeld van de bodemopbouw worden geschetst. Het maaiveld bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland op een hoogte van circa 23,50 m +NAP. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 22,00 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,50 m -mv zou bevinden. Uit de grondwaterkaarten van TNO blijkt dat de regionale grondwaterstromingsrichting noordwestelijk is gericht. Het grondwater is voor zover bekend niet onderhevig aan invloeden van buitenaf.

Voor het bouwrijp maken wordt het gehele plangebied geëgaliseerd, waardoor het maaiveld op 23,50 m +NAP. 4.3.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

4.4

Klimaatadaptatie

4.4.1

Wettelijk kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met klimaatadaptatie. In de 'Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016' (NAS), het Uitvoeringsprogramma NAS (maart 2018) en sinds juni 2018 in een hoofdstuk Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) in het Deltaprogramma worden telkens vier belangrijke effecten van de klimaatverandering genoemd: wateroverlast (extreme neerslag); droogte; hittestress; en waterveiligheid (overstromingen). Klimaatadaptatiemaatregelen binnen een ontwikkeling zullen moeten bijdragen aan het terugdringen of ten minste beheersbaar houden van deze effecten. Gemeente Oost Gelre heeft in samenwerking met Waterschap Rijn en IJssel de effecten van klimaatverandering voor de gemeente in kaart gebracht in de 'Klimaatatlas Oost Gelre'. De klimaatatlas is een belangrijk hulpmiddel om te toetsen in hoeverre klimaatadaptatiemaatregelen effecten terugdringen of ten minste beheersbaar houden. Binnen de atlas komen extreme neerslag (wateroverlast), droogte, hitte en waterveiligheid (overstromingen) voor het jaar 2050 aan bod. 4.4.2

Situatie plangebied

Het plangebied is geanalyseerd met behulp van de Klimaatatlas Oost Gelre. Hieronder zijn de conclusies per aspect gegeven. 4.4.2.1 Wateroverlast (extreme neerslag) Bij wateroverlast hebben we het over extreme neerslag. Er is gekeken naar korte (2 uur) en lange buien (48 uur) in het jaar 2050. Voor de lange buien geldt dat het plangebied begaanbaar blijft en panden maar een klein risico lopen. Dit is het geval voor twee scenario's: 120 mm in 48 uur (kans 1x per 100 jaar) en 160 mm in 48 uur (kans 1x per 1000 jaar). Voor de korte buien is gekeken naar een tijdsduur van 1 en 2 uur, met respectievelijk 70 mm neerslag (kans 1x per 100 jaar) en 160 mm neerslag (kans 1x per 1000 jaar) voor het jaar 2050. Voor deze buien ligt het plangebied in een relatief kwetsbaar gebied waarbij panden een gemiddeld tot groot risico lopen en wegen onbegaanbaar worden. Maatregelen om dit tegen te gaan zijn daarom ook nodig. In paragraaf 4.3 is aangegeven hoe om wordt gegaan met de belangrijkste aspecten van deze wateroverlast. Zo wordt daar omschreven hoe het plan voorziet in voldoende waterberging voor extreme neerslag van 80 mm. 4.4.2.2 Droogte Voor droogte is het van belang om te weten hoe diep het grondwater zit, zodat planten en gewassen tussen regenbuien door hieruit water kunnen onttrekken. Bij te diep grondwater is dat immers niet mogelijk en droogt de omgeving uit.

Ook funderingen van gebouwen kunnen schade oplopen bij een te lage grondwaterstand. In de atlas is te zien dat de grondwaterstand van het gebied tussen 1,2 en 2,5 meter onder maaiveld zit. De geologische overzichtskaarten en grondkaart van Nederland schatten het grondwater op ongeveer 1,5 meter. Daarmee is het plangebied als beperkt droogtegevoelig te bestempelen. Zoals in paragraaf 3.5.6 is omschreven over de versterking van het landschap wordt voor het plan uitgegaan van robuuste groene verbindingen welke lager liggen ten opzichte van de woningen. Zo kunnen de voorziene loofbomen en struiken in deze groene verbindingen: (1) een aanzienlijk deel van het regenwater opvangen, (2) het regenwater langer vasthouden, (3) de bodem beschermen van rechtstreeks zonlicht. Dit alles gaat de droogte in het plangebied tegen.

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

4.4.2.3 Hittestress Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt welke zorgt voor gezondheidsrisico's. Langdurig aanhoudende hitte kan leiden tot klachten als vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn. Er bestaat ook verhoogde kans op uitdroging en oververhitting. In het ergste geval kunnen mensen hieraan overlijden. In de fysieke omgeving verhoogt de aanwezigheid van verhard oppervlak de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Het plangebied beslaat circa 4 hectare. Met het plan wordt hiervan circa 6.145 m² verhard en ongeveer 1.830 m² half-verhard (toepassing open-verharding zoals grasbeton). In het plangebied wordt ongeveer 1.825 m² aan wadi voorzien, ongeveer 425 m² aan sloten voorzien, en ongeveer 6.600 m² aan robuust groen voorzien. Er worden met het plan 136 bomen voorzien, waarvan 40 bestaande bomen welke behouden blijven. Er is hier nog geen rekening gehouden met groene voor- en achtertuinen, welke ook een aanzienlijk deel van het plangebied beslaan. Erfafscheidingen op de grenzen van kavels, voor zover nodig worden geacht door bewoners, zullen groen uitgevoerd moeten worden. Met de aangegeven verhouding verhard en onverhard wordt aantoonbaar geacht dat het plan voorzien is om te gaan met hittestress.

De hoeveelheid water en groen zal de (gevoels-)temperatuur in het gebied aanzienlijk verminderen. 4.4.2.4 Waterveiligheid (overstromingen) In de nabijheid van de planlocatie zijn geen dijken of andere (regionale) waterkeringen aanwezig. Ten noorden van het gebied loopt de 'Groenlose Slinge'. Het gebied rondom deze beek is aangemerkt als waterbergingsgebied. Het plangebied maakt echter geen onderdeel uit van de Groenlose Slinge of het bijbehorende waterbergingsgebied. Waterafvoer vanuit de waterberging in het plangebied vindt wel plaats via de beek. Dit gebeurt volgens de trits 'vasthouden – bergen – afvoeren'. Het plan maakt tot slot geen functies mogelijk welke tot verslechtering van de waterkwaliteit zullen leiden. Een en ander wordt ook behandeld in paragraaf 4.3.2 van deze toelichting. 4.4.3

Conclusie Klimaatadaptatie

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorziene ontwikkeling niet in strijd is met de geldende instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening.

4.5

Geluid

4.5.1

Kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.5.2

Situatie plangebied

Woningen worden op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Doordat er 50 geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd, is het van belang om te bepalen of er ter plaatse van de woningen mogelijk sprake is van geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en/of industrielawaai. Hierna wordt nader op deze aspecten ingegaan.

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

4.5.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in de onderstaande tabel. Wettelijke geluidszone van wegen: Aantal rijstroken

Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 m

250 m

3 of 4 rijstroken

350 m

400 m

5 of meer rijstroken

350 m

600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied binnen de wettelijke geluidszone van de wegen Rijksweg N18, de doorgaande route Eibergseweg/Twenteroute en de Eibergseweg (kern). Verder is het plangebied gelegen binnen de invloedsfeer van de 30 km/uur wegen Eibergseweg en Brouwhuis. In dit geval is door Kragten een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 5 van deze toelichting. In dit onderzoek worden de geluidsbelastingen gepresenteerd ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Vossenschanslaan, Johan de Wittlaan, de Steinhagenseweg en het spoor. Daarnaast zijn ook de geluidsbelastingen vanwege nabijgelegen 30 km/uur wegen bepaald en in analogie aan de Wet geluidhinder beoordeeld. Onderzoeksresultaten De berekende geluidsbelastingen van de Eibergseweg / Twenteroute en de Eibergseweg respecteren de voorkeurswaarde van 48 dB. Ten gevolge van de Rijksweg N18 bedraagt de berekende geluidsbelasting ten hoogste 53 dB inclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder. Hiermee wordt de voorkeurswaarde niet gerespecteerd. Echter de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt gerespecteerd.

Maatregelen ten einde van het verlagen van de geluidsbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren. Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidswering van de gevel zal moeten blijken of de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel (Ga;k ) voldoet aan de eisen uit het bouwbesluit. Nieuwbouw is enkel mogelijk als door het bevoegd gezag, de gemeente Oost Gelre, een hogere waarde wordt vastgesteld vanwege de Rijksweg N18. Goede ruimtelijke ordening In het kader van goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen inzichtelijk gemaakt. Voor de cumulatieve geluidsbelasting zijn zowel zoneplichtige als de niet-zoneplichtige wegen beschouwd. De cumulatieve geluidsbelastingen (exclusief aftrek 110g van de Wet geluidhinder) bedragen ten hoogste 58 dB. Geadviseerd wordt om middels een aanvullend akoestisch onderzoek aan te tonen dat de gevels met een gecumuleerde geluidsbelasting van meer dan 53 dB wel een voldoende geluidswering (Ga;k ) hebben zodat een binnenniveau van 33 dB gerespecteerd blijft. 4.5.2.2 Industrielawaai Ten noorden van het plangebied is het industrieterrein 'Regionaal bedrijvenpark Laarberg en Den Sliem' gelegen. Dit betreft een gezoneerd bedrijventerrein.

In dit geval is door Kragten een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd ten gevolge van het zoneringsplichtige geluidbronnen waarvan de zone het plangebied overlapt.

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

Onderzoeksresultaten Ten gevolge van het industrieterrein 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg en Den Sliem' bedraagt de berekende geluidsbelasting ten hoogste 54 dB(A). De voorkeurswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt gerespecteerd. Maatregelen ten einde van het verlagen van de geluidsbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren. Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidswering van de gevel zal moeten blijken of de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel (Ga;k ) voldoet aan de eisen uit het bouwbesluit. Nieuwbouw is enkel mogelijk als door het bevoegd gezag, de gemeente Oost Gelre, een hogere waarde wordt vastgesteld vanwege het industrieterrein. 4.5.2.3 Railverkeerslawaai Het plangebied ligt op circa 4,2 kilometer ten oosten van de dichtstbijzijnde spoorlijn 'Winterswijk – Zutphen'. Voor de betreffende spoorlijn geldt volgens het geluidregister ter plaatse een geluidproductieplafond van 64,1 dB. Op basis van het Besluit geluidhinder spoorwegen (Bgs) geldt bij geluidproductieplafonds gelijk aan of groter dan 61 dB en kleiner dan 66 dB een wettelijke geluidszone van 300 meter, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf. In voorliggend geval is het aspect railverkeerslawaai dan ook niet van belang, aangezien het plangebied niet binnen de wettelijke geluidszone van een spoorlijn ligt.

4.5.2.4 Gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Oost Gelre heeft een hogere waarde beleid opgesteld in de 'Beleidsregel - Hogere geluidswaarde Afdeling Bouwen en Milieu', eenheid milieu (BMRK-0800036)'. In dit beleidsstuk is vastgelegd onder welke voorwaarden kan worden meegewerkt aan het vaststellen van een hogere waarde. Overeenkomstig de voorwaarden blijkt dat het onderhavige plan voldoet aan de voorwaarden b5 evenals industrielawaai onder 4. Aanvullend wordt de eis gesteld dat ten minste één geluidluwe (binnen)gevel aanwezig moet zijn, hier dient bij de indeling rekening mee te worden gehouden. Tevens dient de gecumuleerde geluidsbelasting als basis gehanteerd te worden voor het bepalen van de geluidwering van de gevel (GA;K) ten einde aan de eisen van het bouwbesluit te voldoen. 4.5.3

Conclusie

Na het verlenen van een hogere waarde voor de van toepassing zijnde toetspunten vormt het aspect geluid vanwege de omliggende wegen en gezoneerd industrieterrein 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg en Den Sliem' geen belemmering voor de realisatie van het plan. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning dient nog aanvullend akoestisch onderzoek te worden verricht waarin wordt aangetoond dat de gevels voldoende geluidwerend zijn.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Wettelijk kader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

4.6.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.6.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.6.2

Situatie plangebied

4.6.2.1 Niet in betekende mate In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met categorieën van gevallen, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Om het vorenstaande aan te tonen kan een NIBM-berekening worden uitgevoerd. Om deze uit te voeren dient de verkeersgeneratie van het voornemen inzichtelijk te worden gemaakt. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: •

Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk / gemeente Oost Gelre (Bron: CBS Statline);

•

Stedelijke zone: rest bebouwde kom.

Functie

Verkeersgeneratie per Aantal woningtype per weekdag (gemiddelde)

Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdag (gemiddelde)

Koop, vrijstaand

8,2

9

73,8

Koop, twee-onder-een-kap

7,8

10

78

Koop, tussen/hoek

7,4

12

88,8

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

Koop, etage, midden

6,0

13

78

Kamerverhuur, zelfstandig

2,1

6

12,6

Totaal

331,2

De totale verkeersgeneratie voor de voorgenomen ontwikkeling komt afgerond neer op gemiddeld 332 (afgerond) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Het aandeel vrachtverkeer is op 10% gezet, voor een worst-case scenario. Aangezien het voornemen uitsluitend de functie 'wonen' betreft wordt verwacht dat het aantal vrachtverkeer in realiteit lager zal liggen. Het aandeel van vrachtverkeer in de aanlegfase is buiten beschouwing gelaten, omdat dit tijdelijk van aard is. De berekening laat het volgende beeld zien.

Gezien het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de verkeersgeneratie als gevolg van dit plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.6.2.2 Gevoelige bestemmingen De voorgenomen te realiseren woningen worden in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen, niet aangemerkt als 'gevoelige bestemming'. Het Besluit gevoelige bestemmingen behoeft geen nadere aandacht. Hierna wordt ingegaan op de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 4.6.2.3 Luchtkwaliteit Op basis van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km² de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor het plangebied worden weergegeven in de onderstaande tabel.

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

Parameter

Achtergrond-wa Achtergrond- Grenswaard Grenswaard WHO Voldoet arde [µg/m3] waarde e [µg/m3] e wet advieswaarde [ja/nee] 2021 [µg/m3] 2030 Milieubeheer [µg/m3] [µg/m3]

Stikstofdioxide 10,21 NO2

7,59

40

40

10

Ja

Zwevende deeltjes PM10

15,53

12,79

40

40

15

Ja

Zwevende deeltjes PM2,5

8,45

6,76

25

25

5

Ja

Uit voorgaande tabel blijkt dat in het plangebied voor de stoffen NO2 (stikstofdioxide) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruimschoots wordt voldaan aan de Wettelijke grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Ten aanzien van alle genoemde stoffen wordt tevens voldaan aan de advieswaarden van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie). Echter wordt anno 2021 net niet voldaan aan de advieswaarde van de WHO. In de tabel is te zien dat er sprake is van een dalende trend en deze daling ook tot 2030 wordt verwacht. Voor het jaar 2030 wordt voor de achtergrondconcentratie NO2 en PM10 voldaan en voor PM 2,5 een achtergrondconcentratie van maximaal 6,76 ìg/m3 verwacht, waarmee het aannemelijk is dat in de nabije toekomst eveneens wordt voldaan aan de advieswaarden van de WHO. 4.6.3

Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Ecologie

4.7.1

Inleiding

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. In navolgende paragrafen wordt eerst ingegaan op gebiedsbescherming en vervolgens op soortenbescherming. 4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De locatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt ten oosten van het plangebied op circa 5.8 kilometer afstand. Dit betreft het Natura 2000-gebied “Korenburgerveen”. Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebied is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Er is daarom door BJZ.nu een stikstofdepositieberekening gemaakt met behulp van de AERIUS Calculator. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 6. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.2.2 Gelders Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan.

Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO. Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO. In juli 2022 heeft er een herbegrenzing plaatsgevonden van het GNN en GO. De begrenzing van het GNN en GO lag namelijk abusievelijk binnen de begrenzing van het plangebied. Deze omissie is door de provincie Gelderland hersteld (Bijlage 7). De begrenzing van het GNN en GO ligt buiten het plangebied. 4.7.3

Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurtoets en een aanvullend onderzoek naar de teunisbloempijlstaart vlinder uitgevoerd. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. De volledige rapportages zijn opgenomen in Bijlage 8 en Bijlage 9. 4.7.3.1 Quickscan natuurtoets Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die mogelijk leiden tot een negatief effect op bezette vogelnesten, dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'vangen' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten.

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vogels af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties. 4.7.3.2 Aanvullend onderzoek Teunisbloempijlstaart vlinder Uit het bronnenonderzoek kwam een melding van de teunisbloempijlstaart uit 2020 naar voren. Deze was waargenomen op 1,5 km afstand van het plangebied. Omdat teunisbloemen vrij algemeen voorkomen in het plangebied, kan de aanwezigheid van deze soort niet op voorhand uitgesloten worden. Deze soort is beschermd. Voor het beschadigen van functioneel leefgebied en het doden van vlinders en rupsen/poppen, is een ontheffing vereist. Ook mag de soort niet verstoord worden. Er zijn tijdens het onderzoek geen teunisbloempijlstaarten waargenomen en er zijn geen rupsen van de teunisbloempijlstaart aangetroffen. Ook zijn geen uitwerpselen van rupsen van de teunisbloempijlstaart op teunisbloemen waargenomen en zijn geen planten aangetroffen waar bloemen aangevreten lijken te zijn. Het verder bouwrijp maken van het plangebied, waarbij grondverzet wordt uitgevoerd, leidt niet tot het verstoren van teunisbloempijlstaarten of tot het doden van rupsen of poppen van de teunisbloempijlstaart. 4.7.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

4.8.1

Kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. Deze afstemming beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.8.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Het vertrekpunt vormt in algemene zin de afstand behorend bij een rustige woonwijk en een rustig buitengebied. De richtafstanden die hierbij behoren, kunnen echter met één stap worden verkleind indien er sprake is van een gemengd gebied. Argumentatie gemengd gebied Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Groenlo in de geluidszone van de N18, op korte afstand van de milieucontouren van omliggende bedrijven en binnen het gezoneerde bedrijventerrein van Groenlo.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13588376/1