bp bommelwereld regels en toelichting
Tekst van het document
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Dit aspect speelt wanneer geluidgevoelige objecten en geluid producerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd. 4.5.4
Gemeentelijk geluidbeleid
Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven. Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing.
28
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld 4.5.5
Conclusie
Voorliggend plan betreft de realisatie van een dagrecreatieve voorziening. Hiermee wordt geen nieuw geluidgevoelig object toegevoegd en deze voorziening vormt ook geen beperking voor omliggende bedrijven (zie mede ook de volgende paragraaf over 'Bedrijven en milieuzonering'). Deze voorziening komt wel nabij een woning van derden. Dit is de bedrijfswoning naast het huidige tuincentrum. Deze woning blijft staan en zal als (burger)woning in gebruik blijven. Deze woning ligt nabij de (grote) parkeerplaats. Ter zekerstelling of dit akoestisch gezien past is een onderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek is te vinden in bijlage 17. De conclusie is dat het parkeren op deze locatie prima past naast deze woning. Tot slot is ook gekeken naar het effect van stemgeluid: in bijlage 18 is daar het verslag van na te lezen. Ook stemgeluid valt binnen de normen. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek Om grip te krijgen op het aspect milieuzonering in relatie tot het project Bommelwereld is aansluiting gezocht bij voornoemde uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Bommelwereld komt daar, uiteraard, niet in voor. Bommelwereld verhoudt zich gezien de inrichting, het functioneren en de ruimtelijke uitstraling tussen een attractiepark en een binnenspeeltuin. Een attractiepark valt onder de categorie 'recreatiecentra, vaste kermis' met een indicatieve richtafstand van 300 meter ten opzichte van een rustige woonwijk voor het aspect geluid. De Efteling is bijvoorbeeld een attractiepark en duidelijk is dat Bommelwereld een veel kleiner ruimtelijke effect heeft doordat het recreatieve deel volledig inpandig is. Inpandige recreatiefuncties in voornoemde uitgave zijn een sporthal (grootste afstand 50 m), een bowlingbaan (grootste afstand 30 m) en een zwembad (grootste afstand 50 m). De binnenspeeltuin, waar Bommelwereld ook op lijkt, komt niet voor in de uitgave. Voor Bommelwereld wordt op basis van voorstaande een indicatieve grootste afstand aangehouden van 100 m voor het aspect geluid. Dat geldt voor woningen in een rustige woonwijk.
Binnen deze 100 m zijn twee woningen gelegen: de eigen bedrijfswoning direct náást Bommelwereld en de huidige (bedrijfs)woning naast het tuincentrum welke op basis van voorliggend bestemmingsplan tot Wonen wordt bestemd (dus zónder een rol als bedrijfswoning). In het kader van milieuzonering hoeft met de eigen bedrijfswoning verder geen rekening te worden gehouden. De andere woning is de woning die
HEADELEMENT (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Bommelwereld nu naast het tuincentrum is gelegen. Deze tot bedrijfswoning bestemde woning wordt nu al gebruikt zonder een relatie met het naastgelegen bedrijf, dus als burgerwoning. Deze woning is gelegen in een gemengd gebied met diverse functies nabij, zoals het tuincentrum en ook de manege en het recreatiepark Marveld nabij. Dat blijft na realisatie van de plannen ook een gemengd gebied dat niet als een rustige woonwijk is te zien. De uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' geeft dan aan dat een afstandstap terug gezet kan worden, waardoor de onderzoeksafstand verkleind wordt tot 50 m. Deze woning komt straks, na realisatie van de plannen, te liggen naast het parkeerterrein van Bommelwereld op een afstand kleiner dan deze 50 m. De afstand tot het parkeerterrein wordt circa 30 m. Daarom is ook een akoestisch onderzoek verricht (zie de vorige paragraaf) op basis waarvan blijkt dat voorliggend bestemmingsplan uitvoerbaar is. Voorts hebben de omliggende bedrijven ook een (mogelijk) effect op het verblijfsklimaat van de recreanten te Bommelwereld. De omliggende bedrijven zijn bestemd tot cat. 3.2 volgens 'Bedrijven en milieuzonering' met een grootste indicatieve afstand van 100 m. Het feitelijke milieueffect is, mede doordat rekening moet worden gehouden met omliggende (bedrijfs)woningen, veel kleiner.
Daarnaast kan gelet op het gegeven dat alhier een gemengd gebied is tevens een afstandstap terug gezet worden tot 50 m en binnen deze afstand zijn geen bedrijven gelegen. Hieruit volgt dat het verblijfsklimaat voor de recreanten zeker voldoende zal zijn. Naast het milieuzoneringsaspect van Bommelwereld óp de omgeving is er ook een omgekeerde werking: bedrijven in de omgeving krijgen te maken met deze (nieuwe) functie. Westelijk, aan de andere zijde van de N18 is een bedrijventerrein gelegen. Hier mogen bedrijven komen tot cat. 3.2 met een grootste indicatieve afstand van 100 m tot een gevoelige functie zoals de woonfunctie. Bommelwereld is niet zo'n gevoelige functie. Gelet daarop, als ook gelet op de afstand die voor bijna alle bedrijven tot Bommelwereld al groter is dan 100 m en dat menig bedrijf al rekening moet houden met dichterbij gelegen woningen van derden is er geen reden aan te nemen dat door de ontwikkeling van Bommelwereld omliggende bedrijven in hun functioneren beperkt worden. Sterker: doordat de woning bij de manege weg gaat ontstaat juist (een beetje) extra planologische ruimte. Voorliggend bestemmingsplan is uitvoerbaar op het gebied van milieuzonering.
4.7
Luchtkwaliteit
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM 10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
30
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m 3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%norm komt.
Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 15. Hierin wordt geconcludeerd dat het initiatief ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit van geringe omvang is ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het plangebied is derhalve geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer, zodat sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat en het bestemmingsplan maakt geen gevoelige bestemming mogelijk als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen. Er is hiermee sprake van een goede ruimtelijke ordening wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
4.8
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De gemeentelijke geurverordening en het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn ook onderdeel van het beoordelingskader van geur bij veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking.
Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een nietconcentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
HEADELEMENT (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Bommelwereld Geurnormen en minimumafstanden In de gemeente Oost Gelre gelden voor geurgevoelige objecten de in onderstaande tabel opgenomen geurnormen en minimumafstanden.
Voor woningen en andere geurgevoelige objecten bij veehouderijen geldt in het buitengebied een minimumafstand van 50 meter. Dit is inclusief woningen en andere geurgevoelige objecten die daar op na 19 maart 2000 geen deel meer van uitmaken. Ook voor woningen en andere geurgevoelige objecten die op of na 19 maart 2000 zijn gebouwd in samenhang met de beëindiging van de veehouderij geldt deze minimumafstand van 50 meter.
Planspecifiek Met voorliggend plan wordt een nieuw geurgevoelig object mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven aanwezig. Om te beoordelen of deze bedrijven het verblijfsklimaat in Bommelwereld onaanvaardbaar belasten als ook om te beoordelen of door Bommelwereld het functioneren van deze agrarische bedrijven wordt belemmerd is een geuronderzoek uitgevoerd: zie bijlage 9. De conclusie van dit onderzoek is dat de planlocatie niet belast wordt door geur noch dat de bedrijven belemmerd worden in de ontwikkeling.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur.
4.9
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. Verder geldt er een toetsingskader op basis van:
bedrijven die onder het Besluit risico's zware ongevallen vallen (Brzo);
LPG/LNG-tankstations;
opslagplaatsen (PGS);
ammoniakkoel-/vriesinstallaties;
circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheids-zones (A, B of C) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.
spoorwegemplacementen;
Beleidsvisie externe veiligheid Oost Gelre.
32
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
In het veiligheidsbeleid wordt gewerkt met afstanden of gebieden. Daarbij zijn drie basisbegrippen van belang, te weten:
Plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar: gebied waar plaatsgebonden risiconormen (PR) gelden en getoetst moeten worden;
invloedsgebied: gebied waar beoordeling en verantwoording van het groepsrisico (GR) nodig is;
plasbrandaandachtsgebied: het gebied (PAG) waarin rekening gehouden moet worden met de effecten van een plasbrand.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien deze zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren. Dit zijn lijnen die punten met een zelfde risico met elkaar verbinden op een topografische kaart. Voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) en een richt-waarde voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bepaalde bedrijfsgebouwen).
De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico wordt voor nieuwe kwetsbare objecten gesteld op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar mogen geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Naast de grenswaarde voor kwetsbare objecten geldt de plaatsgebonden risico contour 10-6 per jaar ook als richt-waarde voor beperkt kwetsbare objecten.
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Het GR voor transport is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van tien of meer personen, in de omgeving van een transportroute, in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). De oriëntatiewaarde kan gezien worden als een soort ijkpunt, waarmee de hoogte van het groepsrisico vergeleken kan worden. De verantwoording van het groepsrisico is een plicht voor het bevoegd gezag om naast de omvang van het groepsrisico ook andere aspecten, zoals de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid mee te wegen in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico. Het GR wordt weergegeven in een FN-curve grafiek, waarin op de horizontale as het aantal doden N staat en op verticale as de cumulatieve kans F per jaar op een ongeval waarbij N of meer doden vallen. Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) is het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een zogenaamde plasbrand.
Deze plasbrand kan ontstaan door de ontsteking van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een schip of tankwagen. In de Regeling Basisnet zijn de afstanden van het PAG voor weg, spoor en water vastgelegd. Een PAG geldt alleen voor nieuwe (nog te bouwen) kwetsbare objecten. Indien zich bestaande kwetsbare objecten binnen het PAG bevinden, hoeven deze niet te worden gesaneerd. Bij bouwplannen, die binnen een PAG vallen, zal specifiek moeten worden ingegaan op de effecten van een plasbrand (motivatie verplicht). Hier zouden bijvoorbeeld extra (bouwkundige) maatregelen kunnen volgen. Het PAG is verankerd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
HEADELEMENT (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Bommelwereld Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).
Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 16. In de omgeving van het plangebied ligt een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijk stoffen over de weg, de N18. Het plangebied ligt op minder dan 200 meter afstand van de N18, waardoor het groepsrisico nader beschouwd moet worden. Ten zuiden van het plangebied ligt een LPG-station. De risicocontouren en het invloedsgebied van de bij deze inrichting behorende risicobronnen reiken niet over het plangebied (zie onderstaande afbeelding).
34
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Basisnetroutes
LPG-station met plangebied rood omcirkeld
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 16. In de omgeving van het plangebied ligt een
HEADELEMENT (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Bommelwereld basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijk stoffen over de weg, de N18. Het plangebied ligt op minder dan 200 meter afstand van de N18, waardoor het groepsrisico nader beschouwd moet worden. Ten zuiden van het plangebied ligt een LPG-station. De risicocontouren en het invloedsgebied van de bij deze inrichting behorende risicobronnen reiken niet over het plangebied (zie onderstaande afbeelding).
De voorgaande beoordeling levert een positief tot neutraal beeld op, als de planinrichting weloverwogen wordt uitgevoerd met de inachtneming van de risico's en effecten, wat betreft het groepsrisico voor het plan. Daarmee is het initiatief uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.
36
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
4.10
Verkeer en parkeren
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Ten behoeve van het aspect parkeren en verkeer is een memo opgesteld om inzichtelijk te krijgen wat de parkeerbehoefte is voor het toekomstige attractiepark en welke verkeersaantrekkende werking deze functie maximaal met zich mee brengt. De memo is toegevoegd als bijlage 19. In dit memo is berekend dat voor Bommelwereld 292 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit is een maximum aantal dat verwacht wordt waarbij met de CROW-normen aan de bovenkant gewerkt wordt. Met de voorziene 320 parkeerplaatsen zoals het ontwerp nu is is er meer dan voldoende ruimte. Daarbij is er in het plangebied nog duidelijk meer ruimte om nog meer parkeerplaatsen aan te leggen indien dat gewenst is. Op die wijze kan, bijvoorbeeld, ook invulling gegeven worden aan een idee dat deze parkeerplaats ook gebruikt gaat worden als overloopruimte voor drukke dagen in het centrum. Dat staat voor het overige buiten de uitvoerbaarheidsvraag voor dit bestemmingsplan. De ontsluiting van het plangebied voor het autoverkeer loopt via de Maarsevonder en de Aproche direct naar de regionale stroomweg N18. In de memo is berekend dat Bommelwereld circa 614 verkeersbewegingen per dag genereert. Dit is een maximum aantal dat verwacht wordt waarbij met de CROW-normen aan de bovenkant gewerkt wordt.
Er is een verkeersstudie uitgevoerd om de verkeerskundige gevolgen van het plan in beeld te brengen (zie bijlage 20). Hierin wordt geconcludeerd dat de parkeervraag wordt beïnvloed door het aangrenzende vakantiepark Marveld, dat tevens ontwikkelaar van Bommelwereld is. In het meest ongunstige scenario dat niet meer dan 25% van de bezoekers vanaf het vakantiepark afkomstig is, atrractiepark en daar parkeert in plaats van bij het attractiepark, volstaat het aantal parkeerplaatsen voor de parkeervraag. Uit de berekeningen is tevens naar voren gekomen dat de verkeersafwikkeling op de nabij gelegen kruispunten en wegen veilig en zonder congestie (vertraging) kan gebeuren. De Maarsevonder is voldoende breed om de verwachte toe- en afvoer van verkeer veilig te kunnen afwikkelen. De verwachte toename van verkeer op de Vredenseweg als gevolg van dit plan zal zeer beperkt zijn en zonder problemen verwerkt kunnen worden. Tenslotte is gekeken naar de ontsluitingsstructuur van Bommelwereld en geconcludeerd dat hier geen problemen qua zicht of het veilig afwikkelen van het verkeer ontstaan. Het initiatief is hiermee uitvoerbaar op het gebied van verkeer en parkeren.
HEADELEMENT (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Bommelwereld
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Algemeen
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten; Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik. Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.
5.2
Wijze van bestemmen
De opzet en regels van voorliggend plan zijn gebaseerd op de systematiek van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' van de gemeente Oost Gelre en het 'Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen en aanduidingen: 'Recreatie - Dagrecreatie', waarbinnen een bouwvlak is opgenomen. Het maximale bebouwingspercentage en de maximale bouwhoogtes zijn aangegeven op de verbeelding. Binnen de bestemming zijn tevens de aanduidingen 'bedrijfswoning' en 'parkeerterrein' opgenomen. 'Verkeer', ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied en naastgelegen percelen. 'Wonen', ten behoeve van de bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning. De dubbelbestemming 'Leiding - Riool' ter bescherming van de rioolpersleiding die door het plangebied loopt. De bestemming 'Natuur' voor een strook grond die op deze wijze ook ingericht wordt. Dubbelbestemmingen voor het boregen van de Archeologische verwachtingswaarden in de bodem.
38
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld In het plan is het realiseren en in stand houden van de landschappelijke inpassing als voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De provinciale diensten zijn betrokken bij de planvorming en kunnen zich vinden in deze plannen. Datzelfde geldt voor het Waterschap. Inspraak De direct omwonenden zijn door dhr. Bomers namens Marveld gedurende het planvormingsproces persoonlijk op de hoogte gebracht van de plannen. Iedereen in de directe omgeving en daar in een ruime straal omheen is ook geïnformeerd over een informatieavond op 29 april 2021 welke ook digitaal te volgen was voor iedereen in de gemeente. De conclusie van al deze contactmomenten is dat de omgeving de plannen ondersteunt. Enkele directbetrokkenen, zoals bijvoorbeeld de bewoner van de woning naast de parkeerplaats, zijn uiteraard bovengemiddeld geïnteresseerd en worden nauw betrokken bij de verdere planvorming. Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd.
In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan, mits sprake is van een bouwplan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die
HEADELEMENT (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Bommelwereld door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
40
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlagen bij de toelichting
HEADELEMENT (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 1
42
Ruimtelijk kwaliteitskader
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 2
Achtergronden bij het plan
HEADELEMENT (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 3
44
Inrichtingsplan
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
HEADELEMENT (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 5
46
Nader bodemonderzoek
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 6
Aanvullend asbestonderzoek
HEADELEMENT (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 7
48
Begroting sanering
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 8
Voortoets stikstofdepositie
HEADELEMENT (vastgesteld)
49
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 9
50
Onderzoek geur
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 10
Quickscan Wet natuurbescherming
HEADELEMENT (vastgesteld)
51
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 11
52
Ecologie_vervolgonderzoek
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 12
Ecologisch onderzoek noord
HEADELEMENT (vastgesteld)
53
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 13
54
Nee, tenzij-toets
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 14
Archeologisch onderzoek
HEADELEMENT (vastgesteld)
55
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 15
56
Onderzoek luchtkwaliteit
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 16
Onderzoek externe veiligheid
HEADELEMENT (vastgesteld)
57
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 17
58
Akoestisch onderzoek
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 18
Akoestisch onderzoek stemgeluid
HEADELEMENT (vastgesteld)
59
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 19
60
Memo parkeren en verkeer
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 20
Verkeersstudie
HEADELEMENT (vastgesteld)
61
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 21
62
Aanmeldnotitie mer
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 22
Watertoets
HEADELEMENT (vastgesteld)
63
bestemmingsplan Bommelwereld
Bijlage 23
64
Uitwerking watertoets
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Regels
HEADELEMENT (vastgesteld)
65
bestemmingsplan Bommelwereld
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan Bommelwereld met identificatienummer NL.IMRO.1586.BPBUI2031-VG01 van de gemeente Oost Gelre; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aan huis verbonden bedrijf:
het uitsluitend door de bewoner(s) van een woning verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel uitgezonderd verkoop via internet en voor zover toegestaan, die in een woning en/of bijbehorende bouwwerken worden of wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitstraling hebben of heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.4
aan huis verbonden beroep:
een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerptechnisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, niet zijnde detailhandel, uitgezonderd verkoop via internet, dat uitsluitend door de bewoner(s) in een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.5
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7
achtererfgebied:
erf aan de achterkant en de niet naar de openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw; 1.8
afhankelijke woonruimte:
een deel van een woning, of een woonunit die qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning, waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest; 1.9
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
66
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld 1.10
bebouwingspercentage:
een percentage van een deel van een terrein dat maximaal mag worden bebouwd met gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.11
bedrijfsgebouwen:
gebouwen die dienen voor de uitoefening van een bedrijf of bedrijfsactiviteit, inclusief bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij de woning. 1.12
bedrijfswoning:
een woning, in of bij een bedrijf of instelling, bestemd voor (een huishouding van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is; 1.13
beperkt kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden; 1.14
bestaand:
onder bestaand wordt verstaan de ‘bestaande situatie’ welke op een legale wijze tot stand is gekomen en is vastgelegd op basis van de veldinventarisatiegegevens, alsmede de gemeentelijke bouw- en milieudossiers, de luchtfoto’s, de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), zoals de gemeente deze bekend waren ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Buitengebied, Reparatieplan 2016; 1.15
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.16
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17
bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.18
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.19
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.20
bouwlaag:
een al dan niet doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
HEADELEMENT (vastgesteld)
67
bestemmingsplan Bommelwereld 1.21
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel; 1.23
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.24
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.25
daghoreca:
horeca dat is gericht op het overdag tot 17:30 uur verstrekken van dranken en etenswaren aan bezoekers; 1.26
dagrecreatie
verblijf buiten de woning voor recreatieve doeleinden zonder dat er een overnachting elders mee gepaard gaat. 1.27
dagrecreatieve voorziening
voorziening ten behoeve van dagrecreatie. 1.28
deel:
de aan een bestaande of voormalige agrarische bedrijfswoning gekoppelde rechtstreeks (of via een tussenlid) vanuit de woning toegankelijke stalruimte (als onderdeel van het hoofdgebouw), die beeldbepalend, visueel, en van oorsprong functioneel verbonden is met de betreffende woning en daarmee een onlosmakelijke eenheid vormt, één en ander exclusief eventuele aan de deel grenzende ondergeschikte en niet meer met de woning in verbinding staande bebouwing; 1.29
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.30
erfinpassing
erfinpassing vindt plaats op het erf en omliggende gronden. Hiertoe behoort in ieder geval de situering van opstallen, de inrichting van het perceel en de aansluiting van het erf op de omgeving. Het gaat hierbij onder andere om aanleg van opgaande beplanting op of direct aangrenzend aan het erf. 1.31
extensieve dagrecreatie:
extensieve vorm van dagrecreatie, zoals wandelen, fietsen, vissen, picknicken en paardrijden, inclusief naar de aard en omvang daartoe behorende voorzieningen, zoals picknicktafels en informatieborden, waarbij de recreatievorm geen specifiek beslag legt op de ruimte;
68
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld 1.32
functieverandering naar wonen
het toevoegen van een woning op een locatie van een voormalig agrarisch bedrijf; 1.33
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.34
hoofdgebouw:
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.35
hergebruik:
het gebruik van bestaande, voormalig agrarische, gebouwen voor een andere functie; 1.36
horeca:
een bedrijf gericht op één of meer van de navolgende bedrijfsmatige activiteiten: het verstrekken van voedsel en/of dranken met de mogelijkheid deze ter plaatse te nuttigen; het verstrekken van nachtverblijf; het exploiteren van zaalaccommodatie; het bieden van gelegenheid tot dansen;. het uitoefenen van een kans- en/of behendigheidsspel, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie (uitgezonderd een erotisch getinte vermaaksfunctie); niet zijnde discotheken, casino's en coffeeshops. horeca 1: een bedrijf dat in hoofdzaak gericht is op het verstrekken van nachtverblijf, al dan niet in combinatie met het exploiteren van zaalaccommodaties, en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken daaraan ondergeschikt is, zoals een hotel of pension; horeca 2: een bedrijf dat in hoofdzaak gericht is op het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het daaraan ondergeschikt verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van nachtverblijf en/of zaalverhuur, zoals een (hotel)restaurant, pannenkoekenhuis, eetcafé en pizzeria, uitgezonderd een maaltijdafhaalcentrum; horeca 3: een bedrijf dat in hoofdzaak gericht is op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide snacks, ijs en kleine maaltijden voor consumptie,
zowel ter plaatse als elders, met daaraan ondergeschikt het verstrekken van dranken, zoals een snackbar, cafetaria, maaltijdafhaalcentrum, lunchroom en ijssalon; horeca 4: een bedrijf dat in hoofdzaak gericht is op het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet in combinatie met kleine etenswaren en het exploiteren van zaalaccomodaties, zoals een café;
HEADELEMENT (vastgesteld)
69
bestemmingsplan Bommelwereld 1.37
intensieve dagrecreatie:
intensieve vorm van dagrecreatie, zoals een survivalbaan, inclusief naar de aard en omvang daartoe behorende voorzieningen, waaronder begrepen klimtoestellen en lichtmasten, waarbij de recreatievorm geen specifiek beslag legt op de ruimte; 1.38
inwoning:
twee of meer huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meer voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn; 1.39
kampeermiddelen:
tenten, tentwagens, toercaravans en kampeerauto's of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben; 1.40
karakteristieke gebouwen:
een traditionele boerderij, waarvan de originele kenmerken in hoofdzaak nog aanwezig zijn en welke is gebouwd volgens de principes van de hallenhuisboerderij; 1.41
landschapsversterking:
landschapsversterking vindt plaats buiten het erf, met als doel de gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap te versterken. Het betreft bijvoorbeeld de aanleg van paden, lanen, bossen en houtwallen; 1.42
mantelzorg:
het bieden van zorg aan een ieder die aantoonbaar hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband, meer dan 8 uur per week en langer dan 6 maanden; 1.43
nevenactiviteit:
een activiteit van beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft; 1.44
nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van algemeen nut in ruime zin zoals: voorzieningen / installaties ten behoeve van gas, water en elektriciteit, signaalverdeling, telecommunicatieverkeer, waterzuivering, waterbeheersing, waterhuishouding, vuil- en afvalverwerking, compostering, wijkverwarming, milieuvoorzieningen e.d; 1.45
ondersteunende detailhandel:
niet-zelfstandige detailhandel, die wordt of is gerealiseerd binnen een andere hoofdfunctie en daar naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt aan is, welke uitsluitend toegankelijk is via de hoofdfunctie en waarvan de openingstijden zijn aangepast aan de openingstijden van de hoofdfunctie; 1.46
ondersteunende horeca:
horeca die onlosmakelijk is verbonden met de bestemming van een perceel en daaraan ondersteunend is, en dus niet geldt voor zelfstandige feesten, partijen en soortgelijke activiteiten;
70
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld 1.47
paardenbak:
een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen; 1.48
peil:
gemiddelde hoogte van aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein; 1.49
prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.50
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.51
voorgevel:
de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, die gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt; 1.52
voorgevelrooilijn:
denkbeeldige lijn getrokken langs de voorgevel van een gebouw en het verlengde daarvan; 1.53
woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden dan wel inwoning. 1.54
woningsplitsing:
het bouwkundig en functioneel in tweeën delen van een woning (c.q. de woning met de aangrenzende deel) op zodanige wijze dat, met handhaving van de bestaande woning, een tweede zelfstandig functionerende woning ontstaat;
HEADELEMENT (vastgesteld)
71
bestemmingsplan Bommelwereld
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2
breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren; 2.3
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6
ondergeschikte bouwdelen
bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevelen kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de afwijking niet meer dan 1m bedraagt.
72
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Natuur
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud en herstel van natuurwaarden; b. het behoud en herstel van ter plaatse aanwezige graslanden, heideveldjes, (gerief)bosjes, wegen erfbeplanting, houtwallen en –singels en boomgroepen; c. extensieve dagrecreatie; d. wegen en paden; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2
Bouwregels
In de bestemming 'Natuur' mogen geen gebouwen worden gebouwd. 3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden op de in lid 3.1 bedoelde gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren: 1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; 2. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; 3. het graven, dempen, danwel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; 4. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; 5. het verwijderen van onverharde wegen of paden; 6. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur; 7. het vellen en rooien van bossen en verwijderen van landschapselementen; b.
Het bepaalde in sub a is niet van toepassing: 1. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend; 2. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; 3. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen; 4. op werken of werkzaamheden welke onder de regeling ex artikel 4.5.1 vallen. c. Een omgevingsvergunning als bedoeld in sub a mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen en is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op een Natura 2000-gebied, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
HEADELEMENT (vastgesteld)
73
bestemmingsplan Bommelwereld
Artikel 4 4.1
Recreatie - Dagrecreatie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dagrecreatieve voorzieningen; met de daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen: b. tuinen, erven en groenvoorzieningen; c. ontsluitingen/inritten als ook, tot niet meer dan 10 m uit de naastgelegen bestemming Verkeer, doorgaande wegen; d. parkeervoorzieningen met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' alléén parkeervoorzienngen zijn toegestaan. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan, tenzij de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Het aantal bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mag niet meer bedragen dan 1. In de bedrijfswoning is de uitoefening van een aan huis verbonden beroep toegestaan, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de bedrijfswoning en 100% van de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt met een gezamenlijk maximum van 50 m². De activiteit mag niet leiden tot belemmeringen voor de omliggende functies en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer. Ten behoeve van de activiteit wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. 4.2
Bouwregels
Voor het bouwen van bebouwing gelden de volgende regels: a. gebouwd in het bouwvlak waarbij: 1. de bouwhoogte niet hoger mag zijn dan de hoogte als aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' met dien verstande dat ter plaatse van het bouwvlak waar tot maximaal: 23 m hoog gebouwd mag worden tevens vier kasteeltorens gebouwd mogen worden tot maximaal 39 m zoals aangegeven in bijlage 1; 21 m hoog gebouwd mag worden één hoekaccent van maximaal 32 m zoals aangegeven in bijlage 1 en voorts hoogteaccenten tot maximaal 27 m zoals aangegeven in bijlage 1; 2. het bebouwingspercentage niet hoger mag zijn dan het percentage als aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingspercentage terrein'; b. gebouwd buiten het bouwvlak met dien verstande dat dit niet meer mag zijn dan 400 m 2 en per gebouw niet groter dan 200 m 2 en niet hoger dan 10 m c. voor het bouwen van een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' gelden de volgende regels: 1. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 4,5 m en 9 m; 2. de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m 3; 3. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 4 m en 6 m; 4. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 150 m2. d.
de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals palen, speelvoorzieningen en masten mag niet meer bedragen dan 10 m. De hoogte van erfafscheidingen mag niet hoger zijn dan 2 m; e. indien de bestaande bebouwing afwijkt van het bepaalde onder a, b en c dan geldt de bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht.
74
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld 4.3
Afwijken van de bouwregels
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in: a. lid 4.2 ten behoeve van uitbreiden van de maximale bebouwde oppervlakte met 10% met dien verstande dat: 1. de bebouwing een compact geheel dient te vormen met de bestaande bebouwing; 2. natuur- en landschapswaarden door de uitbreiding niet onevenredig worden aangetast; 3. uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing en landschapsversterking blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt; 4. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van: de milieusituatie; de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; het landschaps- en bebouwingsbeeld. b. lid 4.2 sub b.4 ten behoeve van het vergroten van de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning tot 200 m2, met dien verstande dat; 1. uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing en landschapsversterking blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt. 4.4
Afwijken van de gebruiksregels
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in: a. lid 4.1 ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf in de bedrijfswoning, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', mits de woonfunctie in overwegende mate wordt behouden en onder de voorwaarden dat: 1. het medegebruik van ondergeschikte betekenis moet zijn en maximaal 30% mag beslaan van de totale nettovloeroppervlakte van de bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken tot een gezamenlijk maximum van 50 m²; 2. slechts bedrijven toelaatbaar zijn, die behoren tot de categorie 1 van de in Bijlage 2 opgenomen Lijst aan huis verbonden bedrijven; 3. geen detailhandel mag plaatsvinden, behoudens een beperkte verkoop -als ondergeschikte nevenactiviteit- van producten die ter plaatse zijn vervaardigd, dan wel direct verband houden met het aan huis verbonden bedrijf; 4. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling, casu quo niet onevenredig veel extra verkeer wordt aangetrokken; 5. het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de leefomgeving; 6. op eigen terrein moet worden geparkeerd door eigenaar/huurder en bezoekers; b. in lid 4.1 jo 4.4 sub a ten behoeve van het toestaan van: 1. aan huis verbonden bedrijven welke niet zijn genoemd in de in Bijlage 2 opgenomen Lijst aan of, 2.
aan huis verbonden bedrijven die worden genoemd in categorie 2 van de in Bijlage 2 opgenomen Lijst aan huis verbonden bedrijven, mits deze naar aard en effecten op het woonen leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder te stellen voorwaarden, wat betreft geur, stof, geluid en gevaar, kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven behorende tot categorie 1, mits geen onevenredige aantasting ontstaat van: het straat- en bebouwingsbeeld; de milieusituatie; de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
HEADELEMENT (vastgesteld)
75
bestemmingsplan Bommelwereld 4.5
Specifieke gebruiksregels
4.5.1
Landschappelijke inpassing
a
Voorwaarde
Binnen 2 jaar na inwerkingtreding van een omgevingsvergunning dienen de desbetreffende gronden ingericht te worden zoals aangegeven in het Inrichtingsplan zoals in bijlage 1 bij de regels is opgenomen. Vervolgens dient deze inrichting in stand te worden gehouden. Het niet voldoen aan deze verplichting is een vorm van strijdig gebruik van de bepalingen in artikel 4.1. b
Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.5.1 onder 'a' voor een langere termijn en / of een andere inrichting met dien verstande dat de termijn niet langer mag zijn dan 4 jaar en dat het inrichtingsplan landschappelijk en ecologisch in elk geval gelijkwaardig van kwaliteit moet zijn als het huidige plan en passend moet zijn bij de provinciale beleidsdoelstellingen voor dit gebied. 4.5.2
Bodemsanering
Voor de gronden binnen I-waarde contour als opgenomen in bijlage 3 van bijlage 5 'Nader bodemonderzoek' geldt dat er geen grondwerkzaamheden mogen worden verricht, dat deze niet in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de bestemming en dat geen omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden afgegeven alvorens hier een goedgekeurd saneringsplan of BUSmelding is.
76
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Artikel 5 5.1
Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verharde en onverharde wegen; b. fiets- en voetpaden; c. verblijfsvoorzieningen; d. bermen en bermsloten; e. parkeervoorzieningen; f. groenvoorzieningen en landschapselementen; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.2
Bouwregels
a. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: 1. op of in deze gronden is het bouwen van gebouwen niet toegestaan, met uitzondering van schuilgelegenheden voor fietsers en wandelaars; 2. de bouwhoogte en de oppervlakte van schuilgelegenheden voor fietsers en wandelaars mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 2,5 m en 30 m 2; b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van verkeerstekens, palen en masten mag niet meer bedragen dan 10 m; 2. de bouwhoogte van informatiepanelen mag niet meer bedragen dan 2,5 m; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m.