CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 toelichting

Gemeenteraad 6 juni 2023, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij'19.356 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij vastgesteld

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Plangebied 1.3 Geldende bestemmingsplannen

6 6 7 7

Hoofdstuk2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Ontwikkelingen

10 10 10

Hoofdstuk3 Beleidskader 3.1 Algemeen 3.2 Internationaal beleid 3.3 Rijksbeleid 3.4 Provinciaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid

14 14 14 16 20 22

Hoofdstuk4 Haalbaarheid 4.1 Archeologie en Cultuurhistorie 4.2 Bodem 4.3 Watertoets 4.4 Geluid 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Flora en fauna 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Externe veiligheid 4.9 Geur 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Laagvliegroute, kabels en leidingen

24 24 27 27 30 35 36 39 39 43 44 45

Hoofdstuk5

46

Plantoetsing

Hoofdstuk6 Wijze van bestemmen 6.1 Inleiding 6.2 Toelichting op de regels

49 49 49

Hoofdstuk7

51

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk8 Procedure 8.1 Algemeen 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzenprocedure 8.4 Overleg

52 52 52 52 52

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1

Erf- en landschapsplan

Bijlage 2

Akoestischonderzoek

(vastgesteld)

3

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Bijlage 3

NIBM-resultaten

Bijlage 4

AERIUS-berekening

Bijlage 5

Advies veiligheidsregio

Bijlage 6

Buurtdialoog

4

Inhoudsopgave (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Toelichting

Toelichting (vastgesteld)

5

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Kaasboerderij Weenink is gevestigd aan de Eimersweg 3 en 3a te Lievelde. Het bedrijf bestaat uit een volwaardige melkveehouderij met als nevenactiviteiten een eigen kaasmakerij en een boerderijwinkel. Daarnaast is op basis van het geldende bestemmingsplan een aan de kaasboerderij ondergeschikte horecatak toegestaan. In de praktijk is deze aan de overige activiteiten ondergeschikte horecatak uitgegroeid tot een zelfstandige horecagelegenheid waar ook feesten en partijen gegeven worden. Ook is de kaasboerderij een trouwlocatie. Bij de kaasboerderij kunnen ook recreatieve arrangementen (boerengolf, boogschieten, rondleidingen en dergelijke) geboekt worden. Een aantal maal per jaar vinden evenementen plaats. Bekende evenementen zijn de Pinkstermarkt en de boerenmarkten. Het bedrijf is zich volop aan het ontwikkelen en heeft toekomstplannen en toekomstperspectief, maar niet alle plannen passen in het geldende bestemmingsplan. Legaliseren en uitbreiden horeca De horeca-activiteiten passen niet in het geldende bestemmingsplan. De eigenaren hebben daarom een verzoek ingediend om het bestemmingsplan aan te passen en de ondergeschikte horeca om te zetten naar zelfstandige horeca. Dit is een vorm van horeca waarbij ook zelfstandige feesten en partijen gegeven kunnen worden, die niet zijn gekoppeld aan de agarische (neven)activiteiten.

Onderdeel van de vraag was of de koepel op het buitenterrein omgebouwd mocht worden naar een gebouw dat wel voldoet aan het Bouwbesluit en als tweede zaal in gebruik mag worden genomen. Het verzoek heeft dus betrekking op het legaliseren én uitbreiden van de bestaande horecagelegenheid. Verdere toekomstplannen De eigenaren hebben daarnaast verdere plannen voor hun bedrijf ingediend. Het gaat om: een kleinschalig kampeerterrein; het uitbreiden van de landwinkel om zo meer producten uit de streek te kunnen uitstallen en verkopen; het mogen verwerken van melk van andere bedrijven tot kaas en andere zuivelproducten; het mogen stoken en verkopen van sterke drank; het weiland grenzend aan het agrarisch bouwvlak te mogen gebruiken als evenemententerrein en een uitbreiding van het huidige aantal evenementen mogelijk maken; Nieuw bestemmingsplan nodig De zelfstandige horeca en de verdere plannen voor de ontwikkeling van de kaasboerderij zijn in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het college heeft principemedewerking verleend aan het omzetten en uitbreiden van de ondergeschikte horecatak naar een volwaardige horecatak binnen het totaal van het bedrijf. Daarnaast heeft het college besloten om mee te werken aan de hiervoor genoemde overige plannen, waarbij een aantal voorwaarden is gesteld.

voor het evenementerrein geldt dat het aantal evenementen, bezoekersaantallen en duur van de evenementen wordt vastgelegd; de capaciteit van de kaas- en zuivelmakerij mag niet worden vergroot, het diverser maken van de producten is wel toegestaan; het kleinschalig kampeerterrein moet voldoen aan de gebruikelijke eisen voor dit soort kampeerterreinen; de stokerij en slijterij mogen worden gevestigd in de hooiberg. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. Daarom is het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij opgesteld.

6

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

1.2

Plangebied

Kaasboerderij Weenink ligt ten noorden van Lievelde en is gevestigd aan de Eimersweg 3 en 3a. In de omgeving liggen andere agrarische bedrijven, burgerwoningen en aan de overzijde van de weg is Erve Kots gevestigd (openluchtmuseum, recreatie en horeca).

Afbeelding 1: luchtfoto plangebied

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Het bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij is een herziening van het geldende bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 (vastgesteld 18 december 2012) en de daarbij behorende reparatieplannen.

Toelichting (vastgesteld)

7

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Afbeelding 2: uitsnede vigerende bestemmingsplan

Het perceel Eimersweg 3 en 3a heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', met een bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Het bouwvlak is 1,5 hectare groot. Met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is bepaald dat er twee bedrijfswoningen aanwezig mogen zijn. Met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-nevenactiviteit' is aangegeven dat de volgende nevenactiviteiten zijn toegestaan: kaasboerderij; bierbrouwerij; keuken ten behoeve van kookworkshops; ondergeschikte horeca ten behoeve van de functies kaasboerderij, bierbrouwerij en de kookworkshops; detailhandel ten behoeve van ter plaatse gemaakte streekeigen producten; bijbehorende voorzieningen zoals entrees, gangen etc.; terrassen ter plaatse van de aanduiding 'terras'; bijbehorende parkeervoorzieningen, met dien verstande dat het parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden.

8

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

De maximale gezamenlijke oppervlakte van de functies bedraagt: kaasboerderij (geen oppervlakte opgenomen); bierbrouwerij van maximaal 80 m2; keuken ten behoeve van kookworkshops van maximaal 107 m2; ondergeschikte horeca ten behoeve van de functies kaasboerderij bierbrouwerij en de kookworkshops van maximaal 118 m2; detailhandel ten behoeve van ter plaatse gemaakte streekeigen producten van maximaal 180 m2; bijbehorende voorzieningen zoals entrees, gangen etc. van maximaal 65 m2. De oppervlakte van de terrassen ter plaatse van de aanduiding 'terras' mag niet meer bedragen dan 200 m2. Op een groot deel van het perceel ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 3' (vanwege de Grolse Linie). Op het andere deel ligt de dubbelbestemming 'Waarde - archeologische verwachtingswaarde 2'.

Toelichting (vastgesteld)

9

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Kaasboerderij Weenink is gevestigd aan de Eimersweg 3 en 3a te Lievelde. Het bedrijf bestaat uit een volwaardige melkveehouderij met een eigen kaasmakerij en een boerderijwinkel. Daarnaast is een aan de kaasboerderij ondergeschikte horecatak toegestaan. In de praktijk is deze aan de overige activiteiten ondergeschikte horecatak uitgegroeid tot een zelfstandige horecagelegenheid waar ook feesten en partijen gegeven worden. Buiten zijn terrassen aanwezig. Ook is de kaasboerderij een trouwlocatie, waar ook de bruiloft gevierd kan worden. Bij kaasboerderij kunnen ook recreatieve arrangementen (boerengolf, boogschieten, rondleidingen en dergelijke) geboekt worden. Een aantal maal per jaar vinden evenementen plaats. Bekende evenementen zijn de Pinkstermarkt en de boerenmarkten in het voorjaar en de zomer.

2.2

Ontwikkelingen

De zelfstandige horeca en de verdere plannen voor de ontwikkeling van de kaasboerderij zijn in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het college heeft principemedewerking verleend aan: het omzetten van de ondergeschikte horecatak naar een volwaardige horecatak binnen het totaal van het bedrijf. De toegestane oppervlakte is vergroot tot 245 m2 door de mogelijkheid te geven de bestaande koepel te vervangen door een gebouw dat voldoet aan bouwkundige eisen. Daarnaast heeft het college besloten om mee te werken aan het mogen buiten koken op de terrassen (met o.a. barbecue en frontcooking). De locaties van de terrassen blijven ongewijzigd; een uitbreiding van het aantal evenementen naar maximaal 10 evenementen per jaar. Drie van deze evenementen mogen qua omvang vergelijkbaar zijn de met de Pinkstermarkt. De overige zeven evenementen zijn qua omvang vergelijkbaar met de boerenmarkten. Muziekevenementen zijn niet toegestaan; een kleinschalig kampeerterrein met sanitairgebouw; het omzetten van de mogelijkheid voor een bierbrouwerij naar de mogelijkheid voor een stokerij voor sterke drank en de bijbehorende slijterij voor de verkoop van de zelfgestookte drank. Deze stokerij en slijterij mogen worden gevestigd in de hooiberg; het mogen verwerken van de melk van andere bedrijven in plaats van alleen de eigen melk mogen verwerken.

De productiecapaciteit mag echter niet toenemen; het uitbreiden van de landwinkel (ondersteunende detailhandel) van 180 m2 naar 250 m2 om meer streekproducten aan te kunnen bieden; eenmaal per jaar een springkussenfestival. In de principemedewerking is een aantal voorwaarden opgenomen. Deze hebben onder meer betrekking op het aantal evenementen, het aantal toegestane bezoekers en de toegestane geluidbelasting. Daarnaast moet landschappelijke inpassing op het erf en in de omgeving plaatsvinden. Parkeren moet worden opgelost op eigen terrein. In Bijlage 1 Erf- en landschapsplan is de inrichtingsschets voor het gebruik van het erf en de directe omgeving opgenomen. Inpassingsplan erf en landschap Voor de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt is een plan voor de landschappelijke inpassing gemaakt. Het plan bestaat uit twee onderdelen: een plan voor de inpassing van het erf en een bijdrage aan de landschapsontwikkeling op een locatie aan de Avinkweg.

10

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Inpassing erf Het plan voor landschappelijke inpassing van het erf bestaat uit twee aspecten; het verwijderen van niet-passende beplantingsvormen of soorten en het versterken van de inpassing door het aanleggen van nieuwe beplanting. Op de afbeelding zijn de elementen weergegeven die verwijderd of vervangen worden.

Afbeelding 3: wijziging bestaande elementen op en rond het erf

De volgende wijzigingen worden doorgevoerd: 1. 2. 3. 4. 5.

Vervangen knotwilgen door elzen hakhoutsingel; Vervangen drie solitaire beuken door zomereiken; Verwijderen wilgenkoepel; Verwijderen knotplatanen bij parkeerplaats; Verwijderen leilinden bij parkeerplaats

Ter versterking van de erfinpassing worden de volgende maatregelen genomen: 1. Aanplant hoogstam fruitbomen (4 stuks); 2. Aanplant elzensingel ten zuiden van het erf; 3. Versterken hakhoutsingel langs de Eimersweg.

Toelichting (vastgesteld)

11

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Afbeelding 4: voorstel voor erfinpassing van het erf

Landschappelijke inpassing in de omgeving Vanwege de ligging aan de voet van een es-complex, zijn rondom het erf beperkt mogelijkheden voor landschapsversterking omdat nieuwe houtige beplanting op een es niet wenselijk is. Door bedrijfsuitbreiding beschikt initiatiefnemer ook over agrarische cultuurgrond langs de Avinkweg, circa 400 meter ten noordoosten van het erf. In overleg met de gemeente Oost-Gelre is afgesproken dat daar gezocht mag worden naar zinvolle maatregelen ter versterking van het landschap. Ter versterking van het landschap worden de volgende maatregelen uitgevoerd: 1. Versterken bestaande houtsingel (zuidzijde) met drie rijen gemengd bosplantsoen; 2. Versterken bosje door de aanplant van gemengd bosplantsoen. Tevens rasters van bomen langs de buitenzijde van het element; 3. Verlengen beplanting op esrand (60 meter); twee rijen bosplantsoen met 10 solitaire, als laanboom gekweekte zomereiken; 4. Aanplant zomereiken laanbomen langs de Avinkweg. Onderlinge plantafstand 8 meter. 5. Veiligstellen bestaande rij zomereiken door plaatsen raster en bomenrij doorplanten met gemengd bosplantsoen; 6. Uitbreiden bestaand bosje (2 meter) door de aanplant van gemengd bosplantsoen.

12

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Afbeelding 5: overzicht van te nemen maatregelen ter versterking van het landschap

Het volledige plan met de onderbouwing en nadere toelichting is opgenomen in Bijlage 1 Erf- en landschapsplan. Het plan is als voorwaardelijke verplichting aan de planregels gekoppeld. Hierin zijn eisen over het uitvoeren en instandhouden van de landschappelijke inpassing opgenomen.

Toelichting (vastgesteld)

13

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Algemeen

Dit hoofdstuk beschrijft het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit hoofdstuk verwoord en afgewogen en indien noodzakelijk op de verbeelding en in de regels verwerkt.

3.2

Internationaal beleid

3.2.1

Vogelrichtlijn

De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura-2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. Het plan heeft ook geen negatieve gevolgen voor eventuele Vogelrichtlijngebieden.

3.2.2

Habitatrichtlijn

De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. Op basis van de Habitatrichtlijn zijn de zogenaamde Natura2000-gebieden aangewezen. Op ruim drie kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura2000 gebied Korenburgerveen. Er is geen sprake van een (direct) ruimtelijk effect van de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt op het Korenburgerveen. Om na te gaan of de nieuwe activiteiten die plaats gaan vinden op de kaasboerderij is getoetst of deze activiteiten leiden tot een toename van de stikstofdepositie. In paragraaf 4.6 Flora en fauna van de toelichting van het voorliggend bestemmingsplan is daar nader op ingegaan.

14

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

3.2.3

Het verdrag van Valletta (Malta)

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Het verdrag is uitgewerkt in de Wet op de archologische monumentenzorg. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. Gemeentes moeten bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met aanwezige en te verwachten monumentale- en archeologische waarden. Het verdrag van Valletta is op gemeentelijk niveau verder uitgewerkt in een gemeentelijk beleid en kaart archeologische verwachtingswaarden. In paragraaf 4.1 Archeologie en Cultuurhistorie wordt hier nader op ingegaan.

3.2.4

Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: de vervuiler betaalt; de gebruiker betaalt; na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water; resultaatsverplichting in 2015; stroomgebiedsbenadering. Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.

Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. In paragraaf 4.3 Watertoets is nader ingegaan op de concrete wateraspecten van dit plan.

3.2.5

Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Het initiatief levert geen conflict op met de internationale belangen als hiervoor vermeld. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet in strijd is met het voorgestane internationale beleid.

Toelichting (vastgesteld)

15

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

3.3

Rijksbeleid

3.3.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee. Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het Rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.

De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen en de verschillende waarden van het landelijk gebied. In de Structuurvisie is een aantal nationale belangen benoemd, het voor dit plan relevante belang is: Nationaal belang 13: zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke wettelijk verplichte procedure. In paragraaf 8.2 Inspraak is hier nader op ingegaan.

3.3.2

Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. Duurzaam economisch groeipotentieel: Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie

16

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Sterke en gezonde steden en regio's: Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied: Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. Ten aanzien van dit plan: Voorliggend geval betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld.

Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor het plan.

3.3.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal

Toelichting (vastgesteld)

17

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. De uitgangspunten van het Barro zijn bij het opstellen van deze omgevingsvergunning betrokken.

3.3.4

Besluit ruimtelijke ordening

Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c in samenhang met artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo. Gezien het hier gaat om een De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Verder dient de ladder alleen toegepast te worden als de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een aanzienlijk aanvullend ruimtebeslag ten opzichte van de bestaande situatie. Nadat bepaalt is of het een nieuw stedelijke ontwikkeling betreft, dient gekeken te worden naar het ruimtelijk verzorgingsgebied. Voor een bedrijventerrein geldt dat gekeken moet worden naar de actieradius. Vindt de ontwikkeling plaats op een gemeente overstijgend bedrijventerrein? Wanneer deze vraag is beantwoord, kan gekeken worden naar de vraag of er behoefte is aan de ontwikkeling. Daarbij wordt gebruik gemaakt van lange termijn prognoses (10 jaar). Aanbod en plancapaciteit spelen hierbij een belangrijke rol. Tot slot wordt met de ladder gekeken naar de exacte plaats van de ontwikkeling: vindt deze plaats in stedelijk gebied of daarbuiten? Simpelweg kan gesteld worden dat de ontwikkeling voldoet aan de ladder wanneer de ontwikkeling gepland is in bestaand stedelijk gebied en voorziet in een behoefte. Nieuwe stedelijke ontwikkeling Onderhavige ontwikkeling betreft het bouwen c.q. uitbreiden van de bestaande bedrijfsgebouwen van een mengvoederbedrijf.

In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie volgt dat voor onder andere een bedrijventerrein geldt dat het als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt wanneer het plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 500 m². Gelet op het feit dat het hier gaat om relatief kleine aanpassingen ten aanzien van het terrein en het bruto-vloeroppervlakte, kan gesteld worden dat in voorliggend geval geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Daarmee gaat de ladder voor duurzame verstedelijking in dit geval niet verder op.

18

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Afweging Uit bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd dat het realiseren van enkele bouwkundige aanpassingen aan het bedrijf van Gunnewick Mengvoeders B.V. niet wordt beschouwd als een stedelijke ontwikkeling, zodat gesteld kan worden dat de ladder voor duuzame verstedelijking niet verder hoeft te worden doorlopen. Het betreft hier al duurzame verstedelijking. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

3.3.5

Klimaatadaptatie

Klimaatadaptatie heeft in het landelijke beleid een flinke impuls gekregen. Het Deltaprogramma 2018 bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress en droogte versnelt en intensiveert. Daarnaast zijn er in de nabije toekomst diverse ontwikkelingen zoals het stimuleren van de bewustwording in relatie tot klimaatadaptatie, de invoering van de Klimaatwet en de invoering van de Omgevingswet. De Klimaatwet hangt samen met het beleid dat in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is verwoord. In het regeerakkoord 2017 “Vertrouwen in de toekomst” staat dat de hoofdlijnen van de afspraken op het terrein van klimaat en energie worden verankerd in een klimaatwet. Lessen die Planbureau voor de Leefomgeving (2016) uit de Britse klimaatwet heeft getrokken, zijn onder andere dat het geen probleem is om zowel mitigatie als adaptatie in deze wet te borgen. Naar verwachting volgt Nederland dat voorbeeld gezien de invoering van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en de verplichte klimaatstresstest voor gemeenten. Daarnaast werkt het Rijk momenteel aan een Aanpak Klimaatadaptatie Gebouwde Omgeving en wordt nagedacht over regels in het Bouwbesluit voor klimaatadaptief bouwen.

De invoering van de Omgevingswet biedt, naast het al door de gemeente ingezette klimaatbeleid, mogelijkheden om klimaatadaptatie een basis te geven in (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen en zo te werken aan een leefbare en gezonde stad. Hiervoor kunnen de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan als juridische instrumenten worden ingezet. We kunnen zo een afgewogen keuze maken, welke risico's we al dan niet accepteren. De invoering van de Omgevingswet is nu gepland op 1 januari 2023. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DRPA) Mede gebaseerd op de adviezen uit het Manifest Klimaatbestendige Stad (2013) is in 2014 de intentieverklaring Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie verschenen. In deze beslissing staat het gezamenlijk doel centraal: in 2050 is het bebouwde gebied in Nederland, inclusief vitale en kwetsbare objecten, zo goed mogelijk “waterrobuust” en “klimaatbestendig” ingericht. Hierbij wordt gewerkt aan maatregelen om de kwetsbaarheid van de stad te verlagen voor drie opgaven: te nat (overstroming en wateroverlast), te droog (wateronderlast) en te warm (hittestress). In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) staan zeven ambities centraal. Door te werken aan deze zeven ambities wordt de totstandkoming van een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting versneld en geïntensiveerd.

Toelichting (vastgesteld)

19

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Afbeelding 6: weergave ambities Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie

Conclusie De aandachtspunten ten aanzien van klimaatadaptatie zijn meegenomen in de behandeling van uitvoeringsaspecten in hoofdstuk 5 en worden daar dan ook verder behandeld.

3.3.6

Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Het initiatief levert geen conflict op met de nationale belangen als hiervoor vermeld. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet in strijd is met het voorgestane Rijksbeleid.

3.4

Provinciaal beleid

3.4.1

Omgevingsvisie provincie Gelderland

Op 19 december 2018 heeft de Provincie Gelderland de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In de omgevingsvisie stelt de provincie tot doel een schoon, gezond, veilig en welvarend Gelderland. Daarnaast streeft de provincie onder andere naar het versterken en behouden van de vitaliteit van kleinere kernen en dorpen. Om dit te bereiken dienen stedelijke functies waar mogelijk te worden gebundeld en geconcentreerd. Daarnaast ondersteunt de provincie bij de aanpak van leegstand in dorpen en kernen. In de omgevingsvisie is dit beleid uitgewerkt in 5 themakaarten; Themakaart Ruimtelijk beleid; Themakaart Waterbeleid; Themakaart Milieubeleid, en; Themakaart Natuur- en landschapsbeleid; Themakaart Verkeers en vervoersbeleid. Specifiek beleid gericht op voorliggend plan, is niet aan de orde.

20

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

3.4.2

Omgevingsverordening Gelderland

Op 14 januari 2023 heeft de Provinciale Staten van Gelderland de meest recente versie van de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening vormt samen met de vastgestelde Omgevingsvisie het ruimtelijk beleid en ziet toe op het veiligstellen van de provinciale belangen. Een groot deel van de regels uit de verordening heeft betrekking op bebouwing (nieuwe woningen, bedrijventereinen en uitbreidingen van agrarische bedrijven) of nieuwe ontwikkelingen in gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk of het Nationaal Landschap. In dit geval wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Dit plan maakt een aantal ontwikkelingen in de vorm van nevenactiviteiten op en rond een bestaand agrarisch bouwvlak mogelijk. De relevante artikelen uit de omgevingsverordening zijn: Artikel 2.12 van de provinciale omgevingsverordening gaat in op het vestigen van nieuwe vormen van bedrijvigheid in het buitengebied die qua ruimtelijke aanvaardbaarheid thuishoren op een bedrijventerrein. Artikel 2.35 gaat in op nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven. Deze zijn toegestaan als er sprake is van verkoop van zelfgeteelde of -geproduceerde agrarische producten en op beperkte schaal aanverwante artikelen, eventueel aangevuld met agrarische producten afkomstig van bedrijven uit de omgeving.

De nevenactiviteiten mogen geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en het perceel moet landschappelijk worden ingepast. Niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied Voor dit perceel is in het verleden een bestemmingsplan opgesteld waarmee verschillende niet- of semi-agrarische nevenactiviteiten naast de reguliere agrarische bedrijfsvoering zijn mogelijk gemaakt. Dit nieuwe bestemmingsplan neemt deze grotendeels eerder bestemde en goedgekeurde activiteiten over en maakt op een aantal punten een beperkte uitbreiding van deze activiteiten mogelijk. De ondergeschikte horeca die zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld tot zelfstandige horeca wordt met dit bestemmingsplan gelegaliseerd. Op het perceel is nog steeds een ruim volwaardige melkveehouderij aanwezig. De nieuwe mogelijkheden vinden vooral inpandig plaats. Geen van de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zijn activiteiten die thuishoren op een bedrijventerrein. Alle activiteiten vinden momenteel al plaats op dit perceel of houden een uitbreiding en/of legalisering van bestaande activiteiten in. De verschillende (neven)activiteiten die op dit bedrijf plaatsvinden zijn met elkaar en met de agrarische hoofdactiviteit verbonden en lopen in elkaar over. Dit bestemmingsplan voldoet aan de voorwaarden uit artikel 2.12 van de omgevingsverordening.

Nevenactiviteiten bij agrarisch bedrijf In artikel 2.35 zijn de voorwaarden voor de verkoop van agrarische producten op het agrarisch bedrijf benoemd. Een nevenactiviteit is volgens de omgevingsverordening een bedrijfsactiviteit, die in ruimtelijk en bedrijfseconomisch opzicht ondergeschikt is aan de agrarische hoofdfunctie van het agrarische bedrijf. De landwinkel (ondersteunende detailhandel) behorend bij de kaasboerderij verkoopt producten van het eigen bedrijf (kaas, zuivel) en streekproducten. In de regels bij dit bestemmingsplan is de maximale verkoopvloeroppervlakte vastgelegd en is bepaald dat minimaal 50% van de omzet van deze winkel moet worden verkregen uit de verkoop van op het eigen bedrijf geproduceerde melk en melkproducten. De winkel en de geplande uitbreiding van de winkel vinden plaats binnen de bestaande bebouwing. De agrarische bedrijfsvoering op dit bedrijf bestaat uit een ruimschoots volwaardige melkveehouderij die een groot deel van de oppervlakte van het bouwvlak in gebruik heeft. De verschillende nevenactiviteiten zijn bestaande, meest al eerder bestemde, nevenactiviteiten waarbij voor een deel van de nevenactiviteiten een beperkte en inpandige uitbreiding plaatsvindt. Ruimtelijk gezien is en blijft de agrarische bedrijfsvoering de hoofdactiviteit. Alle activiteiten op het bedrijf zijn met maatwerkregelingen mogelijk gemaakt.

Per activiteit is aangegeven waar deze plaats mag vinden, hoe groot de oppervlakte mag zijn en er zijn verschillende andere regelingen opgenomen, zoals over de evenementen. In paragraaf 6.2 Toelichting op de regels is Toelichting (vastgesteld)

21

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij verder ingegaan op de verschillende maatwerkregelingen. Bij dit bestemmingsplan is een plan voor de landschappelijke inpassing van het erf en de omgeving opgenomen. Dit plan is opgenomen in Bijlage 1 Erf- en landschapsplan en als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. GNN of Nationaal Landschap Het perceel ligt daarnaast ook niet in een gebied dat is aangewezen als onderdeel van het GNN of het Nationaal Landschap. Conclusie Omdat het gaat om activiteiten die zijn gebonden aan het buitengebied en/of direct zijn verbonden aan de op dit perceel gevestigde hoofdactiviteit, te weten het agrarisch bedrijf, en de ontwikkelingen binnen het bestaande erf en bebouwing plaatsvinden is er geen sprake van een provinciaal belang. De meeste bestaande nevenactiviteiten zijn, met een beperkte inpandige uitbreiding, opnieuw bestemd. De stokerij komt in plaats van de eerder bestemde bierbrouwerij. Het terrein dat al jaren wordt gebruikt voor een aantal evenementen is als 'evenemententerrein' aangeduid en wordt daarmee gelegaliseerd.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Beleid ruimtelijke procedures evenementen

In 2011 is het 'Beleid ruimtelijke procedures evenementen 2011' vastgesteld. Naast een evenementenvergunning is soms een omgevingsvergunning of aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk voor het mogelijk maken van evenementen. Doel van dit beleid is om een helder beleidskader te formuleren wanneer er een ruimtelijke procedure noodzakelijk is voor een evenement. Per type gebied is aangegeven welk soort evenementen mogelijk is zonder dat er een ruimtelijke procedure doorlopen hoeft te worden.

Afbeelding 7: toetsingstabel of ruimtelijke procedure voor een evenement of terrein voor evenementen nodig is

22

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Het evenemententerrein dat de eigenaren hebben aangevraagd ligt ook buiten het bouwvlak/erf en wordt daarom getoetst aan gebiedstype 'Buitengebied, gebied met waarden'. Een deel van de evenementen loopt ook over in het erf. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor evenementen buiten het bouwvlak, met uitzondering van het aantal categorie 2 - evenementen: dat mogen er dan 2 in plaats van 1 zijn. De eigenaren hebben een evenemententerrein met bijbehorende parkeergelegenheid aangevraagd voor (het bouwvlak en) een locatie in directe aansluiting op het agrarisch bouwperceel. Ze willen op dit perceel 3 keer per jaar een categorie 2 - evenement kunnen organiseren en 7 keer per jaar een categorie 1 - evenement. Op basis van het ruimtelijk beleid voor evenementen betekent dit dat een ruimtelijke procedure doorlopen moet worden. Omdat het gaat om een evenemententerrein voor structureel gebruik is het nodig om het bestemmingsplan aan te passen. In dit bestemmingsplan is het evenemententerrein met bijbehorende parkeerterrein als aanduiding opgenomen. In de planregels zijn bepalingen opgenomen over onder meer de duur van de evenementen, de duur van de op- en afbouw en het aantal bezoekers. Hierbij is aangesloten op het ruimtelijk beleid voor evenementen.

3.5.2

Geluidbeleid

In februari 2020 is het nieuwe geluidbeleid vastgesteld. Het beleid dat sinds 2008 gold is daarmee vervangen. Doel van het nieuwe beleid is om toetsing te vereenvoudigen en het nieuwe beleid sluit aan op de normen uit het Activiteitenbesluit. Het geluidbeleid is in eerste instantie en voornamelijk bedoeld als toetsingskader voor milieuverguningen. Bij ruimtelijke procedures moet echter breder worden getoetst dan alleen dit geluidbeleid. Bij ruimtelijke procedures wordt ook getoetst aan de Wet geluidhinder, de vraag of om omliggende bedrijven niet belemmerd worden in hun mogelijkheden en of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit is een bredere toets dan alleen aan de geluidsnormen Ten aanzien van het woon- en leefklimaat wordt in eerste instantie getoetst aan de richtafstanden uit de VNG Brochure. Als aan deze brochure wordt voldaan kan worden gesteld dat wat betreft geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Kan echter niet worden voldaan aan de brochure dan kan dit geluidbeleid een aanvullend toetsingskader bieden. Dit plan is ook uitgebreider beoordeeld dan alleen aan het geluidbeleid. In 4.4 Geluid is hier nader op ingegaan.

Toelichting (vastgesteld)

23

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Hoofdstuk 4 4.1

Haalbaarheid

Archeologie en Cultuurhistorie

Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden.

De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld. Situatie plangebied Een deel van het plangebied maakt deel uit van de Grolse Linie en is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' met de bijbehorende reparatieplannen bestemd als 'Waarde Archeologisch waardevol gebied 3' (het geel oplichtende gebied op de afbeelding). Dit bestemmingsplan regelt met name een wijziging van het gebruik van de bestaande panden.

Een archeologisch onderzoek is op dit moment dan ook niet noodzakelijk. De beschermende planregels zijn in dit bestemmingsplan opgenomen. Bij toekomstige bouwplannen en/of ingrepen in de bodem moet in overleg met de gemeente alsnog een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het overige deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' en ligt buiten het bouwvlak. Hier is sprake van een lage tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek is nodig wanneer er bouwwerken met een oppervlakte meer dan 2.500 m2 worden opgericht. Het bestemmingsplan biedt voor dit gebied geen mogelijkheden voor het oprichten van bouwwerken. Ook bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en een diepte van meer dan 30 centimeter onder maaiveld zijn hier niet direct mogelijk. Ook voor dit gebied is een beschermende dubbelbestemming met een onderzoeksplicht opgenomen. In dit bestemmingsplan worden de bestemmingen overgenomen die voor dit plangebied zijn opgenomen in het 'Parapluplan Archeologie', het bestemmingsplan dat is vastgesteld door de gemeenteraad op 22 februari 2022. In dit parapluplan is het op 14 april 2020 door de gemeenteraad vastgestelde nieuwe archeologiebeleid planologisch vastgelegd.

Om de archeologische dubbelbestemmingen uit het geldende plan tevens te actualiseren, is in het voorliggende plan aangesloten bij de regeling uit het

24

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij parapluplan.

Afbeelding 8: uitsnede 'Parapluplan Archeologie'; geel opgelicht is 'Waarde - Archeologisch rijksmonument'

Het deel dat geel opgelicht is in afbeelding 7, is in het parapluplan bestemd tot 'Waarde - Archeologisch rijksmonument'. Deze dubbelbestemming heeft puur een signaalfunctie en bevat verder geen regeling.

Toelichting (vastgesteld)

25

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Afbeelding 9: uitsnede 'Parapluplan Archeologie'; geel opgelicht is 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1'

Aan het deel dat geel opgelicht is in afbeelding 8, kent het parapluplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologisch verwachtingsgebied 1' toe. Op grond van die bestemming dient voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden een vergunning te worden aangevraagd. Afgezien van het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter, geldt voor de overige werkzaamheden dat de vergunningplicht past geldt indien er sprake is van werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van meer dan 250 m2. Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen).

26

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij De mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt tasten de cultuurhistorische waarden niet aan, maar levert op een aantal punten een bijdrage aan de ontwikkeling van deze waarden. Het perceel ligt aan de rand van een open es die open blijft. Niet-streekeigen beplanting op het erf wordt vervangen door streekeigen soorten. In de omgeving van de Avinkweg en langs de Eimersweg worden waardevolle landschappelijke elementen hersteld. Ook zijn binnen het plangebied geen monumentale gebouwen aanwezig.

4.2

Bodem

Wettelijk kader Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. Situatie plangebied In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht.

Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan vijf jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Omdat geen nieuwe bebouwingslocaties met verblijfsruimtes mogelijk worden gemaakt is geen verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Bij een eventuele toekomstige herbouw van de koepel zal in het kader van de omgevingsvergunning moeten worden aangetoond dat de bodemkwalitiet voldoet aan de eisen voor verblijfsruimtes. Uitgangspunten voor het bestemmingsplan Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Watertoets

Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling

Toelichting (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is.

De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.

Thema

Toetsvraag

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een Nee waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) Nee 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?

2

1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?

2 1 1

Riolering en Afvalwaterketen

28

Relevant Intensiteit#

Nee Nee Nee

2

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij

Wateroverlast 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met (oppervlakte-water) meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Nee

2

Nee

1

Ja

1

Nee

1

Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Nee

1

Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage?

Nee

1

Nee Nee

1 1

Nee

1

Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

Nee

1

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

Ja

1

Nee

2

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit Nee het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met Nee zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12785645/1