CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Toelichting - Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26 (29-10-2021)

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OmmenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26' (254173)19.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het ingezette woningbouwbeleid voor starters en senioren wordt voortgezet. Dat betekent doelgroepneutrale en levensloopbestendige woningen nabij voorzieningen, zowel in het bereikbare als het luxe segment. Ook wordt door het aanbieden van woningen in een aantrekkelijke omgeving geïnvesteerd in het behouden en aantrekken van jonge gezinnen. Voorzieningen als sport, kinderopvang en onderwijs ondersteunen het woningbouwbeleid. Landschap Het Ommer landschap vormt een kwalitatief toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om een goede balans tussen ruimte voor landbouw, toerisme & recreatie, water en natuur. Door een slimme wisselwerking tussen deze functies ontstaat letterlijk ruimte voor nieuwe ontwikkeling en kwaliteitsversterking. 4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Toekomstvisie “Het Ommer Motief” Wanneer de gewenste ontwikkeling wordt getoetst aan bovenstaand beleid, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling aansluit bij de gemeentelijke beleidsambities op het gebied van wonen en landschap. Het initiatief voorziet namelijk in het realiseren van een nieuwe woning in een te versterken groene setting aan de Bergweg 26. Hiermee wordt een concrete behoefte vervuld. Daarnaast draagt het plan bij aan het versterken van het landschap door het slopen van een forse omvang aan leegstaande agrarische bebouwing en het

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld treffen van landschapsmaatregelen ter plaatse van de Wethouder Petterweg 19. Het plan leidt dan ook tot een forse verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en is vanuit ruimtelijk en functioneel oogpunt goed ingepast. Er is sprake van nieuwe ontwikkeling en kwaliteitsversterking. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de beleidsambities zoals genoemd in de “Toekomstvisie Het Ommer Motief”. 4.3.2

Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen (GOP)

4.3.2.1 Algemeen De gemeenteraad van Ommen heeft op 7 februari 2013 het Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen (GOP) vastgesteld. Het GOP is tevens een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het GOP wordt de missie uit het Ommer Motief (zie subparagraaf 4.3.1) concreet uitgewerkt. Het plan bundelt de ambities op alle voor het omgevingsbeleid relevante beleidsterreinen: sociaal, economisch en fysiek. 4.3.2.2 Ambities GOP In het GOP gaat men uit van de kernambitie uit het Ommer Motief. De kernambitie luidt: “Ommen ontwikkelt zich op duurzame wijze en uitgaande van haar kernkwaliteiten, tot een groene, gastvrije en geïnspireerde verblijfsgemeente. Een leefbare gemeente voor iedereen die er woont, werkt of recreëert.” In het omgevingsplan worden om dit te bereiken bewuste keuzes gemaakt op sociaal-maatschappelijk, economisch en fysiek ruimtelijk gebied. Keuzes die er op zijn gericht de ambities en het streefbeeld uit het Ommer Motief te realiseren. De kernambitie uit het Ommer Motief wil Ommen realiseren door op duurzame wijze in te zetten op het behouden en versterken van haar ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid. Rekening houdende met en anticiperende op lokale, landelijk en internationale trends en ontwikkelingen, brengt dit een groot aantal opgaven met zich mee. De kernambitie van Ommen is vertaald in meerdere thematische beleidsambities.

Per invalshoek zijn de beleidsambities zoveel mogelijk geïntegreerd en gebundeld in de volgende drie centrale thema’s (3-P’s): • • •

Welzijn en leefbaarheid (People) Thema’s: Wonen / Onderwijs / Veiligheid, gezondheid, zorg, sport en cultuur Welvaart en economie (Prosperity) Thema’s: Bedrijvigheid en voorzieningen / Landbouw / Recreatie en toerisme Omgevingskwaliteit (Planet) Thema’s: Milieu, klimaat en duurzaamheid en openbare ruimte / Natuur, landschap, water en erfgoed/ Infrastructuur, verkeer en vervoer en bereikbaarheid

In het voorliggende geval zijn name de thema’s “Wonen” en “Natuur en Landschap” van belang. Daarnaast zijn de gebiedsgerichte beleidsambities en de spelregels van bepaling. Op deze aspecten wordt hierna ingegaan. 4.3.2.3 Wonen De ambities voor het gemeentelijk woonbeleid zijn: •

•

•

Vraaggestuurd huisvesten: het aanbod aan woningen is niet langer het uitgangspunt, maar de vraag van de (toekomstige) bewoners, die gemiddeld steeds ouder worden. Mensen moeten zich zelf verantwoordelijk voelen voor hun eigen woon- en leefsituatie en de gemeente wil dat faciliteren; Evenwichtige leeftijdsopbouw: voorkomen moet worden dat Ommen op enig moment nog vrijwel uitsluitend bestaat uit ouderen. Dit is niet goed voor de leefbaarheid en voor het draagvlak van voorzieningen. Daarnaast zijn er jongeren nodig om de ouderen een goed woongenot te bieden (door bijvoorbeeld in winkels te werken en zorg aan huis te bieden). Daarom streeft de gemeente naar een evenwichtige leeftijdsopbouw; Streven naar een duurzame gemeente en samenleving: het gemeentebestuur heeft grote aandacht voor duurzaamheid (duurzame woningen qua materiaalgebruik, CO2-uitstoot en energiehuishouding)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld en wil stimuleren dat ouderen zo lang mogelijk in hun eigen, vertrouwde woning kunnen blijven wonen. 4.3.2.4 Natuur en Landschap De gemeente heeft de ambitie om de landschappelijke kwaliteiten en de verscheidenheid van de daarbinnen aanwezige ecologische waarden, te behouden, te beschermen en waar mogelijk te versterken. De gemeente streeft er daarbij naar om het landschap beleefbaar en toegankelijk te houden voor bewoners en toeristen. Het op duurzame wijze versterken van de omgevingskwaliteit is een belangrijke drijfveer bij het toestaan van ontwikkelruimte aan de actoren, die binnen dit landschap actief zijn en voor een belangrijk deel het landschap vorm hebben gegeven en ook nu nog vormgeven. 4.3.2.5 Gebiedsgericht deel: Buitengebied Het gedifferentieerd naar deelgebieden ontwikkelruimte bieden aan de landbouw, landgoederen, recreatiebedrijven en andere partijen die in het buitengebied actief zijn, kent als uitgangspunt dat in het hele buitengebied de ruimte voor nieuwe woningen (inclusief woningen voor woon-zorg combinaties) en bedrijvigheid zeer beperkt is. Nieuwe woningen zijn uitsluitend mogelijk in het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling (Rood voor Rood), rood voor groen strategie, of als onderdeel van het duurzaam in standhouden van landgoederen.

Beperkt kan, in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen en binnen de kaders van de sturingsfilosofie, ruimte worden geboden aan de ontwikkeling van nieuwe, bij voorkeur innovatieve, startende bedrijvigheid (kraamkamerfunctie). Daarnaast wordt enige ontwikkelruimte aan bedrijvigheid geboden in de nieuw te ontwikkelen kernrandzones. 4.3.2.6 Spelregels GOP In het GOP heeft de gemeente een aantal spelregels opgenomen voor ontwikkelingen waar initiatiefnemers rekening mee moeten houden. Deze luiden als volgt: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

U dient belanghebbenden tijdig te informeren over uw initiatief (beoogde ruimtelijke ontwikkeling). U hebt een inspanningsverplichting om draagvlak te verkrijgen voor uw initiatief bij belanghebbenden. Uw initiatief dient op aantoonbare duurzame wijze gerealiseerd te worden. Uw initiatief dient bij te dragen aan de versterking van de omgevingskwaliteit. Uw initiatief dient bij te dragen aan de leefbaarheid van wijk of buurt (Noaberschap). Wanneer er sprake is van negatieve effecten op de omgevingskwaliteit, leefbaarheid of duurzaamheid dient u deze effecten adequaat te compenseren.

De uitwerking van deze spelregels wordt vastgelegd in een overeenkomst of op onderdelen in de bestemmingsregels. Aangegeven dient te worden (per voorwaarde) op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de gestelde spelregels. 4.3.2.7 Toetsing van het initiatief aan het “Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen” Algemeen Het planologisch realiseren van één woning in het kader van Rood voor Rood is mogelijk binnen het GOP. Het plan voorziet in de behoefte aan wonen in het buitengebied. Daarnaast brengt de sloop van de voormalig agrarische opstallen een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering met zich mee. Het vervallen van de bedrijfsbestemming is vanuit milieutechnische overwegingen positief, aangezien hinder bij omwonenden door bedrijfsactiviteiten wordt voorkomen. Ook voorziet de gewenste ontwikkeling in het toekennen van een passende vervolgfunctie aan een te behouden schuur en de boerderij ter plaatse van de Wethouder Petterweg 19. In het deelgebied aan de Bergweg 26 zal de compensatiewoning worden gerealiseerd. Tenslotte worden beide erven landschappelijk ingepast. Aan de spelregels van het GOP, wordt voldaan. Hierna wordt daar op ingegaan. Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan de ambities en spelregels zoals opgenomen in het GOP.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld Spelregels GOP Hierna wordt puntsgewijs aan de spelregels van het GOP getoetst: Ad 1: Voordat het plan in procedure gaat, worden de direct omwonenden geïnformeerd. Ad 2: De initiatiefnemer zal in gesprek gaan met omwonenden over het plan om de ontwikkeling uit te leggen en te bespreken. Ad 3: Binnen het plan is voldoende aandacht voor het aspect duurzaamheid. Daadwerkelijke duurzaamheidsmaatregelen worden in de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen meegenomen. Ad 4: Door het landschappelijk inpassen van de deelgebieden is er voldoende aandacht voor de omgevingskwaliteit. Zowel stedenbouwkundig als landschappelijk wordt er een plan met voldoende (ruimtelijke) kwaliteit gerealiseerd. Ad 5: Door het voorkomen van verdere verpaupering wordt bijdragen aan de leefbaarheid van de omgeving. De ontwikkeling brengt door het realiseren van de compensatie woning tevens een versterking van de sociale vitaliteit met zich mee. Ad 6: Uit deze toelichting blijkt dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de omgevingskwaliteit, leefbaarheid of duurzaamheid. 4.3.3

Landschapsontwikkelingsplan (LOP)

4.3.3.1 Algemeen Het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Ommen stamt uit 2011. De doelstelling van het LOP is om aan te geven hoe het landschap kan worden ontwikkeld, gebruikmakend van kwaliteiten en potenties. In het LOP wordt informatie gegeven omtrent het landschapsbeeld en cultuurhistorie van het landschap. Daarnaast worden kansen benoemd voor ontwikkeling van het landschap. In het Inspiratieboek behorend bij het LOP wordt aangegeven hoe de kenmerken behouden en versterkt kunnen worden door inpassing van bebouwing. Het doel is het inspireren van iedereen die bezig is met ruimtelijke plannen in het buitengebied van Ommen. Het inspiratieboek biedt ideeën ter verbetering van de kwaliteit van het buitengebied en vormt een kader waaraan de gemeente erfinrichtingsplannen toetst. Het deelgebied aan de Wethouder Petterweg ligt in het ontginningslandschap. Het deelgebied aan de Bergweg 26 ligt in het essen- en kampenlandschap. In afbeelding 4.5 is dit weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld

Afbeelding 4.5

Uitsnede verbeelding LOP (Bron: Gemeente Ommen)

In het landschapsontwikkelingslanden worden per landschapstype de volgende kansen aangewezen: Essen- en kampenlandschap (deelgebied Bergweg 26) • Versterken identiteit en ruimtelijke structuur van es- en kampenlandschap; • Benutten van cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten ter versterking van recreatie en toerisme; • Versterken biodiversiteit door herstel en uitbreiden beplantingsstructuren (houtwallen), akkerranden en in stand houden van rust en verblijfplaatsen voor zoogdieren en vogels (boerderijen en schuren). Ontginningslandschap (deelgebied Wethouder Petterweg 19) • Schaalvergroting landbouw (LOG’s). • Behoud openheid door versterkte positie van landbouw; • Verkoop streekeigen producten; • Wandelen over boerenlandpaden; • Grote landbouwgebieden als “rustgebied” voor fauna (weinig menselijke verstoring); • Behoud en herstel cultuurhistorische elementen en gebouwen; • Behouden weidevogels; • Natuurlijke inrichting watergangen; • Versterken ontginningsstructuur (wegen) door aanplant bomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld 4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan “Landschapsontwikkelingsplan (LOP)” Voor het initiatief is een landschapsplan opgesteld. Onder andere het LOP heeft hiervoor als basis gediend. Met het voorliggend plan wordt daarmee bijgedragen aan de doelstellingen van het LOP. Dit komt onder andere tot uiting door het versterken van de identiteit en ruimtelijke structuur door de sloop en landschappelijke inpassing en het verbeteren en uitbreiden van beplantingsstructuren door de landschapsmaatregelen. 4.3.4

Beleidsnotitie Rood voor rood gemeente Ommen

4.3.4.1 Algemeen De gemeenten in Overijssel hebben van de provincie enige beleidsruimte gekregen om hun eigen invulling te geven aan het Rood voor Rood-beleid. Het gemeentelijk beleid van de gemeente Ommen met betrekking tot Rood voor Rood is beschreven in de ‘beleidsnotitie Regeling Rood voor Rood gemeente Ommen’. De in deze notitie beschreven beleidslijn wordt gebruikt als toetsingskader voor aanvragen. De beleidsnotitie wordt in samenhang gebruikt met het Welstandsplan, het Landschapsontwikkelingsplan en het bestemmingsplan Buitengebied. In de notitie staat beschreven wat de uitgangspunten zijn en aan welke voorwaarden dient te worden voldaan om in aanmerking te komen voor de regeling. 4.3.4.2 Beleidskaders Het hoofddoel van de regeling Rood voor rood met gesloten beurs is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. Ter compensatie van de sloop van minimaal 850 m² landschapontsierende bedrijfsgebouwen kan onder voorwaarden een bouwkavel voor een woning worden toegekend. De inhoudsmaat van de woning op de bouwkavel mag niet meer bedragen dan 750 m³ en het maximum oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen op de bouwkavel mag niet meer bedragen dan 150 m². Bij de omvang van de compensatiekavel wordt in principe uitgegaan van 1.000 m². Uitgangspunt van de gemeentelijke regeling is het terugbouwen van de woning op de slooplocatie.

Ten aanzien van de situering van de bouwkavel wordt daarbij de volgende gebiedsdifferentiatie gehanteerd: In de volgende gebieden is compensatie op de slooplocatie zelf in principe niet wenselijk, tenzij in een ruimtelijke onderbouwing wordt onderbouwd dat in de specifieke situatie geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de betreffende gebieden: • • • •

Landbouwontwikkelingsgebieden; Zone rivieroevers met natuurwaarden; Beschermde dorpsgezichten; Buurtschappen Stegeren, Varsen, Arriën en Junne.

De slooplocatie aan de Wethouder Petterweg 19 is gelegen in de zone ‘Landbouwontwikkelingsgebieden’. Voor de zone ‘Landbouwontwikkelingsgebieden’ geldt het volgende: In deze zone is het beleid gericht op het bieden van ruimte voor de intensieve veehouderij. Met het oog hierop is het mogelijk maken van bouwlocaties in het algemeen niet gewenst, aangezien dit de ontwikkeling van de intensieve veehouderij kan beperken. Gedacht moet worden aan beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bedrijven en van inplaatsingsmogelijkheden voor bedrijven die van elders komen. Een uitzondering voor een nieuwe bouwkavel kan alleen worden gemaakt wanneer goed onderbouwd wordt dat op een specifieke plek in het landbouwontwikkelingsgebied geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van het landbouwontwikkelingsgebied. Dit kan het geval zijn indien bijvoorbeeld andere woongebouwen de ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven op die specifieke locatie beperken. Als in Landbouwontwikkelingsgebieden ook de bedrijfswoning – naast de bedrijfsgebouwen – gesloopt wordt, dan mag er elders een extra bouwkavel komen (in ruil voor te saneren (bedrijfs)woning één extra bouwkavel voor een woning boven de toe te kennen bouwkavel vanuit de Rood voor Rood-regeling).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie rood voor rood gemeente Ommen Aan de Wethouder Petterweg 19 wordt circa 1.328 m2 aan voormalige agrarische gebouwen gesloopt. Op basis van het rood voor rood beleid is het mogelijk om hiervoor één compensatiewoning te realiseren. Het uitgangspunt van het rood voor rood beleid is dat er ter plaatse van de slooplocatie de compensatiewoning wordt gerealiseerd. In het voorliggend geval is echter de locatie gelegen binnen de zone ‘Landbouwontwikkelingsgebieden’ waar in feite het ‘nee-tenzij’ principe geldt. Tevens is de locatie gelegen nabij een gastrace en de N48. Hierdoor is de locatie ongeschikt om de compensatiewoning te realiseren. De compensatiewoning wordt daarom gerealiseerd aan de Bergweg 26. Tenslotte worden beide locaties landschappelijk ingepast. Concluderend wordt gesteld dat het initiatief in lijn is met het gemeentelijke Rood voor Rood beleid. 4.3.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid. Het voornemen draagt bij aan de sociaal-economische vitaliteit van het landelijk gebied alsmede het versterken van de ruimtelijke kwaliteit door te investeren in het landschap.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie en archeologie & cultuurhistorie. Opgemerkt wordt dat in dit hoofdstuk ingegaan wordt op het binnen voorliggend bestemmingsplan mogelijk gemaakte nieuwe milieugevoelige object, namelijk de nieuwe woning aan de Bergweg 26 (bouwlocatie). Ter plaatse van de locatie aan de Wethouder Petterweg 19 is namelijk geen sprake van het toevoegen van milieugevoelige of milieubelastende functies. Alleen indien noodzakelijk wordt de locatie Wethouder Petterweg 19 nader bekeken.

5.1

Geluid

5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied Bergweg 26

De beoogde compensatiewoning aan de Bergweg 26 wordt in het kader van de Wet geluidhinder aangemerkt als nieuw geluidsgevoelig object. De bestaande bedrijfswoning aan de Wethouder Petterweg 19 is reeds een geluidsgevoelig object en behoeft daarom geen nadere aandacht. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

Het plangebied ligt in “buitenstedelijk gebied” en strikt formeel binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone, als bedoeld in art. 74 van de Wet geluidhinder van de Bergweg en de Batterinkweg beide een weg met één rijstrook binnen een zone waar 60 km/uur mag worden gereden. Het plangebied ligt net buiten de wettelijke geluidszone van de N347.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld De Batterinkweg en Bergweg betreffen allebei wegen met een relatief beperkte verkeersintensiteit. De wegen worden voornamelijk gebruikt door bestemmingsverkeer. Gelet op de lage verkeersintensiteit en de afstand tot de weg is derhalve te verwachten dat de voorkeursgrenswaarde (48 dB) niet wordt overschreden. Ter plaatse van de nieuwe woning zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.1.2.2 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.2.3 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied ligt. 5.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Voor het deelgebied aan de Wethouder Petterweg 19 is door Terra Agribusiness een verkennend bodemonderzoek en nader asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden hierna behandeld. Voor het rapportage van het verkennend onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting. Het deelgebied aan de Bergweg 26, waar de compensatiewoning wordt gerealiseerd, heeft al een woonbestemming. Ter plaatse is in 2017 door Milieutechniek Rouwmaat Groenlo b.v. een verkennend bodemen asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden hierna beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. 5.2.2 Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek en nader asbestonderzoek Wethouder Petterweg 19 Op basis van de resultaten van het verkennend en nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat de opgestelde hypothese "verdacht heterogeen verdeeld" juist is.

Tevens kan gesteld worden dat de doelstelling van het onderzoek, het vaststellen van de aard en omvang van de verontreiniging, grotendeels is behaald. Gezien de aangetroffen zintuiglijke waarnemingen en de aangetroffen concentraties asbest in het verkennenden nader onderzoek kan gesteld worden dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, zoals omschreven in de Wet bodembescherming. Het gehele erf is heterogeen verontreinigd met asbest in de bovengrond. In bijlage III van de onderzoeksrapportage zijn de verontreinigingscontouren weergeven. Uitgaande van een “worst-case scenario” betreft het een verontreiniging van circa 732 m3 met asbest verontreinigde grond. Afhankelijk van de terugsaneerwaarde zal de gehele, of slechts gedeeltelijk de verontreiniging zoals in de “worst-case scenario” aangegeven contour gesaneerd moeten worden. Aanbevolen wordt om dit vooraf met het bevoegd gezag te overleggen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld Druppelzone 1 Ter verticale afperking van de verhoging van deze druppelzone zijn 2 inspectiesleuven gegraven. Hiervan is een mengmonster samengesteld en geanalyseerd op asbest. In het mengmonster (DZ1 30-50) is geen asbest aangetroffen. De druppelzone is hiermee voldoende afgeperkt. Omdat de concentratie onder de interventiewaarde (100 mg/kg ds) blijft is er voor deze druppelzone geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. 5.2.3

Onderzoeksresultaten verkennend asbest- en bodemonderzoek Bergweg 26

Uit het uitgevoerde bodem- en asbestonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • •

•

In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. Bij het asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. In één mengmonster van de fijne fractie is een gehalte van 0,42 mg/kg aangetoond. Dit is onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik.

De hypothese voor het bodemonderzoek “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels aangenomen. De hypothese voor het asbestonderzoek “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als heterogeen verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels verworpen. 5.2.4

Conclusie

Op basis van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de slooplocatie Wethouder Petterweg 19 een sanering dient plaats te vinden. Dit zal gebeuren conform het advies van Terra Agribusiness in overleg met het bevoegd gezag. Voor de locatie Bergweg 26 gelden geen belemmeringen.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.5

Situatie plangebied

Bergweg 26 Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het deelgebied aan Bergweg 26. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe kader) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart,nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebieddeel Bergweg 26: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Wethouder Petterweg 19 Nabij het bestaande erf aan de Wethouder Petterweg 19 bevindt zich een hoge druk aardgasbuisleiding op circa 40 meter afstand. Het plan, de voorgenomen sloop, is voorgelegd aan de vakgroep externe veiligheid van de Omgevingsdienst IJsselland. Geconcludeerd is dat niet te verwachten is dat het slopen van de stallen gevaar BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld oplevert voor de hoge druk aardgasbuisleidingen, vanwege de afstand van 40 meter tot de dichtstbijzijnde leiding. Mochten er bij de sloop ook graafwerkzaamheden plaatsvinden dan moet er altijd een klic melding worden gedaan. Naast de hoge druk aardgasleidingen kunnen er ook andere leidingen in het gebied lopen. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als uitgangspunt gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. Van deze richtafstanden mag enkel gemotiveerd worden afgeweken. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld Het deelgebied Bergweg 26 ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt voor dit plan uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie deelgebied Bergweg 26

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Hieronder wordt eerst ingegaan op de locatie Bergweg 26 en vervolgens op de locatie Wethouder Petterweg 19. Bergweg 26 Nabij de planlocatie Bergweg 26 zijn een loonbedrijf, rundveehouderij en akkerbouwbedrijf gesitueerd. Uit de beoordeling aan de hand van VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering volgt dat aan de richtafstanden is voldaan. • • •

Op de locatie Batterinkweg 2 is een loonbedrijf gevestigd, de grootste richtafstand is 50 meter voor het aspect geluid. De afstand tot de planlocatie is ten minste 80 meter. Op de locatie Batterinkweg 5 bevindt zich een rundveehouderij, de grootste richtafstand is 100 meter voor het aspect geur. De afstand tot de planlocatie is circa 170 meter. Aan de Bergweg 22 is een akkerbouwbedrijf gevestigd, met een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De afstand tot de planlocatie is circa 180 meter.

De agrarische functies aan Batterinkweg 5 en Bergweg 22 hebben een agrarische bestemming voor een grondgebonden agrarische bedrijfsvoeringen. Een intensieve veehouderij is niet mogelijk. Dit houd in dat aan de Batterinkweg 5 reeds de maximale milieucategorie aanwezig is. Aan de Bergweg 22 mag de bedrijfsvoering BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld qua milieucategorie nog verzwaard worden naar een grondgebonden veehouderij. Hiermee wordt nog steeds ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Daarnaast zijn bestaande woningen nabij deze functies reeds maatgevend, waardoor de functies door voorliggende ontwikkeling niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden. Wethouder Petterweg 19 De bestaande te behouden bedrijfswoning is reeds een geurgevoelig object. Door de statuswijziging naar reguliere woning veranderd het beschermingsniveau niet, omdat de Wet geurhinder geen verschil maakt in bedrijfswoningen en reguliere woningen, beide betreffen geurgevoelige objecten. Volledigheidshalve wordt hier wel beknopt ingegaan op het woon- en leefklimaat. In de omgeving van Wethouder Petterweg 19 zijn percelen voor (intensieve) veehouderijen bestemd waar op dit moment geen dieren worden gehouden. Voor deze percelen waar intensieve veehouderijactiviteiten zijn toegestaan geldt op grond van de handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ een grootste richtafstand van 200 meter voor het aspect geurhinder. Hieronder worden de afstanden tot nabijgelegen functies beschreven: • • •

Wethouder Petterweg 8 (intensieve veehouderij toegestaan): circa 160 meter; Ommerkanaal West 18 (intensieve veehouderij toegestaan): circa 162 meter; Ommerkanaal Oost 20: circa 230 meter

Voor geurhinder zijn echter niet de richtafstanden maatgevend, maar de afstanden zoals aangeven in de Wet geurhinder en veehouderij. In paragraaf 5.6 wordt hier nader op ingegaan. Voor deze percelen treed echter geen beperking op, omdat de bestaande bedrijfswoning reeds maatgevend is en aanwezig blijft als reguliere woning. Daarnaast liggen deze erven 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruik. 5.6.2

Situatie plangebied

Bergweg 26 Het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf (Batterinkweg 5) is grondgebonden en gelegen op een afstand van ruim 170 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstanden. Gelet op deze grote afstand kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De agrarische bedrijven worden derhalve niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Wethouder Petterweg 19 De als reguliere woning te bestemmen bedrijfswoning Wethouder Petterweg 19 is eveneens geurgevoelig, maar het betreft hier reeds een bestaand geurgevoelig object. Er is een beperkt aantal intensieve veehouderijen aanwezig in de omgeving met dieren met geuremissiefactor, met name de intensieve veehouderij aan de Arriërveldsweg 13 te Arriën is van belang. Aan de hand van geuremissie van het bedrijf heeft door de Omgevingsdienst IJsselland een indicatieve beoordeling plaatsgevonden. De afstand tussen de planlocatie en het bedrijf is circa 860 meter, hiermee is het voldoende aannemelijk dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor en de bedrijfsvoering van de inrichting niet beperkt wordt door de nieuwe reguliere woning aan de Wethouder Petterweg 19. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.2

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. De deelgebieden zijn niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt bij de Bergweg 26 op een afstand van 30 meter. Door BJZ.nu is daarom een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-calculator 2020 welke opgenomen is in bijlage 4. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat in de aanlegfase geen sprake is van stikstofdeposities waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/j 1 wordt overschreden. Daarnaast is voor de gebruiksfase geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

1

https://www.bij12.nl/onderwerpen/stikstof-en-natura2000/veelgestelde-vragen/ Vergunningen vraag 10 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld Gelet op het vorenstaande is hiermee dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale Actualisatie Omgevingsvisie en –verordening uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde deelgebied (Bergweg 26) dat is aangewezen als NNN ligt op circa 450 meter afstand. Op onderstaande afbeelding 5.3 wordt de ligging van het NNN ten opzichte van de deelgebieden weergegeven. Gezien de afstand van het deelgebied tot de NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN.

Afbeelding 5.3 Overijssel)

5.7.3

Ligging van Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 gebied ten opzichte van de deelgebieden (Bron: Provincie

Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Door Natuurbank Overijssel is een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor de locatie Wethouder Petterweg 19. Hieronder wordt ingegaan op het onderzoeksresultaat ten aanzien van gebiedsbescherming en soortenbescherming weergeven, het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. Wethouder Petterweg 19 (slooplocatie) De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Sommige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels in de te slopen gebouwen. Vleermuizen en amfibieën bezetten geen vaste rustof voortplantingsplaats in het plangebied. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, die mogelijk gedood worden en waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats, beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling voor het ‘beschadigen en vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats’. Beschermde grondgebonden zoogdieren mogen niet zonder ontheffing opzettelijk gedood worden. Bergweg 26 (bouwlocatie) In de huidige situatie is ter plaatse van het plangebied sprake van intensief beheerd agrarisch land.

Ter plaatse worden geen bomen gekapt en is er geen sprake van waardevolle groenstructuur. Gelet hierop wordt gesteld dat ter plaatse van de bouwlocatie geen soorten worden aangetast. Overigens wordt benadrukt dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling. 5.7.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. De gemeente Ommen heeft in een archeologische verwachtingskaart per gebied opgenomen wat voor een archeologische verwachting ter plaatse geldt. In de Erfgoednota van de gemeente Ommen is opgenomen wat een bepaalde archeologische verwachting betekent voor een gebied, en of en wanneer een archeologische onderzoek dient te worden uitgevoerd. In nieuwe bestemmingsplannen wordt de archeologische verwachtingskaart in verwerkt. 5.8.1.2 Situatie deelgebied Wethouder Petterweg 19 Het deelgebied aan de Wethouder Petterweg is op basis van archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied met een ‘Lage archeologische verwachting’. Hier geldt een onderzoeksplicht bij plangebieden groter dan 1 ha. Gelet op het feit dat er ter plaatse geen bouwactiviteiten plaatsvinden, wordt het oppervlak niet overschreden.

Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld 5.8.1.3 Situatie deelgebied Bergweg 26 In het bestemmingsplan “Buitengebied, Bergweg 26, Ommen” is de archeologische verwachting verwerkt ter plaatse van het deelgebied Bergweg opgenomen. Bij bouwwerken groter dan 2.500 m2 en minder diep stekend dan 50 cm is er een archeologisch onderzoeksplicht. Hoewel het deelgebied groter is dan 2.500 m², zullen de grondwerkzaamheden dit oppervlak niet overschrijden. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie deelgebied Wethouder Petterweg Er bevinden zich in het deelgebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.2.3 Situatie deelgebied Bergweg 26 Er bevinden zich in het deelgebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3

Conclusie archeologie en cultuurhistorie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit Milieueffectrapportage

5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming De deelgebieden zijn niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt bij de Bergweg 26 op een afstand van 30 meter. Door BJZ.nu is daarom een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-calculator 2020 welke opgenomen is in bijlage 4. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat in de aanlegfase geen sprake is van stikstofdeposities waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/j 2 wordt overschreden. Daarnaast is voor de gebruiksfase geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gelet op het vorenstaande is hiermee dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. In voorliggend geval is reeds een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend en onherroepelijk. 5.9.2.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan voorziet in de omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming, waarbij planologisch één woning toegevoegd wordt. Het plan voldoet aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r.

Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder

2

https://www.bij12.nl/onderwerpen/stikstof-en-natura2000/veelgestelde-vragen/ Vergunningen vraag 10 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Wethouder Petterweg 19 en Bergweg 26” Vastgesteld drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet in de planologische wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming in het kader van een Rood voor Rood regeling ter plaatse van de Wethouder Petterweg. Na de sloop van de voormalige agrarische bebouwing wordt aan de Bergweg 26 een compensatiewoning gerealiseerd binnen de woonbestemming. Het gaat om een ontwikkeling die met uitzondering van sloop en landschapsmaatregelen niet gepaard gaat met fysieke ingrepen en geen groter beslag legt op de ruimte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10839308/1